Mohammed: ezelrijder of kameelrijder?

Evenals zijn tijdgenoten zal de profeet Mohammed alle rijdieren hebben gebruikt die ter beschikking stonden en geschikt waren voor een bepaalde afstand: ezels, muilezels, paarden en kamelen.

Na een eerdere bijdrage over de muildieren van de profeet komen nu de ezels aan de beurt. Dezelfde Herbert Eisenstein, die de muildieren van de profeet heeft beschreven, heeft ook diens ezels bestudeerd.1
.
Ya‘fūr
In dezelfde geschenkzending die twee slavinnen en de muilezel Duldul bevatten, bevond zich ook een ezel genaamd ʿUfayr. Verder was er de ezel Ya‘fūr, die hem tesamen met een ander muildier werd geschonken door Farwa ibn ‘Amr. Net als bij de muildieren is de overlevering nogal in de war en worden beide ezels vaak door elkaar gehaald. Volgens een andere overlevering was Ya‘fūr een deel van de oorlogsbuit bij de verovering van de oase Khaybar in 628. Toen de profeet bij die gelegenheid naar zijn naam vroeg zou het dier zelf hebben geantwoord:

  • Ik ben Yazīd ibn Shihāb. God heeft uit de nakomelingschap van mijn voorouders zestig ezels voortgebracht, waarop alleen profeten reden. Ik hoop dat U op mij wilt rijden, omdat er van de nakomelingschap van mijn voorvader niemand meer over is, en van de profeten ook niemand behalve U.
Mohammed en Gabriël

Mohammed en Gabriël

Hij klaagde nog dat zijn vorige eigenaar, een jood, hem vaak sloeg, omdat hij opzettelijk struikelde als hij door hem bereden werd. De profeet gaf hem de nieuwe naam Ya‘fūr en reed vaak op hem. Hij kon hem ook gebruiken als hij een van zijn gezellen wilde laten komen. De ezel klopte dan met zijn kop aan diens huisdeur, waarop de bewoner naar buiten kwam en begreep dat de profeet hem bij zich wilde zien. Het dier zou in 632 na de afscheidsbedevaart van de profeet gestorven zijn. Volgens een nog mooier verhaal zou het op de sterfdag van de profeet van verdriet in een put gevallen zijn — of was het zelfmoord? In ieder geval is zijn sterven op die manier geladen met betekenis: zoals Mohammed de laatste in de reeks der profeten was, zo was Ya‘fūr de laatste profetische ezel.
.
De ezel als profetisch en messiaans rijdier
Een ezel is dus meer dan een rijdier, en vele teksten die Mohammed op een ezel laten rijden doen dat niet zomaar. De islamwetenschapper Suliman Bashear heeft over dit onderwerp een uiterst gedetailleerd artikel geschreven, waaruit ik graag zal putten.2
Al eeuwenlang was de ezel een profetisch rijdier geweest. Ook voor de uit islamitisch oogpunt oude ‘profeten’ Abraham, Mozes en Jezus was de ezel een normaal vervoermiddel. Maar bij de exegese van heilige schriften kunnen er altijd zinvolle verbanden worden gelegd. De auteur van het joodse geschrift Pirqe de Rabbi Eliezer3 bij voorbeeld ziet door de eeuwen heen slechts een en dezelfde ezel — die dus vrijwel onsterfelijk moet zijn geweest.4

  • In de ochtend stond Abraham vroeg op en nam Ismaël und Eliëzer en Isaak, zijn zoon, en zadelde de ezel. Deze ezel was de zoon van de ezelin, die in de avondschemering geschapen werd,5 zoals de Schrift zegt: In de ochtend stond Abraham vroeg op en zadelde zijn ezel […].Dat was ook de ezel waarop Mozes reed toen hij naar Egypte kwam […].7 En dezelfde ezel zal in toekomst door de zoon van David worden bereden, zoals geschreven staat: Juich, dochter Zions; jubel, Jeruzalem! Uw koning komt, een rechtvaardige en een helper; arm, en rijdende op een ezel, op een veulen, een ezelinnenjong. 8

De ezel is dus ook een messiaans dier: de zoon van David is immers de verwachte Messias. De Christenen zijn nog een stap verder gegaan. Voor hen was Jezus de Messias, die bij zijn intocht in Jeruzalem dan ook inderdaad op een ezel gereden moest hebben: Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat: … [volgt ongeveer het vers uit Zacharia ].9

De vroege moslims hebben ijverig de bijbel gelezen en de daar aangetroffen verwijzingen naar de Messias of de Heilige Geest op Mohammed betrokken. Volgens hen moeten christen en joden dus uit hun Schrift geweten hebben dat Mohammed komende was, hoewel ze dat natuurlijk meestal loochenden. Was de bijbel dan van belang voor moslims? Jazeker! Zij of hun vaders waren ook christenen of joden geweest en ze vormden maar een kleine minderheid in de zee van hen die dat nog gebleven waren. Een hadith van de profeet beveelt uitdrukkelijk aan, van de joden over te leveren: haddithū ‘an Banī Isrā’īl. Bovendien namen de moslims bijbelverzen te baat in hun twistgesprekken met christenen en joden. Als de gebruikte teksten niet overeenstemden met de welbekende veranderden ze die — waarbij zij hunnerzijds natuurlijk meenden dat de joden en christenen ze vervalst of verdonkeremaand hadden.
.
De profeet als ezelrijder
Inderdaad bestaat er zoiets als een bijbelvers waarin Mohammed als ezelrijder wordt aangekondigd. Alleen moet u dat niet in de bijbel willen naslaan: het is honderd procent verzonnen, maar sluit in zijn vormgeving enigszins aan bij het hierboven geciteerde vers over de Zoon van David. Bashear10 heeft vier varianten ontdekt, waarvan ik alleen de makkelijkst verkrijgbare hier zal citeren:

  • […] Hij zal verschijnen in Mekka en deze stad [= Medina] zal de woonplaats van zijn hidjra zijn. Hij is de lachende, de dodelijke, die tevreden is met stukjes brood en een paar dadels, die op een ongezadelde ezel rijdt en rood in zijn ogen heeft; tussen zijn schouders is het Zegel des Profeetschaps en hij draagt een zwaard op zijn schouder […].11

.
De profeet als kameelrijder
Talrijker zijn de teksten waarin de verschijning van Mohammed als kameelrijder wordt aangekondigd. Ik citeer er maar één, omdat het anders te lang wordt. Een joodse tegenstander van Mohammed uit de Banū Nadīr herinnerde de joden eraan, dat ze een man met de volgende eigenschappen te verwachten hadden:

  • […] de lachende, de dodelijke, die rood in zijn ogen heeft, die uit het Zuiden komt, die op een kameel rijdt en een mantel draagt, die tevreden is met een stuk brood en zijn zwaard op zijn schouder heeft […]12

Waarom laat men de profeet eerst op een ezel en daarna op een kameel rijden? Als profeet stond Mohammed natuurlijk in dezelfde lijn als Jezus, maar misschien beviel diens messiaanse karakter de moslims niet. Hoewel Jezus in de koran ook Messias (masīh) wordt genoemd is volgens islamitisch geloof de masīh vooral degene die aan het einde der tijden komen zal om tesamen met de  Mahdī de Antichrist te verslaan. Dat wordt over Mohammed niet geloofd. Die was een normale mens, wordt niet voor de  masīh gehouden en moet dus ook geen trekken van deze vertonen.13
Een andere mogelijkheid is dat de auteurs van deze teksten het bescheidene van de ezel niet begrepen of waardeerden en een nobele kameel een profeet waardiger achtten dan een ezel.
Bovendien is de kameel een echt Arabisch dier en daarom passender. Er was ook een godgestuurde kamelin (al-nāqa al-ma’mūra) in Mohammeds leven: het dier waarop hij de hidjra van Mekka naar Medina heeft gemaakt en dat in Medina niet op de plek neerknielde die men hem aanwees, maar ergens waar het zelf besloot dat te doen — uiteraard op goddelijk bevel.
De vele ingewikkelde teksten over dit onderwerp zijn slecht te dateren, maar als de kameel-teksten inderdaad later zijn dan de ezel-teksten, dan heeft de wisseling van rijdier misschien te maken met de arabisering en ‘ontbijbeling’ van de vroege islam, waarover ik hier en hier al had geschreven.13  Een bijbels dier wordt door een echt Arabisch dier vervangen.

Mohammed en Jezus?

Mohammed en Jezus?

In veel teksten wordt zowel van een ezelrijder als van een kameelrijder gesproken. Volgens al-Fārisī (gest. 902), de auteur van een vroege verzameling profetenverhalen, was de bijbelse profeet Jesaja degene die voor voorzeggingen als de hierboven geciteerde verantwoordelijk was:

  • Er werd gezegd dat het Jesaja was, die de zaak van [de aankondiging van] Jezus en Mohammed was opgedragen. Hij zei tot Aelia, dat is een stad nabij al-Bayt al-Maqdis, genaamd Jeruzalem: ‘Verheug u, Jeruzalem: de ezelrijder zal tot u komen (d.i. Jezus); daarna zal de kameelman tot u komen (d.i. Mohammed).” 15

Hier worden in hetzelfde pseudovers uit Jesaja eerst Jezus en dan Mohammed aangekondigd, elk op een passend rijdier. Overigens staat er in Jesaja een echt vers, waarin met wat fantasie sprake is van een ezeldrijver en een kameelrijder: Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen, een troep ezels, een troep kamelen, laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.16 Maar het daar voorkomende woord rèkèv , ‘troep ruiters’, werd door deze of gene ook als rokev ‘rijder, rijdend’ in het enkelvoud gelezen; het Hebreeuwse consonantenschrift laat dat toe. Dan zouden er inderdaad een ezelrijder en een kameelrijder aangekondigd zijn.

Er is een wilde woekering van nog veel meer teksten, die Bashear alle uitwerkt. Deze weinige dienen slechts als oriëntering in het onderwerp.

.
Umar als ezelrijder
Was de ezel als profetisch dier met Ya‘fūr uitgestorven, als messiaans dier heeft hij nog even voortgeleefd. ‘Umar, de tweede kalief (reg. 634–44), zou op een ezel van al-Djābiya op de Golanhoogten naar Jeruzalem gereden zijn. Nog afgezien daarvan dat hij waarschijnlijk nooit in Jeruzalem geweest is, is deze afstand zo lang dat een staatshoofd met een drukke agenda daarvoor nooit een ezel zou hebben gekozen. Er zijn inderdaad varianten van het verhaal volgens welke ‘Umar pas bij de Jordaan op een ezel zou zijn overgestapt. Een paard te nemen om indruk te maken op de Romeinen, zoals zijn entourage voorstelde, zou hij uit bescheidenheid uitdrukkelijk hebben geweigerd. De schrijvers van zulke ‘berichten’ zullen zeker het  messiaanse karakter van de ezel en van de intocht in Jeruzalem in hun hoofd hebben gehad. ‘Umar had immers de bijnaam Fārūq, in het Aramees parūqā, wat ‘verlosser’ betekent. ʿUmars rijdier wordt in ettelijke teksten besproken.17 Bij al-Tabarī vinden we tenslotte een compromistekst, volgens welke hij bij drie bezoeken aan Syrië op drie verschillende rijdieren zou hebben gereden: paard, kameel en ezel.18
.
Burāq
Tenslotte was er nog het rijdier Burāq, waarop Mohammed een hemelvaart (mi‘rādj) en een nachtelijke reis naar Jerusalem (isrā’) zou hebben gemaakt. Van dit dier bestaan beschrijvingen:

  • Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet […].19

In de woorden van de profeet zelf:

  • […] Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neerzette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.
    Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.20

Al-Buraf_Hafifa4816-357Burāq behoort tot de soort der vliegende mythologische viervoeters. Meestal betreft het vliegende paarden (Pegasus; het mongoolse windpaard), maar in India is er ook de vliegende koe Kamadhenu. En nu dus dit tussending tussen ezel en muildier. Van Burāq bestaan er veel afbeeldingen, maar die zijn erg laat ontstaan. Vaak heeft hij een mensengezicht gekregen; in India is er beïnvloeding door genoemde koe geweest.

Hebben deze reizen op Burāq werkelijk plaats gehad of alleen in een droom of visioen? De discussie daarover is al heel oud; ze is al te vinden in de biografie van de profeet door Ibn Ishāq (gest. 767).21 De altijd rationele korancommentator al-Tabarī (gest. 923) meent, dat de reizen wel echt lichamelijk moeten zijn geweest: om alleen een ziel te vervoeren was er immers geen rijdier nodig geweest.22

NOTEN:
1. Eisenstein, Maulesel und Esel, 104–106.
2. Bashear, Riding Beasts on Divine Missions.
3. Pirqe de Rabbi Eliezer 31. Deze tekst uit Palestina dateert van na 700. Hoe bekend hij was in islamitische kring weet ik niet.

השכים אברהם בבקר ולקח את ישמעל ואת אליעזר ואת יצחק בנו וחבש את החמור. הוא החמור בן האתון שנבראת בין השמשות שנא׳ וישכם אברהם בבקר ויחבש את חמורו והוא החמור שרכב עליו משה בבואו למצרים שנאמר ויקח משה את אשתו ואת בניו וגו׳ הוא החמור שעתיד בן דוד לרכוב עליו שנאמר גילי מאד בת ציון הריעי בת ירושלים הנה מלכך יבא לך צדיק ונושע הוא עני ורוכב על חמור ועל עיר בן אתונות.

4. In Koran 2:259 is sprake van een mens (profeet?), die God honderd jaar dood liet zijn en daarna weer opwekte, en zijn ezel eveneens. Een zeer raadselachtig vers, waarin ik mij nu niet wil verliezen.
5. De moeder van deze ezel, die in de avondschemering van de zesde scheppingsdag werd geschapen, was ook de ezelin waarop Bileam reed (Numeri 22:21–23).
6. Genesis 22:3.
7. Exodus 4:20.
8. Zacharia 9:9. Ik heb dit bijbelvers met opzet wat letterlijker vertaald dan ik anders zou doen, om straks de verbanden met andere teksten duidelijk te kunnen maken.
9. Johannes 12:13–15; ook Matteüs 21:1–6; Marcus 11:1–10; Lucas 19:28–35; Matteüs und Johannes verwijzen naar het vers uit Zacharia.
10. Bashear, o.c., 47–51. Bashear beschikte in Jeruzalem over een ongelooflijke bibliotheek, waarbij Europese bibliotheken zouden verbleken — als ze zich nog konden schamen.
11. Al-Madjlisī, Biḥār al-Anwār, volgens Bashear deel xv, 206, maar hij zegt niet in welke uitgave. In dit sji‘itische reuzenwerk kan ik trouwens toch nooit iets vinden. Ik beken, ik heb deze tekst gewoon uit het internet geplukt. Lezers die niet van sjiitische bronnen houden kan ik meedelen dat er ook ettelijke soennitische bestaan.

ان خروجه يكون مخرجه بمكة وهذه دار هجرته وهو الضحوك القتال ، يجتزي بالكسيرات والتمرات ويركب الحمار العاري ، في عينيه حمرة وبين كتفيه خاتم النبوة ، يضع سيفه على عاتقه

12. Al-Wāqidī, Kitāb al-maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 dln., London 1966, i, 367: أتاكم صاحبها الضحوك القتال في عينيه حمرة يأتي من قِبل اليمن يركب البعير ويلبس الشملة ويجترئ بالكسرة سيفه على عاتقه الخ
13. In de woordcombinatie al-masiḥ al-dadjdjāl heeft het woord zelfs een zeer ongunstige klank; het komt overeen met de naam Antichrist bij de christenen.
14. Bashear, o.c., 39–47.
15. R.G. Khoury, Les légendes prophétiques dans l’Islam […] d’après le manuscrit d’Abū Rifā‘a ʿUmāra b. Wāṯīma b. Mūsā b. al-Furāṭ al-Fārisi al-Fasawī, Kitāb bad’ al-Ḫalq wa-qiṣas al-anbiyā’ […], Wiesbaden 1978, S. 300. Ik heb twee kleine tekstveranderingen aangebracht.

وكان يقال ان أشعياء هو الذي عهد الي بني اسرائيل في أمر عيسى س ومحمد ص فقال لإيلياء وهي قرية قريبة من بيت المقدس واسمها أرشلم: ابشرى أرشلم سيأتيك راكب الحمار يعني عيسى س، ثم يأتيك من بعده صاحب الجمل، يعني محمد ص.

16. Jesaja 21:7. De Nieuwe Bijbelvertaling is hier niet letterlijk genoeg. וראה רכב צמד פרשים רכב חמור רכב גמל והקשיב קשב רב־קשב
17. Bashear, o.c., 68–71.
18. Muḥammad ibn Djarīr al-Ṭabarī, Taʾrīkh ar-rusul wa-’l-mulūk (Annales), uitg. M.J. de Goeje et al., Leiden 1879–1901, i, 2401: ‘In totaal is ‘Umar vier maal Syrië binnengereden: de eerste maal te paard, de tweede maal op een kameel, de derde keer heeft hij afgebroken omdat de pest woedde, en de vierde maal op een ezel.’

فجميع ما خرج عمر الى الشأم أربع مرات، فأما الأولى فعلى فرس، وأما الثانية فعلى بعير، وأما الثالثة فقصر عنها أن الطاعون مستعر، وأما الرابعة فدخلها على حمار.

19. Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, hrsg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 263; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 79:

أتي رسول الله ص بالبراق – وهي الدابة التي كانت تحمل عليها الأنبياء قبله ، تضع حافرها في منتهى طرفها – فحمل عليها ، ثم خرج به صاحبه.

20. Ibn Isḥāq, o.c. 264; vertaling 80:

… فإذا دابة أبيض ، بين البغل والحمار ، في فخذيه جناحان يحفز بهما رجليه ، يضع يده في منتهى طرفه ، فحملني عليه ، ثم خرج معي لا يفوتني ولا أفوته
وحدثت عن قتادة أنه قال : حدثت أن رسول الله ص قال :  لما دنوت منه لأركبه شمس ، فوضع جبريل يده على معرفته ثم قال : ألا تستحي يا براق مما تصنع ، فوالله ما ركبك عبد لله قبل محمد أكرم عليه منه . قال : فاستحيا حتى ارفض عرقا ، ثم قر حتى ركبته.

21. Ibn Isḥāq, o.c. 264–5;  vertaling 81.
22. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij Koran 17:1:

ولا دلالة تدل على أن مراد الله من قوله : { أسرى بعبده } أسرى بروح عبده، بل الأدلة الواضحة والأخبار المتتابعة عن رسول الله  ص أن الله أسرى به على دابة يقال لها البراق؛ ولو كان الإسراء بروحه لم تكن الروح محمولة على البراق، إذ كانت الدواب لا تحمل إلا الأجسام .

BIBLIOGRAFIE:
Bashear, Suliman, ‘Riding Beasts on Divine Missions: An Examination of the Ass and Camel Traditions,’ JSS 37.1 (1991), 37–75.
Eisenstein, Herbert, ‘Die Maulesel und Esel des Propheten,’ Der Islam 62 (1985), 98–107.
Kister, Meir J., ‘Ḥaddithū ʿan Banī Isrāʾīla wa-lā ḥaraja. A Study of an early Tradition,’ in IOS 2 (1972), 215-39; online hier.
Rubin, Uri, The eye of the beholder. The life of Muḥammad as viewed by the early Muslims. A textual analysis, Princeton 1995, vooral S. 35–43.

Diakritische tekens: Yaʿfūr, haddiṯhū, Banū Naḍīr, masīḥ, al-Ṭabarī

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Nachtreis en hemelvaart (vertaalde teksten)

““Toen werd de profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Quraysh en alle andere stammen.
Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallāh ibn Mas‘ūd, Abū Sa‘īd al-Khudrī, Aisja de vrouw van de profeet, Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān, al-Hasan al-Basrī, al-Zuhrī, Qatāda en andere geleerden, en van Umm Hani’ bint Abi Tālib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

Naar ik verneem vertelde ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd het als volgt: Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibrīl begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrāhīm (Abraham), de vriend Gods, en Mūsā (Mozes) en ‘Īsā (Jezus), te midden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in het gebed. Toen werden hem drie vaten voorgezet, één met melk, één met wijn en één met water. De profeet zelf heeft daarover verteld: Ik hoorde een stem die sprak: ‘Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.’ Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibrīl sprak: ‘Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk evenzo!’

Al-Hasan geeft dit verhaal van de profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van de tempel kwam Djibrīl bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Ten slotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neer zette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

Van Qatāda zijn mij deze woorden van de profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

Al-Hasans versie gaat verder: De profeet reed samen met Djibrīl tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als imam en ging hun voor in het gebed. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibrīl: ‘Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.’
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in één nacht hebben gedaan?’ Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Abū Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Abū Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar het gebed heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Abū Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.’ Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er zelf geweest.’ (De profeet zei: ‘Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.’) De profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Abū Bakr: ‘Dat klopt. Ik getuig dat u de gezant van God bent’. Ten slotte zei de profeet: ‘En jij bent Abū Bakr al-ṣiddīq (die de waarheid getuigt)’. Op die dag kreeg hij de bijnaam al-ṣiddīq.
Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
Dat was al-Hasans verhaal over de nachtreis van de profeet, met toevoegingen van Qatāda.

Iemand uit Abū Bakrs familie heeft mij verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.’

Ya‘qūb ibn ‘Utba verhaalt: Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de profeet: ‘Het was een waarachtig droomgezicht van God.’
Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrāhīm waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten, [37:102] en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
Ik heb gehoord dat de profeet altijd zei: ‘Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.’ 1 Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

Al-Zuhrī heeft beweerd, op gezag van Sa‘īd ibn Musayyab, dat de profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā, die hij in die nacht gezien heeft: ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrāhīm. Mūsā was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde. ‘Īsā de zoon van Maryam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badhuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is ‘Urwa ibn Mas‘ūd, uit de stam Thaqīf.’

Uit het verhaal van Umm Hāni’ bint Abī Tālib het volgende. Zij vertelde altijd: De profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had het late avondgebed verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker, en nadat we samen het ochtendgebed hadden verricht zei hij: ‘Umm Hāni’, ik heb het late avondgebed verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik het gebed verricht en het ochtendgebed heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.’ Toen stond hij op om naar buiten te gaan, en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. Ik zei: ‘Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.’ Maar hij antwoordde: ‘En óf ik het ze ga vertellen!’ Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: ‘Vooruit, ga de profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!’ De profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: ‘Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!’ Hij zei: ‘Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg, en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar Syrië. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnān een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van de heuvel Baidā’, naar de Tan‘īm-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.’
Men haastte zich naar die pas, en de eerste kameel die ze tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan bij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: ‘Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.’

Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Ik heb de profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. Iets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibrīl voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd Ismāʿīl, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: ‘Wie is dit, Djibrīl ?’
‘Het is Mohammed.’
‘Is hij al gezonden?’
‘Ja.’
Daarop zegende de engel mij.
Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve één, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibrīl waarom niet, en hij antwoordde: ‘Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar u lachen, maar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.’ Ik vroeg aan Djibrīl —die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daar gehoorzaamd en vertrouwd wordt [81:21]—: ‘Wilt u hem niet bevelen mij de hel te tonen?’ Hij zei: ‘Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!’ Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibrīl hem te bevelen het vuur terug te laten gaan, en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen plaatste Malik het deksel er weer op.

Het verhaal van Abū Saʿīd vervolgt: De profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: ‘Goed zo!’ en dan zei hij blij: ‘Een goede geest uit een goed lichaam!’ maar bij andere riep hij: ‘Bah!’ en dan zei hij fronsend: ‘Een slechte geest uit een slecht lichaam!’ Toen ik Djibrīl vroeg wie dat was zei hij: ‘Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.’
Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibrīl wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibrīl zei mij dat dit de woekeraars waren.
Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: ‘Īsā de zoon van Maryam en Yahyā de zoon van Zakariā.
Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. Ik vroeg Djibrīl wie het was, en hij antwoordde: ‘Dit is uw broeder Yūsuf, de zoon van Ya‘qūb.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibrīl zei dat het Idrīs2 was: En Wij hebben hem verheven naar een hoge plaats. [19:57]
Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibrīl zei: ‘Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Hārūn, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruit zag als iemand van de stam Shanūʾa. Djibrīl zei: ‘Dit is uw broeder Mūsā, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf, waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de Dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op mij leek als hij. Djibrīl zei: ‘Dit is uw vader Ibrāhīm.’
Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’ Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.

Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Masʿūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig gebeden per dag oplegde.
De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
‘Vijftig gebeden per dag.’
‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf gebeden over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf gebeden verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’

[Uit Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, blz. 79–87.]

NOTEN
1. De tekst stamt uit de bijbel, Hooglied 5:2.
2. Dat is Henoch, vgl. Genesis 5:24.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ṭālib, Yaḥyā, Ḥāritha

Terug naar Inhoud