Het voorislamitische Arabië

Het religieus gekleurde begrip Djāhilīya  en de invulling daarvan vertekenen het beeld het pre-islamitische Arabië. Hoe ontdekt men nu hoe het ‘echt’ was? Daartoe krijgen we hulp, zoals altijd bij geschiedvorsing, van twee soorten getuigen:

1. ­ Het bodemarchief:
Restanten van gebouwen, graven, inscripties, munten, vaatwerk enzovoort. Er bestaan tijdschriften waarin de resultaten van archeologisch werk zijn gedocumenteerd, bijv. Atlal. Veel opgravingen zijn er op het Arabisch Schiereiland niet geweest. Opgravingen in Mekka en Medina zijn volstrekt taboe; voor het overige lijkt men vooral gedreven te worden door de angst dat er iets christelijks gevonden zou kunnen worden, vooral in Nadjrān. Er zijn tienduizenden inscripties van nomaden gevonden. De nomaden in het preïslamitische Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel. Zij deden dat echter niet in het klassiek Arabisch. Die inscripties kunnen ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.

Pre-islamitische wandschildering uit Qaryat al-Fāw, Saudi-Arabië (1e eeuw na Chr.). Om technische redenen was het niet mogelijk hier de hele schildering te laten zien. Boven de man zijn nog meer druiven; van de vrouw die hem de druiven aanreikt is meer te zien en de hand met de druiven links behoort eveneens toe aan een vrouw. Rechts is in Oudzuidarabisch schrift het woord ZKY te lezen. De stijl van de schildering is Romeins. Zij herinnert aan een (weliswaar wat ‘goedkoop’ uitgevallen) zog. Fayyūm-Portret uit Egypte.
(Bron van de foto: A.R. al-Ansary, Qaryat al-Fau, A portrait of Pre-Islamic Civilisation in Saudi Arabia, Riad 1957–1982, S. 127, 135–7.)


Thamūd, 1e (?) eeuw na Chr. Vgl. koran 7:74; ‘… om op haar vlakten jullie kastelen in te nemen en om de bergen tot huizen te behouwen.’ Twee onder één kap dus? Het zullen wel graven wezen.
.
2) ­ Islamitische en andere teksten:
zoals die van Ibn Isḥāq, Sīra, Ibn Hishām, Kitāb al-Tīdjān of *Ibn al­-Kalbī, Kitāb al-aṣnām dateren van meer dan een eeuw na de periode die ze beschrijven en zijn bovendien religieus gekleurd, omdat ze juist het contrast tussen islam en Djahilīya willen uitwerken. Latere geschriften zijn ook niet beter. Genealogische teksten zijn vaak te wantrouwen, omdat zij met terugwerkende kracht de reputatie van voorouders en daardoor de eigen roem willen onderstrepen. Zijn er ook, behalve de bovengenoemde inscripties, oudere of neutralere teksten?

  • Er zijn enkele berichten en getuigenissen van niet­-Arabische auteurs. Die vertekenen het beeld ook, maar weer anders. Een welkome aanvulling.
  • En er is een zeer rijke pre-islamitische Arabische poëzie, die een kijkje in de Oudarabische maatschappij mogelijk maakt. Probleem daarbij: deze poëzie werd eerst mondeling overgeleverd en pas in de islamitische tijd schriftelijk opgetekend. Is zij  werkelijk zo oud? Deze kwestie is wetenschappelijk nog omstreden. Meestal houdt men een kern van de poëzie voor oud.

Een proefje van pre-islamitische Arabische poëzie, Imru’ al-Qays, hier in een vertaling van Geert-Jan van Gelder.1

  • Heerlijke dagen die ik had met hen!
    Vooral de dag bij Dárat Djóeldjoel:
    En ook die dag dat ik mijn rijdier slachtte voor
    De  meisjes, met het o zo fraai beladen zadel:
    De meisjes gooiden speels elkaar de brokken vlees toe,
    Gesierd met randen vet als van gevlochten zijde.
    O, en de dag dat ik de draagstoel van Onáiza binnenklom;
    Zij riep: Eruit jij! Wil je dat ik te voet moet gaan?
    Dat zei ze, toen het zadel met ons beiden bijna kantelde:
    Moet mijn kameel soms dood? Imra’ al-Qais, stijg af!

 

De oude Arabische poëzie is in het origineel buitengewoon mooi; zij is zelfs een reden om klassiek Arabisch te leren.

En hoe was dat oude Arabië dan? Veel mensen denken bij het woord meteen aan woestijn. Die is er ook volop, maar in de woestijn wonen geen mensen. De meeste Arabieren woonden wijselijk in de bewoonbare delen van het land. De woestijn kwamen zij vooral tegen als zij op reis gingen.

Op het schiereiland is geregelde landbouw mogelijk op vele plekken van iets ten zuiden van Mekka tot en met Jemen, en verder natuurlijk in de vele en aanzienlijke oases. De zuidkust van Oman heeft een vochtig tropisch klimaat met moessonregens. In het binnenland ligt de 3000 meter hoge berg Jebel Akhdar, die regenwolken aantrekt.

Landbouw en/of extensieve veeteelt was ook mogelijk in de gebieden ten Westen van Iraq en aan de oostkant van Syrië en in Jordanië, gebieden die eveneens tot *Arabië werden gerekend. De droge stukken van het schiereiland werden bewoond door nomaden (bedoeïenen) die zich veelal met het fokken van kamelen bezig hielden en ook het transport over het schiereiland verzorgden.

Een veel voorkomend misverstand is dat de islam een woestijnreligie zou zijn. Dat is niet juist: Mekka was een stad, Medina een grote oase. Het Arabisch was vaak niet de moedertaal van de woestijnbewoners (bedoeïenen). Mocht de islam bij nader inzien toch uit Syrië of Jordanië stammen: ook dat zijn geen woestijnen. Bedoeïenen worden in de koran erg negatief beschreven. Voor religie hadden zij blijkbaar weinig aanleg.

Volgens de overlevering zou er in de zevende eeuw er midden in Arabië onverwacht een staat zijn ontstaan met de hoofdstad Medina, onder invloed van de geestelijke beweging die later bekend zou worden als ‘de islam’.2 Dat was daarvoor nooit mogelijk geweest. Vóór de islam waren er drie staten waar Arabië mee te maken had: het Romeinse Rijk, het Perzische rijk en als derde Jemen, waar koninkrijken met verschillende namen elkaar hadden opgevolgd, maar dat op het laatst onder Ethiopische en daarna onder Perzische heerschappij had gestaan. Alle drie deze staten hadden Arabische vazalstaten (gehad) die zich dieper naar binnen op het schiereiland uitstrekten. De truc was de nomaden aan het betreffende rijk te binden, om te voorkomen dat zij steeds kwamen plunderen. Ze kregen een koninkrijkje, een paleisje, een mooie koningsmantel en een hoop geld. Daarmee moesten ze ook een geregeld leger organiseren, dat als een buffer tegen het andere rijk moest dienen. Konstantinopel en Perzië waren immers al sinds eeuwen met elkaar in oorlogen verwikkeld.

De drie vazalstaten waren die van:
– de Ghassāniden (500–630), in het huidige Oostsyrië en Jordanië
– de Lakhmiden im Irak (266–640), ten Westen van het Tweestromenland.
– Kinda (425–528), ten Noorden van Jemen. De dichter Imruʾ al-Qays, van wie hierboven een poëziefragment werd geciteerd, behoorde tot het koningshuis van Kinda.

Op het bijgaande kaartje ziet U duidelijk het Romeinse en het Perzische rijk en de bijbehorende vazalstaten. Het staatje Kinda vond ik niet op een bestaande landkaart; daarom heb ik het er zelf in donkergeel in getekend, maar het is niet zo mooi geworden. De grenzen zijn natuurlijk maar een vaag vermoeden.
Zodra de grote rijken niet meer geneigd of in staat waren ze te onderhouden verdwenen de vazalstaatjes weer. Geheel onafhankelijke staten waren in de drogere delen van Arabië om geografische en logistieke redenen blijkbaar niet mogelijk. Medina (622–656) dan wel?
Al waren de vazalstaatjes niet sterk, zij boden de Arabieren eeuwen lang de mogelijkheid kennis te nemen van de grote culturen in de toenmalige wereld.

NOTEN
1. Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie, ingeleid, gekozen en uit het Arabisch vertaald en geannoteerd door Geert Jan van Gelder, Amsterdam (Bulaaq), z.j., 86.
2. Elders bespreek ik de vraag of de vroeg-islamitische staat met de hoofdstad Medina die op het schiereiland gevestigd geweest zou zijn, überhaupt mogelijk was.

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.

Terug naar Inhoud

Djahiliya

Djāhilīya is een religieus getinte, islamitische benaming voor de tijd voor de Islam.
Het Arabische werkwoord djahila betekent: ‘niet weten.’ Djāhilīya is dan: ‘toestand van onwetendheid, periode van onwetendheid’.
‘Voor de islam heersten barbarij en duisternis; met de profeet Mohammed verschenen het licht en het weten,’ zo is het islamitische perspectief samen te vatten. Dit wordt aanschouwelijk geformuleerd in de toespraak van Dja‘far ibn abī Ṭālib, de broer van ‘Alī, tot de Negus van Abessinië. Meer dan een eeuw later wordt hij door de Ibn Isḥāq, de biograaf van de profeet alsvolgt aangehaald:

  • Majesteit, wij waren een volk van onwetendheid: wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit.

Djāhilīya als tijdsaanduiding komt in de koran ook al voor, bij voorbeeld in:

  • K. 3:154 … maar een andere groep dacht in hun zelfzucht op onterechte manier over God, zoals men in de tijd van onwetendheid dacht.
    K. 5:50 Is het de rechtspraktijk uit de tijd van onwetendheid die zij nastreven?
    K. 33:33 En blijft in jullie huizen en vertoont jullie niet opgesmukt als vroeger in de tijd van de onwetendheid. (vertalingen F. Leemhuis)

Moderne historici kunnen met de term djāhilīya niets beginnen. Zij hebben geen religieuze kijk op het verleden en spreken neutraal van ‘pre-islamitisch Arabië’. Waarbij een probleem is wanneer de voorislamitische tijd ophoudt en de *islam precies begint. Die vraag zal ik ergens anders behandelen.
Het islamitische denkschema heeft een sombere kijk op het verleden; het voorislamitische Arabië krijgt domweg geen kans. In de achtste eeuw hebben islamitische historici zich een djāhilīya geknutseld die er zo heidens en achterlijk mogelijk uitziet (→Drory, Abbasid Construction).
Het aldus geschapen ‘verleden’ staat echter op gespannen voet met wat moderne historici en archeologen ontdekken. Volgens →Hoyland, Arabia, was het Arabisch Schiereiland helemaal niet zo geïsoleerd, maar goed geïntegreerd in de grote culturen van die tijd. Ook opgravingen leggen daarvan getuigenis af: veel Grieks-Romeins spul, kerken enzovoort. De nomaden in dat oude Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel, zij het niet in het klassiek Arabisch. De vondst van tienduizenden door nomaden geschreven inscripties zal ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.
→Hawting, Idolatry ziet in de pre-islamitische tijd geen ‘afgodendienst’. Volgens hem was het polytheïsme sinds de vijfde eeuw uitgestorven en heeft de islam zijn ontstaan vooral te danken aan conflicten tussen monotheïsten. Het koranische woord mushrikūn betekent weliswaar ‘heidenen, polytheïsten’, maar dat komt volgens Hawting omdat de elkaar bestrijdende groepen elkaar daarmee graag uitscholden.
Dat word bevestigd in →Crone, Pagans. Zij heeft zich beperkt tot een hernieuwde lezing van alle relevante koranverzen en komt tot de conclusie dat de mushrikūn uit de koran wel aan de ene God geloofden, maar naast hem nog andere wezens vereerden, die nu eens godheden, dan weer engelen werden genoemd. Die hebben zij niet aanbeden, maar zij hoopten op hun voorspraak bij God. Echte afgoden, beelden e.d. ziet Crone alleen in de verhalen over de profeten in de koran; dus in het verleden, niet in Mohammeds tijd.

Djāhilīya nu
Enkele strenge moslims hebben het begrip djāhilīya op hun eigen tijd toegepast. Excentrieken als Ibn Taymīya (gest. 1328) en Ibn ‘Abd al-­Wahhāb (1703–1792) beweerden dat hun omgeving in werkelijkheid niet islamitsch was, maar ongelovig en voorislamitisch, djāhilī dus.
In onze tijd is dit ook het standpunt van militante, djihadistische moslims. Hun belangrijkste ideoloog Sayyid Quṭb (1906–1966) ging daarin heel ver: iedere maatschappij die God niet dient en zich niet ondergeschikt maakt aan zijn leiding en heerschappij verkeert in toestand van djāhilīya. Dat geldt dus voor vrijwel de hele islamitische wereld. De consequentie is dat tegen de regeringen van veel staten djihad moet worden gevoerd.

Bibliografie
– Ibn Isḥāq (gest. 767), Sīra: The Life of Muhammad. A Translation of Isḥāq’s [sic!] Sīrat Rasūl Allāh, with introd. and notes by A. Guillaume, Oxford 1955, S. 3–70.
– Hishām ibn Muḥammad al­-Kalbī, Kitāb al-aṣnām, hg. Aḥmad Zakī, Kairo 1912, 19242; vert., inl. en commentaar Rosa Klinke Rosenberger, Das Götzenbuch. Kitâb al-aṣnâm des Ibn al-Kalbî, Leipzig/Zürich(?) 1941. [Het Kitāb al-aṣnām is ook in Engelse vertaling in het internet toegankelijk; de kwaliteit daarvan is mij onbekend.]

– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.
– Patricia Crone, ‘The Religion of the Qurʾānic Pagans: God and the lesser Deities,’ in Arabica 57 (2010), 151–200.
– Rina Drory, ‘The Abbasid Construction of the Jahiliyya. Cultural Authority in the Making, SI 83 (1996), 33–49 [Ook online te raadplegen].
– Toufic Fahd, La divination arabe. Études religieuses, sociologiques et folkloriques sur le milieu natif de l’Islam, Leiden 1966.
– Toufic Fahd, ‘Siḥr,in EI2.
– Gerald R. Hawting, The Idea of Idolatry and the Emergence of Islam. From Polemic to History, Cambridge 1999.
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. J. Kister, ‘Al-taḥannuth. An inquiry into the meaning of a term,’ in: BSOAS, 23 (1970), 223–236 (herdrukt in: M. J. Kister, Studies in Jāhiliyya and Early Islam, London 1980, nr. v). [case study]
– W. E. Shepard, ʻIgnorance,ʼ en ‘Age of Ignorance’ in EQ.
– Julius Wellhausen, Reste arabischen Heidentums, Berlin 18972,19613 [wel erg oud!].
– Sayyid Quṭb (1906-1966), Maʿālim fī al-­ṭarīq, Beirut 1964(?), vele uitgaven, vertalingen in vele talen.
– Sabine Damir­-Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft. Der islamistische Wegbereiter Saiyyd Quṭb und seine Rezeption, Würzburg 2003.

Terug naar Inhoud

Het lange mannengewaad

Assyrische reliëfs in het British Museum (8e eeuw v. Chr.) tonen ons Arabische krijgers in lendenschortjes tot iets boven de knie, die op hun plaats gehouden werden door een smalle, later ook bredere en dikkere gordel. Maar misschien was die doek alleen het praktische gevechtspak en hadden ze thuis in de tent iets langers? Het lange gewaad schijnt te zijn overgenomen uit het Noorden. Eén Arabier op een reliëf, niet in een gevechtsscène, draagt een langer gewaad naar Noord-Syrische stijl. De stoffen moesten ook vaak uit het noorden komen, of uit het zuiden: veel kleding draagt Jemenitische namen. Arabië kende wel wol, maar geen vlas om linnen van te maken. Volgens Herodotus (484–425 v. Chr.)1 droegen ze een ζειρά (zeira), dat is een lange lendendoek die tot onder de enkels gaat. Zeira zal wel niet, zoals ik eerst dacht, het Arabische woord izāra zijn, dat is een lendendoek die tot onder de knie gaat. De zeira werd ook in delen van Griekenland gedragen en het is onwaarschijnlijk dat de oude Grieken hun kleding Arabische namen gaven.
Toen de Islam opkwam werd het bij ons welbekende lange gewaad door Arabische mannen dus al lang gedragen. Bij zulke gewaden hoort het Arabische woord tashmīr, het opstropen of ophijsen. Misschien hebben de oude Arabieren ook hun mouwen opgestroopt, maar de nadruk valt bij dit woord op het omhoog hijsen van het gewaad en door middel van de gordel vastzetten rond de heupen, zodat de onderbenen vrijkomen en men zich vlotter kan bewegen. Omhoog ging het kleed wanneer er gewerkt, gerend of gevochten moest worden. Dit was al in oudtestamentische tijden bekend, getuige de bijbelse uitdrukking: ‘de lendenen omgorden’ – ook daar heeft het te maken met action.

In Koran 68:42 wordt gezegd, over de *Jongste Dag: يوم يكشف عن ساق ‘ten dage dat er een onderbeen ontbloot zal worden…,’ wat neerkomt op het ophijsen van het gewaad. Wiens been is dat? Er waren uitleggers die meenden dat het Gods been betreft.2 Zo verwonderlijk is dat niet: de Koran spreekt over Gods oog en Gods hand; waarom zou hij dan ook geen been hebben? Er waren inderdaad moslims die deze uitdrukkingen letterlijk  namen—zonder zich uiteraard te willen afvragen hoe dat been er uit zag. Bilā kayf (‘zonder te vragen hoe’) was het orthodoxe devies. Gelijk hadden ze; anders krijg je maar rare vragen. De  koranvertaler Fred Leemhuis vertaalt: ‘ … dat hun de benen ontbloot worden’ — de benen van de in de hel gestraften? De Amerikaan Majid Fakhry dacht aan nog iets meer; hij vertaalt: ‘… when nothing shall be concealed.’ Met andere woorden: ze moeten met de billen bloot, ook figuurlijk.
Mij dunkt dat de uitdrukking oorspronkelijk met dat opstropen van een gewaad te maken had gehad, maar allang idiomatisch was geworden, zodat er niet meer aan een concreet been gedacht werd, zoals wij bij ‘de mouwen opstropen’ en ‘zijn handen in onschuld wassen’ ook meestal niet aan echte armen of handen denken. Dan betekent de koranische uitdrukking zoiets als: ‘Ten dage dat het heftig zal toegaan’.

Noten
1. Herodotus, Historiae vii, 69.
2. O.a. al-Bukhārī, Tafsīr sūra 68, 2.

حدثنا آدم حدثنا الليث عن خالد بن يزيد عن سعيد بن أبي هلال عن زيد بن أسلم عن عطاء بن يسارعن أبي سعيد ر قال سمعت النبي ص يقول يكشف ربنا عن ساقه فيسجد له كل مؤمن ومؤمنة فيبقى كل من كان يسجد في الدنيا رياء وسمعة فيذهب ليسجد فيعود ظهره طبقا واحدا.

Naar rubriek KLEDING:
Dames: hoofddoek, sluier, boerka & co, tsjador, hot pants.
Heren: boerka, Arabische kleding in de bijbel.

Terug naar Inhoud

De arabisering van de bijbel

JezusverjaagthandelaarsIn kinderbijbels en bijbelfilms uit Hollywood lopen de Palestijnen uit de tijd van Jezus vaak in kleding die Arabisch aandoet. De arabisering van de bijbel was een proces dat eeuwen heeft geduurd. Toen er sinds de kruistochten superieure stoffen uit het Nabije Oosten werden geïmporteerd trok men de bijbelse figuren oosterse kleren aan in plaats van de Europese, die op oudere schilderijen nog voorkwamen. Ook Rembrandt moet een kist met Turkse kleren bij de hand gehad hebben. Natuurlijk was men zich ervan bewust dat de bijbelse verhalen zich in Palestina, dus in de zogenaamde Oriënt hadden afgespeeld, al wordt de ambiance van de bijbel nooit zo ‘oosters’ als de echte Arabische wereld. De Oriënt was gewoon te wuft voor christelijke doeleinden.
In de 19e eeuw, toen de tot op heden beeldbepalende illustraties bij de bijbel ontstonden, heeft men naar de kleding gekeken die de Palestijnse boeren en vissers op dat moment droegen en deze naar vrije fantasie vermaakt. Overwegend nuchtere, bescheiden kleding is het geworden. Typisch Arabische hoofdbedekkingen worden toegepast; bij Jezus zelf niet altijd, omdat die zijn charismatische golvende haar zouden verhullen. In de nieuwtestamentische omgeving zien we een matte Oriënt: goedkope gewaden en brave gezichten; geen nobele wilden of fiere strijders; veel ruige, maar aandachtig luisterende boerenkoppen.
Alleen bij de drie koningen mag de schilderachtige Oriënt even doorbreken; en bij het verhaal van Herodes en Salomé natuurlijk. Daar is plaats voor een oosterse despoot en voor een danseres in kostbare, haast doorschijnende stof.
Misschien kwamen de lange, Arabisch-achtige gewaden de bijbeltekenaars vroeger ook goed gelegen omdat er zoveel stof in ging. In de Grieks-Romeinse kleding was veel naakte huid te zien en de tunieken gingen makkelijk uit. Zo kon men Jezus en zijn discipelen er moeilijk bij laten lopen. Jezus topless, dat gaat alleen maar als hij aan het kruis hangt; dat heeft een eigen erotiek. Maar de Bergrede met blote borst? Liever niet.

Naar rubriek KLEDING:
Dames: sluier, boerka & co, tsjador, hot pants.
Heren: lang gewaad, lendendoek, boerka.

Terug naar Inhoud

Umars sterfjaar: inscriptie

Ook op het Arabisch schiereiland krassen de mensen hun namen op muren en stenen. Kilroy was there too! Onlangs werd in Noordwest-Arabië, aan de weg van Medina naar Syrië, de volgende inscriptie ontdekt:


Bismillāh. Ana Zuhayr katabt zaman tuwuffiya ‘Umar sanat arba‘ wa-­’ishrīn.
In de naam Gods. Ik, Zuhayr, schrijf (dit) in de tijd dat ‘Umar stierf, in het jaar 24.

Deze inscriptie bevestigt 1) het traditionele sterfjaar (= 644 AD) van kalief ‘Umar, 2) de vroege invoering van de islamitische jaartelling, 3) het vroege bestaan van de diacritische punten, waarmee het Arabische schrift sommige letters uit elkaar houdt.
Als het geen vervalsing is, is deze tekst een slag voor al die moderne geschiedschrijvers, die het liefst van de vroeg-islamitische tijd helemaal niets meer over zouden laten.

Bron: ‘Ali ibn Ibrahim Ghabban, ‘The inscription of Zuhayr, the oldest Islamic inscription (24 AH/AD 644–45), the rise of the Arabic script and the nature of the early Islamic state,’ in Arabic archaeology and epigraphy 19 (2008), 209–236.
Wie dit interessant vindt zal ook de website Early Islam van Islamic awareness graag bekijken.

Terug naar Inhoud           In het Duits/Auf Deutsch

Woordenboeken, gesproken Arabische talen/dialecten

Van de dialectwoordenboeken noem ik er maar twee. De rest is knudde, voor zover ik weet. Graag aanvullingen uwerzijds, maar ik neem alleen echt goede woordenboeken op.

  • Roel Otten en Jan Hoogland, Basiswoordenboek van het Marokkaans Arabisch. Marokkaans/Nederlands, Nederlands/Marokkaans, Muiderberg 1983. [Klein maar fijn; 8+934 smalle bladzijden. Past in de mouw van uw boernoes.]
  • El-Said Badawi & Martin Hinds, A Dictionary of Egyptian Arabic, Beirut 1986. [alleen Egyptisch-Engels]

Terug naar Inhoud