Waarover gaan hadithen?

Muslims, die advies willen hebben over het juiste islamitische handelen, beginnen met een vraag: hoe moet ik bidden, vasten, de pelgrimstocht maken? Of: Is dit of dat geoorloofd? Of: Wat moeten we doen in het geval zus-en-zo? De shariageleerde of mufti kijkt in de jurisprudentie en kan bovendien naar eigen smaak nog een paar koranverzen of hadithen kiezen, met behulp waarvan hij de vraag meestal bevredigend kan beantwoorden. Systematisch hadithonderzoek wordt daartoe niet bedreven.
.
Wie hadithwetenschap wil beoefenen begint aan het andere einde. Er liggen hadithteksten op tafel en men vraagt zich af waar die over gaan, wat zij willen, wat zij meedelen over de omgeving waarin ze zijn ontstaan. Er bestaan heel duidelijke hadithen, maar van andere wordt de bedoeling pas duidelijk als alle parallelle teksten en varianten erbij betrokken worden. Pas dan krijgt men een indruk van wat de oude hadithgeleerden heeft bezig gehouden en hoe een onderwerp zich heeft ontwikkeld. Hier zal ik laten zien dat niet altijd makkelijk is vast te stellen waar een hadith over gaat.
.
Omdat het hier alleen over de inhouden (mutūn) gaat, heb ik de overleveringsketens (isnaden) weggelaten.1 Moslims kunnen er echter zeker van zijn dat hier geen obscure teksten geciteerd worden, want alle voorbeeldteksten zijn afkomstig uit gedegen hadithverzamelingen.

Waar is iets over de inhouden te vinden?
De gangbaarste *hadithverzamelingen zijn ingericht naar de behoeften van *shariageleerden. De inhouden zijn van „juridische“ aard, in de ruimste zin te verstaan: ze handelen over het juiste handelen, over wat in de zin van de sharia geoorloofd en verboden (halāl en harām) is of zedelijk aanbevelenswaardig is.
.
De inhoudsopgaven van zulke werken zien er allemaal ongeveer zo uit als bij al-Bukhārī: geloof; de ‘ibādat (religieuze plichten): reinheid, gebed, zakat, de pelgrimstocht, vasten; wereldse zaken (mu‘āmalāt): handel, erfrecht, procesrecht, slavenrecht, vreemdelingenrecht, djihad, de profeet, zijn gezellen, koranuitleg, huwelijk, verstoting, dranken, geneeskunst, kleding, jacht en slachten, goede manieren, geloften, strafrecht, bloedgeld, droomuitleg, de eindtijd en nog meer.
.
De onderwerpen van de hadithen worden in allerlei andere Arabische werken opgesomd, maar ook in twee engelstalige boeken:
→ Juynboll, Encyclopaedia of Hadith , concentreert zich op de overleveraars, maar met behulp van de inhoudsopgave vindt men ook alle onderwerpen van de hadithen, en de vertaling daarvan.
→ Wensinck, Handbook. Uitvoerige proefpagina’s staan online.
.
Het Handbook bevat op de eerste bladzijden de volledige inhoudsopgaven van de gangbaarste verzamelwerken in getranscribeerd Arabisch. Verder zijn alle of bijna alle hadithen met vindplaatsen onder bepaalde kopjes geordend, zoals bij voorbeeld „Prayer in case of danger” of „Muhammad sees Paradise and Hell during an eclipse“. Deze kopjes zijn vaak oppervlakkig en soms fout. Ze kunnen echter dienen om de meeste vindplaatsen van hadithen over een bepaald onderwerp bij elkaar te zoeken.

Enige proeven en leespogingen
In de verzamelingen staan enerzijds nuchtere, zakelijke hadithen, die ondubbelzinnig zeggen waaraan men zich heeft te houden. Enkele voorbeelden:

  • TEKST 1: Als de profeet de grote wassing verrichtte, gebruikte hij daarvoor tussen één ṣā‘ en vijf mudd water. Voor de kleine wassing gebruikte hij één mudd water.2 
  • TEKST 2: Een slavin van Ka‘b ibn Malik hoedde schapen, die hem behoorden bij de berg Sal‘. Daarvan verongelukte er een. Ze liep naar het dier toe en slachtte het met een steen. De profeet werd ernaar gevraagd. Hij zei: ‘Dat mogen jullie eten.’ 3
  • TEKST 3: Khansā’ bint Khidhām al-Ansārīya vertelde: Mijn vader huwde mij als oudere vrouw uit tegen mijn wil. Toen ben ik naar de profeet gegaan en die verklaarde het huwelijk voor ongeldig.4
  • TEKST 4: De profeet verrichtte het gebed aan het graf na de begrafenis, en sprak daarbij vier maal het das Allāhu akbar (‘God is groot’) uit.5 

Aan de andere kant zijn er veel hadithen te vinden, die eigenlijk verhalen zijn en van vertellers of uit de Sira stammen, en die soms achteraf van een isnad zijn voorzien om groter religieus prestige te verwerven. Hier volgt een voorbeeld van zo’n vertelling, die geen richtlijn voor het juiste gedrag bevat, maar die men gewoon niet wilde missen:

  • TEKST 5: Een bericht van Aisja …: Die dag kwam de Profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenstoker in zijn hand had. Uit de manier waarop de Profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben, en ik vroeg hem of ik hem die zou geven. ‘Ja,’ zei hij, dus ik gaf hem de tandenstoker, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde, en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. ‘Ja,’ zei hij nog, ‘de hoogste vriendenschaar in het paradijs!’ Ik zei: ‘Bij Hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.’ Toen gaf hij de geest.6

Veel andere teksten liggen er ergens tussenin: ze zijn vertellend, maar men kan er wel profetisch voorbeeldgedrag in ontdekken:

  • TEKST 6: [… van Anas:] De profeet zei: ‘Vannacht heb ik een zoon gekregen; ik noem hem naar mijn vader Ibrāhīm.’ Hij gaf hem over aan de [voedster] Umm Sayf, de vrouw van een smid die Abū Sayf heette. Op een dag ging hij hem bezoeken; ik kwam mee en toen we bij Abū Sayf aankwamen was die met de blaasblag in het smidsvuur aan het blazen; het hele huis was vol rook. Ik snelde vooruit en zei: Hou op, Abū Sayf, de profeet is er! Hij hield op en de profeet riep om Ibrāhīm, knuffelde hem en praatte van alles tegen hem. Anas zei: Ik heb hem ook gezien toen [het kind] in zijn bijzijn op sterven lag. Hij huilde een zei: ‘De ogen wenen en het hart is bedroefd, maar wij zeggen alleen wat God tevreden stelt. Bij God, Ibrāhīm, we zijn wél bedroefd om je.’ 7

Deze tekst lijkt op het eerste gezicht misschien zuiver biografisch, maar hij bevat wél een richtlijn: rouwen is goed, maar het moet niet overdreven worden. Meer daarover hier.

Aanzet tot een case-study: besmetting
Als voorbeeld mogen enige hadithen dienen, die in → Wensincks rubriek „Sickness“, Handbook blz. 215, zijn ondergebracht:

  • – [There is] no contagious sickness: 56 vindplaatsen
    – Sick camels are not to be brought into contact with sound ones: 10 plaatsen
    – Shun him who suffers from elephantiasis: 9 plaatsen
    – The country where there is an epidemic disease must neither be sought nor fled from: 57 plaatsen
    – ‘Umar and the epidemics in Syria: 10 plaatsen

Het aantal vindplaatsen zegt niet veel: enerzijds zijn ze denkelijk niet allemaal verwerkt, anderzijds staan er in de verscheidene verzamelwerken zonder twijfel ettelijke  doubletten. Het gemeenschappelijke onderwerp is kennelijk besmetting. Bestaat er besmetting of niet, hoe heeft men zich ten opzichte van besmettelijke ziekten en daaraan lijdende zieken te gedragen? Al bij Wensinck wordt duidelijk, dat veel hadithen beweren dat er geen besmetting bestaat, maar andere juist aannemen van wel (‘Shun him who suffers…’). Wie wil weten wat de hadithen over dit onderwerp te vertellen hebben moet werkelijk al die ong. 140 plaatsen naslaan; na eliminering van de doubletten blijven er misschien 50 over. Een mufti kan zich misschien tot één, twee hadithen beperken, maar een wetenschapper moet beslist alle hadithen over zijn onderwerp bij elkaar zoeken en vergelijken.8
Hier wil U er alleen een eerste indruk van geven:

  • TEKST 7: De profeet nam bij een maaltijd de hand van een melaatse en doopte die tesamen met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: „Zeg: in vertrouwen op God!’ 9

Deze hadith voert Wensinck op onder ‘No contagious sickness’. Wie alleen deze hadith zou lezen zou misschien kunnen denken, dat de profeet wilde aansporen tot consideratie of solidariteit met melaatsen. Maar bij de lectuur van de andere hadithen wordt het duidelijk dat Wensincks kopje wel klopt. Deze tekst wil zeggen: er is geen besmetting, je kunt rustig de hand van een melaatse beetpakken en met hem uit dezelfde schotel eten — een handelwijze die men in die tijd huiverend vermeed. Er is geen besmetting, want het is God die beslist of iemand ziek wordt of niet. De hadith leidt uit de rubriek ziekte het domein van de theologie binnen: het eigenlijke onderwerp is het goddelijk raadsbesluit (qadā’). Bij Wensinck had de tekst tenminste ook onder dat kopje behoren te staan.
.
Nu waren er ook realisten, die in de praktijk van de veeteelt besmetting hadden leren kennen. Niet zonder reden legt iemand de profeet het volgende in de mond:

  • TEKST 8: De profeet heeft gezegd: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’10

In een andere hadith lijkt het wel of zelfs het Boze Oog de besmetting kon overbrengen:

  • TEKST 9: De profeet heeft gezegd: ‘Kijk niet lang naar melaatsen!’11

En ook voor paniek wordt soms ruimte gelaten:

  • TEKST 10: Ik heb de profeet horen zeggen: ‘Vlucht voor een melaatse zoals je vlucht voor een leeuw!’12 

Er zijn blijkbaar hevige discussies geweest tussen de realisten, die heel goed wisten dat besmetting bestaat, en theologen die dat om doctrinaire redenen wilden ontkennen. Zoals altijd probeerde iedereen zijn opvatting de profeet in de mond te leggen, want die was de hoogste autoriteit.
.
Er was ook nog een tussenstandpunt, waarvan de aanhangers zich bewust betonen, maar in plaats van paniek toch liever godsvertrouwen aanbevelen, resp. verdere verbreiding van de epidemie willen voorkomen (Wensinck: ‘The country where there is …’, ‘‘Umar and the epidemics…’):

  • TEKST 11: Toen ‘Umar naar Syrië wilde optrekken vernam hij in Sargh dat de pest in Syrië was uitgebroken. ‘Abd ar-Rahmān ibn ‘Awf vertelde hem dat de profeet gezegd had: ‘Als jullie horen dat er in een gebied de pest heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij uitbreekt in een gebied waar jullie al zijn, ga er dan niet voor op de vlucht.’ Toen keerde ‘Umar terug uit Sargh.13

 

Tegenhadithen
Wat moeten we denken van deze hadith:

  • TEKST 12: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting, er is geen vogelschouw en er is geen woestijndemon (ghūl).’ 14

Wat wil deze tekst uitdrukken? ‘No contagious sickness’ plus nog twee andere onderwerpen. Op het eerste gezicht is het een verzamelhadith, zoals die vaker voorkomen: verscheidene uitspraken van de profeet worden in één tekst gecombineerd om het memoriseren gemakkelijker te maken. Maar de schijn bedriegt. Deze hadith is een truc van theologen. Twee inmiddels afgeschafte onderwerpen van voorislamitisch bijgeloof worden hier genoemd: de vogelschouw en de woestijndemon. Door besmetting erbij te zetten wekte men de suggestie dat ook die een onderwerp van voorislamitisch bijgeloof was, en daarom verouderd en verachtelijk. Niets is minder waar: de discussie over besmetting is niet voorislamitisch, maar aantoonbaar islamitisch. Het is een subthema van de discussie over de vrije wil versus de goddelijke predestinatie in het begin van de achtste eeuw. Deze hadith is een heel geraffineerde poging om het tegenstandpunt te ontkrachten.

Maar de andere partij was ook niet gek en wist door middel van een aanvullende uitspraak van de profeet—hier met weer andere voorislamitische onderwerpen—de teneur van de hadith om te draaien:

  • TEKST 13: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting en geen vogelteken, geen zielenvogel en geen worm in de buik. Maar voor een melaatse moet je wegvluchten als voor een leeuw!’ 15 

Dus toch besmetting; of althans wat minder godsvertrouwen. Het volgende voorbeeld vindt de discussie binnen de hadith plaats:

  • TEKST 14: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting en geen vogelteken, geen worm in de buik en geen zielenvogel.’ Toen stond er een bedoeïen op die zei: ‘Hoe is het dan met kamelen, die er in het zand zo prachtig bijstaan als gazellen? Als daar een schurftig dier bij komt krijgen zij ook schurft.’ Toen zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ 16

Ook hier blijft de besmetting reëel, maar ze wordt ten dele van theologische zijde weer ontkend. Besmetting, ja, als het dan moet; maar in ieder geval wordt zij door God gestuurd.
.
Een spektakelstuk is de volgende tekst, waarin de discussie op isnad-niveau plaatsvindt:

  • TEKST 15: [isnād verkort]…van Abū Salama ibn ‘Abd al-Rahman ibn ‘Awf: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting,’ maar hij levert ook over dat de profeet gezegd heeft: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Abū Salama zei: Abū Hurayra heeft ons allebei deze Tradities overgeleverd van de profeet. Daarna heeft Abū Hurayra verzwegen dat hij gezegd had: ‘Er is geen besmetting,’ en hij hield het bij: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Al-Hārith ibn Abī Dhubāb—dat is de neef van Abū Hurayra— zei: Ik heb je wel degelijk nog een andere Traditie horen overleveren, Abū Hurayra, maar die verzwijg je nu! Je hebt ook verteld dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting!’ Maar hij weigerde dat toe te geven en zei: ‘… niet samen laten drinken!’
    Al-Hārith hield zo lang aan tot Abū Hurayra boos werd, in het Ethiopisch begon te brabbelen en zei: Weet je wat ik zeg? Ik zeg: In geen geval!
    Abū Salama heeft gezegd: Bij mijn leven, Abū Hurayra had ons wél overgeleverd dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting’ Ik weet niet of Abū Hurayra het was vergeten of dat de ene Traditie de andere heeft afgeschaft.17

———————-

Dat waren pas negen van de 140 hadithen over besmetting, en mijn interpretatie kan dus nog niet de definitieve zijn. Maar nu al wordt duidelijk: 1. dat hadithen glibberige, veranderlijke teksten kunnen zijn, waarvan de onderwerpen en doelstellingen soms helemaal niet makkelijk vast te stellen zijn; 2. dat men ze allemaal moet lezen om een inzicht in de toenmalige gedachtenwereld te krijgen.

Andere voorbeelden van hadithen en tegenhadithen:
Het lachen van de profeet
– *Mag een vrouw in de moskee?   (komt nog)
En zijn misschien ook TEKST 1–4 hierboven bij nader inzien minder simpel dan gedacht?

NOTEN
1. Wie deze zin niet begrijpt wordt verzocht de korte definities op te slaan.
2. Bukhārī, Dhbāʾiḥ 19:  أن جارية لكعب بن مالك كانت ترعى غنما بسلع فأصيبت شاة منها فأدركتها فذبحتها بحجر فسئل النبي ص فقال: كلوها
3. Bukhārī, Wuḍū’ 47: ان النبي ص يغسل أو كان يغتسل بالصاع إلى خمسة أمداد ويتوضأ بالمد  Ṣā‘ en mudd zijn inhoudsmaten. Tegenwoordig schenken weinig mensen daar aandacht aan, omdat het water toch uit de kraan komt.
4. Bukhārī, Nikāḥ 42: عن خنساء بنت خذام الأنصارية أن أباها زوجها وهي ثيب فكرهت ذلك فأتت رسول الله ص فرد نكاحه
5. Muslim, Djanā’iz 68:   أن رسول الله ص صلى على قبر بعد ما دفن فكبر عليه أربعا
6. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 1011. Identiek met Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad vi, 274.
7. Muslim, Faḍā’il 62 (hier geciteerd); ook Bukhārī, Djanā’iz 44, Ibn Mādja, Djanā’iz 53 u.v.a.

حدثنا هداب بن خالد وشيبان بن فروخ كلاهما عن سليمان واللفظ لشيبان حدثنا سليمان بن المغيرة حدثنا ثابت البناني عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله ص ولد لي الليلة غلام فسميته باسم أبي إبراهيم. ثم دفعه إلى أم سيف امرأة قين يقال له أبو سيف. فانطلق يأتيه واتبعته فانتهينا إلى أبي سيف وهو ينفخ بكيره قد امتلأ البيت دخانا. فأسرعت المشي بين يدي رسول الله ص فقلت يا أبا سيف أمسك جاء رسول الله ص. فأمسك فدعا النبي ص بالصبي فضمه إليه وقال ما شاء الله أن يقول. فقال أنس لقد رأيته وهو يَكيد بنفسه بين يدي رسول الله ص فدمعت عينا رسول الله ص فقال تدمع العين ويحزن القلب ولا نقول إلا ما يرضى ربنا والله يا إبراهيم إنا بك لمحزونون.

8. Ik heb dat ooit eens gedaan over de tandenstoker van de profeet; zie hier. Over dit kleine onderwerpje kwamen toch wel 80 hadithen bij elkaar.
9. Abū Dāwūd, Ṭibb, 24/3925 = Tirmidhī, Aṭ‘ima 19a e.a.: أن رسول الله ص أخذ بيد مجذوم فوضعها معه في القصعة وقال: كل ثقة بالله وتوكلا عليه
10. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 406, 434: قال رسول الله ص: لا يورد الممرض على المصح
11. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad i, 233: قال رسول الله ص: لا تديموا الى المجذومين النظر 
12. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 433: سمعت رسول الله ص يقول: فر من المجذون فرارك من الأسد
13. Muslim, Salām 100: …  أن عمر خرج إلى الشام فلما جاء سرغ بلغه أن الوباء قد وقع بالشام فأخبره عبد الرحمن بن عوف أن رسول الله ص قال: إذا سمعتم به بأرض فلا تقدموا عليه وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تخرجوا فرارا منه فرجع عمر بن الخطاب من سرغ
14. Muslim, Salām 108: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا غول ولا صفر
15. Bukhārī, Ṭibb 19:  قال رسول الله ص: لا عدوى ولا طيرة ولا هامة ولا صفر وفر من المجذوم كما تفر من الأسد.
16. Muslim, Salām 101: قال رسول الله ص: لا عدوى ولا صفر ولا هامة فقال أعرابي: يا رسول الله فما بال الإبل تكون في الرمل كأنها الظباء فيجيء البعير الأجرب فيدخل فيها فيجربها كلها؟ قال: فمن أعدى الأول
17. Muslim, Salām 104:

‎وحدثني أبو الطاهر وحرملة وتقاربا في اللفظ قالا أخبرنا ابن وهب أخبرني يونس عن ابن شهاب أن أبا سلمة بن عبد الرحمن بن عوف حدثه أن رسول الله ص قال لا عدوى ويحدث أن رسول الله ص قال لا يورد ممرض على مصح قال أبو سلمة كان أبو هريرة يحدثهما كلتيهما عن رسول الله ص ثم صمت أبو هريرة بعد ذلك عن قوله لا عدوى وأقام على أن لا يورد ممرض على مصح. قال فقال الحارث بن أبي ذباب وهو ابن عم أبي هريرة قد كنت أسمعك يا أبا هريرة تحدثنا مع هذا الحديث حديثا آخر قد سكت عنه كنت تقول قال رسول الله ص لا عدوى فأبى أبو هريرة أن يعرف ذلك وقال لا يورد ممرض على مصح فما رآه الحارث في ذلك حتى غضب أبو هريرة فرطن بالحبشية فقال للحارث أتدري ماذا قلت قال لا قال أبو هريرة قلت أبيت قال أبو سلمة ولعمري لقد كان أبو هريرة يحدثنا أن رسول الله ص قال لا عدوى فلا أدري أنسي أبو هريرة أو نسخ أحد القولين الآخر.

BIBLIOGRAFIE
– A.J. Wensinck, Handbook of Early Muhammadan Tradition, Leiden 1927 [de stof is thematisch geordend, naar Engelse trefwoorden].
– G.H.A. Juynboll, Encyclopedia of Canonical Ḥadīth, Leiden/Boston, is vooral een naslagwerk op overleveraars, met name de *Common Links. Maar via de index vindt U ook alle hadithen in Engelse vertaling.

Diakritische tekens: al-Buḫārī, ḥalāl, ḥarām, al-Ansārīya, qaḍāʾ, ʿAbd ar-Raḥmān, Abū aṭ-Ṭāhir, Ḥarmala

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

In Gods hand. Bestaat er besmetting?

In Saoedi-Arabië, en vrijwel alleen daar, woedt het gevaarlijke en besmettelijke MERS-virus, dat tot nu toe 38 doden heeft geëist. In Mekka, waar veel pelgrims samenkomen, is het gevaar van besmetting het grootst. De overheid heeft daarom pelgrims opgeroepen mondkapjes te dragen. Het is nu weliswaar geen pelgrimstijd, maar naar Mekka komen het hele jaar pelgrims, en zeker ook in ramadan. Bovendien zal de overheid met schrik aan oktober denken, wanneer de bedevaartmaand aanbreekt en er misschien wel twee miljoen mensen komen.

Vanuit islamitisch standpunt zitten er wat moeilijke kantjes aan die kapjes. Dat zal mij persoonlijk worst zijn, maar in het koninkrijk is men altijd zo druk met religie, en die pelgrimstocht is ook een religieus feest, dus ik verwacht wel enige openbare bezinning van theologische aard.
Ik probeer maar wat mee te denken: de Saoedische overheid zou misschien op grond van hadithen van de profeet de hadj eigenlijk moeten afgelasten. Naar aanleiding van een pest-epidemie zou de profeet immers gezegd hebben:

  • Van Usāma ibn Zayd: De profeet heeft gezegd: ‘De pest is een teken van de bestraffing. God beproeft daarmee sommige van zijn knechten. Als jullie horen dat hij ergens heerst, ga daar dan niet heen. Maar als hij zich voordoet in een gebied waar jullie zijn, vlucht dan niet weg.’ 1

Ook met het besmettelijke karakter van melaatsheid (waarschijnlijk correcter: elephantiasis) was men vertrouwd:

  • Van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘Vlucht voor een melaatse zoals je vlucht voor een leeuw!’ 2 

Je zou dit jaar dus misschien niet als pelgrim naar Mekka moeten gaan.

Anderzijds, werkelijk iets te vrezen is er niet, want besmetting bestaat niet. Als je de pest of een andere erge ziekte krijgt is dat Gods wil:

  • Van Abū Hurayra: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting.’ 3
  • Van Abū Hurayra: De profeet zei: ‘Er is geen besmetting’. Toen stond er een bedoeïen op die zei: ‘Hoe zit het dan met kamelen die er in het zand zo prachtig bijstaan als gazellen? Als daar een schurftige kameel bij komt krijgen zij ook schurft.’ Daarop zei de profeet: ‘Maar wie heeft dan de eerste besmet?’ 4
  • De profeet nam eens de hand van een melaatse en doopte die met zijn eigen hand in de schotel. Hij zei: ‘Eet in vertrouwen op God en vestig uw hoop op hem.’ 5

Als er geen besmetting bestaat, waarom dan die mondkapjes voor pelgrims?

De hadithen bevatten als zo vaak tegenstrijdige meningen, en er zijn nog veel meer teksten. In deze discussie moet het heftig zijn toegegaan. Tot de geneeskunde of de praktijk van alledag hebben zij niets bij te dragen; zij zijn de neerslag van theologische discussies over de vraag of alles door God is voorbeschikt of toch niet. Net als bij voorbeeld in de hadith over de coïtus interruptus. Toen condooms en pillen nog niet bestonden was dat een mogelijkheid om zwangerschap te voorkomen. Hij luidt:

  • Abū Sirma vroeg aan Abū Sa‘īd al-Khudrī: ‘Abū Saʿīd, heb jij de profeet ooit wat horen zeggen over de coïtus interruptus?’
    ‘Ja,’ zei hij, ‘wij gingen met de profeet op expeditie tegen de Banū al-Mustaliq en wij namen schitterende bedoeïenenvrouwen krijgsgevangen. We waren al heel lang van huis, maar wij wilden ook het losgeld graag hebben, dus wilden we een genotshuwelijk sluiten en de coïtus interruptus toepassen. Maar wij dachten: Gaan we zomaar iets doen terwijl de profeet hier onder ons is? Nee, laten we het hem vragen. Dat deden we en hij zei:
    ‘Het kan geen kwaad als jullie het nalaten, want ieder levend wezen waarvan God heeft voorbeschikt dat het geschapen wordt tot de dag der opstanding zal geboren worden.’ 6

Of je ziek wordt of niet, of een vrouw zwanger wordt of niet, dat hangt allemaal af van Gods wil. Nee, lacht u niet, zo exotisch is het niet. Nederland kent immers de gereformeerde en antroposofische opvattingen over inentingen tegen mazelen en andere ziekten; die komen op hetzelfde neer.

Ik zou wel eens willen weten of er vrome moslims bestaan die niet uit laksheid, maar uit overtuiging geen mondkapje omdoen in Mekka, of gaan lunchen met een melaatse.

NOTEN
1. Muslim, Salām 93, Bukhārī, Ṭibb 30.

حدثنا عبد الله بن مسلمة بن قعنب وقتيبة بن سعيد قالا أخبرنا المغيرة ونسبه ابن قعنب فقال ابن عبد الرحمن القرشي عن أبي النضر عن عامر بن سعد بن أبي وقاص عن أسامة بن زيد قال  قال رسول الله ص: الطاعون آية الرجز ابتلى الله عز وجل به ناسا من عباده فإذا سمعتم به فلا تدخلوا عليه وإذا وقع بأرض وأنتم بها فلا تفروا منه.

2. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 443: .قال رسول الله ص: فِرّ من المجذوم فرارَك من الأسد
3. Bukhārī, Ṭibb 54:

حدثنا أبو بكر ومجاهد بن موسى ومحمد بن خلف العسقلاني قالوا حدثنا يونس بن محمد حدثنا مفضل بن فضالة عن حبيب بن الشهيد عن محمد بن المنكدر عن جابر بن عبد الله  أن رسول الله ر قال  قال رسول الله ص: لا عدوى […] الخ

4. Bukhārī, Ṭibb 54; Muslim, Salām 101.

حدثنا أبو اليمان أخبرنا شعيب عن الزهري قال حدثني أبو سلمة بن عبد الرحمن أن أبا هريرة قال سمعت رسول الله ص يقول: لا عدوى قال أبو سلمة بن عبد الرحمن سمعت أبا هريرة عن النبي ص قال لا توردوا الممرض على المصح وعن الزهري قال أخبرني سنان بن أبي سنان الدؤلي أن أبا هريرة ر قال إن رسول الله ص قال لا عدوى فقام أعرابي فقال أرأيت الإبل تكون في الرمال أمثال الظباء فيأتيها البعير الأجرب فتجرب قال النبي ص فمن أعدى الأول؟

5. Ibn Mādja, Ṭibb 44:

حدثنا أبو بكر ومجاهد بن موسى ومحمد بن خلف العسقلاني قالوا حدثنا يونس بن محمد حدثنا مفضل بن فضالة عن حبيب بن الشهيد عن محمد بن المنكدر عن جابر بن عبد الله أن رسول الله ص أخذ بيد رجل مجذوم فأدخلها معه في القصعة ثم قال: كل ثقة بالله وتوكلا على الله .

6. Muslim, Nikāḥ 125

وحدثنا يحيى بن أيوب وقتيبة بن سعيد وعلي بن حجر قالوا حدثنا إسمعيل بن جعفر أخبرني ربيعة عن محمد بن يحيى بن حبان عن ابن محيريز أنه قال: دخلت أنا وأبو صرمة على أبي سعيد الخدري فسأله أبو صرمة فقال يا أبا سعيد هل سمعت رسول الله ص يذكر العزل فقال نعم غزونا مع رسول الله ص غزوة بلمصطلق فسبينا كرائم العرب فطالت علينا العزبة ورغبنا في الفداء فأردنا أن نستمتع ونعزل فقلنا نفعل ورسول الله ص بين أظهرنا لا نسأله فسألنا رسول الله ص فقال: لا عليكم أن لا تفعلوا ما كتب الله خلق نسمة هي كائنة إلى يوم القيامة إلا ستكون.

Diakritische tekens: Abū Ṣirma, Banū al-Muṣṭaliq

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Isnad als vertelling

De overleveringsketen (isnād) maakt deel uit van een hadith en is dus geen zelfstandige literatuurgenre. Isnāds zijn vertellingen, net als de hadithen zelf. Zelfs een simpele isnad als:

  • A heeft mij overgeleverd van (ʿan) B, die het gehoord had van C: mijn vader D heeft mij verteld: …enz.

is een mini-vertelling. Schematisch weergegeven, zoals hierboven, is een isnad nog net te verwerken. Maar als er echte namen in staan, bij voorbeeld:

  • Muhammad ibn Shihāb al-Zuhrī heeft overgeleverd van Hishām ibn ‘Urwa, die het gehoord had van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en die weer van al-Zubayr ibn al-‘Awwām: …enz.

dan wordt het toch al zeer bescheiden ‘verhaal’ van de isnad overwoekerd door al die namen. Wie wil zoiets lezen? Het genre fascineert alleen specialisten. Dezelfde isnad kan ook korter:

  • Al-Zuhrī heeft overgeleverd van Hishām, die het gehoord had van ‘Urwa, en die van zijn vader: …enz.

Zo’n verkorte isnad kan alleen maar door kenners worden begrepen: anderen hebben geen idee wie die mensen waren.

Het doel van een isnād is altijd het bewijzen van de echtheid. Hij wil geloofwaardig maken dat de tekst waar hij bij hoort werkelijk van de de genoemde overleveraars stamt en uiteindelijk teruggaat op de profeet. Ook de vertellende bestanddelen van de isnād dienen dit doel.

Er zijn ook isnads met uitvoeriger vertelsels. Eén van de overleveraars zegt bijvoorbeeld: ‘Ik was destijds nog een jonge man…,’ of: ‘A vroeg mij: “Vertel toch eens over …”’ of: ‘Ik was destijds bediende in het huis van de profeet, of: ‘Ik was erbij, toen A aan B vertelde’, zoals in:

  • Ibn Ishāq zegt: Wahb ibn Kaysān, de beschermeling van de familie Zubayr heeft mij verteld: Ik hoorde ‘Abdallāh ibn al-Zubayr tegen ‘Ubayd ibn ‘Umayr ibn Qatāda al-Laythī zeggen: Vertel toch eens, ʿUbayd, hoe het profeetschap bij de profeet begon, toen Gabriël bij hem kwam! Daarop vertelde ‘Ubayd in mijn aanwezigheid aan ‘Abdallāh ibn al-Zubayr en aan de anderen die daar waren: “De profeet was …” enz.1

Wie zou er na zo’n inleiding nog aan de waarachtigheid van de overlevering twijfelen?
De volgende isnad heeft een kronkel:

  • ‘Ayyāsh ibn al-Walīd heeft ons overgeleverd: ‘Abd al-A‘lā heeft verteld: Sa‘īd heeft gezegd: Ik hoorde Nadr ibn Anas ibn Mālik aan Qatāda vertellen: Ik was bij Ibn ‘Abbās toen mensen hem een vraag stelden, [en hij antwoordde] zonder de profeet te vermelden, tot hij ernaar gevraagd werd; toen zei hij: Ik heb Mohammed horen zeggen … enz.2

Bovendien levert Ibn ‘Abbās hier weliswaar rechtstreeks over van de profeet, maar pas nadat hij zich eerst had verstout, zélf te antwoorden. Gelukkig komt het op het nippertje nog goed: in de wereld van de hadith zijn zelfstandige meningen van gezellen van de Profeet namelijk niet interessant.

Op isnad-niveau kan ook een woordgevecht over het onderwerp van de hadith zelf plaatsvinden. In de volgende tekst worden de figuren uit de isnad tot leven gewekt en ontbranden in een fikse ruzie:

  • [isnād verkort]…van Abū Salama ibn ‘Abd al-Rahman ibn ‘Awf: De profeet heeft gezegd: ‘Er is geen besmetting,’ maar hij levert ook over dat de profeet gezegd heeft: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Abū Salama zei: Abū Hurayra heeft ons allebei deze Tradities overgeleverd van de profeet. Daarna heeft Abū Hurayra verzwegen dat hij gezegd had: ‘Er is geen besmetting,’ en hij hield het bij: ‘Je moet geen gezonde en zieke dieren samen laten drinken.’
    Al-Hārith ibn Abī Dhubāb—dat is de neef van Abū Hurayra— zei: Ik heb je wel degelijk nog een andere Traditie horen overleveren, Abū Hurayra, maar die verzwijg je nu! Je hebt ook verteld dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting!’ Maar hij weigerde dat toe te geven en zei: ‘… niet samen laten drinken!’
    Al-Hārith hield zo lang aan tot Abū Hurayra boos werd, in het Ethiopisch begon te brabbelen en zei: Weet je wat ik zeg? Ik zeg: In geen geval!
    Abū Salama heeft gezegd: Bij mijn leven, Abū Hurayra had ons wél overgeleverd dat de profeet gezegd had: ‘Er is geen besmetting’ Ik weet niet of Abū Hurayra het was vergeten of dat de ene Traditie de andere heeft afgeschaft.3

Blijkbaar had iemand geprobeerd, van twee tegenstrijdige hadithen over het onderwerp besmetting (alias: de voorbeschikking Gods) er één te elimineren. Abū Hurayra’s woede en zijn terugval in zijn moedertaal moeten ons tot dat standpunt overhalen. Maar zijn neef en Abū Salama hebben het laatste woord: laat toch vooral niemand aan het bestaan van beide hadithen twijfelen, al zijn ze nog zo tegenstrijdig.

NOTEN
1. Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 151.
2. Bukhārī, Sahīh, Libās 77.
3. Muslim, Sahīh, Salām 104.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, Muḥammad, Naḍr, ‘Abd al-Raḥman, al-Ḥārith

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud