Besmetting: sprak de profeet zich zelf tegen?

🇩🇪  Uit het internet woei mij een artikel aan over besmetting in de hadith van de profeet.1 Het is door twee Pakistaanse moslims geschreven en het lijkt een degelijk artikel binnen het kader van de islamitische hadithwetenschap. Aan Europese universiteiten zou het gebruikt kunnen worden om te laten zien hoe deze functioneert. Mij persoonlijk heeft het weer eens duidelijk gemaakt waarom islamitische wetenschap me zo verveelt en ik er niets mee te maken wil hebben.
.
Bestaat er besmetting? In hadithen van de profeet wordt die vraag soms met ja, soms met nee beantwoord. Had de profeet dan twee meningen over hetzelfde onderwerp, of is hij in de loop van zijn leven zo drastisch van mening veranderd?De doelstelling van de auteurs staat meteen in de korte samenvatting vooraan: Both categories of ahādīth seem contrary to each other and demand a detailed insight into this matter in order to remove the apparent contradiction between them. De schijnbare tegenstrijdigheid wegwerken, dat is het doel. Ze gaan aantonen dat de uitspraken van de profeet elkaar niet tegenspreken, en wel met behulp van de eeuwenoude hadithwetenschap. 

Hun vooronderstellingen zijn:
1. Correct overgeleverde hadithen gaan terug op de profeet. Er staan uitspraken in die hij werkelijk heeft gedaan, en de daar beschreven handelingen heeft hij werkelijk verricht. Correcte hadithen zijn dus een geschiedbron van jewelste.
2. De profeet had altijd gelijk en sprak zich zelf nooit tegen. Wel kan eventueel een latere uitspraak van hem een eerdere afschaffen. Niet dat hij zich vergist had, maar de omstandigheden veranderden, zodat soms een andere uitspraak nodig werd.
3. De eeuwenoude hadithwetenschap (bloeitijd ± 770–1500) is nog geldig, wat in de oude boeken over de overleveraars geschreven staat is meestal betrouwbaar en de methoden om vast te  stellen of een overleveringsketen (isnād) correct is, zijn onverminderd dezelfde.
4. Een vooronderstelling van de auteurs over dit specifieke onderwerp: Ja, besmetting bestaat. Ze zijn modern en levenswijs genoeg om dat in te zien en dat deden ze al voordat ze aan dit artikel begonnen.
.
Nu die besmetting. De meeste mensen hadden en hebben wel een besef hebben dat er zoiets bestaat, en er zijn hadithen waarin daarvan wordt uitgaan. Maar er is ook de uitspraak van de profeet: lā ‘adwā, ‘Er is geen besmetting,’ en er is een verslag over de profeet die eet met een melaatse en zijn hand met hem in dezelfde schotel doopt, aldus tonend dat hij geen besmetting vreesde.  Daar moesten de auteurs, en moeten moslims in het algemeen iets op vinden, want zo’n tegenstrijdigheid is onverdraaglijk.
De auteurs hebben een aantal hadithen over het onderwerp verzameld. Ik vertaal hier hun vertalingen uit hun Engels. Mijn eigen, wat vlottere vertalingen komen op blz. 2.

  • T1: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil).’ Toen stond er een bedoeïen op die vroeg: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als herten? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’3
  • T2: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die te samen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in hoop en vertrouwen op God!’ 4
  • T3: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen ‘adwā (geen besmettelijke ziekte die wordt overgebracht zonder God’s toestemming), geen ṣafar (geen slecht voorteken de maand ṣafar) en geen hāmma (geen slecht voorteken i.v.m een uil) en voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw.’5 
  • T4: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet voortdurend naar melaatsen!’6
  • T5: De profeet heeft gezegd: De pest is een ramp die gezonden werd over de Kinderen Israëls of over mensen die vóór jullie leefden. Als jullie horen dat in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’7 

De beide Pakistaanse auteurs geven vervolgens weer wat zij in oude commentaren en andere bronnen uit vele eeuwen over deze hadithen hebben gevonden. Zij stellen vast dat de oude geleerden twee methoden gebruiken: tardjīḥ, het tegen elkaar afwegen van hadithen, meestal op grond van de isnād; en taṭbīq of djam‘, waarvan ik niet precies weet wat het is, maar dat het meest lijkt op harmoniseren en weginterpreteren.
.
Ontkenning van besmetting
Volgen we eerst de geciteerde personen die het bestaan van besmetting ontkennen. Zij vinden steun in de duidelijke uitspraak van de profeet in T1: ‘Er is geen besmetting,’ en een bevestiging in een handeling van hem in T2, waar de profeet eet met een melaatse—als hij bang geweest was voor besmetting had hij dat niet gedaan. Er blijken nog vier teksten te bestaan, die vertellen hoe vooraanstaande gezellen van de profeet uitdrukkelijk met melaatsen aten en aldus diens handelen bevestigden. Soms gaven ze zelfs complete leprozendiners!8 Aisja, de vrouw van de profeet, maakte het ook heel bont: zij zou een melaatse slaaf gehad hebben die van haar schotel at, uit haar beker dronk en vaak op haar slaapplek sliep—waarbij zij zich om besmetting uiteraard geen zorgen maakte.
Een tekst als T4: ‘niet voortdurend kijken naar melaatsen,’ die waarschijnlijk uitgaat van besmetting, wordt door de ontkenners geëlimineerd omdat de isnād zwak is. Hetzelfde geldt voor nog twee niet-profetische overleveringen, die aanbevelen een melaatse op een, resp. twee speerlengten afstand van zich vandaan te houden. Aantonen dat een isnad zwak is is een klassieke islamitische manier om een ongewenste hadith te elimineren. Een andere manier is een tekst door een latere tekst als afgeschaft te beschouwen. Van T3: ‘Vlucht voor een melaatse…’ wordt wel gezegd dat deze is afgeschaft door T2, waarin de profeet zijn hand met een melaatse in de schotel doopt.
De geleerden die T3 niet meteen verwerpen hebben in de loop der eeuwen verschillende andere manieren gevonden om hem onschadelijk te maken. Ze zeggen bij voorbeeld: je vlucht niet omdat je bang bent voor besmetting, maar om die arme melaatse niet te kwetsen. Met dat niet kijken naar een melaatse is het net zo: het gaat daar niet om vrees voor besmetting, maar om discretie, consideratie met de melaatse.
Of als je meent, schade te ondervinden door een melaatse, als zijn geur je niet bevalt of je zijn nabijheid slecht verdraagt, of als je afkeer ondervindt, ja dan moet je weggaan. Je blijft bij een melaatse uit de buurt zoals je ook een overhellende muur of een kapot schip vermijdt.
Of, heel ingewikkeld: je moet weglopen van een melaatse omdat je anders als je ziek wordt misschien zou denken dat het door besmetting komt, wat de profeet heeft uitgesloten. Dit argument komt vaak voor; reeds Abū ‘Ubayd (gest. 838) zegt dat je gezonde dieren niet samen met zieke dieren moet laten drinken, want als ze dan ziek worden zou je in de verleiding kunnen komen te denken dat er besmetting is. In werkelijkheid worden die andere dieren ziek door de wil van God en niets anders.
Dat is inderdaad de reden waarom besmetting überhaupt wordt ontkend: het is telkens opnieuw een goddelijk raadsbesluit dat maakt dat iemand ziek wordt of juist niet.

Erkenning van besmetting
Maar ook degenen die wel geloofden dat er besmetting is moesten aan de slag. Weliswaar hadden zij hun eigen waarneming van het optreden van besmetting, en enkele meervoudig en correct overgeleverde hadithen (T3, T5 en eventueel T4) die deze bevestigden, maar zij moesten enkele andere profetische hadithen onschadelijk maken, die besmetting duidelijk loochenen: T2, ‘de profeet eet met een melaatse,’ wordt beschouwd als niet correct overgeleverd; die tekst kan dus niet zo veel kwaad meer. Nadrukkelijk overeind staat nog de correct overgeleverde overduidelijke uitspraak en van de profeet: ‘Er is geen besmetting’ (T1/3), maar daar hebben de diverse erkenners van besmetting een oplossing voor gevonden.
– Men maakt die uitspraak bij voorbeeld verteerbaar door er iets bij te denken. Natuurlijk is er besmetting, dat weet iedereen; met zijn uitspraak bedoelde de profeet uiteraard: ‘Er is geen besmetting, behalve door melaatsheid, bars en andere ziekten.’ Vandaar dat je wel degelijk voor een melaatse moet vluchten.9
– Anderen denken er iets anders bij: ‘Er vindt geen besmetting van nature plaats,’ m.a.w. het is God die beslist of er besmetting optreedt of niet; ten bewijze daarvan kon de profeet rustig zijn hand met die van een melaatse in een schotel dopen. Een zekere al-Turbushtī, een geleerde uit de dertiende eeuw, vond deze opvatting de juiste, ‘omdat zij overeenstemming tussen de hadithen over dit onderwerp mogelijk maakt.’ 10
– Weer anderen meenden dat ‘Er is geen besmetting,’ niet de besmetting wil loochenen, maar het geloof dat er besmetting bestaat door iets anders dan God.11 De retorische vraag van de profeet in T1: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ past goed bij deze opvatting.
– Ibn Qutayba (± 828–889) was een literaat, geen medicus, maar hij begreep best hoe besmetting werkt: door aanraking (mulāmasa) of door druppeltjesinfectie via de ingeademde lucht (al-shamm al-rā’iḥa), vooral via huisgenoten (mukhālaṭa). Toch heeft hij geen moeite met de uitspraak van de profeet: ‘Er is geen besmetting (‘adwā),’ want de door hem beschreven overdracht van ziekten ís domweg geen ‘adwā. Wat dat dan wél is zegt hij niet; het blijkt althans niet uit het Pakistaanse artikel. Onder andere Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) volgt dezelfde gedachtengang, maar hij zegt wél wat ‘adwā is: dat is dat een ziekte heerst op een zekere plaats, zoals de pest in T5 hierboven. Van zulk een plaats weg te vluchten is niet geoorloofd omdat je dan zou willen ontsnappen aan het raadsbesluit Gods.12
.
Ik heb niet het gehele, lange artikel van de beide auteurs hier samengevat, maar geprobeerd het belangrijkste eruit te halen en naar beste vermogen weer te geven wat de beide auteurs bedoeld hebben. Op enkele punten heb ik hen domweg niet begrepen.
De auteurs zijn te prijzen om hun ijver en hun acribie bij het bijeenzoeken van de vele commentaarteksten. Waar ik echter bezwaar tegen maak is dat hun eigen gedachtengangen in het verlengde verlopen van die eeuwenoude commentaren, die naar de huidige inzichten intellectueel duidelijk te kort schieten. Alle respect, bij voorbeeld, voor een Ibn Qutayba, die in de negende eeuw al behoorlijk goed wist wat besmetting was, maar doodzonde dat hij zich dan in kromme bochten draait om de profeet te sauveren en uiteindelijk beweert dat besmetting vooral geen besmetting is. Ik kan het hem en zijn soortgenoten echter niet kwalijk nemen: eeuwen geleden was men nog niet tot andere gedachtengangen in staat. Anders zou dat kunnen of moeten zijn bij de beide moderne Pakistaanse auteurs; die hebben toch wel eens een middelbare school van binnen gezien? Maar helaas, zij nemen die stokoude drogredenen serieus, koken er hun eigen soepje van en baseren er hun eigen conclusie op: Er is wel besmetting, maar ‘geen besmettelijke ziekte wordt overgebracht zonder God’s toestemming.’ Dat is wat mij zo aan dit soort werk verveelt. Je zou ook kunnen zeggen: Ik neem het ze kwalijk dat ze theologie bedrijven, en geen tekstwetenschap. Verkeerd is ook dat zij hun conclusie in hun vertaling van een hadith zetten; dat is echt geknoei. Lā ‘adwā betekent: ‘er is geen besmetting,’ en niet: ‘no contagious disease is conveyed without Allāh’s permission.’ Bij de weergave van een tekst in een andere taal moet er vertaald worden, niet getheologiseerd.
.
Wat mijn eigen vooronderstellingen zijn en wat ik zelf doe met deze elkaar tegensprekende hadithen staat op blz. 2.

NOTEN
1. Muhammad Qasim Butt en Muhammad Sultan Shah, ‘The Concept of Contagiousness in the Ahādīth,’ Pakistan Journal of Islamic Research, 19/1 (2018), 59–75. In het net zag ik het hier, laatstelijk op 6 november 2018.  Een pdf vindt U hier: Butt_Shah, Contagiousness in ahadith.
2. En dit is nog maar één onderwerp; er zijn er talloze waarover de uitspraken van de profeet met elkaar strijdig zijn of lijken.
3. Ik vertaal hier de Engelse vertalingen van de auteurs. Met sommige daarvan ben ik het niet eens en ze kunnen vlotter; zie voor mijn eigen vertalingen blz. 2.
O.a. Bukhārī, Ṭibb 25; Muslim, Salām 101 en vele andere, met diverse profetengezellen als overleveraar: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
4. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925; Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
5. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
7. Bukhārī, Anbiyā’ 54 (vgl. ook Muslim, Salām 100): … فقال أسامة قال رسول الله ص: الطاعون رجس أُرسل على طائفة من بني إسرائيل أو على من كان قبلكم فإذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه، وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارًا منه. قال أبو النضر: لا يخرجكم الاّ فرارا منه  
8. Butt/Shah, Concept 62.
9. لا عدوى ألّا من الجُذام والبرس وغيرها . Wat bars is weet ik (nog) niet; het moet ook een ziekte zijn. Butt/Shah, Concept 70.
10. لا تقع عدوى بطبعها. Butt/Shah, Concept 71.
11. Butt/Shah, Concept 72.
12. Butt/Shah, Concept 72–73.

Terug naar Inhoud

Waarover gaan hadithen?

 Muslims, die advies willen hebben over het juiste islamitische handelen, beginnen met een vraag: hoe moet ik bidden, vasten, de pelgrimstocht maken? Of: Is dit of dat geoorloofd? Of: Wat moeten we doen in het geval zus-en-zo? De shariageleerde of mufti kijkt in de jurisprudentie en kan bovendien naar eigen smaak nog een paar koranverzen of hadithen kiezen, met behulp waarvan hij de vraag meestal bevredigend kan beantwoorden. Systematisch hadithonderzoek wordt daartoe niet bedreven.
.
Wie hadithwetenschap wil beoefenen begint aan het andere einde. Er liggen hadithteksten op tafel en men vraagt zich af waar die over gaan, wat zij willen, wat zij meedelen over de omgeving waarin ze zijn ontstaan. Er bestaan heel duidelijke hadithen, maar van andere wordt de bedoeling pas duidelijk als alle parallelle teksten en varianten erbij betrokken worden. Pas dan krijgt men een indruk van wat de oude hadithgeleerden heeft bezig gehouden en hoe een onderwerp zich heeft ontwikkeld. Hier zal ik laten zien dat niet altijd makkelijk is vast te stellen waar een hadith over gaat.
.
Omdat het hier alleen over de inhouden (mutūn) gaat, heb ik de overleveringsketens (isnaden) weggelaten.1 Moslims kunnen er echter zeker van zijn dat hier geen obscure teksten geciteerd worden, want alle voorbeeldteksten zijn afkomstig uit gedegen hadithverzamelingen.

Waar is iets over de inhouden te vinden?
De gangbaarste *hadithverzamelingen zijn ingericht naar de behoeften van *shariageleerden. De inhouden zijn van „juridische“ aard, in de ruimste zin te verstaan: ze handelen over het juiste handelen, over wat in de zin van de sharia geoorloofd en verboden (halāl en harām) is of zedelijk aanbevelenswaardig is.
.
De inhoudsopgaven van zulke werken zien er allemaal ongeveer zo uit als bij al-Bukhārī: geloof; de ‘ibādat (religieuze plichten): reinheid, gebed, zakat, de pelgrimstocht, vasten; wereldse zaken (mu‘āmalāt): handel, erfrecht, procesrecht, slavenrecht, vreemdelingenrecht, djihad, de profeet, zijn gezellen, koranuitleg, huwelijk, verstoting, dranken, geneeskunst, kleding, jacht en slachten, goede manieren, geloften, strafrecht, bloedgeld, droomuitleg, de eindtijd en nog meer.
.
De onderwerpen van de hadithen worden in allerlei andere Arabische werken opgesomd, maar ook in twee engelstalige boeken:
→ Juynboll, Encyclopaedia of Hadith , concentreert zich op de overleveraars, maar met behulp van de inhoudsopgave vindt men ook alle onderwerpen van de hadithen, en de vertaling daarvan.
→ Wensinck, Handbook. Uitvoerige proefpagina’s staan online.
.
Het Handbook bevat op de eerste bladzijden de volledige inhoudsopgaven van de gangbaarste verzamelwerken in getranscribeerd Arabisch. Verder zijn alle of bijna alle hadithen met vindplaatsen onder bepaalde kopjes geordend, zoals bij voorbeeld „Prayer in case of danger” of „Muhammad sees Paradise and Hell during an eclipse“. Deze kopjes zijn vaak oppervlakkig en soms fout. Ze kunnen echter dienen om de meeste vindplaatsen van hadithen over een bepaald onderwerp bij elkaar te zoeken.

Enige proeven en leespogingen
In de verzamelingen staan enerzijds nuchtere, zakelijke hadithen, die ondubbelzinnig zeggen waaraan men zich heeft te houden. Enkele voorbeelden:

  • TEKST 1: Als de profeet de grote wassing verrichtte, gebruikte hij daarvoor tussen één ṣā‘ en vijf mudd water. Voor de kleine wassing gebruikte hij één mudd water.2 
  • TEKST 2: Een slavin van Ka‘b ibn Malik hoedde schapen, die hem behoorden bij de berg Sal‘. Daarvan verongelukte er een. Ze liep naar het dier toe en slachtte het met een steen. De profeet werd ernaar gevraagd. Hij zei: ‘Dat mogen jullie eten.’ 3
  • TEKST 3: Khansā’ bint Khidhām al-Ansārīya vertelde: Mijn vader huwde mij als oudere vrouw uit tegen mijn wil. Toen ben ik naar de profeet gegaan en die verklaarde het huwelijk voor ongeldig.4
  • TEKST 4: De profeet verrichtte het gebed aan het graf na de begrafenis, en sprak daarbij vier maal het das Allāhu akbar (‘God is groot’) uit.5 

Aan de andere kant zijn er veel hadithen te vinden, die eigenlijk verhalen zijn en van vertellers of uit de Sira stammen, en die soms achteraf van een isnad zijn voorzien om groter religieus prestige te verwerven. Hier volgt een voorbeeld van zo’n vertelling, die geen richtlijn voor het juiste gedrag bevat, maar die men gewoon niet wilde missen:

  • TEKST 5: Een bericht van Aisja …: Die dag kwam de Profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenstoker in zijn hand had. Uit de manier waarop de Profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben, en ik vroeg hem of ik hem die zou geven. ‘Ja,’ zei hij, dus ik gaf hem de tandenstoker, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde, en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. ‘Ja,’ zei hij nog, ‘de hoogste vriendenschaar in het paradijs!’ Ik zei: ‘Bij Hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.’ Toen gaf hij de geest.6

Veel andere teksten liggen er ergens tussenin: ze zijn vertellend, maar men kan er wel profetisch voorbeeldgedrag in ontdekken:

  • TEKST 6: [… van Anas:] De profeet zei: ‘Vannacht heb ik een zoon gekregen; ik noem hem naar mijn vader Ibrāhīm.’ Hij gaf hem over aan de [voedster] Umm Sayf, de vrouw van een smid die Abū Sayf heette. Op een dag ging hij hem bezoeken; ik kwam mee en toen we bij Abū Sayf aankwamen was die met de blaasblag in het smidsvuur aan het blazen; het hele huis was vol rook. Ik snelde vooruit en zei: Hou op, Abū Sayf, de profeet is er! Hij hield op en de profeet riep om Ibrāhīm, knuffelde hem en praatte van alles tegen hem. Anas zei: Ik heb hem ook gezien toen [het kind] in zijn bijzijn op sterven lag. Hij huilde een zei: ‘De ogen wenen en het hart is bedroefd, maar wij zeggen alleen wat God tevreden stelt. Bij God, Ibrāhīm, we zijn wél bedroefd om je.’ 7

Deze tekst lijkt op het eerste gezicht misschien zuiver biografisch, maar hij bevat wél een richtlijn: rouwen is goed, maar het moet niet overdreven worden. Meer daarover hier.

Aanzet tot een case-study: besmetting
Als voorbeeld mogen enige hadithen dienen, die in → Wensincks rubriek „Sickness“, Handbook blz. 215, zijn ondergebracht:

  • – [There is] no contagious sickness: 56 vindplaatsen
    – Sick camels are not to be brought into contact with sound ones: 10 plaatsen
    – Shun him who suffers from elephantiasis: 9 plaatsen
    – The country where there is an epidemic disease must neither be sought nor fled from: 57 plaatsen
    – ‘Umar and the epidemics in Syria: 10 plaatsen

Het aantal vindplaatsen zegt niet veel: enerzijds zijn ze denkelijk niet allemaal verwerkt, anderzijds staan er in de verscheidene verzamelwerken zonder twijfel ettelijke  doubletten. Het gemeenschappelijke onderwerp is kennelijk besmetting. Bestaat er besmetting of niet, hoe heeft men zich ten opzichte van besmettelijke ziekten en daaraan lijdende zieken te gedragen? Al bij Wensinck wordt duidelijk, dat veel hadithen beweren dat er geen besmetting bestaat, maar andere juist aannemen van wel (‘Shun him who suffers…’). Wie wil weten wat de hadithen over dit onderwerp te vertellen hebben moet werkelijk al die ong. 140 plaatsen naslaan; na eliminering van de doubletten blijven er misschien 50 over. Een mufti kan zich misschien tot één, twee hadithen beperken, maar een wetenschapper moet beslist alle hadithen over zijn onderwerp bij elkaar zoeken en vergelijken.8
Hier wil ik U er alleen een eerste indruk van geven:

  • TEKST 7: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die tesamen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in vertrouwen op God!’ 9

Deze hadith voert Wensinck op onder ‘No contagious sickness’. Wie alleen deze hadith zou lezen zou misschien kunnen denken, dat de profeet wilde aansporen tot consideratie of solidariteit met melaatsen. Maar bij de lectuur van de andere hadithen wordt het duidelijk dat Wensincks kopje wel klopt. Deze tekst wil zeggen: er is geen besmetting, je kunt rustig de hand van een melaatse beetpakken en met hem uit dezelfde schotel eten — een handelwijze die men in die tijd huiverend vermeed. Er is geen besmetting, want het is God die beslist of iemand ziek wordt of niet. De hadith leidt uit de rubriek ziekte het domein van de theologie binnen: het eigenlijke onderwerp is het goddelijk raadsbesluit (qadā’). Bij Wensinck had de tekst tenminste ook onder dat kopje behoren te staan.
.
Nu waren er ook realisten, die in de praktijk van de veeteelt besmetting hadden leren kennen. Niet zonder reden legt iemand de profeet het volgende in de mond:

  • TEKST 8: De profeet heeft gezegd: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’10

In een andere hadith lijkt het wel of zelfs het Boze Oog de besmetting kon overbrengen:

  • TEKST 9: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet lang naar melaatsen!’11

En ook voor paniek wordt soms ruimte gelaten:

  • TEKST 10: Ik heb de profeet horen zeggen: ‘Vlucht voor een melaatse zoals je vlucht voor een leeuw!’12 

Er zijn blijkbaar hevige discussies geweest tussen de realisten, die heel goed wisten dat besmetting bestaat, en theologen die dat om doctrinaire redenen wilden ontkennen. Zoals altijd probeerde iedereen zijn opvatting de profeet in de mond te leggen, want die was de hoogste autoriteit.
.
Er was ook nog een tussenstandpunt, waarvan de aanhangers zich bewust betonen, maar in plaats van paniek toch liever godsvertrouwen aanbevelen, resp. verdere verbreiding van de epidemie willen voorkomen (Wensinck: ‘The country where there is …’, ‘‘Umar and the epidemics…’):

  • TEKST 11: De profeet heeft gezegd: De pest is een smerigheid die gezonden werd over de Kinderen Israëls of over mensen die vóór jullie leefden. Als jullie horen dat in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’ Toen keerde ‘Umar terug uit Sargh.13

Tegenhadithen
Wat moeten we denken van deze hadith:

  • TEKST 12: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting, er is geen vogelschouw en er is geen woestijndemon (ghūl).’ 14

Wat wil deze tekst uitdrukken? ‘No contagious sickness’ plus nog twee andere onderwerpen. Op het eerste gezicht is het een verzamelhadith, zoals die vaker voorkomen: verscheidene uitspraken van de profeet worden in één tekst gecombineerd om het memoriseren gemakkelijker te maken. Maar de schijn bedriegt. Deze hadith is een truc van theologen. Twee inmiddels afgeschafte onderwerpen van voorislamitisch bijgeloof worden hier genoemd: de vogelschouw en de woestijndemon. Door besmetting erbij te zetten wekte men de suggestie dat ook die een onderwerp van voorislamitisch bijgeloof was, en daarom verouderd en verachtelijk. Niets is minder waar: de discussie over besmetting is niet voorislamitisch, maar aantoonbaar islamitisch. Het is een subthema van de discussie over de vrije wil versus de goddelijke predestinatie in het begin van de achtste eeuw. Deze hadith is een heel geraffineerde poging om het tegenstandpunt te ontkrachten.

Maar de andere partij was ook niet gek en wist door middel van een aanvullende uitspraak van de profeet—hier met weer andere voorislamitische onderwerpen—de teneur van de hadith om te draaien:

  • TEKST 13: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting en geen vogelteken, geen zielenvogel en geen worm in de buik. Maar voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw!’ 15 

Dus toch besmetting; of althans wat minder godsvertrouwen. Het volgende voorbeeld vindt de discussie binnen de hadith plaats:

  • TEKST 14: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting en geen vogelteken, geen worm in de buik en geen zielenvogel.’ Toen stond er een bedoeïen op die zei: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als gazellen? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ 16

Ook hier blijft de besmetting reëel, maar ze wordt ten dele van theologische zijde weer ontkend. Besmetting, ja, als het dan moet; maar in ieder geval wordt zij door God gestuurd.
.
Een spektakelstuk is de volgende tekst, waarin de discussie op isnad-niveau plaatsvindt:

  • TEKST 15: [isnād verkort]…van Abū Salama ibn ‘Abd al-Rahman ibn ‘Awf: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting,’ maar hij levert ook over dat de profeet gezegd heeft: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Abū Salama zei: Abū Hurayra heeft ons allebei deze Tradities overgeleverd van de profeet. Daarna heeft Abū Hurayra verzwegen dat hij gezegd had: ‘Er is geen besmetting,’ en hij hield het bij: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Al-Hārith ibn Abī Dhubāb—dat is de neef van Abū Hurayra— zei: Ik heb je wel degelijk nog een andere Traditie horen overleveren, Abū Hurayra, maar die verzwijg je nu! Je hebt ook verteld dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting!’ Maar hij weigerde dat toe te geven en zei: ‘… niet samen laten drinken!’
    Al-Hārith hield zo lang aan tot Abū Hurayra boos werd, in het Ethiopisch begon te brabbelen en zei: Weet je wat ik zeg? Ik zeg: In geen geval!
    Abū Salama heeft gezegd: Bij mijn leven, Abū Hurayra had ons wél overgeleverd dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting’ Ik weet niet of Abū Hurayra het was vergeten of dat de ene Traditie de andere heeft afgeschaft.17

———————-

Dat waren pas negen van de 140 hadithen over besmetting, en mijn interpretatie kan dus nog niet de definitieve zijn. Maar nu al wordt duidelijk: 1. dat hadithen glibberige, veranderlijke teksten kunnen zijn, waarvan de onderwerpen en doelstellingen soms helemaal niet makkelijk vast te stellen zijn; 2. dat men ze allemaal moet lezen om een inzicht in de toenmalige gedachtenwereld te krijgen.

Andere voorbeelden van hadithen en tegenhadithen:
Het lachen van de profeet
Mogen vrouwen naar de moskee?
En zijn misschien ook TEKST 1–4 hierboven bij nader inzien minder simpel dan gedacht?

NOTEN
1. Wie deze zin niet begrijpt wordt verzocht de korte definities op te slaan.
2. Bukhārī, Dhbāʾiḥ 19:  أن جارية لكعب بن مالك كانت ترعى غنما بسلع فأصيبت شاة منها فأدركتها فذبحتها بحجر فسئل النبي ص فقال: كلوها
3. Bukhārī, Wuḍū’ 47: ان النبي ص يغسل أو كان يغتسل بالصاع إلى خمسة أمداد ويتوضأ بالمد  Ṣā‘ en mudd zijn inhoudsmaten. Tegenwoordig schenken weinig mensen daar aandacht aan, omdat het water toch uit de kraan komt.
4. Bukhārī, Nikāḥ 42: عن خنساء بنت خذام الأنصارية أن أباها زوجها وهي ثيب فكرهت ذلك فأتت رسول الله ص فرد نكاحه
5. Muslim, Djanā’iz 68:   أن رسول الله ص صلى على قبر بعد ما دفن فكبر عليه أربعا
6. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 1011. Identiek met Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad vi, 274.
7. Muslim, Faḍā’il 62 (hier geciteerd); ook Bukhārī, Djanā’iz 44, Ibn Mādja, Djanā’iz 53 u.v.a.

حدثنا هداب بن خالد وشيبان بن فروخ كلاهما عن سليمان واللفظ لشيبان حدثنا سليمان بن المغيرة حدثنا ثابت البناني عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله ص ولد لي الليلة غلام فسميته باسم أبي إبراهيم. ثم دفعه إلى أم سيف امرأة قين يقال له أبو سيف. فانطلق يأتيه واتبعته فانتهينا إلى أبي سيف وهو ينفخ بكيره قد امتلأ البيت دخانا. فأسرعت المشي بين يدي رسول الله ص فقلت يا أبا سيف أمسك جاء رسول الله ص. فأمسك فدعا النبي ص بالصبي فضمه إليه وقال ما شاء الله أن يقول. فقال أنس لقد رأيته وهو يَكيد بنفسه بين يدي رسول الله ص فدمعت عينا رسول الله ص فقال تدمع العين ويحزن القلب ولا نقول إلا ما يرضى ربنا والله يا إبراهيم إنا بك لمحزونون.

8. Ik heb dat ooit eens gedaan over de tandenstoker van de profeet; zie hier. Over dit kleine onderwerpje kwamen toch wel 80 hadithen bij elkaar.
9. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925 = Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
10. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 406, 434: قال رسول الله ص: لا يورد الممرض على المصح
11. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
12. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 433: سمعت رسول الله ص يقول: فر من المجذون فرارك من الأسد
13. Bukhārī, Anbiyā’ 54 (vgl. ook Muslim, Salām 100): …   فقال أسامة قال رسول الله ص: الطاعون رجس أُرسل على طائفة من بني إسرائيل أو على من كان قبلكم فإذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه، وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارًا منه. قال أبو النضر: لا يخرجكم الاّ فرارا منه  
14. Muslim, Salām 108: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا غول ولا صفر
15. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
16. Muslim, Salām 101: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
17. Muslim, Salām 104:

‎وحدثني أبو الطاهر وحرملة وتقاربا في اللفظ قالا أخبرنا ابن وهب أخبرني يونس عن ابن شهاب أن أبا سلمة بن عبد الرحمن بن عوف حدثه أن رسول الله ص قال لا عدوى ويحدث أن رسول الله ص قال لا يورد ممرض على مصح قال أبو سلمة كان أبو هريرة يحدثهما كلتيهما عن رسول الله ص ثم صمت أبو هريرة بعد ذلك عن قوله لا عدوى وأقام على أن لا يورد ممرض على مصح. قال فقال الحارث بن أبي ذباب وهو ابن عم أبي هريرة قد كنت أسمعك يا أبا هريرة تحدثنا مع هذا الحديث حديثا آخر قد سكت عنه كنت تقول قال رسول الله ص لا عدوى فأبى أبو هريرة أن يعرف ذلك وقال لا يورد ممرض على مصح فما رآه الحارث في ذلك حتى غضب أبو هريرة فرطن بالحبشية فقال للحارث أتدري ماذا قلت قال لا قال أبو هريرة قلت أبيت قال أبو سلمة ولعمري لقد كان أبو هريرة يحدثنا أن رسول الله ص قال لا عدوى فلا أدري أنسي أبو هريرة أو نسخ أحد القولين الآخر.

BIBLIOGRAFIE
– A.J. Wensinck, Handbook of Early Muhammadan Tradition, Leiden 1927 [de stof is thematisch geordend, naar Engelse trefwoorden].
– G.H.A. Juynboll, Encyclopedia of Canonical Ḥadīth, Leiden/Boston, is vooral een naslagwerk op overleveraars, met name de *Common Links. Maar via de index vindt U ook alle hadithen in Engelse vertaling.

Diakritische tekens: al-Bukhārī, ḥalāl, ḥarām, al-Ansārīya, qaḍāʾ, ʿAbd ar-Raḥmān, Abū aṭ-Ṭāhir, Ḥarmala

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Isnad als vertelling

De overleveringsketen (isnād) maakt deel uit van een hadith en is dus geen zelfstandige literatuurgenre. Isnāds zijn vertellingen, net als de hadithen zelf. Zelfs een simpele isnad als:

  • A heeft mij overgeleverd van (ʿan) B, die het gehoord had van C: mijn vader D heeft mij verteld: …enz.

is een mini-vertelling. Schematisch weergegeven, zoals hierboven, is een isnad nog net te verwerken. Maar als er echte namen in staan, bij voorbeeld:

  • Muhammad ibn Shihāb al-Zuhrī heeft overgeleverd van Hishām ibn ‘Urwa, die het gehoord had van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en die weer van al-Zubayr ibn al-‘Awwām: …enz.

dan wordt het toch al zeer bescheiden ‘verhaal’ van de isnad overwoekerd door al die namen. Wie wil zoiets lezen? Het genre fascineert alleen specialisten. Dezelfde isnad kan ook korter:

  • Al-Zuhrī heeft overgeleverd van Hishām, die het gehoord had van ‘Urwa, en die van zijn vader: …enz.

Zo’n verkorte isnad kan alleen maar door kenners worden begrepen: anderen hebben geen idee wie die mensen waren.

Het doel van een isnād is altijd het bewijzen van de echtheid. Hij wil geloofwaardig maken dat de tekst waar hij bij hoort werkelijk van de de genoemde overleveraars stamt en uiteindelijk teruggaat op de profeet. Ook de vertellende bestanddelen van de isnād dienen dit doel.

Er zijn ook isnads met uitvoeriger vertelsels. Eén van de overleveraars zegt bijvoorbeeld: ‘Ik was destijds nog een jonge man…,’ of: ‘A vroeg mij: “Vertel toch eens over …”’ of: ‘Ik was destijds bediende in het huis van de profeet, of: ‘Ik was erbij, toen A aan B vertelde’, zoals in:

  • Ibn Ishāq zegt: Wahb ibn Kaysān, de beschermeling van de familie Zubayr heeft mij verteld: Ik hoorde ‘Abdallāh ibn al-Zubayr tegen ‘Ubayd ibn ‘Umayr ibn Qatāda al-Laythī zeggen: Vertel toch eens, ʿUbayd, hoe het profeetschap bij de profeet begon, toen Gabriël bij hem kwam! Daarop vertelde ‘Ubayd in mijn aanwezigheid aan ‘Abdallāh ibn al-Zubayr en aan de anderen die daar waren: “De profeet was …” enz.1

Wie zou er na zo’n inleiding nog aan de waarachtigheid van de overlevering twijfelen?
De volgende isnad heeft een kronkel:

  • ‘Ayyāsh ibn al-Walīd heeft ons overgeleverd: ‘Abd al-A‘lā heeft verteld: Sa‘īd heeft gezegd: Ik hoorde Nadr ibn Anas ibn Mālik aan Qatāda vertellen: Ik was bij Ibn ‘Abbās toen mensen hem een vraag stelden, [en hij antwoordde] zonder de profeet te vermelden, tot hij ernaar gevraagd werd; toen zei hij: Ik heb Mohammed horen zeggen … enz.2

Bovendien levert Ibn ‘Abbās hier weliswaar rechtstreeks over van de profeet, maar pas nadat hij zich eerst had verstout, zélf te antwoorden. Gelukkig komt het op het nippertje nog goed: in de wereld van de hadith zijn zelfstandige meningen van gezellen van de Profeet namelijk niet interessant.

Op isnad-niveau kan ook een woordgevecht over het onderwerp van de hadith zelf plaatsvinden. In de volgende tekst worden de figuren uit de isnad tot leven gewekt en ontbranden in een fikse ruzie:

  • [isnād verkort]…van Abū Salama ibn ‘Abd al-Rahman ibn ‘Awf: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting,’ maar hij levert ook over dat de profeet gezegd heeft: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Abū Salama zei: Abū Hurayra heeft ons allebei deze Tradities overgeleverd van de profeet. Daarna heeft Abū Hurayra verzwegen dat hij gezegd had: ‘Er is geen besmetting,’ en hij hield het bij: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Al-Hārith ibn Abī Dhubāb—dat is de neef van Abū Hurayra— zei: Ik heb je wel degelijk nog een andere Traditie horen overleveren, Abū Hurayra, maar die verzwijg je nu! Je hebt ook verteld dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting!’ Maar hij weigerde dat toe te geven en zei: ‘… niet samen laten drinken!’
    Al-Hārith hield zo lang aan tot Abū Hurayra boos werd, in het Ethiopisch begon te brabbelen en zei: Weet je wat ik zeg? Ik zeg: In geen geval!
    Abū Salama heeft gezegd: Bij mijn leven, Abū Hurayra had ons wél overgeleverd dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting’ Ik weet niet of Abū Hurayra het was vergeten of dat de ene Traditie de andere heeft afgeschaft.3

Blijkbaar had iemand geprobeerd, van twee tegenstrijdige hadithen over het onderwerp besmetting (alias: de voorbeschikking Gods) er één te elimineren. Abū Hurayra’s woede en zijn terugval in zijn moedertaal moeten ons tot dat standpunt overhalen. Maar zijn neef en Abū Salama hebben het laatste woord: laat toch vooral niemand aan het bestaan van beide hadithen twijfelen, al zijn ze nog zo tegenstrijdig.

NOTEN
1. Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 151.
2. Bukhārī, Sahīh, Libās 77.
3. Muslim, Sahīh, Salām 104.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, Muḥammad, Naḍr, ‘Abd al-Raḥman, al-Ḥārith

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud