Turken

Hier geen volkenkundige verhandeling over of geschiedenis van. Alleen enkele verwijzingen naar de Turken in het grijze verleden, met de Arabieren in het achterhoofd.

1. Oudheid: In het Oost-Romeinse Rijk was de naam Turken (Τοῦρκοι) al bekend en verwees naar volkeren in Centraal-Azië. Dat is een reusachtig gebied, dat in de preïndustriële tijd voornamelijk werd bewoond door ruiternomaden en hun paarden. Van oudsher kwamen er golven migranten uit dat gebied naar de door boeren bewoonde wereld: naar Europa, maar ook naar India en China: Hunnen, Chazaren, Magyaren, Turken en Mongolen, en waarschijnlijk vergeet ik er nog een stel. De Lebensraum, die ons onafzienbaar voorkomt was voor de bewoners blijkbaar niet voldoende. Of ze hadden gewoon zin in the high life.
In de Wolga-delta zaten in ieder geval al vroeg Turken. Er schijnen ook oude Griekse bronnen te zijn volgens welke er in de Kaukasus woonden, ongeveer in het huidige Armenië. Bij de historici Priskos en Prokopios moet er wat te vinden zijn. Dit soort uitstapjes buiten mijn eigen vak is moeilijk en tijdrovend; dat kan dus nog wat duren.
Het gebied ten Noorden van de Kaukasus had in de Oudheid in ieder geval een slechte naam. Men geloofde dat de wilde volkeren Gog en Magog (Yādjūdj en Mādjūdj)1 daar woonden. De ‘man met de horens’ (Alexander de Grote?) heeft volgens de koran een dam gebouwd waarachter deze kwaadwillige volken veilig waren opgeborgen. Te denken is misschien aan de vier meter dikke en achttien meter hoge muur van de stad Derbent, die op een landengte in Zuid-Dagestan ligt. In de Eindtijd, kort voor de Jongste Dag, verwacht men dat de Yādjūdj en Mādjūdj van achter die dam uitbreken. Er waren koranexegeten die hen tot de Turken rekenden.Waarschijnlijk hebben de preïslamitische Arabieren op het schiereiland nauwelijks Turken te zien gekregen. In de door Arabieren bewoonde delen van Syrië kunnen er best een paar zijn langsgekomen, maar dat heeft niet tot historische ontmoetingen geleid.

2. Vroege islam. Toen de Arabieren Perzië hadden veroverd leerden zij aan de (noord-)oostgrens van het rijk zeker ook Turken kennen. Dezen moeten een krijgshaftige en bedreigende indruk hebben gemaakt, zoals een aan de profeet toegeschreven hadith ons duidelijk maakt, in twee versies:

  • … van Abū Hurayra, dat de profeet hem verteld heeft: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben, wier schoenen uit haar bestaan. En de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 3
  • … van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘De Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat de moslims tegen de Turken gevochten hebben, mensen wier gezichten eruit zien als dubbel genaaide leren schilden, die haren kleding dragen en op haren schoenen lopen.’ 4

Turkse ruiter3. Huursoldaten. Afgezien van Turkse migranten en  krijgsgevangenen uit het Oosten kwamen de eerste Turken naar Baghdad omdat de eerste Abbasidische kaliefen behoefte hadden aan soldaten als lijfwacht en voor de kalifale garde. Ze hebben Turkse huurlingen in dienst genomen, ten eerste omdat de Turken de naam hadden uitstekende soldaten te zijn—ze konden bij voorbeeld vanaf een galopperend paard trefzeker pijlen afschieten, ook naar achteren!—, ten tweede omdat deze vreemdelingen geen wortels in Irak hadden, zodat zij (althans aanvankelijk) weinig vatbaar waren voor ‘verkeerde’ loyaliteiten, kliekvorming en corruptie. Kalief al-Mu‘tasim (833–842) ging veel verder: hij importeerde 25.000 tot 30.000 man, en weldra bestond het hele leger alleen nog uit ‘Turken’ (d.w.z. migranten uit Centraal-Azië, waarvan ongeveer de helft een Turkse taal sprak). Islamitische staten hebben nog tot in de negentiende eeuw slaven, soldaten en soms zelfs heersers van ver gehaald: Mamelukken, Janitsaren enzovoort.
Al-Djāhiz (781–868) schrijft over hen:

  • Een Khāridjiet vertrouwt in de aanval vooral op zijn lans. De Turken beheersen die net zo goed, maar als er duizend Turkse ruiters aanvallen en ieder één pijl afschieten maaien zij duizend ruiters neer. Tegen dit soort aanvallen vermag  geen leger stand te houden.
    Khāridjieten en bedoeïenen hebben geen noemenswaardig talent om vanaf de rug van een paard pijlen af te schieten. Maar een Turk kan zo een stuk wild of een vogel raken, een schietschijf, een mens, een liggend dier of een opstaande grenssteen. Hij hitst zijn rijdier op voorwaarts en achterwaarts, naar links en naar rechts, bergop en bergaf en hij schiet tien pijlen af voordat een Khāridjiet ook maar één pijl aanlegt. Bij het afdalen van een heuvel  of in de diepte van een rivierdal zet hij zijn rijdier tot een snellere galop aan dan een Khāridjiet op een vlak stuk land. Een Turk heeft vier ogen: twee in zijn gezicht en twee in zijn nek.5
  • Zo zijn de Turken tentnomaden, steppenbewoners en herders van kudden; zij zijn de bedoeïenen van de niet-Arabieren […]. Met handvaardigheid of handel, geneeskunst, akkerbouw of geometrie houden zij zich niet bezig, evenmin als met bomen planten, bouwen, kanalen aanleggen en belasting heffen. Ze hebben geen ander streven dan plunderen en roven, jagen en paardrijden, vechten tegen kampioenen, zoeken naar buit en onderwerpen van vreemde landen.6

4. Migranten. Vanaf ± 1000 kwam er echter ook een grote, spontane volksverhuizing op gang; vanaf ± 800 had het al gedruppeld. Er kwamen steeds meer Turken; hele stammen trokken naar het Westen. Ik noem hier slechts de Seldsjoeken (Selçuklular, Saldjūq), die omstreeks 960 tot de islam overgingen, in 1055 Baghdad veroverden en in 1071 bij Manzikert (Malazgirt) een beslissende slag met het Oost-Romeinse Rijk leverden. Daarna lag het binnenland van Klein-Azië voor hen open. Konya, hun hoofdstad in Klein-Azië, kwam tot aanzienlijke bloei. Na een eeuw van sjiïetische machtsontplooing (Būyiden, Fatimiden) vertegenwoordigden de Seldsjoeken een stoere soennitische islam van hanafitische kleuring. Veel Turkse stammen struinden aanvankelijk nog als nomaden door Klein-Azië en lieten zich bij voorbeeld door het passerende leger van de Kruisvaarders (1097) nog tamelijk verrassen. Bij de Tweede Kruistocht waren zij al beter georganiseerd en hebben zij zich verdedigd. Maar het beeld van golven ‘woeste nomaden’ die naar het Westen kwamen is veel te eenzijdig. Er kwamen nomaden, zeker, maar de Seldsjoeken brachten ook herstel en nieuw leven in het nogal versleten Abbasidische rijk, in Irak en in Syrië: infrastructuur, geldstelsel, staatsinrichting, stedenbouw e.v.a. Kennis van de urbane cultuur en van staatsinrichting hadden zij opgedaan in het eveneens Turkse rijk der Ghaznawiden in en om het huidige Afghanistan (977–1186)
Na de Seldsjoeken kwamen de Turkse Ottomanen of Osmanen: Constantinopel viel in 1453. Daarvoor hadden zij al de Balkan veroverd, waarvan delen nog tot in de twintigste eeuw Ottomaans bleven.

5. Ottomanen. Het Ottomaanse Rijk was tot ± 1700 een zeer sterke, moderne, ook Europa bedreigende militaire macht. Daarna werd het geleidelijk zwakker—en daardoor cultureel aantrekkelijker—tot het eindigde als de ‘zieke man van Europa’. Omstreeks 1500 had het Ottomaanse Rijk het modernste rechtsstelsel van Europa – en dat was niet de Sharia.
De Turken hadden ook de Arabische wereld veroverd, met uitzondering van Marokko. In 1517 maakte zij een eind aan de heerschappij van de Mamelukken in Egypte. Voortaan woonden dus de meeste Arabieren in het Ottomaanse Rijk, en dat heeft tot na de Eerste Wereldoorlog geduurd. Ottomaans-Turks was nu de taal van de macht en het prestige geworden, terwijl het Arabisch werd teruggedreven naar de gebieden van godsdienst, handel en het leven van alledag. De beste schrijvers, geleerden en vaklui werden vanuit Cairo naar İstanbul overgebracht; anderen gingen vrijwillig, want de carrièrekansen lagen in de nieuwe hoofdstad.
Hebben de Arabieren onder de Turken geleden, zich onderworpen gevoeld? Ik weet het niet, ik zou denken: tot diep in de negentiende eeuw niet. Het nationalisme en de vrijheidsdrang van bij voorbeeld de Grieken, die zich in 1822 afscheidden, was nog niet in het Midden-Oosten aangekomen. Een beetje rancune vond ik wel bij ‘Alī Mubārak, later ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893), een Egyptische jongen die in 1844 aan een militaire academie in Frankrijk mocht gaan studeren. Zijn medestudenten uit Egypte waren allemaal Turkstalig, kregen veel meer zakgeld en waren vaak nogal dom; ze hadden die beurs alleen maar gekregen omdat zij uit de bovenlaag kwamen. Een mengsel van etnische en standendiscriminatie dus.6 Vanaf 1850 geraakten zowel Turken als Arabieren volop besmet met het virus van het nationalisme. Sindsdien voelden de Arabieren zich minder thuis in het Ottomaanse Rijk en begonnen te mokken en in opstand te komen, terwijl de Turken hunnerzijds arroganter werden. In de tweede helft van de negentiende eeuw emigreerden veel Arabische intellectuelen uit het nog Ottomaanse Syrië naar Egypte, dat onafhankelijker was. In 1920 waren de Arabieren van de Turken ‘bevrijd’.
De Arabische cultuur, die eeuwenlang op het tweede plan stond, begon omstreeks 1850 aan de zogenaamde nahda (‘renaissance’). Weer aan te knopen bij de eigen Hochkultur van vroeger bleek na zoveel eeuwen niet gemakkelijk. De meer volkse cultuuruitingen, inclusief de poëzie, waren wel gewoon doorgegaan.
Tegenwoordig spreken de Arabieren soms (net als overigens de Grieken) over de Turkse bezetting, en daarmee bedoelen ze niets goeds. Bij vier eeuwen Turkse aanwezigheid is ‘bezetting’ echter niet het juiste woord. En toen het Ottomaanse Rijk en het kalifaat werden opgeheven bleken veel Arabieren het toch te missen en er erg aan gehecht te zijn. En huwa aslu turki, ‘hij is van Turkse komaf’ wees in Egypte tot voor kort op prestige; zo werd de oude elite aangeduid, ook wel aristūqrātīya genoemd. Die elite sprak Turks en Frans en luisterde nog heel lang via een eigen radiozender naar Ottomaanse schlagers en klassieke muziek. Zij zal nu wel uitgestorven zijn, of alleen nog maar Frans spreken. Nagieb Mahfoez heeft in zijn roman al-Qāhira al-djadīda (1945; vert. Nieuw Cairo, 1998) een prinses voor gek gezet, die een korte toespraak in het Arabisch moest houden maar die alleen uit een Franse transcriptie kon voorlezen, waardoor zij goeddeels onverstaanbaar werd.
Het Ottomaanse Rijk was officieel islamitisch, maar bood religieuze minderheden veel ruimte. Welbeschouwd vormden die minderheden samen zo’n 30% van de bevolking, zo niet nog meer—het hangt er vanaf wie je erbij rekent. Grieken, Joden en Armeniërs waren onmisbaar in de sectoren scheepvaart, handel en internationale contacten.

6. Moderne Turken. Tegenwoordig heeft Turkije voor vele Arabieren een voorbeeldfunctie: zie je wel dat het mogelijk is een modern en bloeiend land te hebben mét de islam? Anderzijds wordt Turkse bemoeienis met de toestanden in de Arabische wereld niet op prijs gesteld.

NOTEN
1. Koran 18:83–98, 21:95–97.
2. Keith Lewinstein, „Gog and Magog,“ in EQ.
3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي ص قال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.

4. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 65:

حدثنا قتيبة بن سعيد حدثنا يعقوب يعني ابن عبد الرحمن عن سهيل عن أبيه عن أبي هريرة أن رسول الله ص قال لا تقوم الساعة حتى يقاتل المسلمون الترك قوما وجوههم كالمجان المطرقة يلبسون الشعر ويمشون في  الشعر.

5. Al-Djāḥiẓ, ‘Manāqib al-turk,’ in: Rasāʾil al-Djāḥiẓ, uitg. ʿAbd al-Salām Hārūn, Cairo z.j., 45.

وقال: الخارجي عند الشِدة إنما يعتمد على الطِعان، رالأتراك يطعن طعنَ الخوارج وإن شدّ منهم ألف فارس فرموا رِشقًا واحدًا صرعوا ألف فارس، فما بقاء على هذا النوع من الشدّة.
والخوارج والأعراب ليست لهم رماية ومذكورة على ظهور الخيل، والتركي يرمي الوحش والطير والبرجاس والناس والمجثَّمة والمُثل الموضوعة، و يرمي وقد ملأ فروجَ دابّته مدبرًِا ومقبلاً ويَمنة ويسرة وصُعُدًا وسُفْلاً، ويرمي يعشرة أسهم قب أن يفوّق الخارجي سهمًا واحدًا، ويركض دابّته منحدرًا من جبل أو مستفلاً إلى بطن واد بأكثر مما يمكن الخارجي على بسيط الأرض.

6. Al-Djāḥiẓ, ibid. i, 70–71.

وكذلك الترك أصحاب عمد وسكَّان فيافٍ وأرباب مواشٍ، وهم أعراب العَجَم كما أنّ هُذيلًا أكراد العرب. فحين لم تشغلهم الصناعات والتجارات والطب والفلاحة والهندسة ولا غرس ولا بنيان ولا شقّ أنهار ولا جباية غلاّت، ولم يكن همّهم غير الغزو والغارة والصيد وركوب الخيل ومقارعة الأبطال وطلب الغنائم وتدويخ البلدان.

7. ʿAlī Pāshā Mubārak, al-Khiṭaṭ at-tawfīqīya, ix, 41. @Tekst en controle@

Diakritische Zeichen: al-Muʿtaṣim, al-Djāḥiẓ, ʿAlī Mubārak, nahḍa, huwa aṣlu turkī, arisṭūqrāṭīya, Naǧīb Maḥfūẓ

Terug naar Inhoud

Heilige oorlog

‘Een heilige oorlog is een oorlog die wegens een religieuze opvatting, een vermeende goddelijke verplichting of ter verdediging van ‘heilige’ gebieden gevoerd wordt,’ zegt de Wikipedia, en daar sluit ik mij graag bij aan.
Heilige oorlogen zijn in alle drie de westerse godsdiensten ingebouwd. De oude Israëlieten hebben zich op het bevechten van concurrerende volkjes gestort – volgens sommige profeten nog te weinig. In het Oude Testament wordt verwezen naar het (niet bewaard gebleven) Boek van de oorlogen des HEREN. Jezus kwam ‘niet om vrede te brengen, maar het zwaard’ en hij komt nog eens terug ‘met een ijzeren herdersstaf’.1 Zijn volgelingen hebben diverse heilige oorlogen gevoerd, bij voorbeeld de Kruistochten (Deus lo vult – ‘God wil het!’). Ook moslims kennen de heilige oorlog; zij noemen hem meestal djihād. Dit woord heb ik echter niet als titel voor dit artikel gebruikt, omdat 1. het woord ook nog een andere betekenis heeft: ‘zich inspannen’ 2. voor kennelijk heilig bedoelde oorlogen ook het woord qitāl ‘vechten’ veel wordt gebruikt.

  •      djāhada, infinitief djihād‚ ‘zich inspannen’
         al-djihād fī sabīl Allāh‚ ‘zich inspannen voor Gods zaak, strijden’
         mudjāhid, iemand die dat doet; inz. ‘strijder voor het geloof’

Er is een innerlijke djihad: het strijden tegen het ik en de ziel die geneigd is tot alle kwaad, en een uiterlijke djihad: zich inspannen voor Gods zaak. Dat laatste hoeft niet militair te zijn. Toch wordt in het moderne spraakgebruik de inspanning voor bij voorbeeld een studie of de bouw van een kinderziekenhuis zelden met djihad geassocieerd.

De eerste arabische veroveringen
De eerste arabische veroveringen (632-750) waren zeer militant, maar aanvankelijk nog nauwelijks islamitisch of djihad, omdat deze begrippen zich nog niet hadden uitgekristalliseerd. Met terugwerkende kracht heeft men de veroveringen wél djihad genoemd.
Teksten, al dan niet heilig, al dan niet geschreven, spelen bij oorlogvoering altijd een belangrijke rol. Een enkeling heeft misschien wel eens gewoon zin in vechten, maar zodra er groepen mannen aan het vechten moeten worden gebracht of gehouden zijn er woorden nodig: motiverende, bezwerende, buit belovende, tot volhouden aansporende en rechtvaardigende woorden, en eventueel dreigingen aan het adres van degenen die niet mee willen doen of verraad willen plegen. Zulke teksten kunnen door gemeenschappen, priesters of leiders bewust worden ingezet. Zonder twijfel behoorden tot de drijvende krachten achter de vroege Arabische veroveringen ook teksten, die later hun neerslag hebben gevonden in de koran. Hoe precies is de historici niet duidelijk. Tijdens de turbo-fase van de veroveringen (632–661) was de koran nog niet ‘klaar’ en zeker niet in boekvorm wijd verbreid.

De heilige oorlog in de koran
Wie wil nagaan wat er in de koran staat over heilige oorlog vindt meer dan honderd verzen, voornamelijk met djihād en qitāl en aanverwante woorden. Omdat er over dit onderwerp zoveel verzen zijn heeft het geen zin om er een of twee uit te pikken en die dan als het standpunt van de koran te presenteren.
Een duidelijke, ondubbelzinnige koranische opvatting over oorlog voeren is er niet: ‘The qurʾānic rulings and attitudes regarding warfare are often ambiguous and contradictory so that there is no one coherent doctrine of warfare in the Qurʾān, especially when the text is read without reference to its exegetical tradition.’ 2 Dus of iemand in de koran een aansporing tot oorlogvoeren leest of juist tot vredelievendheid hangt erg af van zijn keuze van de verzen en hun uitleg.
Een traditionele, zowel islamitische als oriëntalistische manier om wat orde te scheppen in de koranteksten over de heilige oorlog is de chronologische volgorde van de verzen erbij te betrekken.

Dan zegt men bij voorbeeld: in de vroege periode, toen de profeet nog in Mekka was, waren de koranteksten defensief. Toen hij later in Medina een eigen staat gesticht had, die ten dele afhankelijk was van de buit van rooftochten, werden de teksten agressiever. Vroege koranverzen kunnen door latere worden afgeschaft (*naskh). Welnu, soera 9, de jongste van de koran, schaft volgens dit denkmodel de oudere af. Deze soera is agressief, maar behandelt tegelijkertijd ook het probleem van de dienstweigering. Blijkbaar wilden niet alle mannen zo graag vechten.

Hier volgen enkele willekeurig gekozen koranteksten over het onderwerp oorlog.

  • K. 22:39–40 ‘Degenen tegen wie gestreden wordt is [de strijd] toegestaan, omdat hun onrecht is geschied.’
    K. 2:190–93, ‘En strijdt voor Gods zaak tegen degenen die tegen u strijden! Maar begaat geen overtredingen; God houdt niet van mensen die overtredingen begaan. Doodt hen waar u hen aantreft, en verdrijft hen vanwaar zij u verdreven hebben. … enz..’
    K. 2: 216 ‘U is voorgeschreven te strijden, al staat het u ook tegen …’
    K. 9:5 ‘Als de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de heidenen waar u hen vindt; grijpt hen, omsingelt hen en wacht hen op in iedere hinderlaag. Maar als zij berouw hebben, het gebed verrichten en de armenbelasting opbrengen, laat hen dan! …’
    K. 9:39 ‘Als u niet uitrukt zal Hij u bestraffen met een pijnlijke straf en andere mensen uw plaatsen laten innemen. …’

Wie niet zo veel ziet in het chronologische model komt niet veel verder dan het inventariseren van onderwerpen, zoals → Landau-Tasseron en → Crone dat hebben gedaan. Enkele hoofdonderwerpen zijn:

  • – De tegenstanders: de ongelovigen
    – Zich verdedigen bij een aanval
    – Zelf aanvallen
    – Aansporing tot deelname aan de strijd
    – Beloning voor de inzet: Buit in deze wereld, het paradijs in de latere.
    – Bestraffing voor lafheid en dienstweigering, vooral voor de Huichelaars (munāfiqūn), die beweren dat ze meedoen maar geen vinger uitsteken. Zij gaan naar de hel.
    – Naast deelname in persoon is ook materiële ondersteuning van de oorlogsvoering mogelijk, door een rijdier of een uitrusting te schenken o.i.d..

Ribāt: de praktijk
Een moeilijk begrip.3 Soms lijkt het vrijwel synoniem met djihād of qitāl; dan weer verstaat men er een vesting onder, dan weer een groep religieus geïnspireerde strijders.
Toen na 750 de grote golf veroveringen tot stilstand gekomen was werd de djihad ‘geritualiseerd’. Aan de pijngrens tussen het Oostromeinse Rijk en het Abbasidenrijk, die ongeveer overeenkomt met de huidige grens tussen Turkije en Syrië, verzamelden zich groepen soms diep religieus geïnspireerde strijders om eens per jaar een veldslag tegen de Romeinen ten beste te geven. Soms werd er een vesting of een stadje veroverd, soms ging dat weer verloren. De grens bleef door de eeuwen heen tamelijk stabiel. Terwijl in Medina of Kufa de geleerden zich over de theorie van de djihad bogen was hier de praktijk te vinden. De strijders kwamen soms uit de verste uithoeken van het rijk aangereisd.
Een bekende hadithverzameling uit de ribāt-sfeer is het Kitāb al-djihād door ‘Abdallāh ibn Mubārak (gest. 797), dat tegenwoordig onder militante moslims weer populair is.4 De verzamelaar stamde uit Centraal-Azië en was speciaal voor de djihad naar het Westen gekomen. Hij was krijger en asceet tegelijk; hij heeft ook een hadith-verzameling met de titel Ontzegging van de Wereld (Kitāb al-Zuhd) vervaardigd. Het Kitāb al-djihād documenteert de geestelijke dimensie van de djihad in deze groepen, die hier gedetailleerder aan de orde komt dan in de koran. Het zijn 262 hadithen; daarvan hier één:

  • […] dat hij van ‘Utba ibn ‘Abd al-Sulami, een van de gezellen van de profeet, had gehoord dat de profeet gezegd heeft:
    De in de djihad gevallen mannen zijn er in drie soorten:
    – Een gelovige man, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Dat is een martelaar die op de proef wordt gesteld [en verblijft] in een tent van God, onder zijn troon. De profeten hebben niet meer verdienste dan zij, behalve dat zij het niveau van het profeetschap bezitten.
    – Een gelovige man, die zich misdaden en zonden te verwijten heeft maar met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die reiniging wist zijn misdaden en zonden weg – ja, het zwaard wist de zonden weg – en hij wordt binnengelaten in het Paradijs door welke poort hij maar wil, en dat heeft acht poorten, en de hel zeven, de ene nog lager dan de andere.
    – Een huichelaar, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die komt in de hel, want het zwaard wist de huichelarij niet uit.

Hier wordt de djihad als geestelijke strijd voorgesteld, in dezelfde geest als in koran 9:111, waar de oorlogsinspanning met het Paradijs wordt beloond:

  • God heeft van de gelovigen hun leven en hun have en goed gekocht voordat zij het Paradijs verwerven. Nu moeten zij voor Gods zaak strijden en doden of [zelf] gedood worden. […] Verheugt u over de koop die u gesloten hebt! Dat is dan het grote succes.

Bovendien verzoent de inspanning de begane zonden (m.u.v. huichelarij, in overeenstemming met koran 63:3 en 4:145).
Strijders werd aanbevolen witte kleren te dragen, zodat het bloed van hun offer duidelijk zichtbaar was.

Martelaren
In kringen van de ribāt-strijders, maar later ook steeds weer elders, is het idee van het martelarendom gecultiveerd, zelfs als er geen oorlog was. Ook in onze tijd hoort men er weer over. De martelaren zijn niet dood, maar dicht bij God (koran 3:169–70). Of zij zich daar amuseren met tweeënzeventig maagden, zoals vaak wordt gezegd, is zeer de vraag. Daarover heb ik een apart artikel hier.

De djihad in de hadith
Het boek van ‘Abdallāh ibn al-Mubārak bestaat uit hadithen, maar vele daarvan zijn niet van de ‘correcte’ soort die ongeveer een halve eeuw later in de gezaghebbende verzamelingen is opgenomen. In zulke verzamelingen zijn, naast een algemene lof van de djihad, ook de ‘kleine lettertjes’ te vinden: Hoe staat het met de verdeling van de buit, met de details van de oorlogvoering, de krijgsgevangenen enzovoort. En ook de ethiek van de oorlog is er te vinden: geen vrouwen en kinderen doden, geen bomen omhakken (pace Koran 59:5), en dergelijke.
Makkelijk toegankelijk zijn de betreffende hoofdstukken van Mālik ibn Anas (gest. 797), Muwatta’ en Muslim (gest. 875), Sahīh in Engelse vertalingen.5 Omdat het geen oorlog is hebben de teksten momenteel weinig relevantie.

De Kruistochten en de reacties daarop
In 1096 riep Paus Urbanus II de Europese christenheid op tot een kruistocht: Palestina, het heilige land, moest terugveroverd worden. Een heilige oorlog was dat: Deus lo vult! ‘God wil het’. In 1099 wordt dan na een enorm bloedbad Jeruzalem veroverd en ontstaan er een paar christelijke vorstendommen in Palestina en Syrië, waarvan sommige het 200 jaar hebben volgehouden.
De islamitische wereld leek eerst verlamd. Hier was toch djihad nodig geweest, verdediging? Maar een prediker als al-Sulamī, die in een moskee in Damascus in deze zin een preek hield, kreeg nauwelijks gehoor.6 In de volgende halve eeuw sieren de krijgsheren (atabeks) van de Seldsjoeken zich weliswaar met de titel mudjāhid, ‘strijder voor het geloof’, maar dat betekende weinig. Ze vochten graag en dat hadden ze zonder djihad ook wel gedaan. De kruisvaarder Rogier van Antiochië werd bij voorbeeld in 1119 gedood door Īlghāzī, die zijn overwinning vierde met een drinkgelag dat een week duurde. Voor djihad kon dat moeilijk doorgaan.
Toch werd sindsdien de strijd tegen de kruisvaarders steeds vaker djihad genoemd. En toen Saladin (Salāh al-Dīn al-­Ayyūbī) in 1187 Jerusalem terug veroverde, was dat zeker een resultaat van djihad.

Ibn Taymīya
Deze eigenaardige dwarskop is via Muḥammad ibn ‘Abd al-Wahhāb (1703–92), Rashīd Ridā (1865–1935) en Sayyid Qutb naar voren gehaald in de publiciteit en tot peetvader van de moderne militante islam gemaakt.
Ibn Taymīya (1263-1328) stamt uit een Syrisch geslacht van *Hanbalitische rechtgeleerden en werd er zelf ook een. Hij beheerste alle islamitische vakken, maar ook bij voorbeeld wiskunde. Een zelfverzekerd man was het, die zei wat hij bedoelde, wat hem meer dan eens in de gevangenis bracht. Hij was fel gekant tegen Sjiïeten, Sufi’s en theologen.
Ibn Taymīya is bekend geworden om zijn energieke oproepen tot djihad. Op grond van zijn levensloop is dat wel te begrijpen. Als vijfjarig kind had hij met zijn familie voor de Mongolen uit het Noord-Syrische Harrān7 naar Damascus moeten vluchten. In zijn tijd hielden de Mongolen Irak en Noord-Syrië bezet; meermalen vielen zij echter ook Zuid-Syrië binnen. De Mamelukkensultan, die in het verre Cairo resideerde, had niet altijd zin om militair tegen hen in actie te komen, maar Ibn Taymīya drong daar luidkeels op aan.
Een complicatie was dat de Mongolen zich tot de islam hadden bekeerd, omdat zij zich overal aan de cultuur van de veroverden aanpasten. Maar tegelijkertijd hadden zij ook nog ettelijke Mongoolse gewoontes en zelfs wetten aangehouden. In een fatwā verklaarde Ibn Taymīya daarom dat de Mongolen geen moslims waren en dus bestreden moesten worden. ‘Iedere groep moslims die de sharia overtreedt … moet bestreden worden, ook als zij verder wel de geloofsbelijdenis uitspreken.’ Deze opvatting werd in de twintigste eeuw door Sayyid Qutb overgenomen en heeft moderne djihadisten sterk geïnspireerd.
Zat er aan Ibn Taymīya een steekje los? Dat beweerde de reiziger Ibn Battūta, die ± 1300 Damascus bezocht, maar Ibn Taymīya niet persoonlijk ontmoette.8 Al te geestelijk gestoord kan hij niet geweest zijn: hij heeft een groot œuvre nagelaten, gevangenissen overleefd en succesvol allerlei ambten bekleed. Monomaan was hij wel, en inderdaad, verblijven in een gevangenis maken een mens ook niet geestelijk gezonder. Ibn Battūta’s uitspraak drukt misschien uit hoe zeer Ibn Taymīya destijds als buitenstaander en excentriek werd beschouwd. Na zijn dood had hij in het Mamelukkenrijk een bescheiden maar bestendig publiek.

De heilige oorlog later
Omstreeks 1500 veroverde de Ottomaanse Turken de Arabische wereld. Delen van Zuidoost-Europa hadden zij al eerder veroverd. Na eeuwen van rust vonden er nu weer veroveringen door moslims plaats. Die in de Arabische wereld konden de Ottomanen niet religieus rechtvaardigen; dat betrof immers medemoslims. Die in Europa liepen slechts ten dele onder de naam djihad. Een belangrijkere term bij de Turken was gaza, arabisch ghazwa, ‘krijgstocht, raid’; een strijder heet dan gazi. De krijgstochten vormden een voortzetting van de ribāt-activiteiten, die sinds eeuwen aan de Syrisch-Romeinse grens hadden plaats gehad en waren dus wel religieus geïnspireerd.9 Het woord djihad werd in die tijd eerder als verdedigingsoorlog opgevat. Vanaf 1700 werd het Ottomaanse Rijk geleidelijk zwakker en vormde geen militaire bedreiging meer voor Midden- en West-Europa.

In de negentiende eeuw zijn de opstanden tegen de koloniale machten duidelijk als djihad gevoerd (Minangkabau 1821–37, Java 1825–30, Algerië 1839–47, India 1857, Sudan 1884, Aceh (Atjeh) 1873-1903 e. a.).10

Volgens de geallieerde propaganda heeft Duitsland in 1914 zijn Ottomaanse bondgenoot ertoe aangespoord, de Eerste Wereldoorlog tot djihad te verklaren, zodat de Turkse soldaten beter zouden vechten. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje sprak smalend van Heilige Oorlog, Made in Germany. Het werd van Duitse kant verontwaardigd ontkend. Hoe het echt was is geloof ik nog steeds niet helemaal opgehelderd. Hoe dan ook, de Eerste Wereldoorlog was de laatste officiële djihad. Daarna was er geen islamitisch staatshoofd meer dat er een had kunnen uitroepen.

Over het algemeen kan worden gezegd, dat de djihad eeuwen lang niet aan de orde was. Hij leefde weer op in de negentiende eeuw en kwam in de tweede helft van de twintigste eeuw vooral als gespreksonderwerp en in propaganda in de mode. Terroristische groeperingen noemen hun aanvallen ook djihad; bij ontbreken van een islamitische staat echter met geringe legitimiteit. De Sjiieten in Iran, die vroeger bij gebrek aan een aanwezig staatshoofd geen djihad kenden, hebben hem kort voor de Islamitische Revolutie voor mogelijk verklaard; Khomeini heeft hem in de Eerste Golfoorlog ook uitgevoerd.

Is de islam een oorlogszuchtige godsdienst?
De vraag is onzinnig, want ‘de’ islam bestaat niet; bovendien voeren godsdiensten geen oorlogen. Maar omdat ze tegenwoordig toch vaak zó gesteld wordt laat ik hier een kort overzicht volgen van de voornaamste van het Arabische resp. islamitische gebied uitgaande agressie, heilig of niet. Oorlogen en conflicten van moslims onder elkaar worden hier niet genoemd.

  • Offensief:
    – Arabische veroveringen ± 630–750
    – Ottomaanse veroveringen in Europa  ± 1385–1700
    – Moorse zeerovers in Noord-Afrika plunderden of gijzelden in opdracht van hun regeringen Europese handelsschepen. Hoogtepunt 17e eeuw.
    – De Eerste Wereldoorlog, tot djihad uitgeroepen door Turkije, dat aan Duits-Oostenrijkse zijde meevocht.
    – Islamistisch terrorisme ± 1990 —
  • Defensief:
    – Verzet tegen de kruisvaarders  ± 1150–1300
    – Verzet tegen koloniale veroveringen  ± 1820–1962
    – Verzet tegen de Sovjet-Unie in Afghanistan  ± 1979–1992
    – Verzet van de Palestijnen tegen Israel, intifāda  ± 1970—

Van India weet ik niets. Ik herinner eraan dat de islam in grote delen van Indonesië door handelaren is verbreid, niet door soldaten. Vergroting van de markten en globalisering moeten voor de Indonesische volkeren destijds aantrekkelijk zijn geweest.
Misschien ben ik nog iets vergeten, maar het lijkt met de oorlogszucht in deze delen van de wereld niet erger gesteld dan ergens anders.

Sayyid Qutb (1906–1966)
Sayyid Qutb was de ster van het Egyptische Salafisme en het grote voorbeeld voor vele militante moslims in onze tijd. Hij studeerde aan het Dār al-‘ulūm, een pedagogische academie waar onderwijzers werden opgeleid. Hij werd ambtenaar in het Ministerie van Onderwijs, was actief als literair criticus en schreef ook Ashwāk, een liefdesroman vol seksuele frustratie. Aanvankelijk was Qutb helemaal niet antiwesters; hij probeerde juist elementen uit het christendom en het marxisme met de islam te verzoenen. Een hem opgedrongen verblijf in de Verenigde Staten11 heeft hem angst aangejaagd en de doorbraak van ‘anti-westerse’ gevoelens bij hem bewerkstelligd. Hij werd Moslim Broeder en pleitte voortaan voor een islamitische staat, waarin de Sharia het enige rechtssysteem zou zijn en de soevereiniteit niet bij het volk lag, maar bij God. Dat leverde hem onder Nasser vervolging en gevangenisstraf op. Wie God op aarde zou vertegenwoordigen specificeerde hij overigens niet.
Met Ibn Taymīya had hij gemeen dat ook hij in de gevangenis een dertigdelig korankommentaar12 schreef; met Hasan al-Bannā, de oprichter van Moslim Broeders dat ook hij tot onderwijzer was opgeleid en, dank zij de Egyptische geheime politie, als martelaar stierf. Hij nam Ibn Taymīya’s opvatting over djihad over.

NOTEN
1. Matteüs 10:34 resp. Openbaring 2:27.
2. Landau­-Tasseron, ‘Jihad’ 38b (cursivering van mij).
3. Chabbi, Ribāṭ, vooral blz. 493–4.
4. Jarrar, ‘Martyrdom’. Een vertaling van het Kitāb al-Djihād heb ik niet gevonden. De geciteerde hadith is nr. 6:

حدثنا محمد بن سفيان قال حدثنا سعيد بن رحمة قال سمعت بن المبارك عن صفوان بن عمرو أن أبا المثنى الأملوكي حدثه أنه سمع عتبة بن عبد السلمي وكان من أصحاب النبي ص أن رسول الله ص قال القتلى ثلاثة رجال رجل مؤمن جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتلهم حتى يقتل ذلك الشهيد الممتحن في خيمة الله تحت عرشه لا يفضله النبيون إلا بدرجة النبوة ورجل مؤمن قرف على نفسه من الذنوب والخطايا جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فتلك مصمصة محت ذنوبه وخطاياه إن السيف محاء للخطايا وأدخل من أي أبواب الجنة شاء فإن لها ثمانية أبواب ولجهنم سبعة أبواب وبعضها أسفل من بعض ورجل منافق جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فذلك في النار إن السيف لا يمحو النفاق.

5. Muslim heeft meer; Mālik is beter vertaald.
6. Hillenbrand, Crusades 105–8.
7. Carrhæ; tegenwoordig in Şanlıurfa, Turkije.
8. Shayʾ fī ʿaqlihi; Little, ‘Screw loose’.
9. Kafadar, Construction 79–80.
10. Peters, Islam and Colonialism
11. J. Calvert, Sayyid Qutb in America,’ in ISIM Newsletter, 7/2001, online hier. Damir-Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft.
12. Fī ẓilāl al-­qurʾān; Engelse vertaling: In the Shade of the Qur’an, translated by M.A. Salahi and A. A. Shamis, Leicester & Nairobi 1999.

BIBLIOGRAFIE
Algemeen
Émile Tyan, ‘Djihād,’ in EI2.
[versch. auteurs], ‘Ḥarb,’ in EI2.
Patricia Crone, ‘War,’ in EQ.
Ella Landau-­Tasseron, ‘Jihad,’ in EQ.
Chase F. Robinson, ‘Conquest’ in EQ.
Rizwi Faizer, ‘Expeditions and battles,’ in EQ.
Ruven Firestone, Jihād. The Origin of Holy War in Islam, New York 1999.
David Cook, Understanding Jihad, Berkeley/Los Angeles/London 2005.

Ribāṭ-strijders en martelaren
ʿAbdallāh ibn al-Mubārak, Kitāb al-djihād, Tunis 1972 e.a. [ook in het Internet te vinden. Niet vertaald.]
J. Chabbi, „Ribāṭ,“ in EI2.
Etan Kohlberg, „Shahīd,“ in EI2.
Wim Raven, „Martyrs,“  in EQ.
Maher Jarrar, „The martyrdom of passionate lovers. Holy war as a sacred wedding,“ in A. Neuwirth et al. (hrsg.), Myths, historical archetypes and symbolic figures in Arabic literature. Towards a new hermeneutic approach, Beirut 1999, 87–107.
D. Talmon-Heller, „Muslim martyrdom and quest for martyrdom in the crusading period,“ in Al-Masaq. Islam and the Medieval Mediterranean, 14 (2002), 131–139.

Kruistochten
Peter Thorau, Die Kreuzzüge, München 20042.
Caroline Hillenbrand, The Crusades. Islamic Perspectives, Edinburgh 1999.
[Usāma ibn Munqidh, Kitāb al-iʿtibār:] Usama ibn Munqidh, Wat anders dan vechten en jagen? Memoires van een Syrisch edelman. Vertaald uit het Arabisch door J. J. Witkam, Amsterdam 1986.

Ibn Taymīya
H. Laoust, ‘Ibn Taymīya,’ in EI2.
D. P. Little, ‘Did Ibn Taimyya have a screw loose?’ in Studia Islamica 41 (1975), 93–111.

Ottomaanse Rijk/Latere tijd
Cemal Kafadar, Between two worlds. The construction of the Ottoman State, Berkeley/Los Angeles 1996.
R. Peters, Islam and Colonialism. The doctrine of Jihad in Modern History, Amsterdam 1979.

Eerste Wereldoorlog
C. Snouck Hurgronje, “Heilige Oorlog Made in Germany,” De Gids, 79 (1915), 115–147; Engels: The Holy War, Made in Germany, London/New York 1915. Hier te downloaden.
Peter Heine, ‘C. Snouck Hurgronje versus C. H. Becker. Ein Beitrag zur Geschichte der angewandten Orientalistik,’ Die Welt des Islams 23/24 (1984), 378–387.
Wolfgang Schwanitz, „Djihad ‘Made in Germany’: Der Streit um den Heiligen Krieg 1914–1915,“ in Sozial. Geschichte. Zeitschrift für historische Analyse des 20. und 21. Jahrhunderts, 18 (2003), S. 7–34.   [De auteur lijkt wat eenzijdig.]
Wolfgang Schwanitz, ‘Die Berliner Djihadisierung des Islam
Stefan Buchen, Kaiser Wilhelms Heiliger Krieg

Sayyid Quṭb en later
Johannes J. G. Jansen, ‘Sayyid Ḳuṭb,’ in EI2.
Sabine Damir Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft. Der islamistische Wegbereiter Saiyyd Quṭb und seine Rezeption, Würzburg 2003.
John Calvert, Sayyid Qutb and the Origins of Radical Islamism, New York 2010.
Gilles Kepel, Jihad. The Trail of Political Islam, London 2004,

Diakritische tekens: ribāṭ, Muwaṭṭaʾ, ṣaḥīḥ, Ṣalāḥ ad-Dīn, Rashīd Riḍā, Sayyid Quṭb, Ḥarrān, Ibn Baṭṭūṭa, intifāḍa, Ḥasan al-Bannā

Terug naar Inhoud