Verdiensten van de Gezellen: Abu Bakr vs. Umar en Ali

In mijn inleidende stuk over de Verdiensten der Gezellen had ik er al op gewezen hoe de reputatie en de status van de ‘gezellen van de profeet’ in sira-verhalen worden gemaakt of gebroken. De personen uit zijn omgeving over wie het meest werd gebakkeleid waren de eerste kaliefen. Daarom ben ik eens nagegaan hoe bij voorbeeld Abū Bakr, de eerste kalief (reg. 632–34) eraf komt in de teksten omtrent het sterfbed en de hidjra van de profeet. Zijn verdiensten blijken te contrasteren met die van twee latere kaliefen: ‘Umar en ‘Alī.
.
Het sterfbed van de profeet: Abū Bakr en ‘Umar
De laatste dagen van de profeet vormen een spannend hoofdstuk uit de biografie.1 De brandende vraag was: heeft de profeet een opvolger aangewezen of toch niet? Abū Bakr wás de opvolger van de profeet als staatshoofd, en het is dus interessant te kijken of daar in de teksten iets van te merken is. We zien zijn ‘koers’ op en neer gaan.
.
De profeet gaf tijdens zijn laatste ziekte opdracht dat Abū Bakr hem moest vervangen als imam die voorging in het gebed.2 Daaruit zou men eventueel kunnen concluderen dat ook een opvolging als imam in de zin van staatshoofd, kalief, was bedoeld.
.
Volgens twee berichten nam ‘Umar (de tweede kalief, reg. 632–34) de leiding van het gebed over, omdat Abū Bakr afwezig was. Kort daarop bleek echter dat dit niet de bedoeling was van de profeet en nam Abū Bakr de leiding alsnog over.3
Volgens een ander bericht was Abū Bakr zelfs op het moment dat de profeet stierf afwezig.4 Was hij ver weg, of had hij een belangrijke missie te vervullen zoals bij voorbeeld Usāma ibn Zayd, die een eind buiten de oase een veldtocht naar het noorden voorbereidde, maar op het kritieke ogenblik ijlings naar Medina kwam? Nee, Abū Bakr wilde slechts wat quality time met zijn vrouw doorbrengen in zijn huis aan de rand van Medina. Hij had daarvoor toestemming gevraagd en gekregen; toch maakt zijn afwezigheid geen fraaie indruk. Kan iemand die op kritieke ogenblikken niet aanwezig is de gemeenschap leiden? Het detail was blijkbaar niet te loochenen of weg te krijgen uit de overlevering. Maar nog niet alles was verloren op dit punt:
.
Al was Abū Bakr zelf niet bij het overlijden aanwezig, zijn familie was dat in sterke mate.5 Zijn dochter Aisha is zelfs de heldin van het sterfbed. Zij maakt grapjes met de profeet en zij is het die hem in zijn laatste dagen in huis neemt en verpleegt. In zijn laatste ogenblikken ziet de profeet een man in haar huis lopen met in zijn hand een twijgje van de soort die als tandenborstel (siwāk) werd gebruikt. Dat was natuurlijk een familielid, want vreemde mannen zijn in Aisha’s huis niet te verwachten. Eén overlevering noemt die man bij name: het was Aisha’s broer ‘Abd al-Rahmān. De profeet wenkt dat hij die tandenstoker wil hebben; Aisha kauwt hem voor en overhandigt hem aan de profeet. Daarna sterft deze aan Aisha’s borst. Meer intimiteit is niet mogelijk! Zo werd Abū Bakrs afwezigheid in dit verhaal door zijn familieleden enigszins gecompenseerd.
.
Na het overlijden van de profeet maakt Abū Bakr volgens de overlevering een goede beurt. Terwijl ‘Umar de kluts kwijt raakt en beweert dat de profeet niet echt dood is, bewaart Abū Bakr zijn kalmte en brengt de gemeente met behulp van een koranvers weer op het rechte spoor.6 Een geschikte leidersfiguur dus.
.
Abū Bakr en ‘Alī in de verhalen omtrent de hidjra
Hier wordt de werking van het principe ‘Verdiensten der Gezellen’ nog duidelijker. Van de bekendste sunnitische verhaalstof van Ibn Isḥāq over de hidjra, dat is de emigratie van de profeet naar Medina, en de voorbereidingen daartoe heb ik hier een deel vertaald.7 Het gedeelte over Abū Bakr stamt van ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 635–712), wiens moeder Asmāʾ was, een dochter van Abū Bakr. De beroemdste dochter van Abū Bakr, Aisha, was dus zijn tante. Het zal dus niet verbazen dat Abū Bakr en diens kinderen schitterende rollen spelen in zijn verhaal.
Vrijwel alle Moslims zijn al weg naar Medina, maar de profeet wacht nog in Mekka tot hij de toestemming van God krijgt om ook te gaan. Alleen Abū Bakr en ‘Alī8 zijn bij hem gebleven. Abū Bakr hoopt de profeet te mogen vergezellen op zijn gevaarlijke reis. Hij koopt alvast de kamelen waarop de profeet en hij de tocht kunnen volbrengen. De profeet verschijnt onverwacht in het huis van Abū Bakr om hem te zeggen dat hij samen met hem mag reizen. Asmā’ en Aisha zijn daarbij nadrukkelijk aanwezig. Intussen beramen de tegenstanders van de profeet een aanslag op hem. Als deze mislukt is en de profeet en Abū Bakr eenmaal de stad zijn ontvlucht verbergen zij zich enige dagen in een grot. Hiermee wordt soms het koranvers 9:40 in verband gebracht: فقد نصره الله إذ أخرجه الذين كفروا ثاني اثنين إذ هما في الغار […] God heeft hem al geholpen toen de ongelovigen hem samen met een tweede eruit zetten, toen zij beiden in de grot waren […].
Abū Bakr maakt zich wederom onmisbaar doordat hij met gevaar voor eigen leven de grot zuivert van ongedierte en schorpioenen. Zijn dochter Asmāʾ brengt proviand, zijn zoon ‘Abdallāh luistert af wat de mensen in Mekka zeggen en brengt dat ‘s avonds over aan de profeet in de grot. Kortom, het hele gezin van Abū Bakr wordt ingeschakeld en maakt zich buitengewoon verdienstelijk. Allen lopen daarbij aanzienlijke risico’s. Alleen Aisha is nog te jong om actief te worden, maar zij is wel bij het overleg aanwezig geweest en vertelt later het hele verhaal.
‘Alī was eveneens in Mekka achtergebleven, maar zijn rol bij de vlucht is een ondergeschikte: hij moet in het bed van de profeet overnachten om aldus de mannen te misleiden die de profeet in dat bed willen vermoorden. Na vertrek van de profeet en Abū Bakr bleef ‘Alī nog enkele dagen in Mekka achter om mensen de goederen terug te geven die ze bij de profeet in bewaring hadden gegeven. Twee eerzame, maar ondergeschikte karweitjes. Zo maakte hij de eigenlijke hidjra dus niet mee, en de intocht van de profeet in Medina evenmin.
Zonder Abū Bakr en zijn gezin had de hele hidjra niet kunnen plaatsvinden, lijkt ons dit verhaal over te willen brengen. Zonder ‘Urwa en zijn bron, zijn tante Aisha, was de geschiedenis heel anders uitgevallen.
.
Er bestaan echter ook versies van de hidjra-verhalen waarin Abū Bakr minder fraai optreedt, te laat komt of zelfs in de weg loopt, terwijl ‘Alī een glansrol speelt. Een korte, anonieme, kennelijk sjiïetisch geïnspireerde versie, die o.a. bewaard is bij al-Tabarī, vertelt het als volgt:
Abū Bakr wist blijkbaar niet dat de profeet al vertrokken was en ging ‘Alī vragen waar hij was. ‘Alī vertelde hem dat de profeet de stad had verlaten en in een bepaalde grot zijn toevlucht ging zoeken, en dat hij zich daar maar bij hem moest voegen. Abū Bakr begaf zich haastig daarheen, de profeet achterna. De profeet hoorde hem achter zich aan komen en was bang dat het een vijand was. Hij zette de pas erin, maar kreeg last van een kapotte sandaal en verwondde zijn grote teen. Abū Bakr was bang dat hij de profeet overlast zou geven en maakte zich kenbaar. Pas vanaf dat moment gingen ze samen verder, terwijl de voet van de profeet hevig bloedde.
‘Alī daarentegen gedroeg zich heldhaftig in de confrontatie met de vijanden die de profeet wilden doden. Zij gaven hem ter plaatse een pak slaag en zetten hem een tijdje gevangen, wat hij dapper doorstond.9
Een sjiïtisch verhaal, kortom. Het is ook bewaard in een papyrus uit de negende eeuw, dat echter teruggaat op de verteller → Wahb in Munabbih (± 654–730).10 Diens veel uitvoerigere verhaal bevat de volgende elementen:
.
Mohammed begeeft zich naar Abū Bakrs huis en vertelt over de samenzwering van Quraysh. Abū Bakr moet buiten gaan afluisteren wat de vijanden beramen. Hij volgt er twee, waarvan er een zelfs de duivel in persoon is. Abū Bakr brengt verslag uit van zijn gevaarlijke missie en vraagt toestemming mee te reizen. Die krijgt hij, waarop hij zich voorbereidt voor vertrek die avond.
De profeet laat intussen ‘Alī halen en hem zeggen dat hij in het bed van de profeet moet gaan slapen, om de samenzweerders te misleiden. Quasi terloops wordt hem ook gezegd dat hij Abū Bakr moet opdragen zich in een bepaalde grot bij hem te voegen. Ze gaan dus toch niet samen; dat is een vreemde breuk in het verhaal. De profeet weet te ontkomen; Abū Bakr gaat hem achterna, maar laat hem schrikken, zodat hij struikelt en zijn voet bloedt. Nu maakt Abū Bakr zich kenbaar. Samen gaan ze de grot binnen. Abū Bakr maakt met gevaar voor eigen leven de grot een beetje schoon en wordt door een schorpioen gestoken. De profeet moet nu zijn toverkracht (ruqya) aanwenden om hem te genezen. Kortom, Abū Bakr slooft zich uit, maar hij loopt het vertrek van de profeet mis, en deze heeft onderweg nogal wat met hem te stellen.
‘Alī had intussen in het bed van de profeet geslapen en treedt heldhaftig op tegen de samenzweerders. Zowel Abū Bakrs dochter Asmāʾ als ‘Alī brengen dagelijks levensmiddelen naar de grot; er is zelfs enige competitie tussen die beiden.
‘Alī krijgt de opdracht drie kamelen en een gids te gaan huren voor de verdere tocht. Bij de intocht in Medina wordt Abū Bakr helemaal niet vermeld; wel ‘Alī, die enkele dagen later aankomt.
.
Europese oriëntalisten voelen zich meestal verwant met de sunnitische islam; vandaar dat zij ook in dit geval al gauw zeggen dat ‘Urwa’s verhaal het oudste is en het andere een sjiïetische bewerking. Het kan zijn, maar het zou eventueel ook omgekeerd kunnen zijn. Men maakt zich er wat makkelijk van af.
De Shia, de ‘Partij van ‘Alī’, bestond al tijdens diens leven. Zijn recht op het kalifaat was van meet af aan en vooral na zijn dood in 661 voortdurend een hot issue, terwijl het gedachtengoed van ‘Urwa pas goed doorbrak na 690. Wahb stierf ± 728, maar zijn versie is er één die al een hele geschiedenis achter zich heeft. Er zitten duidelijk elementen van secundaire ‘Alī-pushing in, zoals het opzichtig ertussen proppen van ‘Alī’s rol bij de verwerving van kamelen en de voedselvoorziening in de grot, maar het is niet alléén ‘Alī wat de klok slaat. Er zitten ook wat ‘verdiensten van Abū Bakr’ in, die waarschijnlijk tot de kern van het verhaal behoorden. Wahbs verhaal is inderdaad een gemengde versie. De ongedateerde versie van al-Tabarī is veel eenzijdiger sjiïetisch. Het sjiïetische basisverhaal kán ouder dan ‘Urwa’s verhaal zijn geweest. Alleen een zorgvuldige vergelijking van alle versies zou hier verder kunnen brengen.
.
In ieder geval zal het duidelijk geworden zijn dat de ‘verdiensten’ van een bepaalde gezel van de profeet op en af gaan naar gelang van de politieke overtuiging van de verteller.

NOTEN
1. Onvolledige vertaling in Ibn Ishaak, Leven, 243–251, en ook hier. Arabische tekst: Ibn Isḥāq (Wüstenfeld), 999–1013; complete Engelse vertaling Guillaume, 678–683.
2. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1008; vert. Guillaume, 680, vert. Raven 247.
3. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1009 en 1010; vert. Guillaume, 681, vert. Raven 247 en 248.
4. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1010; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 249.
5. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1011; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 250 ; Raven, Chew stick, 593–598.)
6. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1012–13; vert. Guillaume, 682–3, vert. Raven 250–251. Zie ook Mohammeds bijzondere dood.
7. Onvolledige vert. in Ibn Ishaak, Leven, 100–109; Arabische tekst: Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 323–334; complete Engelse vertaling Guillaume, 221–227 .
8. ‘Alī ibn Abī Tālib, de latere vierde kalief, reg. 656–661; het uithangbord van de Sjiieten, die de eerste drie kaliefen illegitiem achten. Daarom is hij in de verhalen met terugwerkende kracht de verklaarde tegenspeler van Abū Bakr en ‘Umar. Hoe de mannen tegenover elkaar stonden tijdens hun werkelijke leven is uiteraard onbekend.
9. Al-Tabarī, Ta’rīkh i, 1233-4.
10. Khoury, Wahb i, 136–151.

LITERATUUR
Ibn Ishāq: 
Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 (Arabische tekst, editio princeps).
– A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– R. G. Khoury, Wahb b. Munabbih. Teil 1. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. Leben und Werk des Dichters. Teil 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih,“ BSOAS 37 (1974), 547–71.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih: An Addendum,“ BSOAS 40 (1977), 125–27.
– W. Raven, ‘The chew stick of the prophet in Sira and Hadith,’ in Anna Akasoy en Wim Raven (uitg.), Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation in Honour of Hans Daiber, Leiden 2008, 593–611. Online hier.

Diakritische tekens en tags: ʿĀʾisha, Aisja, Aicha, Umar, Omar, ʿUmar, ʿAlī ibn Abī Ṭālib, Abu Bakr ʿAbd al-Raḥmān, aṭ-Ṭabarī

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens Ibn Ishaq (vertaalde tekst)

““Na het vertrek van zijn gezellen wachtte de profeet in Mekka op Gods toestemming om ook zelf te emigreren. Behalve ‘Alī en Abū Bakr bleef geen van de Emigranten in Mekka achter, met uitzondering van hen die gevangen zaten en degenen die tot afval waren gedwongen. Abū Bakr vroeg de profeet meermalen of hij al mocht emigreren, maar dan kreeg hij ten antwoord: ‘Haast je niet; misschien zal God je een reisgenoot geven.’ Dan hoopte Abū Bakr dat het de profeet zelf zou zijn.

Toen de Qurayshieten merkten dat de profeet aanhangers en vrienden buiten hun stam en buiten hun gebied had en dat zijn gezellen daarheen vertrokken waren, begrepen ze dat zij daar een woonplaats en beschermers hadden gevonden. Nu werden ze bang dat ook de profeet zich bij hen zou voegen, want zij wisten dat hij had besloten oorlog tegen hen te voeren. Daarom kwamen ze bij elkaar in de raadszaal—dat was het huis van Quṣayy ibn Kilāb, waar alle belangrijke besluiten van Quraysh werden genomen—om te beraadslagen wat ze moesten doen met de profeet, nu ze hem te duchten hadden.

Een van onze vrienden, een betrouwbare man, heeft ons bericht van ‘Abdallāh ibn abi Nadjīḥ, die zich beriep op Mudjāhid, en nog een ander onverdacht persoon die ‘Abdallāh ibn ‘Abbās aanhaalde, heeft eveneens verteld: Toen zij daartoe hadden besloten en hadden afgesproken dat ze in de raadszaal zouden vergaderen over de profeet, kwam op de ochtend van de vastgestelde dag—die de dag der Menigte (al-zaḥma) genoemd wordt—de duivel bij hen, in de gedaante van een waardige grijsaard, die was gekleed in een ruige mantel. Toen zij hem bij de deur zagen staan vroegen zij wie hij was. Hij antwoordde dat hij uit de Nadjd kwam, dat hij van hun afspraak had gehoord en was gekomen om zijn oor te luisteren te leggen en hun wellicht goede raad te geven. Hij werd binnengelaten en daar trof hij de edelen van Quraysh in vergadering bijeen. […] Zij stelden vast dat zij, nu Mohammed aanhangers had buiten hun stam, niet langer veilig waren voor een onverhoedse aanval en dat er dus iets ondernomen moest worden. Tijdens de beraadslaging zei iemand: ‘Sla hem in ijzeren boeien, doe de deur op slot en wacht rustig af tot hij dezelfde dood sterft als de dichters Zuhayr en Nābigha en anderen van zijn slag.’ ‘Nee, dat is geen goed plan,’ zei de oude man uit de Nadjd. ‘Als jullie hem gevangen zetten, dan lekt dat uit: zijn gezellen zullen ervan horen en zullen waarschijnlijk onmiddellijk aanvallen en hem bevrijden; dan zal hun aantal zo toenemen dat zij jullie de baas worden. Nee, dat is geen goed plan; jullie moeten iets anders bedenken.’ Toen zei iemand: ‘Laten we hem wegjagen uit ons gebied. Als hij hier eenmaal vandaan is kan het ons niet schelen waar hij heen gaat en waar hij terechtkomt. Als we eerst maar van hem af zijn, dan kunnen wij onze oude eendracht herstellen.’ ‘Ook dit is geen goed plan,’ zei de oude man, ‘zien jullie niet met wat voor mooie verhalen hij komt, hoe goed hij spreekt en hoe hij de mensen in zijn ban houdt met zijn boodschap? Als jullie dat doen zal hij misschien neerstrijken bij een bedoeïenenstam en hen met mooie woorden overhalen naar zijn kant. Dan trekt hij met hen op en verslaat jullie in je eigen gebied; dan krijgt hij hier de macht in handen en zijn jullie aan zijn genade overgeleverd. Nee, bedenk liever een ander plan.’ Toen zei Abū Djahl ibn Hishām dat hij een idee had waar nog niemand op was gekomen: ‘We nemen uit iedere stam een aanzienlijke, sterke jonge man en geven hem een scherp zwaard. Die gaan met hun allen op hem af en doden hem met één klap; dan zijn wij van hem af, want zo wordt de bloedschuld verdeeld over alle stammen; het geslacht ‘Abd Manāf kan het nooit opnemen tegen hen allen, zodat ze genoegen moeten nemen met een bloedgeld, en dat betalen we dan.’ ‘Dat is het!’ zei de oude man uit de Nadjd, ‘er is geen beter plan dan dit.’ Met dit besluit gingen ze uiteen.

Intussen kwam Djibrīl bij de profeet en zei tegen hem, dat hij die nacht niet in zijn eigen bed moest gaan slapen. Nadat er een deel van de nacht verstreken was verzamelden die mannen zich bij de deur van Mohammeds huis om te kijken of hij al sliep; dan zouden ze hem overvallen. Maar de profeet zag hen en zei tegen ‘Alī: ‘Ga jij in mijn bed slapen en hul je in deze groene Hadramitische mantel, want jou zullen ze niets doen.’ Dat was de mantel waarin de profeet gewoonlijk sliep. De rest van het verhaal geef ik in de overlevering van Muḥammad ibn Kaʿb de Qurayẓiet, zoals Yazīd ibn Ziyād mij die heeft doorgegeven: Toen zij zich allemaal bij de deur hadden verzameld zei Abū Djahl tegen hen: ‘Mohammed beweert dat je, als je hem volgt, koning over Arabieren en Perzen wordt, en dat je na je dood wordt opgewekt en dat je een tuin krijgt zo mooi als de tuinen van de Jordaan, maar dat je afgeslacht wordt als je hem niet volgt en dat je dan na je dood zal branden in het hellevuur.’ Hierop kwam de profeet naar buiten, met in zijn handen wat stof, en zei: ‘Zo is het, en dat geldt ook voor jou.’ God had hun gezichtsvermogen weggenomen, zodat ze hem niet konden zien, en hij begon dat stof uit te strooien over hun hoofden, terwijl hij uit soera ‘Yā’ Sīn’ reciteerde: „Yā’ Sīn. Bij de wijze koran. Jij bent werkelijk een van de gezondenen, op een rechte weg. De openbaring van de Geweldige, de Barmhartige […]“, tot de woorden: […] „en Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet kunnen zien.“ [36:1–9] Nadat hij deze verzen had gereciteerd, had hij bij iedereen stof op het hoofd gelegd en ging ongehinderd weg. Er kwam iemand langs die niet bij die mannen behoorde; deze vroeg waarop ze stonden te wachten. Toen ze zeiden dat ze Mohammed opwachtten zei hij: ‘Maar jullie plan is verijdeld! Mohammed is net naar buiten gekomen, heeft stof op jullie hoofd gelegd en is weggegaan. Zien jullie dan niet hoe je eraan toe bent?’ Nu grepen ze naar hun hoofd en voelden het stof. Ze gingen op onderzoek uit en zagen ‘Alī op het bed liggen, gehuld in de mantel van de profeet, en ze zeiden: ‘Maar daar ligt Mohammed toch te slapen onder zijn mantel?’ Dus bleven ze daar tot de ochtend, en toen het ‘Alī bleek te zijn die uit het bed stapte zeiden ze: ‘God allemachtig, dan had die man toch gelijk!’ Over deze dag en over dat besluit van hen heeft God onder andere geopenbaard: ‘En toen degenen die ongelovig zijn een aanslag tegen jou beraamden, om je vast te zetten of te doden of te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’ [8:30] en: ‘Of zij zeggen: ‘Een dichter; wij zullen afwachten wat het wisselvallige noodlot met hem zal doen. Zeg: ‘Wacht maar af; Ik wacht met u mee.’’ [52:30]

Toen gaf God zijn profeet toestemming tot de hidjra. Abū Bakr, die een vermogend man was, had met het oog op de hoopgevende uitlatingen van de profeet alvast twee rijdieren gekocht, ze op zijn binnenplaats opgesloten en ze goed gevoederd. Een man die ik vertrouw heeft van ‘Urwa ibn Zubayr vernomen dat Aisha heeft gezegd: De profeet kwam altijd naar het huis van Abū Bakr in de vroege ochtend of in de avond. Maar op de dag dat hij toestemming kreeg tot de hidjra uit Mekka, kwam hij ’s middags bij ons, op een ongebruikelijk uur. Zodra Abū Bakr hem zag begreep hij dat er iets aan de hand was. De profeet kwam binnen en mijn vader bood hem zijn zitplaats aan. Alleen mijn zuster Asmāʾ en ik waren erbij, en de profeet vroeg aan mijn vader ons weg te sturen. ‘Maar waarom? Dit zijn mijn twee dochters,’ zei Abū Bakr. Toen deelde de profeet mee dat hij toestemming had gekregen om te vertrekken. ‘Samen?’ vroeg Abū Bakr. ‘Ja, samen,’ antwoordde hij. Ik had nog nooit iemand van vreugde zien huilen, totdat ik mijn vader zag huilen op die dag. Hij vertelde over de twee kamelen die hij klaar hield. Zij huurden ‘Abdallāh ibn Arkaṭ, die toen nog heiden was, als gids en gaven hem de beide kamelen om ze te verzorgen tot het afgesproken tijdstip. Naar verluidt wist niemand van het vertrek van de profeet, behalve ‘Alī en Abū Bakr en diens gezin. ‘Alī was door de profeet op de hoogte gebracht en had opdracht gekregen, in Mekka achter te blijven om namens hem de mensen hun waardevolle voorwerpen terug te geven die ze bij hem in bewaring hadden gegeven. Want iedereen in Mekka die iets bezat waarom hij zich zorgen maakte deponeerde dat bij de profeet, omdat die bekend stond als eerlijk en betrouwbaar.

Toen de profeet besloot te vertrekken ging hij naar Abū Bakr. Door een raampje aan de achterkant van Abū Bakrs huis verdwenen ze. Zij begaven zich naar een grot in de Thawr, een berg beneden Mekka, waar zij zich verborgen. Abū Bakr droeg zijn zoon ‘Abdallāh op om overdag te gaan afluisteren wat de mensen over hen zeiden en ’s avonds het nieuws van die dag te komen melden. Zijn vrijgelaten slaaf “Āmir ibn Fuhayra gaf hij opdracht, overdag zijn kudde te hoeden en die ’s avonds bij hen in de grot te brengen. Zijn dochter Asmāʾ bracht hun ’s avonds het nodige voedsel. De profeet bleef drie dagen in de grot, met Abū Bakr. De mannen van Quraysh loofden intussen honderd kamelen uit voor degene die hun de profeet in handen zou spelen. ’s Avonds bracht ‘Abdallāh verslag uit van wat ze in Mekka bespraken en beraamden, en ‘Āmir kwam met het vee van Abū Bakr, dat hij samen met de herders van de Mekkanen had geweid, naar de grot, waar ze het molken en er een beest van slachtten. Als ‘Abdallāh ’s morgens naar Mekka ging volgde ‘Āmir hem met de kudde om zijn sporen uit te wissen. Toen er zo drie dagen voorbij waren gegaan en de aandacht van Quraysh verslapte, kwam de man die zij hadden gehuurd met hun kamelen en nog een kameel voor zich zelf, terwijl Asmā’ hun voedsel kwam brengen voor onderweg; zij had echter vergeten een touw mee te brengen, zodat zij de zak niet op de kameel kon binden. Toen maakte zij haar gordel los en gebruikte die als touw. Daarom kreeg zij de bijnaam: ‘zij van de gordel’. Abū Bakr toonde de profeet de beide dieren en bood hem het beste aan om te berijden. Maar de profeet weigerde een kameel te berijden die niet van hem was. Toen Abū Bakr hem het dier wilde schenken weigerde hij dat ook, en vroeg voor hoeveel hij het gekocht had; voor die prijs nam hij het over. Ze gingen op weg, en Abū Bakr nam zijn vrijgelatene ‘Āmir ibn Fuhayra achterop, zodat die hen onderweg kon bedienen.

Niet af; hier hoort nog een groot tussenstuk.@@

Hun gids, ‘Abdallāh ibn Arkaṭ,@ leidde hen onder Mekka, langs de kust, onder ‘Usfān voorbij. Vervolgens ging het langs Amadj en verder langs Koedaid@. Daarna vermeed hij de weg en voerde hen via Kharrār en de Marra-pas naar Liqf. Vandaar langs de waterput van Liqf, omlaag naar die van Mahādj; toen naar Mardjiḥ Mahādj, en omlaag naar Mardjih in Dhū al-Ghadwayn, door het dal van Dhū Kashr, over Djadādjid, Adjrad, Dhū Salam in het dal A‘dā’, de waterput van Ta‘hin, over ‘Abābīd; toen via Fāddja. Toen leidde de gids hen van ‘Ardj naar de ‘Ā’ir-pas, rechts van Rakūba tot in het dal van Riʾm, en ten slotte bereikten zij Qubāʾ, bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf op maandag 12 rabīʾ al-awwal, precies op het middaguur.

Muḥammad ibn Dja‘far ibn Zubayr doet het volgende verhaal van ‘Urwa ibn Zubayr dat deze heeft vernomen van ‘Abdallāh ibn ‘Uwaymir ibn Sā‘ida, dat gezellen van de profeet uit zijn stam hem hebben verteld: Zodra wij hadden gehoord van Mohammeds vertrek uit Mekka verlangden wij vurig naar zijn aankomst. Na het ochtendgebed gingen wij altijd naar het lavaveld buiten Medina om hem op te wachten; wij bleven daar tot er helemaal geen schaduw meer was en wij wel moesten terugkeren, want het was in het hete jaargetijde. Ook op de dag dat de profeet aankwam waren wij daar geweest, maar toen hij eraan kwam waren wij al teruggegaan om binnen in de schaduw te gaan zitten. De eerste die hem zag was een jood. Deze had gezien hoe wij dagelijks de komst van de profeet verwachtten. Hij riep zo hard hij kon: ‘Mannen van Qayla, jullie geluk is gekomen!’ Toen kwamen wij naar buiten en troffen de profeet aan in de schaduw van een palm, met naast zich Abū Bakr, die van dezelfde leeftijd was. De meesten van ons hadden de profeet nog nooit gezien, en toen onze mensen samendromden rondom hen, wisten ze niet wie van de twee het was. Pas toen hij in de volle zon kwam te zitten en Abū Bakr opstond om hem schaduw te bieden met zijn bovenkleed begrepen wij het. Naar verluidt nam de profeet zijn intrek bij Kulthūm ibn Hidm, een broeder van de stam ‘Amr ibn Awf, iemand uit het geslacht ‘Ubayd; maar volgens anderen bij Sa‘d ibn Khaythama. Degenen die menen dat het bij Kulthūm was, zeggen dat de profeet het huis van ʿalleen heeft bezocht, en wel omdat deze ongetrouwd was en geen gezin had en hij de ongehuwde Emigranten herbergde, en dat zo het gerucht is ontstaan dat de profeet bij Sa‘d inwoonde. Diens huis wordt ook wel genoemd: het vrijgezellenhuis. Maar God weet het best hoe het gegaan is. Abū Bakr ging in Sunḥ wonen, bij Khubayb ibn Isāf, van het geslacht Ḥārith ibn Khazradj; volgens anderen bij Kharidja ibn Zayd. ‘Alī was nog drie dagen in Mekka gebleven om namens de profeet alle in bewaring genomen voorwerpen terug te geven; daarna voegde hij zich bij de profeet en woonde met hem bij Kulthūm. De profeet bleef bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf te Qubāʾ van maandag tot donderdag en legde daar de hoeksteen voor een moskee. Op vrijdag liet God hem vandaar vertrekken (al beweren de mensen van ‘Amr dat hij langer bij hen bleef; maar God weet het het beste). Het vrijdagsgebed verrichtte hij bij het geslacht Sālim ibn ‘Awf. Hij verrichtte het in de moskee in het diepst van het rivierdal Ranūnāʾ. Dat was het eerste vrijdagsgebed die hij in Medina verrichtte. Toen hij verder trok kwamen er telkens vertegenwoordigers van de verschillende clans naar hem toe die hem vroegen of hij bij hen wilde blijven en hun bezit en bescherming wilde aanvaarden, maar hij antwoordde: ‘Laat mijn kameel gaan, want hij staat onder Gods bevel!’ Zo trok de kameel verder, van de ene woonstee naar de andere, tot hij bij het geslacht Mālik ibn Nadjdjār kwam, waar hij neerknielde bij de poort van de moskee. Destijds was dat een plaats waar dadels gedroogd werden, die toebehoorde aan twee wezen uit de stam Nadjdjār, die onder voogdij stonden van Mu‘ādh ibn ‘Afrā’, namelijk Sahl en Suhayl ibn ‘Amr. Daar de profeet echter niet afsteeg, stond de kameel weer op en liep een eindje verder, waarbij de profeet de teugel vrij liet en hem niet leidde. Maar de kameel keerde om, ging terug naar diezelfde plek en knielde neer. Hij wilde weer overeind komen, maar kon het niet en bleef liggen met zijn voorlijf op de grond. Toen steeg de profeet af. Abū Ayyūb Khālid ibn Zayd droeg zijn bagage zijn huis binnen en de profeet nam bij hem zijn intrek. Hij informeerde naar de droogvloer en Mu‘ādh vertelde hem dat die toebehoorde aan die twee wezen, maar dat hij hem als moskee in gebruik kon nemen en dat hij de beide jongens schadeloos zou stellen. De profeet gaf opdracht, daar een moskee te bouwen en bleef bij Abū Ayyūb tot de moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. De profeet nam zelf ook deel aan de arbeid, om de moslims aan te moedigen. Zowel de Emigranten uit Mekka als de Helpers uit Medina werkten er onvermoeibaar aan. De profeet bleef in Medina van de maand rabīʾ al-awwal tot de maand ṣafar van het volgende jaar, toen zijn moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. Deze stam der Helpers nam in zijn geheel de islam aan, en er was geen huis waarvan de bewoners zich niet bekeerden. Alleen Khaṭma, Waqif, Wā’il en Umayya, die samen de Aws Allāh vormen, een deel van de stam Aws, volhardden in hun heidendom’’’’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 323–329; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 100–106.

Ga naar De hidjra in de koran      De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

Terug naar Inhoud

Terugwerkende kracht: Umar en de profeet

Hoe komt het dat de profeet Mohammed en de latere kalief ‘Umar (634-644), over  de afzondering van de vrouw en vele andere juridische en ethische problemen, zulke uiteenlopende meningen hadden?
Mijn antwoord is: dat meningsverschil hadden zij pas 150-200 jaar na hun dood!
Toen de Arabieren in de 7e eeuw grote delen van Voor-Azië en Afrika veroverd hadden kregen zij behoefte aan rechtspraak. De veroverde volkeren hielden eerst gewoon hun eigen rechtspraak; daar bemoeiden zij zich niet mee. Er werden echter mondjesmaat rechters aangesteld, die onder de Arabische minderheid recht spraken en tegelijk ook zaken regelden tussen Arabieren en overheersten. Dit waren vaak slecht betaalde mensen die bijklusten in de handel of ook als ‘verteller’ (qāss). Het waren de eerste intellectuelen van de nieuwe religieuze beweging, die goed bekend waren met de koranteksten, het leven van de profeet en ook met de overleveringen van joden en christenen, die zij in hun verhalen vervlochten. Als vertellers en koranuitleggers kregen zij vrijdags na het gebed het woord in de moskee. Recht spraken zij op basis van de koran en hun gezonde verstand. Oudere koranuitlegging of jurisprudentie bestond immers nog niet.
Honderd jaar later was er wel iets veranderd. In Baghdad was er een nieuwe hoofdstad gesticht en de Abbasidische kaliefen deden hun best om eenheid te scheppen in hun enorme rijk. In het islamitische recht was het gezag en de praktijk van bepaalde gezaghebbende personen uit het verleden belangrijk geworden. Er bestond in het rijk aanvankelijk geen uniform recht; de verschillende stedelijke centra hadden alle hun eigen opvattingen en jurisprudentie. In die steden leefden nog herinneringen aan en overleveringen van vroegere rechtsgeleerden, en bovendien beriep men zich op religieuze autoriteiten uit het verleden. In Medina was dat bij voorbeeld ‘Umar, in de Iraakse stad Kūfa was het ‘Alī. Was het nu de werkelijke ‘Umar, de echte ‘Alī die daar werd nagevolgd? Natuurlijk niet; het betrof een teruggeprojecteerd beeld van deze grote voorgangers. Wie een mening had schreef deze graag aan ‘Umar enz. toe: deze had immers meer gezag dan de hedendaagse rechtsgeleerde X of Z. Intussen was er in de achtste eeuw ook een groep mensen opgekomen die niet tevreden waren met de islam zoals die nog onder de vorige dynastie vorm had gekregen. Voor hen was de soenna of sunna (‘de gewoonte, het goede gebruik’) van de profeet Mohammed veel belangrijker dan die van een heerser, of de mening van een rechtsgeleerde in overheidsdienst. Aanvankelijk was het niet goed bekend wat die sunna was, maar in de zogeheten hadith– of Traditieliteratuur werden steeds meer uitspraken van de profeet en berichten over hem in woorden neergelegd. En de soenna van de profeet claimde steeds duidelijk als enige te gelden, meer waard te zijn dan de eigenmachtige sunna’s van kaliefen, maar ook dan die van gezaghebbende tijdgenoten van de profeet. Omstreeks 800 kwam er een homogeniserende tendens. Het grote rijk der Abbasiden wenste eenheid in de rechtspreking, niet allerlei locaal gerommel in de verschillende steden. De rechtsgeleerde ash-Shāfi‘ī (gest. 820) deed de geniale zet. In zijn rechtssysteem golden voortaan als rechtsbron naast de koran alleen nog hadith, dus berichten over de soenna van de profeet en uitspraken van hem. Daarmee was met terugwerkende kracht het gezag van de profeet gevestigd, én de grondslagen waren gelegd voor een uniformering van het recht in alle delen des rijks. Het gevolg was dat het aantal uitspraken van de profeet nogmaals sterk toenam: waren het er omstreeks 730 nog 2200 geweest, anderhalve eeuw later waren er tienduizenden. Het gezag van de profeet is dus met terugwerkende kracht opgebouwd en terug geprojecteerd, zoals dit tevoren met dat van vroege moslims als ‘Umar en ‘Alī was gedaan. In godsdienstige systemen is dit niet ongewoon: denk maar aan Mozes, die (een onbekend aantal) eeuwen na zijn optreden op aarde tot wetgever van het jodendom werd. De niet-profetische teksten, die herleid werden tot bijv. ‘Umar, werden niet weggegooid. Er zijn er een heleboel van bewaard gebleven. Wanneer we die lezen naast de teksten van en over de profeet vinden we dus verschillende meningen en standpunten. De oude moslims hebben dit ook opgemerkt. Om uniformiteit en harmonie te scheppen brachten zij de conflictstof in nieuwere teksten onder, waarin het meningsverschil zelf werd geënsceneerd. Dat bedoelde ik toen ik zei dat de meningsverschillen tussen Umar en de profeet pas zeer lang na hun beider dood plaats hadden. Het was telkens een strijd tussen twee teksten die een prestigieus verleden reconstrueerden. Vanzelfsprekend ‘won’ de profeet voortaan altijd het debat, en ‘Umars mening is als een eervol, maar toch minder waardevol alternatief bewaard gebleven.
Stereotyp is bij voorbeeld de volgende interactie, in een situatie waarin een rechtsbesluit verlangd wordt. ‘Umar vraagt de profeet: ‘Zal ik hem zijn hoofd afslaan?’ ‘Nee,’ zegt de profeet dan, en komt met een mildere, meer pragmatische oplossing. De opvattingen van de profeet zijn in de loop der eeuwen natuurlijk gezaghebbend geworden en gebleven. Enige minder milde, aan ‘Umar toegeschreven opvattingen uit Medina hebben zich echter in de islam weten door te zetten, daaronder die over de bedekking van de vrouw.

Zie ook: Avraham Hakim, ‘Conflicting images of Lawgivers: the Caliph and the Prophet Sunnat ‘Umar and Sunnat Muhammad,’ in: Herbert Berg (uitg.): Method and Theory in the Study of Islamic Origins, Leiden 2003, 159–177.

Diakritische tekens: qāṣṣ

Terug naar Inhoud