Mohammeds bijzondere dood

Wanneer er een geliefde of vereerde persoon sterft is er vaak eerst een reactie van ongeloof: Nee, het is niet waar! Zo’n ongeloof aan de dood van de profeet Mohammed, die na een onduidelijke ziekte gestorven was, wordt in de sīra-literatuur in de mond van ʿUmar gelegd en door Abū Bakr gecorrigeerd:

  • Al-Zuhrī hoorde van Sa‘īd ibn Musayyab, die het had van Abū Hurayra: Toen de profeet was gestorven stond ‘Umar op en nam het woord: ‘Sommige Halfhartigen beweren dat de profeet is gestorven. Maar hij is niet gestorven: hij is naar zijn Heer gegaan, zoals Mūsa, die veertig dagen is weggebleven van zijn volk en daarna is teruggekeerd, nadat men al gezegd had dat hij gestorven was. Bij God, de profeet zal terugkeren zoals Mūsa en zal degenen die beweren dat hij is gestorven de handen en voeten laten afhakken.’
    Toen Abū Bakr hoorde dat ‘Umar een toespraak hield begaf hij zich naar de poort van de moskee, en zonder ergens acht op te slaan liep hij door naar het huis van Aisha, waar de profeet lag opgebaard onder een mantel van Jemenitische stof. Hij lichtte de mantel op, kuste zijn gezicht en zei: ‘U die mij dierbaarder bent dan mijn vader en moeder, u hebt de dood gesmaakt die God voor u heeft beschikt, en een tweede dood zal u niet treffen.’ Daarop legde hij de mantel terug en ging naar buiten, waar ‘Umar nog steeds de mensen toesprak. ‘Stil ‘Umar, houd je mond,’ zei hij. Maar ʿUmar praatte gewoon door. Toen richtte Abū Bakr zelf het woord tot de gelovigen, en zodra ze zijn woorden hoorden liepen ze bij ʿUmar weg en kwamen naar hem luisteren. Na de lofprijzing zei hij: ‘Mensen, als iemand Mohammed aanbidt: Mohammed is dood, maar als iemand God aanbidt: God leeft en zal niet sterven.’ Vervolgens droeg hij het koranvers voor: “Mohammed is slechts een gezant; gezanten vóór hem zijn heengegaan. Als hij sterft of gedood wordt, zult u dan op uw schreden terugkeren? Wie op zijn schreden terugkeert, die zal aan God geen schade doen. Maar de dankbaren zal God belonen.” [k. 3:44]
    Bij God, het was alsof de gelovigen niet wisten dat dit vers was geopenbaard tot Abū Bakr het hun op die dag voordroeg. Zij namen het vers van hem over en het was op ieders lip. ʿUmar zei later: ‘Bij God, nauwelijks had ik Abū Bakr dit vers horen voordragen of ik raakte volkomen in de war, mijn benen konden mij niet meer dragen en ik viel op de grond. Nu wist ik dat de profeet werkelijk gestorven was.’ 1

Het geciteerde koranvers dringt aan op nuchterheid: het leven gaat verder. Mohammed was ‘slechts’ een gezant, een gewoon mens en dus sterfelijk. Ook de rest van de koran is daar duidelijk over. Daardoor was voor de vertellers de mogelijkheid afgesneden hem te laten voortleven of zijn verblijf op aarde zo te laten eindigen als dat van vroegere profeten. Van Henoch wordt in de bijbel verteld dat hij werd ‘weggenomen’ (Genesis 5:24), Elia is ‘in een stormwind meegevoerd naar de hemel’ (2 Koningen 2:11) en Jezus is zelfs twee maal ten hemel opgenomen. Een verteller vond een alternatief: Mohammed is voor de keus is gesteld: sterven of langer leven, en hij heeft de dood gekozen. Zo moest zijn heengaan voor zijn volgelingen draaglijker worden.

  • ‘Abdallāh ibn ʿUmar heeft gehoord van ‘Ubayd ibn Djubayr, en deze van ‘Abdallāh ibn ʿAmr, die het had van Abū Muwayhiba, een vrijgelatene van de profeet: De profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden, en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: ‘Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden van duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.’ Daarop wendde hij zich tot mij en zei: ‘Abū Muwayhiba, mij is de keus gegeven tussen de sleutels van de schatkamers van deze wereld, een lang leven hier en daarna het paradijs, óf nu al mijn Heer te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan.’ Ik bezwoer hem dat hij het eerste zou kiezen, maar hij zei dat hij had gekozen, zijn Heer reeds nu te ontmoeten en het paradijs binnen te gaan. Toen bad hij om vergeving voor de doden, en nadat hij de begraafplaats had verlaten begon de ziekte waardoor God hem tot zich nam.2

Volgens een hadith gebeurde het inderdaad zo:

  • Een bericht van Aisha, tot mij gekomen via ‘Urwa, al-Zuhrī en Ya‘qūb ibn ‘Utba, luidt als volgt: Die dag kwam de profeet bij mij terug uit de moskee en legde zijn hoofd in mijn schoot. Toen kwam er iemand uit mijn vaders familie, die een groene tandenborstel3 in zijn hand had. Uit de manier waarop de profeet ernaar keek begreep ik dat hij hem wilde hebben, en ik vroeg hem of hij die wilde hebben. ‘Ja,’ zei hij, dus ik gaf hem de tandenborstel, nadat ik erop had gekauwd om hem zacht te maken. Hij wreef er zo krachtig mee over zijn tanden als ik het hem nog nooit had zien doen, en legde hem weg. Ineens vond ik dat hij zo zwaar aanvoelde, en toen ik hem in zijn gezicht keek waren zijn ogen al star. ‘Ja,’ zei hij nog, ‘de hoogste vriendenschaar in het paradijs!’4 Ik zei: ‘Bij Hem die je met de Waarheid heeft gezonden: je bent voor de keus gesteld en dit heb je dus gekozen.’ Toen gaf hij de geest.5

Zo was de dood van Mohammed ook iets bijzonders geworden, maar toch anders dan bij die andere profeten. Het bijbelse motief van de ‘wegneming’ was hier eenvoudig niet bruikbaar, omdat de koran te expliciet is over de gewoonheid en sterfelijkheid van de profeet. De hadith-literatuur ontkent vervolgens eenvoudig het verschil: álle profeten zouden zijn gestorven zoals Mohammed:

  • Al-Zuhrī vernam van ‘Ubayd ibn Abdallāh ibn ‘Utba, die het had gehoord van Aisha: Ik heb de profeet dikwijls horen zeggen: ‘God neemt geen profeet tot zich zonder hem de keus te geven.’ Toen de profeet op sterven lag was het laatste dat ik hem hoorde zeggen: ‘Nee, liever de hoogste vriendenschaar in het paradijs.’ Dan kiest hij ons dus niet, dacht ik, en toen begreep ik pas wat die woorden betekenden: dat een profeet niet sterft zonder dat hem de keus is gegeven.6
  • Mālik heeft vernomen dat Aisha heeft gezegd: Geen profeet sterft zonder dat hem de keus is gegeven. Ik heb hem horen zeggen: ‘O God, de hoogste vriendenschaar!’ en toen begreep ik dat hij zou heengaan.7

Ik denk niet dat dit het laatste woord is over het onderwerp. Bij gelegenheid zal ik eens kijken of Ginzbergs The Legends of the Jews hierover nog wat heeft; dat boek is gewoon online in te zien. Komt dus nog.

NOTEN
1. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 1012–13; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 250–251.
2. Ibn Ishāq o. c., 1000; vert. 244.
3. Een twijg van de arāk-boom (Salvadora persica), die gekauwd en in de mond heen en weer bewogen wordt zoals bij ons zoethout. Hierover heb ik een engelstalig artikel geschreven.
4. al-rafīq al-a‘lā, vgl. koran 4:69.
5. Ibn Ishāq o. c., 1011; vert. 250.
6. Ibn Ishāq o. c., 1008; vert. 247.
7. Mālik, Djanā’iz 46

Terug naar Inhoud

Joodse en christelijke invloed op de biografie van Mohammed

Welke invloed hebben de bijbel en joodse en christelijke literaturen op de biografie van Mohammed gehad?
Enkele opmerkingen vooraf:

  1. Hoewel er al vroeg bijbelvertalingen in het Arabisch moeten hebben bestaan zal een verteller of sīra-schrijver zelden ‘de’ bijbel in zijn huidige vorm ter beschikking hebben gehad. Bovendien circuleerden er omvangrijke joodse en christelijke literaturen om de bijbel heen: apocriefen, midrasjen, legenden enzovoort.
  2. Dat de biografie van Mohammed gebruik maakt van oudere teksten is niet schandalig of afkeurenswaardig, maar doodnormaal. Het Nieuwe Testament had ook zeer uitvoerig gebruik gemaakt van het Oude; het is daarop zelfs geënt. Geen enkele literatuur redt het ooit zonder intertekstualiteit, en in de Oudheid zeker niet.
  3. Een sīra-tekst die gebruik maakt van een bijbels of bijbel-achtig verhaal is volgens mij niet bruikbaar als historische bron over Mohammed. Wel natuurlijk voor de periode en de omgeving waarin het sīra-schrijven plaatsvond, en voor de geestesgesteldheid van de vertellers en hun publiek.
  4. Het was of is niet mijn doel om aan te tonen dat de sīra als serieuze geschiedbron ongeloofwaardig is; mijn ongeloof daaraan is eerder een bijeffect van genotvol lezen. Mij persoonlijk kan het niet schelen wat er vroeger al dan niet echt gebeurd is.

Dit gezegd zijnde maak ik een lijstje van onderwerpen voor deze rubriek, die op den duur aanklikbaar worden.

De aankondiging van Mohammeds komst.
Zijn afstamming
Zijn vroegrijpheid
Trekken van oudere profeten bij Mohammed:
–       Mohammed als herder.
–       Mohammed wijst eerst het profeetschap af.
–       Mohammeds niet-bijbelse dood.
De twaalf discipelen, de twaalf vorsten Israëls. Zie in het kort alvast hier.
Sira-verhalen naar het model van bijbelverhalen en bijbelse legenden:
–       De hemelvaart. Beschrijving van de hemel, het paradijs, de hel.
–       Het Exodus-motief.
–       De slag bij Badr. Ook hier al even kort besproken.
–      Sira-verhalen naar het model van heiligenlegenden. Phemion.

Terug naar Inhoud

Aankondiging Mohammeds geboorte

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.

Diakritische tekens: Buṣrā, Muḥammadī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De arabisering van de bijbel

JezusverjaagthandelaarsIn kinderbijbels en bijbelfilms uit Hollywood lopen de Palestijnen uit de tijd van Jezus vaak in kleding die Arabisch aandoet. De arabisering van de bijbel was een proces dat eeuwen heeft geduurd. Toen er sinds de kruistochten superieure stoffen uit het Nabije Oosten werden geïmporteerd trok men de bijbelse figuren oosterse kleren aan in plaats van de Europese, die op oudere schilderijen nog voorkwamen. Ook Rembrandt moet een kist met Turkse kleren bij de hand gehad hebben. Natuurlijk was men zich ervan bewust dat de bijbelse verhalen zich in Palestina, dus in de zogenaamde Oriënt hadden afgespeeld, al wordt de ambiance van de bijbel nooit zo ‘oosters’ als de echte Arabische wereld. De Oriënt was gewoon te wuft voor christelijke doeleinden.
In de 19e eeuw, toen de tot op heden beeldbepalende illustraties bij de bijbel ontstonden, heeft men naar de kleding gekeken die de Palestijnse boeren en vissers op dat moment droegen en deze naar vrije fantasie vermaakt. Overwegend nuchtere, bescheiden kleding is het geworden. Typisch Arabische hoofdbedekkingen worden toegepast; bij Jezus zelf niet altijd, omdat die zijn charismatische golvende haar zouden verhullen. In de nieuwtestamentische omgeving zien we een matte Oriënt: goedkope gewaden en brave gezichten; geen nobele wilden of fiere strijders; veel ruige, maar aandachtig luisterende boerenkoppen.
Alleen bij de drie koningen mag de schilderachtige Oriënt even doorbreken; en bij het verhaal van Herodes en Salomé natuurlijk. Daar is plaats voor een oosterse despoot en voor een danseres in kostbare, haast doorschijnende stof.
Misschien kwamen de lange, Arabisch-achtige gewaden de bijbeltekenaars vroeger ook goed gelegen omdat er zoveel stof in ging. In de Grieks-Romeinse kleding was veel naakte huid te zien en de tunieken gingen makkelijk uit. Zo kon men Jezus en zijn discipelen er moeilijk bij laten lopen. Jezus topless, dat gaat alleen maar als hij aan het kruis hangt; dat heeft een eigen erotiek. Maar de Bergrede met blote borst? Liever niet.

Naar rubriek KLEDING:
Dames: sluier, boerka & co, tsjador, hot pants.
Heren: lang gewaad, lendendoek, boerka.

Terug naar Inhoud

Hellestraffen

Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed een reis door hemel en hel gemaakt. Het oudste bericht daarover is te vinden in de sira van Ibn Ishāq (gest. 767). Later is er een hele hemelvaartliteratuur ontstaan (mi‘rādj), waaraan ook Dante veel te danken heeft.
.
In de joodse en christelijke literaturen bestonden er al ettelijke zulke reisverhalen, bekend onder de naam Apocalypse. Een ervan is er in de bijbel beland: de openbaring van Johannes. Andere vond men daarvoor niet goed genoeg, maar ze bestaan nog wel: de apocalypsen van Henoch, Mozes, Petrus, Paulus en nog anderen. In de Perzische literatuur moet dit soort verhaal al veel langer hebben bestaan.
De hel wordt meestal met meer verve beschreven dan het paradijs. Horror en sadisme zijn nu eenmaal spannender dan eeuwigdurende vreugde. De menselijke behoefte aan bloederige folteringen, die tegenwoordig door griezelfilms uit Hollywood wordt bevredigd, werd dat indertijd door dit soort teksten.
Uit het hemelvaartverhaal van Mohammed hier een klein detail. De profeet bezichtigt in de hel verschillende groepen zondaren:

  • Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Gabriël wie dat waren. Hij zei: ‘Dat zijn de mensen die onrechtmatig het bezit van de wezen hebben verteerd.’
  • Toen zag ik mannen, die mager stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. ‘Wie zijn dat?’ vroeg ik Gabriël. Hij zei: ‘Dat zijn degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verboden had.1

De berichtjes zijn dus opgebouwd volgens een bepaald patroon: ‘Ik zag …, ik vroeg: Wie …? … en hij zei: Dit zijn … .’ De reiziger is een man met een zeer groot religieus prestige, die als bron voor de kennis van hemel en hel plausibel wordt geacht. In de vroegere apocalyptische teksten is dit precies zo. In de Apocalypse van Paulus ziet het er als volgt uit:

  • En ik zag een mens, die tot zijn knieën in de vurige stroom stond. Zijn handen waren uitgestrekt en bebloed; wormen kwamen uit zijn mond en neusgaten. Hij zuchtte en weende en riep uit: ‘Ontferm u mijner, want mij wordt meer leed berokkend dan de anderen die deze straf ondergaan. Ik vroeg: ‘Wie is dit, heer?’ Hij zei: ‘Deze man die je ziet is een diaken geweest die de offergaven zelf opat, hoereerde en het goede voor het aangezicht Gods niet deed. Daarom boet hij met deze straf zonder ophouden.’ 2

En in het voorislamitische Perzische boek Ardā Wirāz, vroeger bekend als Arda Viraf, zo:

  • En ik zag de ziel van een man, wiens ogen waren uitgestoken en wiens tong was afgesneden; hij was in de hel aan één voet opgehangen, zijn lichaam werd telkens met een tweezijdige koperen kam geharkt, en een ijzeren spijker was in zijn hoofd gedreven. Ik vroeg: ‘Wie is deze man en welke zonde heeft hij begaan?’ Srōsh de vrome en de god Ādur zeiden: ‘Dit is de ziel van die goddeloze rechter, wiens [taak] in de wereld het was de goddelozen te veroordelen, maar hij nam steekpenningen aan en wees leugenachtige vonnissen.’ 3

In de joodse legende, waarvan ik alleen de Engelse versie van Ginzberg4 heb, wordt de vraag weggelaten:

  • Toen zei Nasargiel tot Mozes: “Kom en zie hoe de zondaren in de hel worden verbrand,” […] Mozes gaf toe en zag hoe de zondaren werden verbrand, de ene helft van hun lichaam gedompeld in vuur en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen vlees tot leven waren gekomen over hen heen kropen en de Engelen van Vernietiging hen zonder ophouden sloegen. Nasargiel zei: ‘Dit zijn de zondaren die incest, moord en afgoderij begaan hebben, die hun ouders en leraren hebben vervloekt en die, zoals Nimrod en anderen, zichzelf goden noemden.’

Het is duidelijk dat het verhaal over Mohammeds hemelreis in een lange traditie staat. De tekst uit Perzië is niet zo oud, maar omdat paradijs en hel Perzische uitvindingen zijn is het denkbaar dat ook dit motief daar al veel eerder bestond.
Dit zijn maar een paar voorbeelden. In de teksten, vooral in Ardā Wirāz, gaat het om hele rijen zondaren, over wie steeds volgens hetzelfde stramien wordt verteld.

Noten
1. Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 85. (± 760)
2. Apokalypse des Paulus,’ in: Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung. II. Apostolisches.Apokalypsen und Verwandtes, uitg. W. Schneemelcher, Tübingen 51989, 663ff. (4e eeuw) (Het hele boek in een Engelse vertaling hier.)
3. Ardā Wirāz Nāmag. The Iranian ‘Divina Commedia’, ed. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 214. (6e eeuw) (Het hele boek in een oudere Engelse vertaling hier.)
4. Het zou echter kunnen zijn dat Ginzberg wat heeft verkort en de vraag heeft weggelaten. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, ii, 312; bronvermeldingen v, 416–18.

Terug naar Inhoud

Driehonderd en

In de film 300 proberen driehonderd Spartanen en nog wat andere Grieken in de bekende slag bij Thermopylae (480 v. Chr.) stand te houden tegen een grote Perzische overmacht. Het aantal 300 wordt reeds genoemd bij de Griekse Auteur Herodotus (± 480–425 v. Chr.).1
Het aantal 300 en nog wat komt ook in de bijbel voor: in het boek Rechters, in het verhaal over Gideon.2 Ook daar wordt verteld over een kleine troep zorgvuldig uitgezochte krijgers, die zich opstelt tegen een ongelofelijk grote overmacht. In de nacht voor de slag heeft iemand in het kamp van de vijand een boze droom, namelijk dat Gideon zal overwinnen en hun hele kamp in handen zal krijgen. De overwinning van de kleinere troep wordt behaald met de uitdrukkelijke hulp van God.

Rechters wordt voor zover ik weet omstreeks 1000 v. Chr. gedateerd en is dus heel wat ouder dan het Griekse verhaal. Dat Herodotus het boek Rechters gekend zou hebben, dat in het Hebreeuws geschreven is en in zijn tijd alleen door joden in Mesopotamië en Palestina werd gelezen, is onwaarschijnlijk. Hij moet of uit zich zelf op het aantal 300 gekomen zijn, of het verhaal circuleerde in enigerlei afgeleide vorm in het oude Nabije Oosten.

Zeker afhankelijk van de bijbel of eventueel van een joodse bewerking van de Gideonlegende waren echter de Arabische vertellers, die over Mohammeds slag bij Badr verhaalden.3 Driehonderd en nog een paar aanhangers van Mohammed, als moslims per definitie elitestrijders, overvielen daar een veel sterkere Mekkaanse karavaan. Een vrouw in het vijandige kamp had in de nacht voor de slag een droom waarin de nederlaag werd voorspeld, net als in het verhaal over Gideon. Ook hier kon de kleinere groep de grotere met Gods hulp verslaan.
De elitetroep van ± 300 man, de overmacht van de vijand, de droom in het vijandige kamp én Gods hulp bij het gevecht: zo veel overeenkomsten kunnen niet toevallig zijn; daar heeft von Mžik al een eeuw geleden op gewezen.4 Het is weer een voorbeeld van de invloed van de joods-christelijke literatuur op de biografie van de profeet.

Hoe groot moest, verteltechnisch gezien, de tegenpartij zijn in de Slag bij Badr? Niet zo onwaarschijnlijk groot als bij Gideon; de vertelkunst was in al die eeuwen wel wat gevorderd. Dat één moslim één heiden de baas kan is vanzelfsprekend. Dat hij er ook twee kan hebben ligt voor de hand: door de kracht van zijn geloof. Maar tien zou echt te veel zijn; dan zou het verhaal een ander karakter krijgen. Personages als Superman, Asterix en Obelix, Bud Spencer en Terence Hill kunnen onbeperkte hoeveelheden tegenstanders aan, maar die horen dan ook duidelijk in fantasieverhalen thuis. En die zijn tamelijk vervelend, omdat de gevechten zo niet spannend of reëel voorstelbaar zijn. De tegenstanders bij Badr zijn er in totaal 950 geworden, dat is één moslim op ruim drie heidenen. Dat is aan de hoge kant en neigt al enigszins naar het fantastische, maar wordt dat nog net niet. Ook dit verhaal wil ons immers duidelijk maken dat de slag gewonnen werd met Gods hulp; en daar is, in de opvatting van zowel de verteller als zijn hoorders, niets fictiefs of fantastisch aan. Aan de waarschijnlijkheid is in hun ogen net geen afbreuk gedaan.

Noten
1. Herodotus, Historiae vii, 205.
2. Rechters (ook genoemd Richteren) 7:2–22.
3. Ibn Isḥāq, in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, […] uitg. F. Wüstenfeld, 3 vols., Göttingen 1858–60, blzz. 428–9, 506, 516 (Arabische teksten). In Engelse vertaling: A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Isḥāq’s (zo!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, 290, 336, 340.
4. Hans von Mžik, ‘Die Gideon-Saul-Legende und die Überlieferung der Schlacht bei Badr. Ein Beitrag zur ältesten Geschichte des Islām,’ Wiener Zeitschift für die Kunde des Morgenlandes (WZKM) 29 (1915), 371–383.

Terug naar Inhoud