Het hijgend hert als godsbewijs

Mozaiekmuseum Istanbul Foto Dick Osseman

Mozaiekmuseum Istanbul
Foto Dick Osseman

Een vijfde fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Vandaag is de beurt aan het hert.

  • ‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen, | schreeuwt niet sterker naar ‘t genot | van de frisse waterstromen | dan mijn ziel verlangt naar God,

heet het in de beroemde berijmde Psalm 42:1. Waarom heeft dat hert zo’n dorst, waarom staat het zo te schreeuwen? Deze achttiende-eeuwse versie van de psalm verklaart dat uit de vervolgingsjacht waaraan het dier juist is ontsnapt. Maar dat is een vrije fantasie. De bijbel verklaart dat dorstige geschreeuw van die hinde in het geheel niet. Het is een vrouwtjesdier, dus burlen kan het niet zijn. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat alleen:

  • Zoals een hinde smacht | naar stromend water, | zo smacht mijn ziel | naar u, o God.

In het boekje van Djibrīl ibn Nūḥ wordt een dorstig hert opgevoerd als godsbewijs:

  • Er wordt wel gezegd dat een hert slangen eet en daarna heel dorstig is, maar toch geen water drinkt, uit vrees dat het gif in zijn lichaam zou kruipen en het zou doden. Dus staat het bij de poel, gekweld door dorst en luid schreeuwend maar zonder te drinken, tot het weet dat het gif zich heeft verspreid en dat het heeft verteerd wat het net gegeten had; pas dan drinkt het. Kijk eens wat in de natuur van dit dier is aangebracht: hoe het een alles overheersende dorst uithoudt uit vrees zich te schaden door drinken. Daartoe kan zelfs een met verstand begaafde mens zich maar nauwelijks dwingen.1

Het hert is een godsbewijs omdat het zich kan beheersen in een situatie waarin drinken schadelijk, zo niet dodelijk zou zijn. De auteur weet zeker dat het zijn zelfbeheersing van een intelligente schepper ingeplant heeft gekregen.

Herten zijn tegenwoordig bekend als plantenetende herkauwers, maar in de Oudheid meende sommige mensen inderdaad dat ze graag slangen aten en er zelfs op joegen. Zo schreef de Romein Claudius Aelianus (± 170–222) in het Grieks een vrij dik dierenboek, waarin hij veel aandacht heeft voor vijandschappen tussen de diersoorten en de onwaarschijnlijke gevechten tussen dieren, die tegenwoordig bij Youtube opnieuw populair zijn. Hij weet te vertellen:

  • Een hert wint het van een slang door een buitengewone gave van de natuur. Ook de gemeenste slang in zijn hol ontsnapt hem niet: het hert zet zijn neusgaten tegen de ingang [van het hol] van de gevaarlijke slang en blaast erin uit alle macht, tot het hem als met de toverkracht(?) van zijn adem eruit trekt; zodra hij zijn kop eruit steekt begint het hem op te eten. Vooral in de winter doen herten dat.
    Het is zelfs voorgekomen dat iemand de hoorn van een hert tot poeder heeft vermalen en dat toen in het vuur gegooid heeft, en dat de opstijgende rook de slangen uit de hele omgeving heeft verdreven; zelfs de geur is ondraaglijk voor hen.2

Bij die winter kan ik me iets voorstellen, omdat slangen dan vanwege de kou erg passief zijn of zelfs een winterslaap houden; de rest komt niet overeen met wat de moderne biologie weet over het hert.

Tweede-eeuws, en dus iets ouder, is de Griekse Physiologus: een christelijk dierenboek, dat de voorname heiden Aelianus beneden zich zal hebben geacht. Maar blijkbaar waren dierenteksten, graag ook over vechtende dieren, in die tijd overal  gangbaar. Hier een fragment over het hert:

  • In Psalm 413 zegt [David]: ‘Zoals een hert naar de waterbronnen verlangt, zo verlangt mijn ziel naar de Heer.’
    Het hert is een vijand van de slang. Als deze voor hem in de spleten van de bodem vlucht komt het hert en neemt zijn bek vol water uit een bron, spuugt het in de spleet, en drijft zo de slang naar buiten, en vertrapt en doodt hem.
    Zo doodde ook de Heer de grote slang, de duivel, met het hemelse water, waardoor hij onbeschrijfelijk …wist(?). En zoals een slang geen water verdraagt, zo verdraagt de duivel geen hemelse woorden.
    Wanneer er haren van een hert in huis aanwezig zijn of wanneer ge botten ervan verbrandt zult ge [daar] nooit een slang aantreffen: als het spoor van God en de vreze van Christus in uw hart zijn aan te treffen zal geen onreine geest in u intreden.4

Als altijd geeft de Physiologus een vrome draai aan zijn dierenverhalen. Algemene ontwikkeling of interessante weetjes zijn voor hem pas van belang wanneer hij er een christelijke lading aan kan meegeven.
In deze laatste tekst komt er dus al water bij te pas, maar het verband tussen slangen en dorst is nog niet gelegd. Dat vinden we wél in de wat meer dramatische, Syrische versie van de Physiologus, die de Arabieren eerder bij de hand zullen hebben gehad dan de Griekse of Latijnse. Die heeft in grote lijnen dezelfde tekst als die hierboven, inclusief de slangenverjagende werking van verbrande hertshoorn, maar heeft nog een toevoeging:

  • Als een hert een slang opvreet, begint het bij de staart en neemt hem helemaal in zijn keelgat. De kop laat het in zijn bek liggen en dan bijt het hem kapot en verslindt het hem. Maar omdat de kop nog in de mondholte steekt spuugt die veel gal uit in zijn bek en zo, om deze reden, krijgt het dorst en schreeuwt naar de waterpoel.5

Ziedaar de dorst, en uiteraard een verwijzing naar Psalm 42:1.

Ook voor de beroemde negende-eeuwse Arabische prozaïst en dierenschrijver al-Djāḥiẓ is er een duidelijk verband met dat psalmvers. Hij citeert het zelfs, al is het in een erg corrupte versie:

  • De profeet David zegt in de Psalmen: ‘Mijn verlangen naar de Messias is als [dat van] een hert wanneer het slangen eet.’ [Als een hert slangen eet] wordt het overvallen door een hevige dorst. Je ziet het rondlopen om het water, maar het wordt van het drinken afgehouden doordat hij weet dat het zijn ondergang zou zijn. Want het gif zou dan in het water vloeien en in openingen terecht komen die niet geschikt zijn voor voedselopname. Het hert weet dat niet vanuit een eerdere ervaring; nee, [die kennis] had het al bij de eerste keer dat het slangen at.6

Hier is de reden voor de dorst een andere, maar bij zo’n lange literaire traditie begrijpen we ongeveer waar dat dorstige hert in Djibrils godsbewijs vandaan komt.

Hoe kwamen die slangen überhaupt op het menu van herten, al in de tweede eeuw? Ligt er een corrupt overgeleverde of verkeerd begrepen tekst uit de Oudheid aan ten grondslag? Of een rare bijbelexegese? Nee, dat laatste kan niet, want dan zou de heiden Aelianus er niet mee aangekomen zijn. Heeft iemand het hert misschien met een andere diersoort verward? Of is de fantasie gewoon op hol geslagen, net als over de basilisk en de eenhoorn?

Er zijn nog meer boeken uit de late Oudheid en de vroegislamitische tijd die nageslagen kunnen worden op slangenetende herten. Het bovenstaande geeft alvast een indruk. Het aardige van boekjes als dat van Djibrīl is dat we inzicht krijgen in wat mensen elkaar in vroeger eeuwen hebben wijsgemaakt en hoe die bedenksels door de culturen reisden. Van Babylon en het oude Perzië naar het oude Griekenland en Rome, via het Syrisch en Pahlavi naar het Arabisch van het islamitische Nabije Oosten, vandaar later vaak weer naar Europa. Ook Hildegard van Bingen meende nog dat gemalen hertshoorn slangen weg hield. Het is één beschaving: zullen we het de westerse beschaving noemen?

NASCHRIFT 1: Een specialiste in Arabische en antieke dieren wijst mij op Aristoteles, Historia animalium viii (ix) 611b20: wanneer een hert door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks is gebeten gaat het krabben vangen en eet die op, als tegengif. Dan hopen we maar dat er op de Hoge Veluwe tenminste een viswinkel is.
Ik dacht altijd dat mensen als Aelianus en de Physiologus auteurs van het tweede, zo niet derde garnituur waren, terwijl ik een grote eerbied behield voor echt knappe denkers en geleerden als Aristoteles. Die eerbied wordt nu wat minder.
NASCHRIFT 2: De vermelding van de Messias in het Djāhiz-citaat zit me niet lekker. Christenen of moslims zouden het bijbelvers zo toch niet parafraseren? Zit er soms een vreemde joodse exegese achter? Ik heb daar moeilijk toegang toe; als iemand anders dat even wil bekijken …?

NOTEN:
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فقد‏ يقال انّ‏ الأيّل يأكل‏ الحيّات،‏‏ فيعطش‏ عطشًا شديدًا ويمتنع من شرب الماء خوفًا من أن‏ يدبّ‏ السم في جسمه فيقتله‏. وانه‏ ليقف على الغدير وهو مجهود عطشًا فيعجّ‏ عجيجًا‏ عاليًا ولا‏ يشرب منه‏ حتّى‏ يعلم أنّ‏ السمّ‏ قد تفرق‏ ‏ وانّ‏ الذي‏ أكل قد انهضم وحينئذ‏ يشرب‏. ‏ فانظر الى ما جُعل‏ ‏ في‏ طباع هذه البهيمة من الصبر على الظمأ الغالب خوفًا من المضرّة في‏ الشرب‏. وذلك‏ ما لا‏ يكاد الانسان العاقل أن‏ يضبطه من نفسه‏.

2. Aelianus, Nat. anim. ii, 9: Ἒλαφος ὂφιν νικᾷ, κατά τινα φύσεως δωρεὰν θαυμαστήν· καὶ οὐκ αυτὸν διαλάθοι ἐν τῷ φωλεῷ ὤν ὁ ἔχθιστος, αλλὰ προσερείσας τῇ καταδρομῇ τοῦ δακετοῦ τοὺς ἑαυτοῦ μυκτῆρας βιαιότατα ἐσπνεῖ, καὶ ἓλκει ὡς ἴυγγι τῷ πνεύματι, καὶ ἂκοντα προάγει, καὶ προκύπτοντα ἀυτὸν ἐσθίειν ἂρχεται· καὶ μάλιστά γε διὰ χειμῶνος δρᾷ τοῦτο. ἢδη μέντοι τις καὶ κέρας ἐλάφου ξέσας, εἶτα το ξέσμα ἐς πῦρ ἐνέβαλε, καὶ ὁ καπνὸς ἀνιῲν διώκει τοὺς ὂφεις πανταχόθεν, μηδὲ τὴν ὀσμὴν ὑπομένοντας.
3. Dit is geen typefout. De nummering was niet altijd dezelfde.
4. Ik heb geen Griekse tekst bij de hand en behelp me dus voorlopig met de Latijnse vertaling uit het Internet, al ken ik die taal niet meer/nog niet naar behoren: In psalmo XLI dicit: Sicut cervus desiderat ad fontes aquarum, ita desiderat anima mea ad te, deus. Ceruus inimicus est draconi; draco autem fugit a ceruo in fissuras terre; et uadens ceruus, et ebibens, implet nasa sua fontem aque, et euomit in fissuram terre, et educit draconem, et conculcauit eum, et occidit eum. Sic et dominus noster interfecit draconem magnum diabulum ex celestibus aquis, quibus habebat sapiente inenarrabilis; non enim potest draco baiulare aquam, neque diabulus sermones celestes. […] Capilli autem cervi, ubi apparuerint in domo, vel de ossibus incenderis, numquam draconem invenies: vestigium dei et timor Christi si inveniantur in corde tuo, nullus spiritus inmundus introibit tibi. (Physiologus latinus (Uersio Y) (CPL 1154 h (A)), cap. : 43, par. : 2, pag. : 131). Zou ik wetenschappelijk werken, dan zou dit zo niet gaan; oorspronkelijke teksten zijn een must! Maar dit is meer een soort opstel, dus vooruit maar. Misschien vind ik het Grieks  nog. Een Arabische versie zou ook nog kunnen bestaan. De overlevering van de Physiologos, gedurende vele eeuwen in vele door christenen gesproken talen, is waanzinnig gecompliceerd. Was er ooit wel een origineel?
Een begaafde predikant kan met deze stof nog veel meer doen. In de negende-eeuwse zg. Berner Physiologus staat: ‘Zo heeft ook de Here Jezus Christus de grote slang, de duivel, tot in de diepte der aarde vervolgd en heeft hem, door bloed en water uit zijn zijde te vergieten, verdreven door het bad der wedergeboorte en de werken van de duivel weggenomen.’ Hier past alleen een hartgrondig: ‘Amen!’
5. Physiologus Syrus, nr. 17. Syrisch kan ik niet typen, dus die éne lezer die de originele tekst wil zien moet even naar de UB.
6. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii, 29–30:

ومن هذا الباب الذي ذكرنا فيه صِدق إحسان الحيوان ثم اللاتي يضاف منها الى المُوق وينسب الى الغثارة. قال داود النبي عليه السلام في الزبور: شوقي إلى المسيح مثل الأيل إذا أكل الحيات. [والأيل إذا أكل الحيات] فاعتراه العطش الشديد تراه كيف يدور حول الماء ويحجزه من الشرب [منه] علمه بأن ذلك عطبه، لأن السموم حينئذ تجري مع [هذا] الماء، وتدخل مداخل لم يكن ليبلغها الطعام بنفسه. وليس علم الأيل بهذا كان عن تجرية متقدمة، بل هذا يوجد في أول مل يأكل الحيات وفي آخره.

Ook in Ḥayawān iv, 166 noemt al-Djāḥiẓ het hert onder de slangenetende soorten: وتأكل الحياتَ العقبان والأيائل والأراويّ والأوعال والسنانير والشاهمرك والقنفذ. ‘adelaars, herten, berggeiten en -bokken, katten, de steltloper (? shāhmurk) en de egel.’

BIBLIOGRAFIE:
– Claudius Aelianus, Περὶ ζῴων ἰδιότητος – De natura animalium: On animals, 3 dln., vert. A.F. Scholfield, Harvard 1958–9 (Loeb Classical Library 446, 448, 449).
Physiologus syrus: Ketobó dakjonojotó. Das ‘Buch der Naturgegenstände’, uitg. en vert. K. Ahrens, Kiel 1892.
– al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln. Cairo 1938–47.

Terug naar Inhoud

De domheid van babies als godsbewijs

Ik zat weer even te knutselen aan de  uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d.
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen tijdens de Renaissance gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Ik had al eerder een fragment gebracht over de slurf van de olifant. Hier volgt een tekst over de domheid van babies. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Denk eens aan een ander aspect van de gesteldheid van de mens, namelijk het feit dat hij dom en zonder verstand of begrip geboren wordt. Als hij met verstand en begrip geboren zou worden, zou hij de wereld bij zijn geboorte zo vreemd vinden dat hij in verwarring zou geraken en volkomen de kluts kwijt zijn als hij zijn nieuwe omgeving zag en geconfronteerd werd met dingen als hij nog nooit had gezien. Neem bij voorbeeld een man die als gevangene wordt overgebracht van het ene land naar het andere als hij al wereldwijs is. Hij zal als een verwarde idioot zijn en niet zo vlug de taal leren en de manieren oppikken als iemand die op jonge leeftijd gevangen was genomen. Bovendien, als een zuigeling intelligent geboren werd zou hij eronder lijden zo rondgedragen te worden, en gezoogd en ingepakt in oude lappen en in de wieg te worden ingestopt, hoewel hij dat alles nodig heeft, omdat zijn lichaam bij zijn geboorte zo zacht en teer is. Verder zou hij niet meer zo lief zijn, en hij zou niet meer die speciale plaats in de harten innemen. Maar nu komt een kind dom op de wereld, zonder enig idee van de situatie van al die familieleden om hem heen, en hij treedt alles tegemoet met een zwakke intelligentie en gebrekkige kennis. Dan neemt zijn kennis geleidelijk toe, beetje bij beetje, tot hij vertrouwd raakt met de dingen en er ervaring mee opdoet; dan verlaat hij de fase van het verward overpeinzen ervan en begint hij zijn eigen zaken te regelen en actief zijn levensonderhoud te verdienen.
    Er zijn nog andere gezichtspunten. Als een mens met een volgroeid intellect en zelfstandig geboren werd, dan zou de aanleiding om kinderen op te voeden vervallen, evenals het belang dat in die bezigheid voor de ouders is voorzien, omdat het grootbrengen de ouders namelijk een aanspraak oplevert op zorg en genegenheid van hun kinderen wanneer zij die van hun kant nodig hebben. Bovendien zouden de kinderen geen band krijgen met hun ouders, en de ouders niet met de kinderen, omdat de kleinen de opvoeding en zorg van hun ouders niet nodig hadden. Zij zouden al op eigen benen staan zodra zij geboren waren, zodat niemand zijn vader of moeder zou leren kennen. Zo zou een jongen er ook niet van afgehouden worden, geslachtsverkeer met zijn moeder en zijn zuster te hebben, omdat hij die niet zou kennen. Het minste wat er op dit gebied zou gebeuren, als een kind met verstand begaafd uit zijn moeders buik kwam, is dat hij iets van haar te zien zou krijgen wat niet geoorloofd is, en wat hij beter niet had kunnen zien.

Meestal staat bij dit soort voorbeelden nog een retorische vraag: zou dit schitterende ontwerp op toeval kunnen berusten, of zit er toch intelligent design achter? Hier ontbreekt die vraag, maar U kunt hem er zelf bij denken en erkennen dat het in ieder geval mooi geregeld is zoals het is.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر‏ في‏ أمر الانسان‏ في‏ باب‏ آخر وهو‏ ولاده‏‏ حين‏ يولد‏ غبيّاً‏ غير ذي‏ عقل وفهم‏. فانّه لو كان‏ يولد‏ عاقلاً‏ فاهمًا‏‏ لأنكر العالَم عند ولاده‏ حتّى‏ يبقى حيرانًا تائه العقل اذا رأى ما‏‏‏ لم‏ يعرف وورد عليه‏ ما لم‏ ير مثله‏. واعتبر‏‏ ذلك بأن من سبي‏ من بلد الى بلد وهو‏ محتنك يكون كالواله الحيران ولا يسرع‏ في‏ تعلم‏ الكلام‏  وقبول الأدب كما يسرع‏ الذي‏ سبي صغيرًا. ثم كان لو ولد‏ عاقلًا وجد‏ غضاضة أن‏ يرى نفسه محمولاً‏ ومرضعًا معصّبًا بالخرق ومسجىً في المهد،‏ على أنّه كان لا‏ يستغني‏ عن هذا كلّه لرقّة بدنه ورطوبته حين‏ يولد‏. ثم كان لا‏ يوجد له من الحلاوة والموقع في‏ القلوب‏ ما‏ يوجد للطفل.‏ فصار يدخل‏ العالم‏ غبيّاً غافلاً‏ عمّا فيه أهله فيلقي‏ الأشياء بذهن ضعيف ومعرفة ناقصة‏. ثم لا‏ يزال‏ يتزيّد في‏ المعرفة قليلاً‏ قليلاً‏ وشيئًا بعد شيء حتى‏ يألف الأشياء ويتمرّن‏ عليها فيخرج من حد التأمّل لها والحيرة‏ فيها‏ الى التصرّف في‏ الأمور‏ والاضطراب في‏ المعاش‏.

‏وفي هذا أيضًا‏ وجوه أخر،‏ فأنّه لو كان‏ يولد‏ تام العقل مستقلاً‏ بنفسه لذهب موضع تربية الأولاد وما دبّر‏ أن‏ يكون للوالدين في‏ الاشتغال به من المصلحة وما توجب التربية للآباء على البنين‏ من المكافأبة بالبرّ‏ والعطف عند حاجتهم الى ذلك منهم‏. ثم كان الأولاد لا‏ يألفون آباءهم ولا الآباء‏ يألفون‏ أبناءهم لأنّه كان‏ الأولاد‏ يستغنون عن تربية الأباء وحياطتهم فيتفرّقون عنهم حين‏ يولدون‏ حتّى لا‏ يعرف الرجل أباه وأمّه. ولا‏ يمتنع من نكاح أمّه وأخته إذ كان لا‏ يعرفها‏. وأقلّ‏ ما كان‏ يكون في‏ ذلك أن يخرج‏‏ من بطن أمّه‏ وهو يعقل فيرى منها ما‏ لا‏ يحلّ‏ له‏ ولا‏ يحسن به أن‏ يراه‏.

Terug naar Inhoud

Koptische Maria, slavin van de profeet

Het Koptische meisje Māriya was volgens de overlevering een slavin, die de Muqawqis van Alexandrië in 629 samen met haar zuster Sīrīn cadeau deed aan de profeet Mohammed. De geschenkzending bevatte verder nog goud en kostbare doeken, de muilezelin Duldul en een ezel die ‘Ufayr of Ya‘fūr heette.Māriya werd de moeder van Ibrāhīm, een zoon van de profeet. Het kind stierf terwijl het nog bij zijn voedster aan de borst was.

Maar deze Koptische slavin was geen historische figuur, en haar zoontje dus ook niet. Op minstens drie plaatsen duikt een christelijk vrouwenduo Māriya-Shirin op in Perzië, niet in Egypte:
1. In de Kroniek van Khuzistan, geschreven omstreeks 660 door een Syrisch-Aramese christen uit het Zuidperzische Khūzistān heet het:

  • Īshō‘yahb werd respectvol behandeld door de koning [Khosro II] zelf en door zijn beide christelijke vrouwen, de Aramese Shīrīn en de Romeinse Maria.2

2. In de Kroniek van Siirt (10. Jh.) is hoofdstuk 18 aan Khosro II gewijd. Daar staat te lezen:

  • […] uit dankbaarheid jegens Mauricius beval Khosro de kerken weer op te bouwen en de christenen te respecteren. Hij bouwde zelf twee kerken voor Maria (Maryam) en een grote kerk en een kasteel in het land van Beth Lashpar voor zijn Aramese vrouw Shīrīn.3

3. De Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) heeft volgens een bericht bij al-Tabarī zijn Perzische collega Khosro II Parwīz (reg. 590–628) ‘een geliefde dochter van hem, die Maryam [=Maria] heette,’ tot vrouw gegeven.4 Dat deze al een christelijke vrouw had, die Shīrīn heette, is uit de literatuur bekend.

Met deze Maria schijnt dus een christelijke Romeinse bedoeld te zijn, die in Perzië was beland. Een islamitische verteller heeft haar samen met Shīrīn naar Egypte en van daaruit weer naar Medina versleept. Ook bij hem wordt een zekere Maria door een hooggeplaatste persoon aan een andere, namelijk Mohammed, ‘geschonken’. De naam Shīrīn hoort overigens duidelijk in Perzië thuis, niet in Egypte.
.
Māriya en de sharia
Hoewel ze niet heeft bestaan, heeft Māriya wel haar sporen in de sharia achtergelaten. De profeet heeft haar aangenomen en liet zo zien dat moslims een geschenk van christenen mogen aannemen. Hij had legale seks met haar als slavin. Haar zuster Shīrīn gaf hij dadelijk door aan een ander: het is niet geoorloofd met twee zusters in dezelfde tijd omgang te hebben. Door Ibrāhīm ter wereld te brengen werd Māriya een voorbeeld van een umm walad. De dood van haar zoontje bood de profeet gelegenheid te laten zien hoe moslims bij de dood zelfs van een innig geliefd wezen zeer bescheiden dienen te rouwen.
.
Geschenk
Volgens de overlevering ontving Mohammed geschenken van verscheidene christelijke heersers: van de negus van Ethiopië, de Muqawqis van Alexandrië en de Romeinse keizer. Daarenboven nog van Dihya al-Kalbī, een moslim die meermaals met een diplomatieke missie het Romeinse Rijk bereisd zou hebben. In de teksten word de volgende formule gebruikt: ahdā fulān lin-nabī, of passief: uhdiya lin-nabī. Waarom wordt ons over deze schenkingen verteld? De berichten willen laten zien dat Mohammed zo zeer op een zelfde niveau verkeerde als de heersers van de wereld, dat zij hem geschenken stuurden.5
.
Christelijke herkomst
Blijkbaar mogen moslims geschenken van christenen aannemen, want de profeet heeft het ook gedaan. Maar mogen zij ze ook gebruiken? Volgens hadithen kreeg de profeet o.a. het volgende cadeau: schoenen, een zegelring, slavinnen, rijdieren, textiel en een kostbare bontjas. Het meeste nam hij zonder problemen in gebruik, en dankzij zijn voorbeeld is dat ook de moslims toegestaan. Alleen als een geschenk te extravagant was, of het gebruik ervan anderszins in strijd was met islamitische regels, gaf de profeet een geringschattend commentaar, schonk hij het aan iemand anders, gaf hij het een andere bestemming of liet hij het stuksnijden. De bontjas met brokaat uit Constantinopel was voor islamitisch gebruik beslist te extravagant; het prachtstuk werd dus doorgegeven aan de negus van Ethiopië.6 Gewaden van zijdebrokaat werden veracht; zelfs de servetten in het paradijs zijn nog mooier dan zij.7 Ze konden worden verscheurd en als hoofddoek8 of als onderhemd hergebruikt worden.9 Koptische doeken met afbeeldingen van levende wezens konden tot zitkussen worden verwerkt – zodat de verachting voor die afbeeldingen met het achterwerk kon worden uitgedrukt.10 Maar een paar eenvoudige zwarte11 schoenen trok de profeet wel aan, en hij liet tegelijkertijd zien dat het verplichte wassen van de voeten bij de rituele reiniging ook over die gesloten schoenen kon plaatsvinden.12 Christelijke slavinnen aannemen of bezitten en voor zich laten werken leverde blijkbaar geen problemen op.
.
Slavin
Māriya is bekend geworden als slavin. Sommige moderne moslims schamen zich met terugwerkende kracht voor de slavernij en doen alsof Mohammed met haar getrouwd was. Maar op een of twee uitzonderingen na zeggen alle bronnen dat zij een slavin was. Māriya komt niet voor in de lijsten van de vrouwen van de profeet, maar wel in een lijst van Mohammeds concubines.13 Ze zou niet bij de andere vrouwen gewoond hebben en kreeg niet de titel ‘Moeder der Gelovigen’ zoals de officiële echtgenotes.
.
Seks met slavinnen
In de Oudheid sprak het vanzelf dat een man seks kon hebben met zijn slavinnen als hij daar zin in had. Ook in de koran wordt dat als normaal beschouwd; de koranische uitdrukking voor slavin is: ‘wat uw rechter hand bezit’. Volgens islamitisch recht mag een man vier echtgenotes hebben, als hij ze kan onderhouden. Daarenboven mag hij met een onbegrensd aantal slavinnen (bijvrouwen, Arab. surrīya, mv. sarārīy) geslachtsverkeer hebben – als hij ze kan betalen.14 Ook bij de omgang met slavinnen moest Mohammed het voorbeeld gegeven hebben, en hier kwam Māriya goed van pas. Alleen al de aankomst van een waardevolle slavin als geschenk uit het buitenland vooronderstelt geslachtsverkeer. Om te melken, hout te sprokkelen en te weven waren er genoeg andere. Maar blijkbaar werd de behoefte gevoeld, de omgang van de profeet met een slavin uitdrukkelijk ter sprake te brengen, en dat gebeurde o.a. in een sabab al nuzūl-verhaal bij koran 66:1:

  • […] Zayd ibn Aslam vertelde mij dat de profeet seks had met [Māriya,] de moeder van Ibrāhīm, in de woning van een van zijn vrouwen. Die reageerde: ‘Wat, profeet! In mijn woning en op mijn bed?’ Daarop verklaarde hij [Māriya] voor zich zelf verboden [harām]. Ze zei: Hoe kun je iets wat geoorloofd is voor je zelf verboden verklaren? Maar hij zwoer bij God dat hij geen seks meer met haar zou hebben. Daarop openbaarde God: „Profeet! Waarom verklaar jij om je vrouwen tevreden te stellen verboden wat God je heeft toegestaan?“
    Zayd zei nog: Zijn woorden ‘Jij bent voor mij verboden’ waren dus zonder inhoud.15

.
Als een slavin een kind krijgt
Volgens islamitisch recht wordt een umm walad, een slavin die haar meester een kind schenkt, na diens dood vrij, zoals wordt verwoord in een uitspraak die aan kalief ‘Umar is toegeschreven:

  • Haar kind maakt haar [een umm walad] vrij – zelfs als zij een miskraam had. 16

en ook in een hadith van de profeet:

  • De profeet zei over een umm walad: ‘Haar kind maakt haar vrij. Haar wachttijd is even lang als die van een vrije vrouw.’ 17

Ter concretisering verscheen iets later Māriya in de teksten:

  • […] van Ibn ‘Abbās: In het bijzijn van de profeet werd over de moeder van Ibrāhīm gesproken. Toen zei hij: ‘Haar zoon heeft haar vrij gemaakt.’ 18

In de islamitische rechtspraktijk wordt zo’n slavin pas vrij als haar meester sterft, maar in de hadithen klinkt het alsof haar vrijlating nog bij diens leven plaatsvindt—al is het na een wachttijd.19 Dat is het onderwerp van hevige discussies geweest, die hier echter niet besproken hoeven te worden.
.
Geen seks met twee zusters
Māriya en haar zuster Sīrīn konden als precedent dienen voor de regel dat een man in dezelfde tijdspanne niet met twee zusters seks mag hebben. De profeet zou dus de aantrekkelijke Māriya zelf tot concubine hebben genomen (tasarrā bihā) en Sīrīn aan Hassān ibn Thābit hebben doorgegeven: een normale manier van doen bij niet passende geschenken (zie hierboven). Sīrīn zou Hassān aan zijn zoon ‘Abd al-Rahmān hebben geschonken.20
.
Normen voor de rouw
Door de dood van Māriya’s zoon Ibrāhīm konden enige rouwgebruiken tot sunna van de profeet worden. Over Ibrāhīm staat hier al een aparte bijdrage.
.
Wie mijn manier van kijken deelt heeft intussen allang gemerkt dat in de teksten de rechtsgeleerdheid de overhand heeft, niet het biografische en historische. Māriya dankt haar papieren bestaan en haar status als slavin aan het feit dat zij zo bruikbaar was als precedent bij shariakwesties. Natuurlijk zijn er mensen die precies haar woonplaats kennen, haar sterfdatum, die van haar zoon en de juiste ligging van zijn graf. Zelfs het origineel van de brief van de profeet aan de muqawqis is bewaard gebleven. Alles voor degenen die aan zulke dingen geloven.

LITERATUUR
– Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia Orientalia (Helsinki) 14 (1984), 297–303.
– N.N., ‘Maria al-Qibtiyya,’ in de Duitse Wikipedia. Een goed geïnformeerd artikel, dat echter in het geloof aan de historiciteit gevangen blijft zitten.
– F. Buhl, ‘Māriya,’ in EI2. Idem.

NOTEN
1. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. بعث المقوقس صاحب الاسكندرية الى رسول الله ص في سنة سبع من الهجرة بمارية وبأختها سيرين وألف مثقال ذهبًا وعشرين ثوبًا لينًا وبغلته الدلدل وحماره عفير ويقال يعقور […] De Muqawqis is een fantasieheerser uit Egypte. In werkelijkheid was dat land toen een deel van het Romeinse Rijk. De beide meisjes werden begeleid door een oude eunuch, die Mābūr heette. Over de dieren zie H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131. Van Duldul bestaat er zelfs zoiets als een biografie. Eisenstein schijnt te menen dat die dieren werkelijk hebben bestaan.
2. ‘Die von Guidi herausgegebene syrische Chronik, übersetzt und commentiert von Prof. Dr. Th. Nöldeke,’ in Sitzungsberichte der kaiserlichen Akademie der Wissenschaften, phil.-hist. Kl. 128, 9, Wien 1893, 1–48; hier S. 10; Sebastian P. Brock, ‘Guidi’s Chronicle,’ in Encyclopaedia Iranica, online hier; Robert G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw it. A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997, 182–89.
3. Histoire nestorienneChronique de Séert, II, 1, uitg. & vert. Addai Scher, Paris 1911, repr. 1950@check@, 467. (Patrologia Orientalis, vii, 2); Robert Hoyland, o.c., 443–6. Is in deze tekst met Maria niet eenvoudig de moeder Gods bedoeld?
4. Al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 994, 999: v وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم ; Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral S. 298.
5. Van zijn kant had de profeet hun alleen brieven gestuurd, waarin hij hen tot de islam opriep.
6. Abū Dāwūd, Libās 8.
7. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad iii, 229; vgl. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 903.
8. Muslim, Libās 18; Abū Dāwūd, Libās 8.
9. Abū Dāwūd, Libās 35.
10. Bukhārī, Libās 91. […] وعن عائشة وقالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهئون بخلق الله. قالت فجعلناه وسادة أو وسادتين.
11. Rode schoenen zouden bijv. te extravagant zijn geweest; Lane, Arabic Lexicon 770.
12. Koran 5:6; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf 1, 117; Abū Dāwūd, Ṭahāra 60, Tirmidhī, Adab 55, Ibn Mādja, Ṭahāra 84, Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352. Het wassen, resp het afwissen van de geschoeide voeten (al-masḥ ʿalā al-khuffain) is het onderwerp geweest van ongelooflijk uitvoerige discussies; zie R. Strothmann, Der Kultus der Zaiditen, Straatsburg 1912, 21–46; vgl. Ch. Pellat, ‘al-Masḥ ‘alā ’l-khuffayn,’ in EI2 en J. Schacht, The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950, 263f.; Wim Raven, ‘Some early Islamic Texts on the Negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218. Online hier.
13. Aṭ-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 1778. Bij de vermelding van haar dood noemt al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 2480 haar een umm walad.
14. Tegenwoordig is de slavernij weliswaar afgeschaft, maar streng-islamitisch beschouwd kan zij niet afgeschaft worden, omdat zij in koran en hadith als vanzelfsprekend geldt. In landen die de slavernij pas laat hebben afgeschaft (o.a. Saoedi-Arabië in 1962, de Emiraten in 1963, Mauritanië laatstelijk in 2007) bestaat zij in de praktijk vaak nog voort.
15. Deze versie komt uit al-Ṭabarī, Tafsīr bij koran 66:1. Er zijn verscheidene, ook langere versies van het verhaal, met en zonder vermelding van Māriya’s naam, met en zonder specificering van de vrouw van de profeet. De pijnlijk verraste vrouw van de profeet zou Ḥafṣa bint ‘Umar zijn geweest.

حدثني محمد بن عبد الرحيم البرقي، قال: ثني ابن أبي مريم، قال: ثنا أبو غسان، قال: ثني زيد بن أسلم أن رسول الله ص أصاب أمَّ إبراهيم في بيت بعض نسائه قال: فقالت: أي رسول الله في بيتي وعلى فراشي؟، فجعلها عليه حراماً فقالت: يا رسول الله كيف تحرّم عليك الحلال؟، فحلف لها بالله لا يصيبها، فأنزل الله عزّ وجلّ: { يا أيُّها النَّبِيُّ لِمَ تُحَرّمُ ما أحَلَّ اللَّهُ لَكَ تَبْتَغِي مَرْضَاةَ أزْوَاجِكَ } قال زيد: فقوله أنت عليّ حرام لغو.

16. Ibn Abī Shayba (gest. 849), Muṣannaf, xi, 184/21894.@check@
17. ʿAbd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (gest. 826), Muṣannaf, vii, 12937: v عبد الرزاق عن الن عيينة عن أبي أنعم عن راشد بن الحارث عن ابن المسيّب أن النبي ص قال في أم الولد: أعتقها ولدها، فتعتدّ عدة الحرة.
18. Ibn Mādja (gest. 887),ʿItq, 2:‎ ‎حدثنا أحمد بن يوسف حدثنا أبو عاصم حدثنا أبو بكر يعني النهشلي عن الحسين بن عبد الله عن عكرمة عن ابن عباس قال: ذكرت أم إبراهيم عند رسول الله ص فقال: أعتقها ولدها.
19. Om te zien of zij niet zwanger is. Eenzelfde wachttijd is vereist wanneer een vrouw verstoten wordt.
20. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1528, 1591, 1781.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

De slurf als godsbewijs

Soms werk ik aan de uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d..
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Hier volgt een proeve uit de oudste versie, en wel een over de slurf van de olifant. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Kijk eens naar de slurf van de olifant, hoe subtiel die is ontworpen. Voor dit dier vervangt deze een hand om voer en water mee op te pakken en het naar zijn maag over te brengen. Daarzonder had hij niets van de grond kunnen oppakken, want hij heeft geen nek die hij had kunnen uitstrekken, zoals de andere grazers. Maar omdat hij geen nek had gekregen werd hem in plaats daarvan die lange slurf gegeven, die hij kan laten afhangen om te pakken wat hij nodig heeft. Zij is hol gemaakt, omdat daardoor het voedsel en water naar zijn maag wordt getransporteerd. Bovendien is het zijn wapen, waarmee hij kan geven en nemen, zich verdedigen en aanvallen.
    En wie is degene die hem iets ter vervanging van het ontbrekende lichaamsdeel heeft gegeven als het niet de goedgunstige Schepper is? Hoe had zoiets tot stand kunnen komen door toeval, zoals de zondaren zeggen?
    Wanneer je nu zegt: Waarom heeft hij hem niet met een nek geschapen, zoals de andere grazers? dan antwoorden wij naar de mate van onze kennis en zeggen: De kop en de oren van een olifant zijn enorm en erg zwaar. Als die op een nek zouden rusten zou die ze niet kunnen dragen en breken. De kop is direct aan het lijf bevestigd om dat te voorkomen, en in plaats van een nek is voor hem dus die slurf geschapen, waarmee hij zijn voedsel kan oppakken en ook zonder nek in al zijn behoeften kan voorzien.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

أنظر الى مشفر الفيل وما فيه من لطف التدبير فانّه صار يقوم له مقام اليد في تناول العلف والماء وايرادهما جوفه. فلولا ذلك لما استطاع أن يتناول شيئًا من الأرض، فانّه ليست له عنق يمدّها كسائر الأنعام. فلمّا عدم العنق أخلف عليه مكان العنق ذلك الخرطوم الطويل ليسدله ويتناول به حاجته. وجُعل أجوف لأنّه وعاء لما يحمل الى صدره من طعامه وشرابه وأيضًا فهو سلاحه وبه يعطي ويتناول ويقابل ويصول . فمن الذي عوّضه مكان العضو الذي عدمه ما يقوم له مقامه الاّ الرؤوف بخلقه؟ وكيف يأتي مثل هذا بالاهمال كما قال الظلمة؟ فان قلت: ما باله لم يخلق ذا عنق كسائر الأنعام؟ أجبنا بمبلغ علمنا فقلنا: انّ رأس الفيل وأذنيه أمر عظيم وثقل ثقيل، فلو كان ذلك على عنق لهدّها وأوهنها. فجعل رأسه ملصقًا بجسمه لكيلا يناله منه شيء مما وصفنا وخلق له مكان العنق هذا المشفر يتناول به غذاءه فصار مع عدمه العنق مستوفيًا ما فيه بلوغ حاجته.

Terug naar Inhoud

Heilige oorlog

‘Een heilige oorlog is een oorlog die wegens een religieuze opvatting, een vermeende goddelijke verplichting of ter verdediging van ‘heilige’ gebieden gevoerd wordt,’ zegt de Wikipedia, en daar sluit ik mij graag bij aan.
Heilige oorlogen zijn in alle drie de westerse godsdiensten ingebouwd. De oude Israëlieten hebben zich op het bevechten van concurrerende volkjes gestort – volgens sommige profeten nog te weinig. In het Oude Testament wordt verwezen naar het (niet bewaard gebleven) Boek van de oorlogen des HEREN. Jezus kwam ‘niet om vrede te brengen, maar het zwaard’ en hij komt nog eens terug ‘met een ijzeren herdersstaf’.1 Zijn volgelingen hebben diverse heilige oorlogen gevoerd, bij voorbeeld de Kruistochten (Deus lo vult – ‘God wil het!’). Ook moslims kennen de heilige oorlog; zij noemen hem meestal djihād. Dit woord heb ik echter niet als titel voor dit artikel gebruikt, omdat 1. het woord ook nog een andere betekenis heeft: ‘zich inspannen’ 2. voor kennelijk heilig bedoelde oorlogen ook het woord qitāl ‘vechten’ veel wordt gebruikt.

  •      djāhada, infinitief djihād‚ ‘zich inspannen’
         al-djihād fī sabīl Allāh‚ ‘zich inspannen voor Gods zaak, strijden’
         mudjāhid, iemand die dat doet; inz. ‘strijder voor het geloof’

Er is een innerlijke djihad: het strijden tegen het ik en de ziel die geneigd is tot alle kwaad, en een uiterlijke djihad: zich inspannen voor Gods zaak. Dat laatste hoeft niet militair te zijn. Toch wordt in het moderne spraakgebruik de inspanning voor bij voorbeeld een studie of de bouw van een kinderziekenhuis zelden met djihad geassocieerd.

De eerste arabische veroveringen
De eerste arabische veroveringen (632-750) waren zeer militant, maar aanvankelijk nog nauwelijks islamitisch of djihad, omdat deze begrippen zich nog niet hadden uitgekristalliseerd. Met terugwerkende kracht heeft men de veroveringen wél djihad genoemd.
Teksten, al dan niet heilig, al dan niet geschreven, spelen bij oorlogvoering altijd een belangrijke rol. Een enkeling heeft misschien wel eens gewoon zin in vechten, maar zodra er groepen mannen aan het vechten moeten worden gebracht of gehouden zijn er woorden nodig: motiverende, bezwerende, buit belovende, tot volhouden aansporende en rechtvaardigende woorden, en eventueel dreigingen aan het adres van degenen die niet mee willen doen of verraad willen plegen. Zulke teksten kunnen door gemeenschappen, priesters of leiders bewust worden ingezet. Zonder twijfel behoorden tot de drijvende krachten achter de vroege Arabische veroveringen ook teksten, die later hun neerslag hebben gevonden in de koran. Hoe precies is de historici niet duidelijk. Tijdens de turbo-fase van de veroveringen (632–661) was de koran nog niet ‘klaar’ en zeker niet in boekvorm wijd verbreid.

De heilige oorlog in de koran
Wie wil nagaan wat er in de koran staat over heilige oorlog vindt meer dan honderd verzen, voornamelijk met djihād en qitāl en aanverwante woorden. Omdat er over dit onderwerp zoveel verzen zijn heeft het geen zin om er een of twee uit te pikken en die dan als het standpunt van de koran te presenteren.
Een duidelijke, ondubbelzinnige koranische opvatting over oorlog voeren is er niet: ‘The qurʾānic rulings and attitudes regarding warfare are often ambiguous and contradictory so that there is no one coherent doctrine of warfare in the Qurʾān, especially when the text is read without reference to its exegetical tradition.’ 2 Dus of iemand in de koran een aansporing tot oorlogvoeren leest of juist tot vredelievendheid hangt erg af van zijn keuze van de verzen en hun uitleg.
Een traditionele, zowel islamitische als oriëntalistische manier om wat orde te scheppen in de koranteksten over de heilige oorlog is de chronologische volgorde van de verzen erbij te betrekken.

Dan zegt men bij voorbeeld: in de vroege periode, toen de profeet nog in Mekka was, waren de koranteksten defensief. Toen hij later in Medina een eigen staat gesticht had, die ten dele afhankelijk was van de buit van rooftochten, werden de teksten agressiever. Vroege koranverzen kunnen door latere worden afgeschaft (*naskh). Welnu, soera 9, de jongste van de koran, schaft volgens dit denkmodel de oudere af. Deze soera is agressief, maar behandelt tegelijkertijd ook het probleem van de dienstweigering. Blijkbaar wilden niet alle mannen zo graag vechten.

Hier volgen enkele willekeurig gekozen koranteksten over het onderwerp oorlog.

  • K. 22:39–40 ‘Degenen tegen wie gestreden wordt is [de strijd] toegestaan, omdat hun onrecht is geschied.’
    K. 2:190–93, ‘En strijdt voor Gods zaak tegen degenen die tegen u strijden! Maar begaat geen overtredingen; God houdt niet van mensen die overtredingen begaan. Doodt hen waar u hen aantreft, en verdrijft hen vanwaar zij u verdreven hebben. … enz..’
    K. 2: 216 ‘U is voorgeschreven te strijden, al staat het u ook tegen …’
    K. 9:5 ‘Als de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de heidenen waar u hen vindt; grijpt hen, omsingelt hen en wacht hen op in iedere hinderlaag. Maar als zij berouw hebben, het gebed verrichten en de armenbelasting opbrengen, laat hen dan! …’
    K. 9:39 ‘Als u niet uitrukt zal Hij u bestraffen met een pijnlijke straf en andere mensen uw plaatsen laten innemen. …’

Wie niet zo veel ziet in het chronologische model komt niet veel verder dan het inventariseren van onderwerpen, zoals → Landau-Tasseron en → Crone dat hebben gedaan. Enkele hoofdonderwerpen zijn:

  • – De tegenstanders: de ongelovigen
    – Zich verdedigen bij een aanval
    – Zelf aanvallen
    – Aansporing tot deelname aan de strijd
    – Beloning voor de inzet: Buit in deze wereld, het paradijs in de latere.
    – Bestraffing voor lafheid en dienstweigering, vooral voor de Huichelaars (munāfiqūn), die beweren dat ze meedoen maar geen vinger uitsteken. Zij gaan naar de hel.
    – Naast deelname in persoon is ook materiële ondersteuning van de oorlogsvoering mogelijk, door een rijdier of een uitrusting te schenken o.i.d..

Ribāt: de praktijk
Een moeilijk begrip.3 Soms lijkt het vrijwel synoniem met djihād of qitāl; dan weer verstaat men er een vesting onder, dan weer een groep religieus geïnspireerde strijders.
Toen na 750 de grote golf veroveringen tot stilstand gekomen was werd de djihad ‘geritualiseerd’. Aan de pijngrens tussen het Oostromeinse Rijk en het Abbasidenrijk, die ongeveer overeenkomt met de huidige grens tussen Turkije en Syrië, verzamelden zich groepen soms diep religieus geïnspireerde strijders om eens per jaar een veldslag tegen de Romeinen ten beste te geven. Soms werd er een vesting of een stadje veroverd, soms ging dat weer verloren. De grens bleef door de eeuwen heen tamelijk stabiel. Terwijl in Medina of Kufa de geleerden zich over de theorie van de djihad bogen was hier de praktijk te vinden. De strijders kwamen soms uit de verste uithoeken van het rijk aangereisd.
Een bekende hadithverzameling uit de ribāt-sfeer is het Kitāb al-djihād door ‘Abdallāh ibn Mubārak (gest. 797), dat tegenwoordig onder militante moslims weer populair is.4 De verzamelaar stamde uit Centraal-Azië en was speciaal voor de djihad naar het Westen gekomen. Hij was krijger en asceet tegelijk; hij heeft ook een hadith-verzameling met de titel Ontzegging van de Wereld (Kitāb al-Zuhd) vervaardigd. Het Kitāb al-djihād documenteert de geestelijke dimensie van de djihad in deze groepen, die hier gedetailleerder aan de orde komt dan in de koran. Het zijn 262 hadithen; daarvan hier één:

  • […] dat hij van ‘Utba ibn ‘Abd al-Sulami, een van de gezellen van de profeet, had gehoord dat de profeet gezegd heeft:
    De in de djihad gevallen mannen zijn er in drie soorten:
    – Een gelovige man, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Dat is een martelaar die op de proef wordt gesteld [en verblijft] in een tent van God, onder zijn troon. De profeten hebben niet meer verdienste dan zij, behalve dat zij het niveau van het profeetschap bezitten.
    – Een gelovige man, die zich misdaden en zonden te verwijten heeft maar met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die reiniging wist zijn misdaden en zonden weg – ja, het zwaard wist de zonden weg – en hij wordt binnengelaten in het Paradijs door welke poort hij maar wil, en dat heeft acht poorten, en de hel zeven, de ene nog lager dan de andere.
    – Een huichelaar, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die komt in de hel, want het zwaard wist de huichelarij niet uit.

Hier wordt de djihad als geestelijke strijd voorgesteld, in dezelfde geest als in koran 9:111, waar de oorlogsinspanning met het Paradijs wordt beloond:

  • God heeft van de gelovigen hun leven en hun have en goed gekocht voordat zij het Paradijs verwerven. Nu moeten zij voor Gods zaak strijden en doden of [zelf] gedood worden. […] Verheugt u over de koop die u gesloten hebt! Dat is dan het grote succes.

Bovendien verzoent de inspanning de begane zonden (m.u.v. huichelarij, in overeenstemming met koran 63:3 en 4:145).
Strijders werd aanbevolen witte kleren te dragen, zodat het bloed van hun offer duidelijk zichtbaar was.

Martelaren
In kringen van de ribāt-strijders, maar later ook steeds weer elders, is het idee van het martelarendom gecultiveerd, zelfs als er geen oorlog was. Ook in onze tijd hoort men er weer over. De martelaren zijn niet dood, maar dicht bij God (koran 3:169–70). Of zij zich daar amuseren met tweeënzeventig maagden, zoals vaak wordt gezegd, is zeer de vraag. Daarover heb ik een apart artikel hier.

De djihad in de hadith
Het boek van ‘Abdallāh ibn al-Mubārak bestaat uit hadithen, maar vele daarvan zijn niet van de ‘correcte’ soort die ongeveer een halve eeuw later in de gezaghebbende verzamelingen is opgenomen. In zulke verzamelingen zijn, naast een algemene lof van de djihad, ook de ‘kleine lettertjes’ te vinden: Hoe staat het met de verdeling van de buit, met de details van de oorlogvoering, de krijgsgevangenen enzovoort. En ook de ethiek van de oorlog is er te vinden: geen vrouwen en kinderen doden, geen bomen omhakken (pace Koran 59:5), en dergelijke.
Makkelijk toegankelijk zijn de betreffende hoofdstukken van Mālik ibn Anas (gest. 797), Muwatta’ en Muslim (gest. 875), Sahīh in Engelse vertalingen.5 Omdat het geen oorlog is hebben de teksten momenteel weinig relevantie.

De Kruistochten en de reacties daarop
In 1096 riep Paus Urbanus II de Europese christenheid op tot een kruistocht: Palestina, het heilige land, moest terugveroverd worden. Een heilige oorlog was dat: Deus lo vult! ‘God wil het’. In 1099 wordt dan na een enorm bloedbad Jeruzalem veroverd en ontstaan er een paar christelijke vorstendommen in Palestina en Syrië, waarvan sommige het 200 jaar hebben volgehouden.
De islamitische wereld leek eerst verlamd. Hier was toch djihad nodig geweest, verdediging? Maar een prediker als al-Sulamī, die in een moskee in Damascus in deze zin een preek hield, kreeg nauwelijks gehoor.6 In de volgende halve eeuw sieren de krijgsheren (atabeks) van de Seldsjoeken zich weliswaar met de titel mudjāhid, ‘strijder voor het geloof’, maar dat betekende weinig. Ze vochten graag en dat hadden ze zonder djihad ook wel gedaan. De kruisvaarder Rogier van Antiochië werd bij voorbeeld in 1119 gedood door Īlghāzī, die zijn overwinning vierde met een drinkgelag dat een week duurde. Voor djihad kon dat moeilijk doorgaan.
Toch werd sindsdien de strijd tegen de kruisvaarders steeds vaker djihad genoemd. En toen Saladin (Salāh al-Dīn al-­Ayyūbī) in 1187 Jerusalem terug veroverde, was dat zeker een resultaat van djihad.

Ibn Taymīya
Deze eigenaardige dwarskop is via Muḥammad ibn ‘Abd al-Wahhāb (1703–92), Rashīd Ridā (1865–1935) en Sayyid Qutb naar voren gehaald in de publiciteit en tot peetvader van de moderne militante islam gemaakt.
Ibn Taymīya (1263-1328) stamt uit een Syrisch geslacht van *Hanbalitische rechtgeleerden en werd er zelf ook een. Hij beheerste alle islamitische vakken, maar ook bij voorbeeld wiskunde. Een zelfverzekerd man was het, die zei wat hij bedoelde, wat hem meer dan eens in de gevangenis bracht. Hij was fel gekant tegen Sjiïeten, Sufi’s en theologen.
Ibn Taymīya is bekend geworden om zijn energieke oproepen tot djihad. Op grond van zijn levensloop is dat wel te begrijpen. Als vijfjarig kind had hij met zijn familie voor de Mongolen uit het Noord-Syrische Harrān7 naar Damascus moeten vluchten. In zijn tijd hielden de Mongolen Irak en Noord-Syrië bezet; meermalen vielen zij echter ook Zuid-Syrië binnen. De Mamelukkensultan, die in het verre Cairo resideerde, had niet altijd zin om militair tegen hen in actie te komen, maar Ibn Taymīya drong daar luidkeels op aan.
Een complicatie was dat de Mongolen zich tot de islam hadden bekeerd, omdat zij zich overal aan de cultuur van de veroverden aanpasten. Maar tegelijkertijd hadden zij ook nog ettelijke Mongoolse gewoontes en zelfs wetten aangehouden. In een fatwā verklaarde Ibn Taymīya daarom dat de Mongolen geen moslims waren en dus bestreden moesten worden. ‘Iedere groep moslims die de sharia overtreedt … moet bestreden worden, ook als zij verder wel de geloofsbelijdenis uitspreken.’ Deze opvatting werd in de twintigste eeuw door Sayyid Qutb overgenomen en heeft moderne djihadisten sterk geïnspireerd.
Zat er aan Ibn Taymīya een steekje los? Dat beweerde de reiziger Ibn Battūta, die ± 1300 Damascus bezocht, maar Ibn Taymīya niet persoonlijk ontmoette.8 Al te geestelijk gestoord kan hij niet geweest zijn: hij heeft een groot œuvre nagelaten, gevangenissen overleefd en succesvol allerlei ambten bekleed. Monomaan was hij wel, en inderdaad, verblijven in een gevangenis maken een mens ook niet geestelijk gezonder. Ibn Battūta’s uitspraak drukt misschien uit hoe zeer Ibn Taymīya destijds als buitenstaander en excentriek werd beschouwd. Na zijn dood had hij in het Mamelukkenrijk een bescheiden maar bestendig publiek.

De heilige oorlog later
Omstreeks 1500 veroverde de Ottomaanse Turken de Arabische wereld. Delen van Zuidoost-Europa hadden zij al eerder veroverd. Na eeuwen van rust vonden er nu weer veroveringen door moslims plaats. Die in de Arabische wereld konden de Ottomanen niet religieus rechtvaardigen; dat betrof immers medemoslims. Die in Europa liepen slechts ten dele onder de naam djihad. Een belangrijkere term bij de Turken was gaza, arabisch ghazwa, ‘krijgstocht, raid’; een strijder heet dan gazi. De krijgstochten vormden een voortzetting van de ribāt-activiteiten, die sinds eeuwen aan de Syrisch-Romeinse grens hadden plaats gehad en waren dus wel religieus geïnspireerd.9 Het woord djihad werd in die tijd eerder als verdedigingsoorlog opgevat. Vanaf 1700 werd het Ottomaanse Rijk geleidelijk zwakker en vormde geen militaire bedreiging meer voor Midden- en West-Europa.

In de negentiende eeuw zijn de opstanden tegen de koloniale machten duidelijk als djihad gevoerd (Minangkabau 1821–37, Java 1825–30, Algerië 1839–47, India 1857, Sudan 1884, Aceh (Atjeh) 1873-1903 e. a.).10

Volgens de geallieerde propaganda heeft Duitsland in 1914 zijn Ottomaanse bondgenoot ertoe aangespoord, de Eerste Wereldoorlog tot djihad te verklaren, zodat de Turkse soldaten beter zouden vechten. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje sprak smalend van Heilige Oorlog, Made in Germany. Het werd van Duitse kant verontwaardigd ontkend. Hoe het echt was is geloof ik nog steeds niet helemaal opgehelderd. Hoe dan ook, de Eerste Wereldoorlog was de laatste officiële djihad. Daarna was er geen islamitisch staatshoofd meer dat er een had kunnen uitroepen.

Over het algemeen kan worden gezegd, dat de djihad eeuwen lang niet aan de orde was. Hij leefde weer op in de negentiende eeuw en kwam in de tweede helft van de twintigste eeuw vooral als gespreksonderwerp en in propaganda in de mode. Terroristische groeperingen noemen hun aanvallen ook djihad; bij ontbreken van een islamitische staat echter met geringe legitimiteit. De Sjiieten in Iran, die vroeger bij gebrek aan een aanwezig staatshoofd geen djihad kenden, hebben hem kort voor de Islamitische Revolutie voor mogelijk verklaard; Khomeini heeft hem in de Eerste Golfoorlog ook uitgevoerd.

Is de islam een oorlogszuchtige godsdienst?
De vraag is onzinnig, want ‘de’ islam bestaat niet; bovendien voeren godsdiensten geen oorlogen. Maar omdat ze tegenwoordig toch vaak zó gesteld wordt laat ik hier een kort overzicht volgen van de voornaamste van het Arabische resp. islamitische gebied uitgaande agressie, heilig of niet. Oorlogen en conflicten van moslims onder elkaar worden hier niet genoemd.

  • Offensief:
    – Arabische veroveringen ± 630–750
    – Ottomaanse veroveringen in Europa  ± 1385–1700
    – Moorse zeerovers in Noord-Afrika plunderden of gijzelden in opdracht van hun regeringen Europese handelsschepen. Hoogtepunt 17e eeuw.
    – De Eerste Wereldoorlog, tot djihad uitgeroepen door Turkije, dat aan Duits-Oostenrijkse zijde meevocht.
    – Islamistisch terrorisme ± 1990 —
  • Defensief:
    – Verzet tegen de kruisvaarders  ± 1150–1300
    – Verzet tegen koloniale veroveringen  ± 1820–1962
    – Verzet tegen de Sovjet-Unie in Afghanistan  ± 1979–1992
    – Verzet van de Palestijnen tegen Israel, intifāda  ± 1970—

Van India weet ik niets. Ik herinner eraan dat de islam in grote delen van Indonesië door handelaren is verbreid, niet door soldaten. Vergroting van de markten en globalisering moeten voor de Indonesische volkeren destijds aantrekkelijk zijn geweest.
Misschien ben ik nog iets vergeten, maar het lijkt met de oorlogszucht in deze delen van de wereld niet erger gesteld dan ergens anders.

Sayyid Qutb (1906–1966)
Sayyid Qutb was de ster van het Egyptische Salafisme en het grote voorbeeld voor vele militante moslims in onze tijd. Hij studeerde aan het Dār al-‘ulūm, een pedagogische academie waar onderwijzers werden opgeleid. Hij werd ambtenaar in het Ministerie van Onderwijs, was actief als literair criticus en schreef ook Ashwāk, een liefdesroman vol seksuele frustratie. Aanvankelijk was Qutb helemaal niet antiwesters; hij probeerde juist elementen uit het christendom en het marxisme met de islam te verzoenen. Een hem opgedrongen verblijf in de Verenigde Staten11 heeft hem angst aangejaagd en de doorbraak van ‘anti-westerse’ gevoelens bij hem bewerkstelligd. Hij werd Moslim Broeder en pleitte voortaan voor een islamitische staat, waarin de Sharia het enige rechtssysteem zou zijn en de soevereiniteit niet bij het volk lag, maar bij God. Dat leverde hem onder Nasser vervolging en gevangenisstraf op.
Met Ibn Taymīya had hij gemeen dat ook hij in de gevangenis een dertigdelig korankommentaar12 schreef; met Hasan al-Bannā, de oprichter van Moslim Broeders dat ook hij tot onderwijzer was opgeleid en, dank zij de Egyptische geheime politie, als martelaar stierf. Hij nam Ibn Taymīya’s opvatting over djihad over.

NOTEN
1. Matteüs 10:34 resp. Openbaring 2:27.
2. Landau­-Tasseron, ‘Jihad’ 38b (cursivering van mij).
3. Chabbi, Ribāṭ, vooral blz. 493–4.
4. Jarrar, ‘Martyrdom’. Een vertaling van het Kitāb al-Djihād heb ik niet gevonden. De geciteerde hadith is nr. 6:

حدثنا محمد بن سفيان قال حدثنا سعيد بن رحمة قال سمعت بن المبارك عن صفوان بن عمرو أن أبا المثنى الأملوكي حدثه أنه سمع عتبة بن عبد السلمي وكان من أصحاب النبي ص أن رسول الله ص قال القتلى ثلاثة رجال رجل مؤمن جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتلهم حتى يقتل ذلك الشهيد الممتحن في خيمة الله تحت عرشه لا يفضله النبيون إلا بدرجة النبوة ورجل مؤمن قرف على نفسه من الذنوب والخطايا جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فتلك مصمصة محت ذنوبه وخطاياه إن السيف محاء للخطايا وأدخل من أي أبواب الجنة شاء فإن لها ثمانية أبواب ولجهنم سبعة أبواب وبعضها أسفل من بعض ورجل منافق جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فذلك في النار إن السيف لا يمحو النفاق.

5. Muslim heeft meer; Mālik is beter vertaald.
6. Hillenbrand, Crusades 105–8.
7. Carrhæ; tegenwoordig in Şanlıurfa, Turkije.
8. Shayʾ fī ʿaqlihi; Little, ‘Screw loose’.
9. Kafadar, Construction 79–80.
10. Peters, Islam and Colonialism
11. J. Calvert, Sayyid Qutb in America,’ in ISIM Newsletter, 7/2001, online hier. Damir-Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft.
12. Fī ẓilāl al-­qurʾān; Engelse vertaling: In the Shade of the Qur’an, translated by M.A. Salahi and A. A. Shamis, Leicester & Nairobi 1999.

BIBLIOGRAFIE
Algemeen
Émile Tyan, ‘Djihād,’ in EI2.
[versch. auteurs], ‘Ḥarb,’ in EI2.
Patricia Crone, ‘War,’ in EQ.
Ella Landau-­Tasseron, ‘Jihad,’ in EQ.
Chase F. Robinson, ‘Conquest’ in EQ.
Rizwi Faizer, ‘Expeditions and battles,’ in EQ.
Ruven Firestone, Jihād. The Origin of Holy War in Islam, New York 1999.
David Cook, Understanding Jihad, Berkeley/Los Angeles/London 2005.

Ribāṭ-strijders en martelaren
ʿAbdallāh ibn al-Mubārak, Kitāb al-djihād, Tunis 1972 e.a. [ook in het Internet te vinden. Niet vertaald.]
J. Chabbi, „Ribāṭ,“ in EI2.
Etan Kohlberg, „Shahīd,“ in EI2.
Wim Raven, „Martyrs,“  in EQ.
Maher Jarrar, „The martyrdom of passionate lovers. Holy war as a sacred wedding,“ in A. Neuwirth et al. (hrsg.), Myths, historical archetypes and symbolic figures in Arabic literature. Towards a new hermeneutic approach, Beirut 1999, 87–107.
D. Talmon-Heller, „Muslim martyrdom and quest for martyrdom in the crusading period,“ in Al-Masaq. Islam and the Medieval Mediterranean, 14 (2002), 131–139.

Kruistochten
Peter Thorau, Die Kreuzzüge, München 20042.
Caroline Hillenbrand, The Crusades. Islamic Perspectives, Edinburgh 1999.
[Usāma ibn Munqidh, Kitāb al-iʿtibār:] Usama ibn Munqidh, Wat anders dan vechten en jagen? Memoires van een Syrisch edelman. Vertaald uit het Arabisch door J. J. Witkam, Amsterdam 1986.

Ibn Taymīya
H. Laoust, ‘Ibn Taymīya,’ in EI2.
D. P. Little, ‘Did Ibn Taimyya have a screw loose?’ in Studia Islamica 41 (1975), 93–111.

Ottomaanse Rijk/Latere tijd
Cemal Kafadar, Between two worlds. The construction of the Ottoman State, Berkeley/Los Angeles 1996.
R. Peters, Islam and Colonialism. The doctrine of Jihad in Modern History, Amsterdam 1979.

Eerste Wereldoorlog
C. Snouck Hurgronje, “Heilige Oorlog Made in Germany,” De Gids, 79 (1915), 115–147; Engels: The Holy War, Made in Germany, London/New York 1915. Hier te downloaden.
Peter Heine, ‘C. Snouck Hurgronje versus C. H. Becker. Ein Beitrag zur Geschichte der angewandten Orientalistik,’ Die Welt des Islams 23/24 (1984), 378–387.
Wolfgang Schwanitz, „Djihad ‘Made in Germany’: Der Streit um den Heiligen Krieg 1914–1915,“ in Sozial. Geschichte. Zeitschrift für historische Analyse des 20. und 21. Jahrhunderts, 18 (2003), S. 7–34.   [De auteur lijkt wat eenzijdig.]
Wolfgang Schwanitz, ‘Die Berliner Djihadisierung des Islam
Stefan Buchen, Kaiser Wilhelms Heiliger Krieg

Sayyid Quṭb en later
Johannes J. G. Jansen, ‘Sayyid Ḳuṭb,’ in EI2.
Sabine Damir Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft. Der islamistische Wegbereiter Saiyyd Quṭb und seine Rezeption, Würzburg 2003.
John Calvert, Sayyid Qutb and the Origins of Radical Islamism, New York 2010.
Gilles Kepel, Jihad. The Trail of Political Islam, London 2004,

Diakritische tekens: ribāṭ, Muwaṭṭaʾ, ṣaḥīḥ, Ṣalāḥ ad-Dīn, Rashīd Riḍā, Sayyid Quṭb, Ḥarrān, Ibn Baṭṭūṭa, intifāḍa, Ḥasan al-Bannā

Terug naar Inhoud

Broodje aap: de schaamhaarkapper

De Syrische ridder Usāma ibn Munqidh leefde van 1085–1188 en heeft dus de kruisvaarders in Palestina en delen van Syrië meegemaakt. Hij heeft er in de door hen ingerichte staten ook een aantal persoonlijk leren kennen. Veel waardering heeft hij niet voor hen: hun moed is weliswaar  te bewonderen, maar hun cultuur staat op een primitief niveau. Geen wonder: in die tijd was de Arabisch-islamitische beschaving overduidelijk superieur aan de West-Europese. Ook de zedelijkheid van de Europeanen stelde in zijn ogen niets voor. Mannen vonden het bij voorbeeld helemaal niet erg als hun vrouwen ook met andere mannen omgingen. Uiteraard hadden zij ook geen flauw benul van badhuisetiquette. Om hun barbaarsheid te illustreren vertelt Usāma in zijn Memoires een anecdote, die hij van een badmeester genaamd Sālim zou hebben gehoord. Deze vertelt:

  • Ik had een badhuis geopend in al-Ma‘arra om zo in mijn levensonderhoud te voorzien. Op zekere dag kwam daar een ridder van de Franken binnen. Nu moet u weten dat zij er een hekel aan hebben als iemand zijn ceintuur om zijn middel vastgeknoopt houdt in een badhuis. De ridder pakte de ceintuur die om mijn middel zat en trok deze los. Hij keek naar mij en zag dat ik kort geleden mijn schaamhaar had afgeschoren. Hij zei: ‘Sālim!’ Ik kwam dichterbij en hij stak de hand uit, voelde over mijn schaambeen en zei: ‘Sālim, goed! Bij de waarheid van mijn godsdienst, doe dat ook bij mij.’ Hij ging op zijn rug liggen. Het leek precies zijn baard wat hij had op die plaats. Ik schoor hem en hij streek er met zijn hand over en voelde dat het zacht was. Toen zei hij: ‘Sālim, bij de waarheid van mijn godsdienst, doe hetzelfde bij madame.’ ‘Madame’ is in hun taal het woord voor mevrouw, dat wil zeggen, zijn echtgenote. Tegen een bediende van hem zei hij: ‘Zeg tegen madame dat zij hier komt.’ De bediende kwam terug met de vrouw van de ridder en bracht haar in het badhuis. Zij ging op haar rug liggen en de ridder zei: ‘Doe hetzelfde als wat je bij mij hebt gedaan.’ Daarop schoor ik het haar af, terwijl haar echtgenoot erbij zat en naar mij keek. Toen ik klaar was, bedankte hij mij en gaf mij een goede beloning voor mijn diensten.’1

Zeven eeuwen later, in het jaar 1801, schreef ‘Abd al-Rahmān al-Djabartī (1754–1826) een dagboek over de bezetting van Egypte door Napoleon. Al-Djabartī had een veel hogere pet op van de Europeanen dan Usāma indertijd had gehad. Hij was onder de indruk van de Franse militaire discipline en efficiëntie, en hij bewonderde de activiteiten van de wetenschappers en kunstenaars die Napoleon had meegenomen. Ook dat was geen wonder: in zijn tijd had Europa zich immers ontwikkeld, terwijl Egypte een periode van stagnatie doormaakte. Kritiek had hij echter op de moraal van de Fransen, vooral die van de Franse vrouwen:

  • Hun vrouwen bedekken zich niet en kennen geen zedigheid. Het kan hun niet schelen of zij hun schaamdelen ontbloten […] Soms gaat een van hun vrouwen bij een kapper naar binnen en vraagt hem, haar schaamhaar te scheren. Als hij dat wil kan hij zijn beloning in natura ontvangen.2

De meeste kruisvaarders zullen geen verfijnde lieden zijn geweest, en de vrouwen die ze bij zich hadden waren dat zeker niet. Voor de soldaten van Napoleon en hun ‘dames’ geldt hetzelfde. Toch begrijpen we meteen dat naakte vrouwen die worden geschoren door de schaamhaarkapper door geen van beide schrijvers of hun tijdgenoten met eigen ogen zijn gezien. We hebben hier te doen met een verhaal van het type ‘broodje aap’, een urban legend die zich zeven eeuwen heeft kunnen handhaven en bij al-Djabarti nog aanzienlijk pikanter is geworden.

NOTEN
1. Usāma ibn Munqidh, Kitāb al-i‘tibār, vert.: Wat anders dan vechten en jagen? Memoires van een Syrisch edelman, vert. J.J. Witkam, Amsterdam 1986, p. 164–165.

ومن ذلك انه كان عندنا رجل حمامي يقال له سالم من أهل المعرة في حمام لوالدي رحمه الله. قال: فتحت حماماً في المعرة أتعيش فيا، فدخل إليها فارس منهم وهم ينكرون على من يشد في وسطه الأزر في الحمام، فمد يده وجذب مئزري من وسطي رماه، فرآني وأنا قريب عهد بحلق عانتي، فقال سالم: فتقربت منه، فمد يده على عانتي وقال: سالم جيد! وحق ديني أعمل لي كذا! واستلقى على ظهره وله مثل لحيته في ذلك الموضع، فحلقته فمر يده عليه فستوطأه فقال: سالم بحق دينك، اعمل للدام! والدام بلسانهم الست يعني امرأته. وقال لغلام له: قل للداما تجيء. فمضى الغلام أحضرها وأدخلها، فاستلقت على ظهرها وقال: اعمل كما عملت لي، فحلقت ذلك الشعر وزوجها قاعد ينظرني، فشكرني ووهبني حق خدمتي.

2. ʿAbd al-Raḥmān al-Djabartī: Tarīkh muddat al-faransīs bi-Miṣr. Al-Jabartī’s chronicle of the first seven months of the French occupation of Egypt, ed.  and transl. S. Moreh, Leiden 1975, 12:

ونساؤهم لا يستترون ولا يحتشمون ولا يبالون بكشف العورات […] وربما دخلت المرأة منهن الى حانوت الحلاق ودعته لحلق عانتها، وإن شاء أخذ أجرته منه.

Terug naar Inhoud

Dhimmi (korte definitie)

Een dhimmī was in de vroege islamitische staten een aanhanger van de joodse of christelijke religie, later ook: van iedere andere religie, die de bescherming (dhimma) van de staat en vrijheid van militaire dienst genoot, in ruil voor betaling van een hoofdelijke belasting (djizya).

In het huidige Nederlands komt het woord zo vaak voor dat het bijna Nederlands is geworden. De schrijfster Bat Ye’or heeft het woord nieuw leven ingeblazen voor haar virulente anti-islambetoog, dat in Nederland grif aftrek heeft gevonden. Zij heeft ook het Engelse woord dhimmitude uitgevonden, het dhimmī-zijn of het zich als zodanig gedragen, een bezigheid die zij graag toeschrijft aan regeerders van Europese staten, die bij voorbaat al capituleren voor het kalifaat, de Eurabische islamstaat die volgens haar binnenkort op Europees grondgebied zal ontstaan. Behalve voor blinden is hiervan echter niets te zien; er is geen werkelijkheid die met deze fantasieën overeenkomt.
In de negentiende en twintigste eeuw is het dhimma-deel van de sharia-wetgeving in de islamitische wereld niet toegepast. Hoe het daarvoor was, en wanneer het precies in onbruik raakte zou ik moeten naslaan. In de huidige islamitische wereld is het begrip dhimmī volkomen verouderd. Christenen en joden betalen nergens hoofdelijke belasting, dragen geen onderscheidende kleding en moeten wél in dienst. Hoogstens zijn er enkele halve gare *salafisten die de term dhimmī weer zouden willen invoeren. Niets dan grootheidswaan is dat, want het vooronderstelt de aanwezigheid van een sterke islamitische staat, en die is nergens te bekennen.

Dat neemt niet weg dat in vele islamitische omgevingen christenen en joden als tweederangs burgers worden beschouwd, die vaak ook flink gekoejeneerd of weggepest worden. Dat is nu eenmaal het lot van minderheden; dat hoef ik Nederlanders niet uit te leggen. Met het begrip dhimma of dhimmī heeft dat niets te maken.

NASCHRIFT 20 maart 2015: In Daesh (Islamic State) is het begrip dhimmī weer ingevoerd. Christenen en joden, voor zover nog in leven, moeten nu weer hoofdelijke belasting betalen, zie hier.

Terug naar Inhoud