Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691–2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud

Verdiensten van de Gezellen: Abu Bakr vs. Umar en Ali

In mijn inleidende stuk over de Verdiensten der Gezellen had ik er al op gewezen hoe de reputatie en de status van de ‘gezellen van de profeet’ in sira-verhalen worden gemaakt of gebroken. De personen uit zijn omgeving over wie het meest werd gebakkeleid waren de eerste kaliefen. Daarom ben ik eens nagegaan hoe bij voorbeeld Abū Bakr, de eerste kalief (reg. 632–34) eraf komt in de teksten omtrent het sterfbed en de hidjra van de profeet. Zijn verdiensten blijken te contrasteren met die van twee latere kaliefen: ‘Umar en ‘Alī.
.
Het sterfbed van de profeet: Abū Bakr en ‘Umar
De laatste dagen van de profeet vormen een spannend hoofdstuk uit de biografie.1 De brandende vraag was: heeft de profeet een opvolger aangewezen of toch niet? Abū Bakr wás de opvolger van de profeet als staatshoofd, en het is dus interessant te kijken of daar in de teksten iets van te merken is. We zien zijn ‘koers’ op en neer gaan.
.
De profeet gaf tijdens zijn laatste ziekte opdracht dat Abū Bakr hem moest vervangen als imam die voorging in het gebed.2 Daaruit zou men eventueel kunnen concluderen dat ook een opvolging als imam in de zin van staatshoofd, kalief, was bedoeld.
.
Volgens twee berichten nam ‘Umar (de tweede kalief, reg. 632–34) de leiding van het gebed over, omdat Abū Bakr afwezig was. Kort daarop bleek echter dat dit niet de bedoeling was van de profeet en nam Abū Bakr de leiding alsnog over.3
Volgens een ander bericht was Abū Bakr zelfs op het moment dat de profeet stierf afwezig.4 Was hij ver weg, of had hij een belangrijke missie te vervullen zoals bij voorbeeld Usāma ibn Zayd, die een eind buiten de oase een veldtocht naar het noorden voorbereidde, maar op het kritieke ogenblik ijlings naar Medina kwam? Nee, Abū Bakr wilde slechts wat quality time met zijn vrouw doorbrengen in zijn huis aan de rand van Medina. Hij had daarvoor toestemming gevraagd en gekregen; toch maakt zijn afwezigheid geen fraaie indruk. Kan iemand die op kritieke ogenblikken niet aanwezig is de gemeenschap leiden? Het detail was blijkbaar niet te loochenen of weg te krijgen uit de overlevering. Maar nog niet alles was verloren op dit punt:
.
Al was Abū Bakr zelf niet bij het overlijden aanwezig, zijn familie was dat in sterke mate.5 Zijn dochter Aisha is zelfs de heldin van het sterfbed. Zij maakt grapjes met de profeet en zij is het die hem in zijn laatste dagen in huis neemt en verpleegt. In zijn laatste ogenblikken ziet de profeet een man in haar huis lopen met in zijn hand een twijgje van de soort die als tandenborstel (siwāk) werd gebruikt. Dat was natuurlijk een familielid, want vreemde mannen zijn in Aisha’s huis niet te verwachten. Eén overlevering noemt die man bij name: het was Aisha’s broer ‘Abd al-Rahmān. De profeet wenkt dat hij die tandenstoker wil hebben; Aisha kauwt hem voor en overhandigt hem aan de profeet. Daarna sterft deze aan Aisha’s borst. Meer intimiteit is niet mogelijk! Zo werd Abū Bakrs afwezigheid in dit verhaal door zijn familieleden enigszins gecompenseerd.
.
Na het overlijden van de profeet maakt Abū Bakr volgens de overlevering een goede beurt. Terwijl ‘Umar de kluts kwijt raakt en beweert dat de profeet niet echt dood is, bewaart Abū Bakr zijn kalmte en brengt de gemeente met behulp van een koranvers weer op het rechte spoor.6 Een geschikte leidersfiguur dus.
.
Abū Bakr en ‘Alī in de verhalen omtrent de hidjra
Hier wordt de werking van het principe ‘Verdiensten der Gezellen’ nog duidelijker. Van de bekendste sunnitische verhaalstof van Ibn Isḥāq over de hidjra, dat is de emigratie van de profeet naar Medina, en de voorbereidingen daartoe heb ik hier een deel vertaald.7 Het gedeelte over Abū Bakr stamt van ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 635–712), wiens moeder Asmāʾ was, een dochter van Abū Bakr. De beroemdste dochter van Abū Bakr, Aisha, was dus zijn tante. Het zal dus niet verbazen dat Abū Bakr en diens kinderen schitterende rollen spelen in zijn verhaal.
Vrijwel alle Moslims zijn al weg naar Medina, maar de profeet wacht nog in Mekka tot hij de toestemming van God krijgt om ook te gaan. Alleen Abū Bakr en ‘Alī8 zijn bij hem gebleven. Abū Bakr hoopt de profeet te mogen vergezellen op zijn gevaarlijke reis. Hij koopt alvast de kamelen waarop de profeet en hij de tocht kunnen volbrengen. De profeet verschijnt onverwacht in het huis van Abū Bakr om hem te zeggen dat hij samen met hem mag reizen. Asmā’ en Aisha zijn daarbij nadrukkelijk aanwezig. Intussen beramen de tegenstanders van de profeet een aanslag op hem. Als deze mislukt is en de profeet en Abū Bakr eenmaal de stad zijn ontvlucht verbergen zij zich enige dagen in een grot. Hiermee wordt soms het koranvers 9:40 in verband gebracht: فقد نصره الله إذ أخرجه الذين كفروا ثاني اثنين إذ هما في الغار […] God heeft hem al geholpen toen de ongelovigen hem samen met een tweede eruit zetten, toen zij beiden in de grot waren […].
Abū Bakr maakt zich wederom onmisbaar doordat hij met gevaar voor eigen leven de grot zuivert van ongedierte en schorpioenen. Zijn dochter Asmāʾ brengt proviand, zijn zoon ‘Abdallāh luistert af wat de mensen in Mekka zeggen en brengt dat ‘s avonds over aan de profeet in de grot. Kortom, het hele gezin van Abū Bakr wordt ingeschakeld en maakt zich buitengewoon verdienstelijk. Allen lopen daarbij aanzienlijke risico’s. Alleen Aisha is nog te jong om actief te worden, maar zij is wel bij het overleg aanwezig geweest en vertelt later het hele verhaal.
‘Alī was eveneens in Mekka achtergebleven, maar zijn rol bij de vlucht is een ondergeschikte: hij moet in het bed van de profeet overnachten om aldus de mannen te misleiden die de profeet in dat bed willen vermoorden. Na vertrek van de profeet en Abū Bakr bleef ‘Alī nog enkele dagen in Mekka achter om mensen de goederen terug te geven die ze bij de profeet in bewaring hadden gegeven. Twee eerzame, maar ondergeschikte karweitjes. Zo maakte hij de eigenlijke hidjra dus niet mee, en de intocht van de profeet in Medina evenmin.
Zonder Abū Bakr en zijn gezin had de hele hidjra niet kunnen plaatsvinden, lijkt ons dit verhaal over te willen brengen. Zonder ‘Urwa en zijn bron, zijn tante Aisha, was de geschiedenis heel anders uitgevallen.
.
Er bestaan echter ook versies van de hidjra-verhalen waarin Abū Bakr minder fraai optreedt, te laat komt of zelfs in de weg loopt, terwijl ‘Alī een glansrol speelt. Een korte, anonieme, kennelijk sjiïetisch geïnspireerde versie, die o.a. bewaard is bij al-Tabarī, vertelt het als volgt:
Abū Bakr wist blijkbaar niet dat de profeet al vertrokken was en ging ‘Alī vragen waar hij was. ‘Alī vertelde hem dat de profeet de stad had verlaten en in een bepaalde grot zijn toevlucht ging zoeken, en dat hij zich daar maar bij hem moest voegen. Abū Bakr begaf zich haastig daarheen, de profeet achterna. De profeet hoorde hem achter zich aan komen en was bang dat het een vijand was. Hij zette de pas erin, maar kreeg last van een kapotte sandaal en verwondde zijn grote teen. Abū Bakr was bang dat hij de profeet overlast zou geven en maakte zich kenbaar. Pas vanaf dat moment gingen ze samen verder, terwijl de voet van de profeet hevig bloedde.
‘Alī daarentegen gedroeg zich heldhaftig in de confrontatie met de vijanden die de profeet wilden doden. Zij gaven hem ter plaatse een pak slaag en zetten hem een tijdje gevangen, wat hij dapper doorstond.9
Een sjiïtisch verhaal, kortom. Het is ook bewaard in een papyrus uit de negende eeuw, dat echter teruggaat op de verteller → Wahb in Munabbih (± 654–730).10 Diens veel uitvoerigere verhaal bevat de volgende elementen:
.
Mohammed begeeft zich naar Abū Bakrs huis en vertelt over de samenzwering van Quraysh. Abū Bakr moet buiten gaan afluisteren wat de vijanden beramen. Hij volgt er twee, waarvan er een zelfs de duivel in persoon is. Abū Bakr brengt verslag uit van zijn gevaarlijke missie en vraagt toestemming mee te reizen. Die krijgt hij, waarop hij zich voorbereidt voor vertrek die avond.
De profeet laat intussen ‘Alī halen en hem zeggen dat hij in het bed van de profeet moet gaan slapen, om de samenzweerders te misleiden. Quasi terloops wordt hem ook gezegd dat hij Abū Bakr moet opdragen zich in een bepaalde grot bij hem te voegen. Ze gaan dus toch niet samen; dat is een vreemde breuk in het verhaal. De profeet weet te ontkomen; Abū Bakr gaat hem achterna, maar laat hem schrikken, zodat hij struikelt en zijn voet bloedt. Nu maakt Abū Bakr zich kenbaar. Samen gaan ze de grot binnen. Abū Bakr maakt met gevaar voor eigen leven de grot een beetje schoon en wordt door een schorpioen gestoken. De profeet moet nu zijn toverkracht (ruqya) aanwenden om hem te genezen. Kortom, Abū Bakr slooft zich uit, maar hij loopt het vertrek van de profeet mis, en deze heeft onderweg nogal wat met hem te stellen.
‘Alī had intussen in het bed van de profeet geslapen en treedt heldhaftig op tegen de samenzweerders. Zowel Abū Bakrs dochter Asmāʾ als ‘Alī brengen dagelijks levensmiddelen naar de grot; er is zelfs enige competitie tussen die beiden.
‘Alī krijgt de opdracht drie kamelen en een gids te gaan huren voor de verdere tocht. Bij de intocht in Medina wordt Abū Bakr helemaal niet vermeld; wel ‘Alī, die enkele dagen later aankomt.
.
Europese oriëntalisten voelen zich meestal verwant met de sunnitische islam; vandaar dat zij ook in dit geval al gauw zeggen dat ‘Urwa’s verhaal het oudste is en het andere een sjiïetische bewerking. Het kan zijn, maar het zou eventueel ook omgekeerd kunnen zijn. Men maakt zich er wat makkelijk van af.
De Shia, de ‘Partij van ‘Alī’, bestond al tijdens diens leven. Zijn recht op het kalifaat was van meet af aan en vooral na zijn dood in 661 voortdurend een hot issue, terwijl het gedachtengoed van ‘Urwa pas goed doorbrak na 690. Wahb stierf ± 728, maar zijn versie is er één die al een hele geschiedenis achter zich heeft. Er zitten duidelijk elementen van secundaire ‘Alī-pushing in, zoals het opzichtig ertussen proppen van ‘Alī’s rol bij de verwerving van kamelen en de voedselvoorziening in de grot, maar het is niet alléén ‘Alī wat de klok slaat. Er zitten ook wat ‘verdiensten van Abū Bakr’ in, die waarschijnlijk tot de kern van het verhaal behoorden. Wahbs verhaal is inderdaad een gemengde versie. De ongedateerde versie van al-Tabarī is veel eenzijdiger sjiïetisch. Het sjiïetische basisverhaal kán ouder dan ‘Urwa’s verhaal zijn geweest. Alleen een zorgvuldige vergelijking van alle versies zou hier verder kunnen brengen.
.
In ieder geval zal het duidelijk geworden zijn dat de ‘verdiensten’ van een bepaalde gezel van de profeet op en af gaan naar gelang van de politieke overtuiging van de verteller.

NOTEN
1. Onvolledige vertaling in Ibn Ishaak, Leven, 243–251, en ook hier. Arabische tekst: Ibn Isḥāq (Wüstenfeld), 999–1013; complete Engelse vertaling Guillaume, 678–683.
2. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1008; vert. Guillaume, 680, vert. Raven 247.
3. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1009 en 1010; vert. Guillaume, 681, vert. Raven 247 en 248.
4. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1010; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 249.
5. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1011; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 250 ; Raven, Chew stick, 593–598.)
6. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1012–13; vert. Guillaume, 682–3, vert. Raven 250–251. Zie ook Mohammeds bijzondere dood.
7. Onvolledige vert. in Ibn Ishaak, Leven, 100–109; Arabische tekst: Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 323–334; complete Engelse vertaling Guillaume, 221–227 .
8. ‘Alī ibn Abī Tālib, de latere vierde kalief, reg. 656–661; het uithangbord van de Sjiieten, die de eerste drie kaliefen illegitiem achten. Daarom is hij in de verhalen met terugwerkende kracht de verklaarde tegenspeler van Abū Bakr en ‘Umar. Hoe de mannen tegenover elkaar stonden tijdens hun werkelijke leven is uiteraard onbekend.
9. Al-Tabarī, Ta’rīkh i, 1233-4.
10. Khoury, Wahb i, 136–151.

LITERATUUR
Ibn Ishāq: 
Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 (Arabische tekst, editio princeps).
– A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– R. G. Khoury, Wahb b. Munabbih. Teil 1. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. Leben und Werk des Dichters. Teil 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih,“ BSOAS 37 (1974), 547–71.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih: An Addendum,“ BSOAS 40 (1977), 125–27.
– W. Raven, ‘The chew stick of the prophet in Sira and Hadith,’ in Anna Akasoy en Wim Raven (uitg.), Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation in Honour of Hans Daiber, Leiden 2008, 593–611. Online hier.

Diakritische tekens en tags: ʿĀʾisha, Aisja, Aicha, Umar, Omar, ʿUmar, ʿAlī ibn Abī Ṭālib, Abu Bakr ʿAbd al-Raḥmān, aṭ-Ṭabarī

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens Ibn Ishaq (vertaalde tekst)

““Na het vertrek van zijn gezellen wachtte de profeet in Mekka op Gods toestemming om ook zelf te emigreren. Behalve ‘Alī en Abū Bakr bleef geen van de Emigranten in Mekka achter, met uitzondering van hen die gevangen zaten en degenen die tot afval waren gedwongen. Abū Bakr vroeg de profeet meermalen of hij al mocht emigreren, maar dan kreeg hij ten antwoord: ‘Haast je niet; misschien zal God je een reisgenoot geven.’ Dan hoopte Abū Bakr dat het de profeet zelf zou zijn.

Toen de Qurayshieten merkten dat de profeet aanhangers en vrienden buiten hun stam en buiten hun gebied had en dat zijn gezellen daarheen vertrokken waren, begrepen ze dat zij daar een woonplaats en beschermers hadden gevonden. Nu werden ze bang dat ook de profeet zich bij hen zou voegen, want zij wisten dat hij had besloten oorlog tegen hen te voeren. Daarom kwamen ze bij elkaar in de raadszaal—dat was het huis van Quṣayy ibn Kilāb, waar alle belangrijke besluiten van Quraysh werden genomen—om te beraadslagen wat ze moesten doen met de profeet, nu ze hem te duchten hadden.

Een van onze vrienden, een betrouwbare man, heeft ons bericht van ‘Abdallāh ibn abi Nadjīḥ, die zich beriep op Mudjāhid, en nog een ander onverdacht persoon die ‘Abdallāh ibn ‘Abbās aanhaalde, heeft eveneens verteld: Toen zij daartoe hadden besloten en hadden afgesproken dat ze in de raadszaal zouden vergaderen over de profeet, kwam op de ochtend van de vastgestelde dag—die de dag der Menigte (al-zaḥma) genoemd wordt—de duivel bij hen, in de gedaante van een waardige grijsaard, die was gekleed in een ruige mantel. Toen zij hem bij de deur zagen staan vroegen zij wie hij was. Hij antwoordde dat hij uit de Nadjd kwam, dat hij van hun afspraak had gehoord en was gekomen om zijn oor te luisteren te leggen en hun wellicht goede raad te geven. Hij werd binnengelaten en daar trof hij de edelen van Quraysh in vergadering bijeen. […] Zij stelden vast dat zij, nu Mohammed aanhangers had buiten hun stam, niet langer veilig waren voor een onverhoedse aanval en dat er dus iets ondernomen moest worden. Tijdens de beraadslaging zei iemand: ‘Sla hem in ijzeren boeien, doe de deur op slot en wacht rustig af tot hij dezelfde dood sterft als de dichters Zuhayr en Nābigha en anderen van zijn slag.’ ‘Nee, dat is geen goed plan,’ zei de oude man uit de Nadjd. ‘Als jullie hem gevangen zetten, dan lekt dat uit: zijn gezellen zullen ervan horen en zullen waarschijnlijk onmiddellijk aanvallen en hem bevrijden; dan zal hun aantal zo toenemen dat zij jullie de baas worden. Nee, dat is geen goed plan; jullie moeten iets anders bedenken.’ Toen zei iemand: ‘Laten we hem wegjagen uit ons gebied. Als hij hier eenmaal vandaan is kan het ons niet schelen waar hij heen gaat en waar hij terechtkomt. Als we eerst maar van hem af zijn, dan kunnen wij onze oude eendracht herstellen.’ ‘Ook dit is geen goed plan,’ zei de oude man, ‘zien jullie niet met wat voor mooie verhalen hij komt, hoe goed hij spreekt en hoe hij de mensen in zijn ban houdt met zijn boodschap? Als jullie dat doen zal hij misschien neerstrijken bij een bedoeïenenstam en hen met mooie woorden overhalen naar zijn kant. Dan trekt hij met hen op en verslaat jullie in je eigen gebied; dan krijgt hij hier de macht in handen en zijn jullie aan zijn genade overgeleverd. Nee, bedenk liever een ander plan.’ Toen zei Abū Djahl ibn Hishām dat hij een idee had waar nog niemand op was gekomen: ‘We nemen uit iedere stam een aanzienlijke, sterke jonge man en geven hem een scherp zwaard. Die gaan met hun allen op hem af en doden hem met één klap; dan zijn wij van hem af, want zo wordt de bloedschuld verdeeld over alle stammen; het geslacht ‘Abd Manāf kan het nooit opnemen tegen hen allen, zodat ze genoegen moeten nemen met een bloedgeld, en dat betalen we dan.’ ‘Dat is het!’ zei de oude man uit de Nadjd, ‘er is geen beter plan dan dit.’ Met dit besluit gingen ze uiteen.

Intussen kwam Djibrīl bij de profeet en zei tegen hem, dat hij die nacht niet in zijn eigen bed moest gaan slapen. Nadat er een deel van de nacht verstreken was verzamelden die mannen zich bij de deur van Mohammeds huis om te kijken of hij al sliep; dan zouden ze hem overvallen. Maar de profeet zag hen en zei tegen ‘Alī: ‘Ga jij in mijn bed slapen en hul je in deze groene Hadramitische mantel, want jou zullen ze niets doen.’ Dat was de mantel waarin de profeet gewoonlijk sliep. De rest van het verhaal geef ik in de overlevering van Muḥammad ibn Kaʿb de Qurayẓiet, zoals Yazīd ibn Ziyād mij die heeft doorgegeven: Toen zij zich allemaal bij de deur hadden verzameld zei Abū Djahl tegen hen: ‘Mohammed beweert dat je, als je hem volgt, koning over Arabieren en Perzen wordt, en dat je na je dood wordt opgewekt en dat je een tuin krijgt zo mooi als de tuinen van de Jordaan, maar dat je afgeslacht wordt als je hem niet volgt en dat je dan na je dood zal branden in het hellevuur.’ Hierop kwam de profeet naar buiten, met in zijn handen wat stof, en zei: ‘Zo is het, en dat geldt ook voor jou.’ God had hun gezichtsvermogen weggenomen, zodat ze hem niet konden zien, en hij begon dat stof uit te strooien over hun hoofden, terwijl hij uit soera ‘Yā’ Sīn’ reciteerde: „Yā’ Sīn. Bij de wijze koran. Jij bent werkelijk een van de gezondenen, op een rechte weg. De openbaring van de Geweldige, de Barmhartige […]“, tot de woorden: […] „en Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet kunnen zien.“ [36:1–9] Nadat hij deze verzen had gereciteerd, had hij bij iedereen stof op het hoofd gelegd en ging ongehinderd weg. Er kwam iemand langs die niet bij die mannen behoorde; deze vroeg waarop ze stonden te wachten. Toen ze zeiden dat ze Mohammed opwachtten zei hij: ‘Maar jullie plan is verijdeld! Mohammed is net naar buiten gekomen, heeft stof op jullie hoofd gelegd en is weggegaan. Zien jullie dan niet hoe je eraan toe bent?’ Nu grepen ze naar hun hoofd en voelden het stof. Ze gingen op onderzoek uit en zagen ‘Alī op het bed liggen, gehuld in de mantel van de profeet, en ze zeiden: ‘Maar daar ligt Mohammed toch te slapen onder zijn mantel?’ Dus bleven ze daar tot de ochtend, en toen het ‘Alī bleek te zijn die uit het bed stapte zeiden ze: ‘God allemachtig, dan had die man toch gelijk!’ Over deze dag en over dat besluit van hen heeft God onder andere geopenbaard: ‘En toen degenen die ongelovig zijn een aanslag tegen jou beraamden, om je vast te zetten of te doden of te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’ [8:30] en: ‘Of zij zeggen: ‘Een dichter; wij zullen afwachten wat het wisselvallige noodlot met hem zal doen. Zeg: ‘Wacht maar af; Ik wacht met u mee.’’ [52:30]

Toen gaf God zijn profeet toestemming tot de hidjra. Abū Bakr, die een vermogend man was, had met het oog op de hoopgevende uitlatingen van de profeet alvast twee rijdieren gekocht, ze op zijn binnenplaats opgesloten en ze goed gevoederd. Een man die ik vertrouw heeft van ‘Urwa ibn Zubayr vernomen dat Aisha heeft gezegd: De profeet kwam altijd naar het huis van Abū Bakr in de vroege ochtend of in de avond. Maar op de dag dat hij toestemming kreeg tot de hidjra uit Mekka, kwam hij ’s middags bij ons, op een ongebruikelijk uur. Zodra Abū Bakr hem zag begreep hij dat er iets aan de hand was. De profeet kwam binnen en mijn vader bood hem zijn zitplaats aan. Alleen mijn zuster Asmāʾ en ik waren erbij, en de profeet vroeg aan mijn vader ons weg te sturen. ‘Maar waarom? Dit zijn mijn twee dochters,’ zei Abū Bakr. Toen deelde de profeet mee dat hij toestemming had gekregen om te vertrekken. ‘Samen?’ vroeg Abū Bakr. ‘Ja, samen,’ antwoordde hij. Ik had nog nooit iemand van vreugde zien huilen, totdat ik mijn vader zag huilen op die dag. Hij vertelde over de twee kamelen die hij klaar hield. Zij huurden ‘Abdallāh ibn Arkaṭ, die toen nog heiden was, als gids en gaven hem de beide kamelen om ze te verzorgen tot het afgesproken tijdstip. Naar verluidt wist niemand van het vertrek van de profeet, behalve ‘Alī en Abū Bakr en diens gezin. ‘Alī was door de profeet op de hoogte gebracht en had opdracht gekregen, in Mekka achter te blijven om namens hem de mensen hun waardevolle voorwerpen terug te geven die ze bij hem in bewaring hadden gegeven. Want iedereen in Mekka die iets bezat waarom hij zich zorgen maakte deponeerde dat bij de profeet, omdat die bekend stond als eerlijk en betrouwbaar.

Toen de profeet besloot te vertrekken ging hij naar Abū Bakr. Door een raampje aan de achterkant van Abū Bakrs huis verdwenen ze. Zij begaven zich naar een grot in de Thawr, een berg beneden Mekka, waar zij zich verborgen. Abū Bakr droeg zijn zoon ‘Abdallāh op om overdag te gaan afluisteren wat de mensen over hen zeiden en ’s avonds het nieuws van die dag te komen melden. Zijn vrijgelaten slaaf “Āmir ibn Fuhayra gaf hij opdracht, overdag zijn kudde te hoeden en die ’s avonds bij hen in de grot te brengen. Zijn dochter Asmāʾ bracht hun ’s avonds het nodige voedsel. De profeet bleef drie dagen in de grot, met Abū Bakr. De mannen van Quraysh loofden intussen honderd kamelen uit voor degene die hun de profeet in handen zou spelen. ’s Avonds bracht ‘Abdallāh verslag uit van wat ze in Mekka bespraken en beraamden, en ‘Āmir kwam met het vee van Abū Bakr, dat hij samen met de herders van de Mekkanen had geweid, naar de grot, waar ze het molken en er een beest van slachtten. Als ‘Abdallāh ’s morgens naar Mekka ging volgde ‘Āmir hem met de kudde om zijn sporen uit te wissen. Toen er zo drie dagen voorbij waren gegaan en de aandacht van Quraysh verslapte, kwam de man die zij hadden gehuurd met hun kamelen en nog een kameel voor zich zelf, terwijl Asmā’ hun voedsel kwam brengen voor onderweg; zij had echter vergeten een touw mee te brengen, zodat zij de zak niet op de kameel kon binden. Toen maakte zij haar gordel los en gebruikte die als touw. Daarom kreeg zij de bijnaam: ‘zij van de gordel’. Abū Bakr toonde de profeet de beide dieren en bood hem het beste aan om te berijden. Maar de profeet weigerde een kameel te berijden die niet van hem was. Toen Abū Bakr hem het dier wilde schenken weigerde hij dat ook, en vroeg voor hoeveel hij het gekocht had; voor die prijs nam hij het over. Ze gingen op weg, en Abū Bakr nam zijn vrijgelatene ‘Āmir ibn Fuhayra achterop, zodat die hen onderweg kon bedienen.

Niet af; hier hoort nog een groot tussenstuk.@@

Hun gids, ‘Abdallāh ibn Arkaṭ,@ leidde hen onder Mekka, langs de kust, onder ‘Usfān voorbij. Vervolgens ging het langs Amadj en verder langs Koedaid@. Daarna vermeed hij de weg en voerde hen via Kharrār en de Marra-pas naar Liqf. Vandaar langs de waterput van Liqf, omlaag naar die van Mahādj; toen naar Mardjiḥ Mahādj, en omlaag naar Mardjih in Dhū al-Ghadwayn, door het dal van Dhū Kashr, over Djadādjid, Adjrad, Dhū Salam in het dal A‘dā’, de waterput van Ta‘hin, over ‘Abābīd; toen via Fāddja. Toen leidde de gids hen van ‘Ardj naar de ‘Ā’ir-pas, rechts van Rakūba tot in het dal van Riʾm, en ten slotte bereikten zij Qubāʾ, bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf op maandag 12 rabīʾ al-awwal, precies op het middaguur.

Muḥammad ibn Dja‘far ibn Zubayr doet het volgende verhaal van ‘Urwa ibn Zubayr dat deze heeft vernomen van ‘Abdallāh ibn ‘Uwaymir ibn Sā‘ida, dat gezellen van de profeet uit zijn stam hem hebben verteld: Zodra wij hadden gehoord van Mohammeds vertrek uit Mekka verlangden wij vurig naar zijn aankomst. Na het ochtendgebed gingen wij altijd naar het lavaveld buiten Medina om hem op te wachten; wij bleven daar tot er helemaal geen schaduw meer was en wij wel moesten terugkeren, want het was in het hete jaargetijde. Ook op de dag dat de profeet aankwam waren wij daar geweest, maar toen hij eraan kwam waren wij al teruggegaan om binnen in de schaduw te gaan zitten. De eerste die hem zag was een jood. Deze had gezien hoe wij dagelijks de komst van de profeet verwachtten. Hij riep zo hard hij kon: ‘Mannen van Qayla, jullie geluk is gekomen!’ Toen kwamen wij naar buiten en troffen de profeet aan in de schaduw van een palm, met naast zich Abū Bakr, die van dezelfde leeftijd was. De meesten van ons hadden de profeet nog nooit gezien, en toen onze mensen samendromden rondom hen, wisten ze niet wie van de twee het was. Pas toen hij in de volle zon kwam te zitten en Abū Bakr opstond om hem schaduw te bieden met zijn bovenkleed begrepen wij het. Naar verluidt nam de profeet zijn intrek bij Kulthūm ibn Hidm, een broeder van de stam ‘Amr ibn Awf, iemand uit het geslacht ‘Ubayd; maar volgens anderen bij Sa‘d ibn Khaythama. Degenen die menen dat het bij Kulthūm was, zeggen dat de profeet het huis van ʿalleen heeft bezocht, en wel omdat deze ongetrouwd was en geen gezin had en hij de ongehuwde Emigranten herbergde, en dat zo het gerucht is ontstaan dat de profeet bij Sa‘d inwoonde. Diens huis wordt ook wel genoemd: het vrijgezellenhuis. Maar God weet het best hoe het gegaan is. Abū Bakr ging in Sunḥ wonen, bij Khubayb ibn Isāf, van het geslacht Ḥārith ibn Khazradj; volgens anderen bij Kharidja ibn Zayd. ‘Alī was nog drie dagen in Mekka gebleven om namens de profeet alle in bewaring genomen voorwerpen terug te geven; daarna voegde hij zich bij de profeet en woonde met hem bij Kulthūm. De profeet bleef bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf te Qubāʾ van maandag tot donderdag en legde daar de hoeksteen voor een moskee. Op vrijdag liet God hem vandaar vertrekken (al beweren de mensen van ‘Amr dat hij langer bij hen bleef; maar God weet het het beste). Het vrijdagsgebed verrichtte hij bij het geslacht Sālim ibn ‘Awf. Hij verrichtte het in de moskee in het diepst van het rivierdal Ranūnāʾ. Dat was het eerste vrijdagsgebed die hij in Medina verrichtte. Toen hij verder trok kwamen er telkens vertegenwoordigers van de verschillende clans naar hem toe die hem vroegen of hij bij hen wilde blijven en hun bezit en bescherming wilde aanvaarden, maar hij antwoordde: ‘Laat mijn kameel gaan, want hij staat onder Gods bevel!’ Zo trok de kameel verder, van de ene woonstee naar de andere, tot hij bij het geslacht Mālik ibn Nadjdjār kwam, waar hij neerknielde bij de poort van de moskee. Destijds was dat een plaats waar dadels gedroogd werden, die toebehoorde aan twee wezen uit de stam Nadjdjār, die onder voogdij stonden van Mu‘ādh ibn ‘Afrā’, namelijk Sahl en Suhayl ibn ‘Amr. Daar de profeet echter niet afsteeg, stond de kameel weer op en liep een eindje verder, waarbij de profeet de teugel vrij liet en hem niet leidde. Maar de kameel keerde om, ging terug naar diezelfde plek en knielde neer. Hij wilde weer overeind komen, maar kon het niet en bleef liggen met zijn voorlijf op de grond. Toen steeg de profeet af. Abū Ayyūb Khālid ibn Zayd droeg zijn bagage zijn huis binnen en de profeet nam bij hem zijn intrek. Hij informeerde naar de droogvloer en Mu‘ādh vertelde hem dat die toebehoorde aan die twee wezen, maar dat hij hem als moskee in gebruik kon nemen en dat hij de beide jongens schadeloos zou stellen. De profeet gaf opdracht, daar een moskee te bouwen en bleef bij Abū Ayyūb tot de moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. De profeet nam zelf ook deel aan de arbeid, om de moslims aan te moedigen. Zowel de Emigranten uit Mekka als de Helpers uit Medina werkten er onvermoeibaar aan. De profeet bleef in Medina van de maand rabīʾ al-awwal tot de maand ṣafar van het volgende jaar, toen zijn moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. Deze stam der Helpers nam in zijn geheel de islam aan, en er was geen huis waarvan de bewoners zich niet bekeerden. Alleen Khaṭma, Waqif, Wā’il en Umayya, die samen de Aws Allāh vormen, een deel van de stam Aws, volhardden in hun heidendom’’’’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 323–329; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 100–106.

Ga naar De hidjra in de koran      De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

Terug naar Inhoud

De Ridda-oorlogen

De Ridda-oorlogen zijn de veldtochten die van 632-634 werden gevoerd om het gehele Arabische schiereiland in te lijven bij de nieuw gevormde Arabische staat in Medina.
Hierover bestaat een traditioneel-islamitische overlevering en een moderne geschiedkundige beschouwing, die daarvan afwijkt.

Volgens de traditioneel-islamitische overlevering had Mohammed heel Arabië onder zich verenigd. Dadelijk na zijn dood verzaakten echter ettelijke stammen de islam weer en droegen geen belasting meer af naar Medina. Of in de woorden van Ibn Ishāq:

  • Toen de profeet was gestorven, werden de Arabieren afvallig, staken christendom en jodendom de kop weer op en trad de halfhartigheid aan het licht. De moslims waren als schapen in de regen op een winternacht, nu zij de profeet verloren hadden, totdat God hen verenigde onder Abū Bakr.1

Tijdens het tweejarige kalifaat van Abū Bakr werden in een reeks veldtochten, vele onder aanvoering van de beroemde generaal Khālid ibn al-Walīd, de afvalligen weer teruggebracht onder de banier van de islam. Ook werd er met enkele ‘valse profeten’ afgerekend, onder wie Musaylima.
Ridda betekent ‘geloofsafval’ en inderdaad: in deze overlevering wordt het verleden terugblikkend religieus op maat gesneden en geïnterpreteerd.

Moderne geschiedkundigen beschrijven gebeurtenissen uit het verleden niet in religieuze termen. Volgens hen besloeg de nieuwe staat in 632 slechts een klein deel van het schiereiland. In de jaren daarop werd de rest van Arabië niet weer, maar voor het eerst bij de staat gevoegd. De stammen die zich bij de staat van Medina aansloten deden dat niet uit een diepgevoelde religiositeit, maar uit politieke overwegingen. Ze zagen het voordeel van zo’n groter bondgenootschap en hadden daar een zekere onderschikking aan het centrale gezag en wat belasting voor over. En als ze het niet zagen werden ze met geweld of dreiging een eind op weg geholpen. Er was ook nog niet zoiets als een kant en klare islam, waartoe men zich kon ‘bekeren’ en die men eventueel weer had kunnen afzweren; hoogstens een eerste aanzet daartoe.

NOOT:
1. [Ibn Isḥāq, Sīra:] Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 1021. لمّا تُوفّي رسول الله ص ارتدّت العرب، واشرأبت اليهودية والنصرانية، ونجم النفاق، وصار المسلمين كالغنم المَطيرة في الليلة الشاتية، لفقد نبيّهم ص حتى جمعهم الله على أبي بكر.

Literatuur
– M. Lecker, ‘Ridda,’ in EI2 Suppl. [grote bibliografie!]
– E. S. Shoufani, AlRiddah and the Muslim Conquest of Arabia, Toronto/Beirut 1973.
– W. Montgomery Watt, ‘Musaylima,’ in EI2.
– M. J. Kister, ‘Musaylima,’ in EQ.
– M. J. Kister, ‘The struggle against Musaylima and the conquest of Yamāma,’ in Jerusalem Studies of Arabic and Islam 27 (2002), 1–56. Ook online.

Terug naar Inhoud