Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691-2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-*Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van *Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud

Mohammed en Aisha: was de profeet getrouwd met een kind?

DEUTSCHE FASSUNG

In 2008 verscheen er een artikel van mij in De Gids, getiteld ‘Mohammed en Aisja: was de profeet getrouwd met een kind?’ Het werd graag gelezen, en het kan ook nu nog gelezen worden. HIER kunt U het downloaden. Na vijf jaar vond ik echter dat artikel wel aan herziening toe. Daarom begin ik hieronder nog eens opnieuw. Het Wikipedia-artikel waarnaar ik destijds verwees bestaat niet meer. Ik heb echter de Pakistaanse publicatie gevonden die misschien de bron daarvan was. Het is Habib-ur-Rahman Siddiqui Kandhalvi, Taḥqīq-e ‘omr-e ‘Ā’isha, Karachi 1997. Meer daarover op blz. 4.

————————————————————————–

Was Mohammed getrouwd met een kind? – nieuwe versie

De hadith volgens welke de profeet Mohammed met zijn lievelingsvrouw Aisha (of Aisja) getrouwd is toen zij zes of zeven jaar oud was en het huwelijk heeft voltrokken toen ze negen was, vormt steeds meer een steen des aanstoots. Islamhaters en -critici zien er een welkome aanleiding in om de profeet nog eens lekker te beledigen. Vele moslims voelen zich onbehaaglijk bij de inhoud van deze en dergelijke teksten en weten niet goed hoe ze op de kritiek van buitenaf moeten reageren. De hadith bestaat in een aantal varianten, die allemaal duidelijk en slechts voor één interpretatie vatbaar zijn. Een overzicht daarvan in het Arabisch, met enkele overwegingen van mij, staat hier: HadithLeeftijdAisha (doelgroep: gevorderde Arabisten). Een voorbeeld: 

  • Muhammad ibn Yūsuf levert over van Sufyān, en deze van Hishām ibn ‘Urwa, die het gehoord had van zijn vader [‘Urwa ibn al-Zubayr]: Aisha vertelde dat de profeet haar huwde toen zij zes jaar oud was; zij werd in zijn huis gebracht toen zij negen was, en zij bleef negen jaar bij hem.1

Maar moeten we echt geloven dat deze en dergelijke teksten over feiten berichten, en dat zij als bronnen voor de geschiedsschrijving gebruikt kunnen worden?

Natuurlijk koesteren conservatieve moslims, die noch met westerse familiewaarden, noch met moderne literatuur en literatuurwetenschap vertrouwd zijn, geen enkele twijfel aan de historiciteit van deze hadithen. Menigeen zou zelfs kunnen denken dat het op basis van het profetische voorbeeld aan alle moslims is toegestaan met zulke jonge meisjes te trouwen. Daartoe worden ze misschien geïnspireerd door de hoofdstuktitels in de hadithcollecties. Opvallend is daar namelijk een zekere veralgemening: ‘Over het uithuwelijken van jonge dochtertjes,’ ‘Wie het huwelijk voltrekt met een vrouw, die negen jaar oud is,’ enz.. Maar steevast staat onder een dergelijk opschrift alleen de hadith over de leeftijd van Aisha.2 En in het islamitische recht wordt nergens gerept van huwelijken met zulke jonge meisjes.

Islamhaters in Europa en de Verenigde Staten3 hebben evenmin twijfel: Aisha was negen toen zij werd ontmaagd. Alleen hun gevolgtrekking is een andere: Mohammed was dus een pedofiel en een perverse kinderschender. Hoe zwarter de islam, des te lekkerder gaat immers het vechten ertegen.

WikiIslam, een islamkritische website, doet zich wetenschappelijk voor, maar valt al gauw door de mand en belandt tenslotte ook bij de islamhaters.4 Zij is absoluut overtuigd van de feitelijke huwelijksvoltrekking met negen jaar en weigert alternatieve voorstellen in overweging te nemen. Er wordt dus volledig vastgehouden aan de geloofwaardigheid van de hadithen als historische berichten. Een hogere leeftijd voor de huwelijksvoltrekking zou immers betekenen dat de makers van de website een punt minder op ‘de islam’ te vitten hadden, wat zij kennelijk zouden betreuren. Zij hebben liever kritiek op ‘de islam’ – wat dat ook moge zijn – dan dat zij teksten kritisch lezen. Zo zijn zij toch eerder gelovigen dan geleerden.

Niet alleen de zwaar conservatieve, maar álle moslims worden verondersteld deze hadith-teksten te respecteren en voor waar te houden. Daartoe behoort in principe ook het bericht met die pijnlijke inhoud: hun profeet heeft een negenjarig meisje ontmaagd. In de traditionele islam begint, net als in vele andere oude culturen, de huwbare leeftijd met de puberteit. Negen jaar is beslist te vroeg. De profeet zou wel bepaalde privileges hebben gehad, maar in dit geval zou het niet handig zijn, daarop te wijzen, daar de profeet immers juist een voorbeeld van zedelijkheid was. Moderne moslims, die evenals de meeste andere mensen van mening zijn, dat een negenjarig meisje in het huwelijksbed niets te zoeken heeft, moeten dus andere manieren vinden om van die lastige teksten af te komen.

Eén manier is: negeren en verdringen. Er bestaan inderdaad mensen die niet met het onderwerp lastig gevallen willen worden. De profeet zal zonder twijfel het beste met het meisje voor gehad hebben. Tot iets anders was hij immers niet in staat, en voor Aisha was het een voorrecht, reeds als kind de zegen van de profeet van zo nabij te ervaren; amen! Deze houding trof ik bij voorbeeld aan op de betreffende pagina van de Duitse Islam-pedia. Daar schilderen de auteurs hoe buitengewoon liefdevol en zegenrijk het huwelijk van Mohammed met Aisha was. De huwelijksleeftijd van negen jaar vermelden zij wel even, maar ze maken er verder geen woord aan vuil. Ze fantaseren een heel huwelijksleven bij elkaar, maar de vraag: ‘hoe dan precies?’ stellen zulke gelovigen principieel niet, en zij weigeren zich concreet voor te stellen, hoe die oudere, wat zwaarlijvige man met dat kleine meisje geslachtsverkeer had. En dat moet hebben plaatsgehad, want daarzonder is een huwelijk niet geldig. Het negeren van die vraag wordt echter door de aandrang van de buitenwereld steeds moeilijker.

Heel veel mensen willen het probleem niet verdoezelen, maar proberen de hadithen met argumenten te redden —niet alleen onder moslims, maar ook onder ongelovigen met ‘begrip’. Hun argumenten zijn veelal lui en vaag, zoals bij voorbeeld: ‘De puberteit viel in die tijd veel vroeger.’ Of: ‘Aisha was zeker vroegrijp; dat komt in warme landen wel vaker voor.’ Of: ‘In die tijd wist niemand werkelijk hoe oud hij was.’ Dat laatste is zeker juist, maar een huwelijksvoltrekking met een veel te klein meisje zou ook zonder Burgerlijke Stand zijn opgevallen. De eerste twee uitspraken zijn volledig speculatief en berusten niet op kennis van zaken. Artsen verzekeren mij zelfs dat de puberteit in de oudheid, door de slechtere voeding, juist láter intrad dan tegenwoordig. Bovendien, als dit huwelijk zo normaal was, waarom heeft de literatuur er dan zoveel werk van gemaakt? En waarom lezen we in oude bronnen niet over nog andere zulke ‘doodgewone’ huwelijken?

Op blz. 4 zal ik de veel interessantere argumenten bespreken van moslims die deze hadithen niet willen redden maar schrappen, zonder echter meteen de hele rest van het geloofsgebouw tot instorten te brengen. Zulke moslims zijn er steeds meer. Moderne Moslims willen namelijk liever niet geloven dat hun profeet als oudere man met een zo jong meisje naar bed ging. Zij vinden die voorstelling weerzinwekkend en pijnlijk, en doen vaak hun best, de betreffende teksten met argumenten te ontkrachten. Zo doet zich de interessante situatie voor, dat vele gelovigen de gewijde hadithen in dit geval niet wensen te geloven — waartoe zij eigenlijk verplicht zijn —, terwijl ongelovige islam-bestrijders ze voor zoete koek slikken — waartoe zij normaal niet bereid zijn.
.
Maar heeft dat huwelijk met een kind ooit plaatsgehad? Hier gaat het verder !

NOTEN
1. Dat wil zeggen: tot zijn dood. Bukhārī, Nikāḥ 38, vgl. 39; ook zo Muslim, Nikāḥ 70, 72: عن عائشة أن النبي ص تزوجها وهي بنت ست سنين وأدخلت عليه وهي بنت تسع ومكثت عنده تسعا … .
2. Bukhārī, Manāqib al-Anṣār 44a باب تزويج النبي ص عائشةَ وقدومها المدينة وبنائه بها ; Nikāḥ 38 باب إنكاح الرجل ولده الصغار لقول الله تعالى واللائي لم يحضن فجعل عدتها ثلاثة أشهر قبل البلوغ ; Nikāḥ 59 باب من بنى بامرأة وهي بنت تسع سنين ; Muslim Nikāḥ 69 باب تزويج الأب البكر الصغيرة ; Ibn Mādja, Nikāḥ 13 باب نكاح الصغار يزوجهن الآباء ; Dārimī, Nikāḥ 56 باب في تزويج الصغار إذا زوجهنّ آباؤهنّ ; Nasāʾī, Nikāḥ, 29a إنكاح الرجل ابنته الصغيرة .
3. In Nederland zijn natuurlijk Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali het bekendst. Maar er zijn er ook veel buiten Nederland, bij voorbeeld Bat Ye’or en Elisabeth Sabaditsch-Wolff. Als U eenvoudig Mohammed + paedophile (of pedophile), of + child molester googelt, walmt de haat U al tegemoet.
4. http://www.wikiislam.net/wiki/Main_Page
http://www.wikiislam.net/wiki/Aisha_Age_of_Consummation
http://www.wikiislam.net/wiki/Rejecting_Dr_David_Lieperts_Aisha_Was_Older_Apologetic_Myth.    Laatst gezien 1 oktober 2016.

Diakritische Zeichen: ʿĀʾiša, Nikāḥ, al-Anṣār

Verdiensten van de Gezellen: Abu Bakr vs. Umar en Ali

In mijn inleidende stuk over de Verdiensten der Gezellen had ik er al op gewezen hoe de reputatie en de status van de ‘gezellen van de profeet’ in sira-verhalen worden gemaakt of gebroken. De personen uit zijn omgeving over wie het meest werd gebakkeleid waren de eerste kaliefen. Daarom ben ik eens nagegaan hoe bij voorbeeld Abū Bakr, de eerste kalief (reg. 632–34) eraf komt in de teksten omtrent het sterfbed en de hidjra van de profeet. Zijn verdiensten blijken te contrasteren met die van twee latere kaliefen: ‘Umar en ‘Alī.
.
Het sterfbed van de profeet: Abū Bakr en ‘Umar
De laatste dagen van de profeet vormen een spannend hoofdstuk uit de biografie.1 De brandende vraag was: heeft de profeet een opvolger aangewezen of toch niet? Abū Bakr wás de opvolger van de profeet als staatshoofd, en het is dus interessant te kijken of daar in de teksten iets van te merken is. We zien zijn ‘koers’ op en neer gaan.
.
De profeet gaf tijdens zijn laatste ziekte opdracht dat Abū Bakr hem moest vervangen als imam die voorging in het gebed.2 Daaruit zou men eventueel kunnen concluderen dat ook een opvolging als imam in de zin van staatshoofd, kalief, was bedoeld.
.
Volgens twee berichten nam ‘Umar (de tweede kalief, reg. 632–34) de leiding van het gebed over, omdat Abū Bakr afwezig was. Kort daarop bleek echter dat dit niet de bedoeling was van de profeet en nam Abū Bakr de leiding alsnog over.3
Volgens een ander bericht was Abū Bakr zelfs op het moment dat de profeet stierf afwezig.4 Was hij ver weg, of had hij een belangrijke missie te vervullen zoals bij voorbeeld Usāma ibn Zayd, die een eind buiten de oase een veldtocht naar het noorden voorbereidde, maar op het kritieke ogenblik ijlings naar Medina kwam? Nee, Abū Bakr wilde slechts wat quality time met zijn vrouw doorbrengen in zijn huis aan de rand van Medina. Hij had daarvoor toestemming gevraagd en gekregen; toch maakt zijn afwezigheid geen fraaie indruk. Kan iemand die op kritieke ogenblikken niet aanwezig is de gemeenschap leiden? Het detail was blijkbaar niet te loochenen of weg te krijgen uit de overlevering. Maar nog niet alles was verloren op dit punt:
.
Al was Abū Bakr zelf niet bij het overlijden aanwezig, zijn familie was dat in sterke mate.5 Zijn dochter Aisha is zelfs de heldin van het sterfbed. Zij maakt grapjes met de profeet en zij is het die hem in zijn laatste dagen in huis neemt en verpleegt. In zijn laatste ogenblikken ziet de profeet een man in haar huis lopen met in zijn hand een twijgje van de soort die als tandenborstel (siwāk) werd gebruikt. Dat was natuurlijk een familielid, want vreemde mannen zijn in Aisha’s huis niet te verwachten. Eén overlevering noemt die man bij name: het was Aisha’s broer ‘Abd al-Rahmān. De profeet wenkt dat hij die tandenstoker wil hebben; Aisha kauwt hem voor en overhandigt hem aan de profeet. Daarna sterft deze aan Aisha’s borst. Meer intimiteit is niet mogelijk! Zo werd Abū Bakrs afwezigheid in dit verhaal door zijn familieleden enigszins gecompenseerd.
.
Na het overlijden van de profeet maakt Abū Bakr volgens de overlevering een goede beurt. Terwijl ‘Umar de kluts kwijt raakt en beweert dat de profeet niet echt dood is, bewaart Abū Bakr zijn kalmte en brengt de gemeente met behulp van een koranvers weer op het rechte spoor.6 Een geschikte leidersfiguur dus.
.
Abū Bakr en ‘Alī in de verhalen omtrent de hidjra
Hier wordt de werking van het principe ‘Verdiensten der Gezellen’ nog duidelijker. Van de bekendste sunnitische verhaalstof van Ibn Isḥāq over de hidjra, dat is de emigratie van de profeet naar Medina, en de voorbereidingen daartoe heb ik hier een deel vertaald.7 Het gedeelte over Abū Bakr stamt van ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 635–712), wiens moeder Asmāʾ was, een dochter van Abū Bakr. De beroemdste dochter van Abū Bakr, Aisha, was dus zijn tante. Het zal dus niet verbazen dat Abū Bakr en diens kinderen schitterende rollen spelen in zijn verhaal.
Vrijwel alle Moslims zijn al weg naar Medina, maar de profeet wacht nog in Mekka tot hij de toestemming van God krijgt om ook te gaan. Alleen Abū Bakr en ‘Alī8 zijn bij hem gebleven. Abū Bakr hoopt de profeet te mogen vergezellen op zijn gevaarlijke reis. Hij koopt alvast de kamelen waarop de profeet en hij de tocht kunnen volbrengen. De profeet verschijnt onverwacht in het huis van Abū Bakr om hem te zeggen dat hij samen met hem mag reizen. Asmā’ en Aisha zijn daarbij nadrukkelijk aanwezig. Intussen beramen de tegenstanders van de profeet een aanslag op hem. Als deze mislukt is en de profeet en Abū Bakr eenmaal de stad zijn ontvlucht verbergen zij zich enige dagen in een grot. Hiermee wordt soms het koranvers 9:40 in verband gebracht: فقد نصره الله إذ أخرجه الذين كفروا ثاني اثنين إذ هما في الغار […] God heeft hem al geholpen toen de ongelovigen hem samen met een tweede eruit zetten, toen zij beiden in de grot waren […].
Abū Bakr maakt zich wederom onmisbaar doordat hij met gevaar voor eigen leven de grot zuivert van ongedierte en schorpioenen. Zijn dochter Asmāʾ brengt proviand, zijn zoon ‘Abdallāh luistert af wat de mensen in Mekka zeggen en brengt dat ‘s avonds over aan de profeet in de grot. Kortom, het hele gezin van Abū Bakr wordt ingeschakeld en maakt zich buitengewoon verdienstelijk. Allen lopen daarbij aanzienlijke risico’s. Alleen Aisha is nog te jong om actief te worden, maar zij is wel bij het overleg aanwezig geweest en vertelt later het hele verhaal.
‘Alī was eveneens in Mekka achtergebleven, maar zijn rol bij de vlucht is een ondergeschikte: hij moet in het bed van de profeet overnachten om aldus de mannen te misleiden die de profeet in dat bed willen vermoorden. Na vertrek van de profeet en Abū Bakr bleef ‘Alī nog enkele dagen in Mekka achter om mensen de goederen terug te geven die ze bij de profeet in bewaring hadden gegeven. Twee eerzame, maar ondergeschikte karweitjes. Zo maakte hij de eigenlijke hidjra dus niet mee, en de intocht van de profeet in Medina evenmin.
Zonder Abū Bakr en zijn gezin had de hele hidjra niet kunnen plaatsvinden, lijkt ons dit verhaal over te willen brengen. Zonder ‘Urwa en zijn bron, zijn tante Aisha, was de geschiedenis heel anders uitgevallen.
.
Er bestaan echter ook versies van de hidjra-verhalen waarin Abū Bakr minder fraai optreedt, te laat komt of zelfs in de weg loopt, terwijl ‘Alī een glansrol speelt. Een korte, anonieme, kennelijk sjiïetisch geïnspireerde versie, die o.a. bewaard is bij al-Tabarī, vertelt het als volgt:
Abū Bakr wist blijkbaar niet dat de profeet al vertrokken was en ging ‘Alī vragen waar hij was. ‘Alī vertelde hem dat de profeet de stad had verlaten en in een bepaalde grot zijn toevlucht ging zoeken, en dat hij zich daar maar bij hem moest voegen. Abū Bakr begaf zich haastig daarheen, de profeet achterna. De profeet hoorde hem achter zich aan komen en was bang dat het een vijand was. Hij zette de pas erin, maar kreeg last van een kapotte sandaal en verwondde zijn grote teen. Abū Bakr was bang dat hij de profeet overlast zou geven en maakte zich kenbaar. Pas vanaf dat moment gingen ze samen verder, terwijl de voet van de profeet hevig bloedde.
‘Alī daarentegen gedroeg zich heldhaftig in de confrontatie met de vijanden die de profeet wilden doden. Zij gaven hem ter plaatse een pak slaag en zetten hem een tijdje gevangen, wat hij dapper doorstond.9
Een sjiïtisch verhaal, kortom. Het is ook bewaard in een papyrus uit de negende eeuw, dat echter teruggaat op de verteller → Wahb in Munabbih (± 654–730).10 Diens veel uitvoerigere verhaal bevat de volgende elementen:
.
Mohammed begeeft zich naar Abū Bakrs huis en vertelt over de samenzwering van Quraysh. Abū Bakr moet buiten gaan afluisteren wat de vijanden beramen. Hij volgt er twee, waarvan er een zelfs de duivel in persoon is. Abū Bakr brengt verslag uit van zijn gevaarlijke missie en vraagt toestemming mee te reizen. Die krijgt hij, waarop hij zich voorbereidt voor vertrek die avond.
De profeet laat intussen ‘Alī halen en hem zeggen dat hij in het bed van de profeet moet gaan slapen, om de samenzweerders te misleiden. Quasi terloops wordt hem ook gezegd dat hij Abū Bakr moet opdragen zich in een bepaalde grot bij hem te voegen. Ze gaan dus toch niet samen; dat is een vreemde breuk in het verhaal. De profeet weet te ontkomen; Abū Bakr gaat hem achterna, maar laat hem schrikken, zodat hij struikelt en zijn voet bloedt. Nu maakt Abū Bakr zich kenbaar. Samen gaan ze de grot binnen. Abū Bakr maakt met gevaar voor eigen leven de grot een beetje schoon en wordt door een schorpioen gestoken. De profeet moet nu zijn toverkracht (ruqya) aanwenden om hem te genezen. Kortom, Abū Bakr slooft zich uit, maar hij loopt het vertrek van de profeet mis, en deze heeft onderweg nogal wat met hem te stellen.
‘Alī had intussen in het bed van de profeet geslapen en treedt heldhaftig op tegen de samenzweerders. Zowel Abū Bakrs dochter Asmāʾ als ‘Alī brengen dagelijks levensmiddelen naar de grot; er is zelfs enige competitie tussen die beiden.
‘Alī krijgt de opdracht drie kamelen en een gids te gaan huren voor de verdere tocht. Bij de intocht in Medina wordt Abū Bakr helemaal niet vermeld; wel ‘Alī, die enkele dagen later aankomt.
.
Europese oriëntalisten voelen zich meestal verwant met de sunnitische islam; vandaar dat zij ook in dit geval al gauw zeggen dat ‘Urwa’s verhaal het oudste is en het andere een sjiïetische bewerking. Het kan zijn, maar het zou eventueel ook omgekeerd kunnen zijn. Men maakt zich er wat makkelijk van af.
De Shia, de ‘Partij van ‘Alī’, bestond al tijdens diens leven. Zijn recht op het kalifaat was van meet af aan en vooral na zijn dood in 661 voortdurend een hot issue, terwijl het gedachtengoed van ‘Urwa pas goed doorbrak na 690. Wahb stierf ± 728, maar zijn versie is er één die al een hele geschiedenis achter zich heeft. Er zitten duidelijk elementen van secundaire ‘Alī-pushing in, zoals het opzichtig ertussen proppen van ‘Alī’s rol bij de verwerving van kamelen en de voedselvoorziening in de grot, maar het is niet alléén ‘Alī wat de klok slaat. Er zitten ook wat ‘verdiensten van Abū Bakr’ in, die waarschijnlijk tot de kern van het verhaal behoorden. Wahbs verhaal is inderdaad een gemengde versie. De ongedateerde versie van al-Tabarī is veel eenzijdiger sjiïetisch. Het sjiïetische basisverhaal kán ouder dan ‘Urwa’s verhaal zijn geweest. Alleen een zorgvuldige vergelijking van alle versies zou hier verder kunnen brengen.
.
In ieder geval zal het duidelijk geworden zijn dat de ‘verdiensten’ van een bepaalde gezel van de profeet op en af gaan naar gelang van de politieke overtuiging van de verteller.

NOTEN
1. Onvolledige vertaling in Ibn Ishaak, Leven, 243–251, en ook hier. Arabische tekst: Ibn Isḥāq (Wüstenfeld), 999–1013; complete Engelse vertaling Guillaume, 678–683.
2. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1008; vert. Guillaume, 680, vert. Raven 247.
3. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1009 en 1010; vert. Guillaume, 681, vert. Raven 247 en 248.
4. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1010; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 249.
5. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1011; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 250 ; Raven, Chew stick, 593–598.)
6. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1012–13; vert. Guillaume, 682–3, vert. Raven 250–251. Zie ook Mohammeds bijzondere dood.
7. Onvolledige vert. in Ibn Ishaak, Leven, 100–109; Arabische tekst: Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 323–334; complete Engelse vertaling Guillaume, 221–227 .
8. ‘Alī ibn Abī Tālib, de latere vierde kalief, reg. 656–661; het uithangbord van de Sjiieten, die de eerste drie kaliefen illegitiem achten. Daarom is hij in de verhalen met terugwerkende kracht de verklaarde tegenspeler van Abū Bakr en ‘Umar. Hoe de mannen tegenover elkaar stonden tijdens hun werkelijke leven is uiteraard onbekend.
9. Al-Tabarī, Ta’rīkh i, 1233-4.
10. Khoury, Wahb i, 136–151.

LITERATUUR
Ibn Ishāq: 
Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 (Arabische tekst, editio princeps).
– A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– R. G. Khoury, Wahb b. Munabbih. Teil 1. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. Leben und Werk des Dichters. Teil 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih,“ BSOAS 37 (1974), 547–71.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih: An Addendum,“ BSOAS 40 (1977), 125–27.
– W. Raven, ‘The chew stick of the prophet in Sira and Hadith,’ in Anna Akasoy en Wim Raven (uitg.), Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation in Honour of Hans Daiber, Leiden 2008, 593–611. Online hier.

Diakritische tekens en tags: ʿĀʾisha, Aisja, Aicha, Umar, Omar, ʿUmar, ʿAlī ibn Abī Ṭālib, Abu Bakr ʿAbd al-Raḥmān, aṭ-Ṭabarī

Terug naar Inhoud

Aisha van overspel beticht (vertaalde tekst)

Al-Zuhrī heeft het volgende verhaal van Aisha samengesteld uit overleveringen van Alqama ibn Waqqās, van Sa‘īd ibn Djubayr en van Ubaydallāh ibn Abdallāh. Zij hebben hem allemaal een deel van het verhaal verteld; de een had er meer van onthouden dan de ander, en al-Zuhrī heeft samengevat wat zij hebben meegedeeld.
Ook Yahyā ibn Abbād en Abdallāh ibn abī Bakr vertellen dit, op gezag van Aisha zelf, de eerste via zijn vader, de laatste via Amra bint Abd al-Rahmān. Het verhaal in zijn geheel is dus afkomstig van al deze personen, en allemaal zijn het betrouwbare zegslieden van hetgeen zij uit Aisha’s eigen mond hebben gehoord.
Haar verhaal luidt dan als volgt: Als de profeet een tocht wilde ondernemen lootte hij altijd onder zijn vrouwen welke hij mee zou nemen. Dat deed hij ook bij de expeditie tegen Mustaliq. Het lot viel op mij, dus de profeet nam mij mee. Bij zulke gelegenheden aten de vrouwen maar net genoeg om in leven te blijven en propten zich niet vol met vlees, want dan zouden ze te zwaar worden. Als mijn kameel werd gezadeld zat ik meestal al in mijn draagstoel; dan kwamen de mannen die hem moesten zadelen: ze pakten de draagstoel van onderen vast en tilden hem op, ze zetten hem op de rug van de kameel en bonden hem vast met de touwen. Dan namen ze de kameel bij de teugel en gingen op weg. Welnu, na deze tocht hield de profeet op de terugweg ergens halt, al vrij dicht bij Medina, waar wij een deel van de nacht doorbrachten. Daarna liet hij het sein tot vertrek geven en de reis werd voortgezet. Ik was juist even uitgestapt om mijn behoefte te doen. Om mijn hals had ik een ketting van onyx uit Zafār, en toen ik klaar was, was deze van mijn hals gegleden zonder dat ik er erg in had; teruggekomen bij het kamp voelde ik ernaar, maar hij was er niet meer. Intussen was de troep al aan het opbreken. Ik ging terug naar de plaats waar ik was geweest, om die ketting te zoeken, en daar vond ik hem inderdaad. Maar de mannen die mijn kameel moesten zadelen hadden dat al gedaan; ze hadden de draagstoel gepakt in de veronderstelling dat ik erin zat, als altijd; ze hadden hem opgetild en op de kameel gebonden omdat ze er niet aan twijfelden dat ik erin zat, en vervolgens waren ze vertrokken. Toen ik terugkwam bij het kamp was er geen levende ziel meer te bekennen: iedereen was al weg.
Ik hulde mij dus maar in mijn gewaad en ging liggen op diezelfde plaats, want ik begreep dat ze wel terug zouden komen zodra ik gemist werd. Nauwelijks lag ik daar of Safwān ibn Mu‘attal uit de stam Sulaym kwam voorbij; hij was achtergebleven voor het een of ander en had niet in het kamp overnacht. Hij zag mijn gestalte, kwam dichterbij en bleef vlak bij mij staan. Nu had hij mij vroeger wel gezien, in de tijd dat we ons nog niet hoefden te sluieren, dus toen hij mij daar aantrof riep hij in opperste verbazing: ‘De vrouw van de profeet!’ hoewel ik helemaal in mijn gewaad gehuld lag. Hij vroeg waarom ik was achtergebleven, maar ik sprak niet tegen hem. Daarop haalde hij zijn kameel en zei dat ik daar op moest gaan zitten. Terwijl ik opsteeg hield hij zich op een afstand; hij nam de kameel bij de teugel en ging snel de troep achterna, maar we haalden hen pas ’s ochtends in, en niemand had mij nog gemist. De mannen hadden halt gehouden en terwijl ze aan het rusten waren zagen ze de man verschijnen die mij terugbracht. Toen begonnen de leugenaars al meteen die praatjes te verspreiden, zodat het kamp in rep en roer geraakte, maar daar wist ik volstrekt niets van. Dadelijk na onze terugkeer in Medina werd ik namelijk ernstig ziek, zodat ik niets over de zaak hoorde. Het gerucht was wel tot de profeet en mijn ouders doorgedrongen, maar zij repten er tegen mij met geen woord over. Alleen was de profeet niet zo aardig tegen me; want als ik ziek was had hij altijd zo met mij te doen en was hij heel aardig tegen me, maar deze keer was hij dat niet en dat vond ik wel erg. Als hij op bezoek kwam, vroeg hij alleen maar aan mijn moeder, die mij verzorgde: ‘Hoe is het met haar?’ Dat was alles, en daar tobde ik over. Omdat hij zo bars tegen me deed, vroeg ik of het goed was dat ik naar mijn moeder overgebracht werd, zodat die me kon verplegen. ‘Je doet maar,’ zei hij. Ik werd dus naar mijn moeder overgebracht, en nog steeds wist ik volstrekt niet wat er aan de hand was, tot ik weer beter was, ruim drie weken later. Nu waren wij Arabische mensen, en we hadden niet zulke privaten in onze huizen als buitenlanders hebben; daar hadden wij een grote hekel aan. Wij gingen altijd naar de open plaatsen van Medina; elke avond gingen de vrouwen daar hun behoefte doen. Op een avond ging ik met Umm Misṭaḥ uit het geslacht Abd Manāf, die een tante van mijn vader was. Terwijl ze met mij opliep struikelde ze over haar gewaad en riep uit: ‘Laat Mistah doodvallen!’ Ik zei: ‘Dat is wel lelijk gezegd over een man uit de Emigranten die bij Badr heeft gevochten!’ Ze zei: ‘Heb je het nieuws dan nog niet gehoord?’ en toen ik zei van niet, vertelde ze me welke praatjes de leugenaars rondstrooiden. ‘Dat was het dus!’ riep ik, en ze zei: ‘Ja waarachtig, zo is het.’ Toen kon ik mijn behoefte niet meer doen; ik ging terug en o, wat heb ik gehuild! Ik dacht dat mijn lever zou barsten. Tegen mijn moeder zei ik: ‘God vergeve het u, de mensen roddelen over mij en u vertelt me dat niet eens!’ Zij troostte mij: ‘Kindje, trek het je niet zo aan! Want heus, als een vrouw mooi is en haar man houdt van haar, dan hebben zijn andere vrouwen altijd van alles over haar te vertellen, en de andere mensen net zo goed.’
Intussen had de profeet de mensen toegesproken, buiten mijn weten, en hij had gezegd, na God te hebben geprezen: ‘Waarom vallen sommige mensen mij lastig over mijn gezin en verspreiden praatjes die niet waar zijn? Ik weet werkelijk niets dan goeds van hen, en van de man over wie ze dat zeggen net zo: als hij in een van mijn huizen komt doet hij dat alleen in mijn gezelschap.’
De grootste boosdoeners waren Abdallāh ibn Ubayy, uit Khazradj, en Mistah en Hamna bint Djahsh; deze laatste omdat haar zuster Zaynab met de profeet getrouwd was en de enige van zijn vrouwen was die een echte mededingster voor mij was. Zaynab zelf werd door God beschermd, door haar geloof; zij sprak geen onvertogen woord, maar Hamna strooide allerlei praatjes rond en werkte mij tegen met het oog op haar zuster, en daar had ik veel van te lijden.
Nadat de profeet zo gesproken had zei Usayd ibn Hudayr: ‘profeet, als het mannen van Aws zijn, laten wij u dan van hen afhelpen, en als ze tot onze broeders uit Khazradj behoren hoeft u ons maar te bevelen, want zij moeten zeker onthoofd worden.’ Toen stond Sa‘d ibn Ubāda op, die daarvoor altijd was beschouwd als een fatsoenlijk man, en zei: ‘God almachtig, je liegt! We onthoofden ze niet! Jij zou dat heus niet gezegd hebben als je niet wist dat het Khazradjieten waren; als ze tot jouw stam hadden behoord had je het niet gezegd!’ ‘Je liegt zelf!’ zei Usayd, ‘want jij bent een huichelaar die het opneemt voor de Halfhartigen!’ De mannen namen al een dreigende houding aan en het had niet veel gescheeld of die twee stammen, Aws en Khazradj, waren elkaar aangevlogen.
Daarop kwam de profeet bij mij op bezoek. Hij ontbood Alī en Usāma ibn Zayd en vroeg hen om raad. Usama sprak waarderende woorden over mij, en zei verder: ‘Profeet, het gaat om uw familie en wij weten niets dan goeds van hen. Dit is onzinnige leugenpraat.’ Maar Alī zei: ‘Profeet, er zijn zoveel vrouwen, u kunt gemakkelijk een andere nemen. Vraag het maar eens aan de slavin, die zal de waarheid wel vertellen.’ De profeet riep dus Barīra om haar te ondervragen. ʿAlī gaf haar een paar harde klappen en zei: ‘Vertel de profeet de waarheid!’ ‘Ik heb over Aisha niets kwaads te zeggen,’ zei ze, ‘behalve dat ze, als ik deeg heb gekneed en haar zeg dat ze er even op moet letten, soms in slaap valt; dan komt het schaap en eet het op.’
Daarop kwam de profeet mijn kamer binnen, waar mijn ouders ook waren, en nog een vrouw van de Helpers die met mij zat te huilen. Hij ging zitten en zei, na God te hebben geprezen: ‘Aisha, je weet wat de mensen van je zeggen. Vrees God, en als je een misstap hebt begaan, zoals de mensen zeggen, toon God dan berouw, want hij neemt van de mens berouw aan.’ Zodra hij dat zei voelde ik geen tranen meer. Ik verwachtte dat mijn ouders de profeet antwoord zouden geven, maar zij zeiden niets. Bij God, ik vond mijzelf zo onbelangrijk dat ik er niet eens aan dacht dat God koranverzen over mij zou openbaren, die in de moskeeën gelezen zouden worden en gezegd bij de salāt, maar ik hoopte wel dat de profeet in zijn droom iets zou zien, of dat God hem iets zou laten weten dat mij van de blaam zou zuiveren, want hij wist dat ik onschuldig was; maar een koranvers, nee, daarvoor vond ik mijzelf te min. Ik merkte dat mijn ouders niets zeiden en vroeg waarom ze de profeet geen antwoord wilden geven. Zij zeiden dat ze werkelijk niet wisten wat ze moesten antwoorden. Bij God, ik ken geen huisgezin dat zoveel heeft doorgemaakt als dat van Abū Bakr in die tijd. Toen ze maar zaten te zwijgen voelde ik mijn tranen weer opkomen en zei: ‘Nooit zal ik God hierover berouw tonen. Ik weet, als ik beken wat de mensen van mij zeggen—terwijl God weet dat ik onschuldig ben—dat ik dan iets zeg dat niet waar is, en als ik het ontken geloven jullie me niet.’ Ik probeerde mij de naam van Ya‘qūb te herinneren, maar ik kon er niet op komen; daarom zei ik maar: ‘Ik zal antwoorden zoals de vader van Yūsuf: “Dus mooi geduld oefenen, en God is het wiens hulp wordt ingeroepen tegen jullie gepraat.”’ (k. 12:18)
De profeet was nog niet opgestaan of er kwam een openbaring, op de gewone wijze. Hij werd in zijn gewaad gehuld en onder zijn hoofd werd een leren kussen gelegd. Ik was niet bang en maakte mij helemaal geen zorgen, want ik wist dat ik onschuldig was en dat God mij niet onrechtvaardig zou behandelen, maar mijn ouders, nee werkelijk, zodra de profeet weer tot zichzelf kwam dacht ik dat ze ter plaatse dood zouden blijven, zo bang waren ze dat God die leugen zou bevestigen. De profeet ging overeind zitten; het zweet parelde van zijn gezicht, als regendruppels op een winterdag. Terwijl hij zijn voorhoofd afwiste zei hij: ‘Goed nieuws, Aisha! God heeft je onschuld geopenbaard!’ ‘God zij dank,’ zei ik.
Toen ging hij naar buiten om de mensen toe te spreken en de koranverzen te reciteren die God geopenbaard had, en Mistah ibn Uthātha, Hassān ibn Thābit en Hamna bint Djahsh, die het meest schaamteloos de leugen hadden verbreid, liet hij het voorgeschreven aantal geselslagen geven.
In de koranpassage over de lasteraars die de leugenaars naspraken spreekt God: ‘Zij die de leugen hebben verbreid zijn slechts een kleine groep onder u. Beschouwt het niet als iets slechts voor u, neen, het is juist iets goeds. Ieder van hen wordt de zonde die hij begaan heeft aangerekend, maar de grootste boosdoener wacht een ontzaglijke straf.’ (K 24:11) Daarmee bedoelde God Hassān ibn Thābit en zijn vrienden die die praatjes verkondigden. Voorts sprak hij: ‘Hadden de gelovige mannen en vrouwen, toen jullie het hoorden, maar iets goeds bij zich zelf gedacht. […] Toen jullie elkaar napraatten en oppervlakkig spraken over iets waarover jullie niets wisten, en dat jullie onbelangrijk vonden, terwijl het toch bij God zwaar weegt.’ (K 24:12–15)
Toen dit werd geopenbaard over Aisha en de lasteraars zei Abū Bakr, die Mistah altijd een toelage gaf, omdat hij een arme verwant van hem was: ‘Nooit zal ik die Mistah meer iets geven, en nooit zal ik hem meer ergens mee helpen, na alles wat hij over Aisha heeft gezegd en wat hij ons heeft aangedaan.’ Daarover heeft God geopenbaard: ‘Zij die het goed en ruim hebben mogen niet zweren dat zij hun verwanten, de armen en de emigranten op de weg Gods, niets meer zullen geven. Zij moeten juist vergeven en door de vingers zien. Wilt u ook niet dat God u vergeeft? God is vergevend en genaderijk.’ (K 24:22)
Daarop zei Abū Bakr: ‘Ja, ik wil dat God mij vergeeft.’ Dus gaf hij Mistah voortaan weer zijn toelage als tevoren en beloofde hem nooit meer te zullen intrekken.
Aisha heeft ook nog gezegd: Er werden vragen gesteld over Ibn Mu‘attal, en men ontdekte dat het een impotente man was, die nooit een vrouw aanraakte. Later vond hij de dood als martelaar.

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 731–9 (verkort); Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 181–6.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, ʿAlqama ibn Waqqāṣ, Saʿīd ibn Djubayr, ʿUbaydallāh ibn ʿAbdallāh, Yaḥyā ibn ʿAbbād, ʿAbdallāh ibn abī Bakr, ʿAmra bint ʿAbd al-Raḥmān, Muṣṭaliq, Ẓafār, Ṣafwān ibn Muʿaṭṭal, Umm Misṭaḥ, ʿAbd Manāf, Misṭaḥ, Ḥamna bint Djaḥsh, Usayd ibn Ḥuḍayr, Saʿd ibn ʿUbāda, ʿAlī, ṣalāt, Yaʿqūb, Ḥassān ibn Thābit

Terug naar Inhoud