Abd al-Malik: de eerste kaliefen

(Fragment. Over het grotere geheel kunt U eerst dit lezen)

In een verhaal over kalief ‘Abd al-Malik mag een algemene tekst over het kalifaat en het ontstaan daarvan niet ontbreken. Heel kort nu:

Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Khalīfa betekent ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. Plaatsvervanger van God of opvolger van Mohammed? Zie over deze kwestie en het kalifaat überhaupt: Kalief, kalifaat: een kort overzicht.

Het nog altijd actuele conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over de opvolging van Mohammed. Maar in de eerste eeuw was de strijd om het kalifaat veel ingewikkelder.

In geschiedenisboekjes en inleidingen in de islam worden de eerste kaliefen meestal in een eenvoudig schema weergegeven. Je had eerst vier gekozen, zog. ‘rechtgeleide kaliefen’ — althans zo worden ze door de soennieten genoemd — met als hoofdstad Medina:

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

Daarna kwam de dynastie der Umayyaden (661–750), die Damascus als hoofdstad hadden. Met hen begon de erfopvolging binnen het geslacht Umayya. Eerst kwam de Suyfāni tak van deze clan aan de beurt, de nakomelingen van Abū Sufyān ibn Ḥarb:

Mu‘āwiya I 661–680
Yazīd I 680–683
Mu‘āwiya II ibn Yazīd 683

Na allerlei woelingen en een heel slappe tijd ging het niet verder met die Sufyaniden en werd er verder geregeerd door Marwān ibn al-Ḥakam en diens afstammelingen, de zog. Marwaniden:

Marwān I   684–685
‘Abd al-Malik ibn Marwān   685–705

en zo gaat het lijstje door tot het einde van de dynastie in 750.

Die lijstjes lijken wel wat op de keurige overzichten van Europese vorstenhuizen, naar analogie waarvan ze misschien zelfs zijn opgesteld. Maar de politieke werkelijkheid in de eerste eeuw van het Arabische Rijk was veel ingewikkelder.

De eerste vier kaliefen werden gekozen uit de eerste aanhangers van Mohammeds beweging; uit de vroegste islamitische elite zou je kunnen zeggen, ware het niet dat de benaming islam voor die eerste tijd nogal misplaatst is.

‘Uthmān, de derde kalief, behoorde tot die elite, maar was tegelijkertijd door geboorte lid van de clan Umayya. Je zou hem dus voor hetzelfde geld de eerste Umayyade kunnen noemen.

‘Alī moest van meet af aan zijn kalifaat verdedigen tegen een andere pretendent, de sterke en slimme Umayyade Mu‘āwiya. ‘Alī heeft die strijd verloren. Na vier jaar werd hij vermoord door iemand uit een heel andere hoek, maar als dat niet het geval was geweest is het nog maar de vraag of hij als kalief de geschiedenis in was gegaan.

Mu‘āwiya was na ‘Alī’s dood onaangevochten kalief, maar hoe zat het met de tijd daarvoor? Hij regeerde al vanaf 642 in Damascus namens de kalief, nog niet zelf als kalief; maar had hij werkelijk te luisteren naar bevelen van zijn oudoom ‘Uthmān, de nogal passieve kalief in Medina? Bovendien was het tijdens diens kalifaat bijna één pot nat: de zaak bleef in de familie.

‘Abd al-Malik was volgens de lijstjes kalief van 685 tot zijn dood in 705. Maar tot 692 heeft hij daarvoor moeten vechten. Hij heeft zijn kalifaat eerst moeten vestigen.

Een groot bezwaar van het schematische kaliefenlijstje is dat ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680 (683)–692) er niet in voorkomt. De traditionele geschiedschrijving doet hem af als ‘tegenkalief’. Maar hij was een pretendent met minstens even goede kaarten als de anderen en hij heerste de facto over het overgrote deel van het rijk. Omdat hij na twaalf jaar werd verslagen en zijn lijn niet werd voortgezet is hij niet in de lijstjes terechtgekomen.

Deze bladen gaan over ‘Abd al-Malik, en de genoemde ‘Abdallāh speelt een belangrijke rol. Voor de duidelijkheid moet ik echter de troebelen na de dood van Mu‘āwiya ook bespreken. Dat wordt de hierop volgende tekst.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691-2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-*Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van *Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud