Waguih Ghali, Bier in de snookerclub (bespreking)

🇩🇪  Waguih Ghali, Bier in de snookerclub, vertaald door Paul Heijman, Nijgh & Van Ditmar, 1990

Bij het zwemmen in de Gezira Sporting Club te Cairo hang ik mijn kleren aan een haak in de kleedzaal en kijk ik soms afgunstig naar de fraaie, afsluitbare opbergladen van donker hout. Geen schijn van kans: die laden zijn gereserveerd voor families die al generaties lid zijn. Het is al mooi genoeg dat ik binnen mag in die voorname club, waar nog altijd de fine fleur van Egypte komt kletsen, eten, drinken en af en toe wat lichaamsbeweging neemt.
Voor Waguih Ghali (1927–1968) sprak het vanzelf dat hij over zo’n lade beschikte. Ghali bezat persoonlijk weliswaar geen piaster, maar behoorde tot een schatrijke Koptische clan, die hij met verve heeft uitgevreten. In zijn Engelstalige roman Bier in de Snookerclub (1964) rekent hij verder af door een humoristisch, maar vernietigend portret te geven van de Club en haar leden – waarbij hij zich zelf niet ontziet.
Hij maakt gebruik van een intelligente en gevoelige vertellersfiguur, de student Ram, die duidelijk zijn alter ego is. Dat de hogere standen in Egypte na Nassers revolutie in verval geraken juicht deze Ram bijna openlijk toe. Toch zijn zij anno 1957 nog lang niet kapot: hun grond is wel onteigend en ze doen wat huispersoneel weg, maar Cadillacs en Italiaanse robes schaffen zij aan als vanouds, en zelfs in de concentratiekampen krijgen zij een voorkeursbehandeling. Ram vindt dat Nasser verder had moeten gaan, niet alleen uit wrok jegens zijn familie, ook uit oprechte teleurstelling, omdat er van zijn naïeve socialistische ideaal niets terechtkomt. Anderzijds is hij geschokt door de terreur van het nieuwe regime.
Zowel zijn socialisme als zijn zorg om de mensenrechten heeft Ram te danken aan zijn Engelse scholing. De kringen waaruit hij voortkomt zijn grondig verwesterd. Zij spreken thuis geen Arabisch, maar Frans, en de heren daarbij nog Engels: ze zijn “vreemdelingen in eigen land”. Ambitieuze jongens die nog snel op de wagen van de revolutie willen springen nemen ijlings Arabische les bij een joodse vriend die die taal beheerst. Maar de angry young man Ram en zijn beste vriend Font kotsen van de nieuwe orde. Zij gaan liever met een communistische, joodse miljonairsdochter (en op haar kosten; ach, die paar duizend pond) naar Engeland, waar ze jaren blijven hangen en geheel de kluts kwijtraken.
Dit boek is een vroeg voorbeeld van een roman over de emigratie. Het speelt bijna voor de helft in Engeland en weerspiegelt vooral de ambivalentie van Ram jegens de westerse cultuur. De anti-koloniale demonstraties waaraan hij in Egypte enthousiast had meegedaan, zijn achteraf futiel: alle nobele standpunten die hij zich had aangemeten blijken van Engelse makelij. Maar hoe Brits hij zich ook voelt en hoe goed hij Engeland ook leert kennen, dat land is toch niet nobel genoeg om hem een thuis te bieden: hij wordt uitgemaakt voor bruinjoekel en krijgt zijn visum nauwelijks verlengd.
Terug in Egypte kan hij ook niet meer wennen. Hij gokt en zuipt, is heimelijk politiek actief en voelt zich nog het meest thuis in de snookerclub, waar Font inmiddels achter de bar staat. Het bier dat zij daar drinken is symbolisch: het Engelse Bass dat zij gewend waren is na de revolutie niet meer te krijgen; vandaar dat zij hun eigen spul maar brouwen: Egyptisch bier gemengd met wodka en whisky.
Hoewel Bier in de snookerclub ernstige problematiek niet schuwt is het een heel vrolijke schelmenroman geworden, die vaag herinnert aan Amis’ Lucky Jim. Het is zo van humor doortrokken dat er moeilijk een voorbeeld van te citeren valt. Een hoogtepunt is wel de finale, waarin Ram, midden in de haute-couturezaak die de damespendant is van de Club, een gehate neef diens aanstaande bruid afhandig maakt: een niet-joodse, niet-communistische miljonairsdochter. In het toenmalige Egypte een heel practische keus. Ram is nu definitief gered voor de Club waar hij zo tegenaan had getrapt en gaat terstond een stevig potje gokken met een pasja. Of dat een happy end is of niet mag de lezer zelf uitmaken; hoe dan ook, het boek eindigt met een schaterlach.
Met de schrijver is het beroerder afgelopen. Zijn laatste jaren heeft hij in Europa doorgebracht, werkend in fabrieken of parasiterend, gekweld door armoede, alcoholisme, gokverslaving en steeds ernstiger depressies. Tenslotte heeft hij zelfmoord gepleegd in de flat van zijn moederlijke vriendin Diana Athill, die later een fraaie biografie over hem geschreven heeft (After a funeral, 1986). De fragmenten die zij citeert uit zijn dagboeken doen verlangen naar meer teksten van hem, maar die zijn er niet. Ghali werd altijd woedend als hij een schrijver genoemd werd, maar hij was het wél.

Gepubliceerd in NRC-Handelsblad 19.4.1991.

Terug naar Inhoud

André Aciman, Uit Egypte (bespreking)

André Aciman, Uit Egypte. Herinneringen. Uit het Engels vertaald door Babet Mossel, Meulenhoff, 1994.

Herinneringen, luidt de ondertitel van dit boek. Het zullen wel Acimans eigen familie en jeugd zijn die hij zich als ik-verteller herinnert, maar hij heeft zoveel talent voor fictie dat hij er een schitterende roman van heeft gemaakt. In dit epos van een joodse familie in Alexandrië is het ene personage nog schilderachtiger dan het andere. Oudoom Vili bij voorbeeld, een fascistische Italiaanse macho die tevens spioneert voor de Engelsen; of tante Elsa, die bij nadering van de oorlog haar winkeltje in religieuze artikelen in Lourdes had moeten opgeven. Ontroerend is de moeder van de verteller, die doof is en in een merkwaardige symbiose leeft met haar zoontje, dat haar tot oren dient.
Familieromans beschrijven dikwijls de opkomst en de ondergang van een geslacht. Dat is ook hier het geval, maar het schema wordt doorkruist door de regelmaat van de verdrijving van de joden. Uit Egypte is meer dan een familieroman: het is ook een roman van de joodse diaspora. De familie sprak vanouds Spaans en was in het Ottomaanse rijk neergestreken, waar zij zich ook van het Turks, Grieks, Italiaans en Frans bediende. Vandaar waren ze in Alexandrië terechtgekomen, maar daar was het in 1964 abattoir, zoals de uitdrukking in de familie luidde als de pleuris weer eens uitbrak. Voor Levantijnse joden betekende dat niet een slachting zoals de Nazi’s hebben aangericht. In Acimans universum wordt een jood gemiddeld eens per kwart eeuw gedwongen zijn koffers te pakken, en als het in een joods huis naar verse leren koffers ruikt heet het: ça sent l’abattoir.
Aan de vooravond van het gedwongen vertrek uit Egypte is het seider-avond, de avond waarop joden traditioneel hun uittocht uit Egypte gedenken. Bij de nog levende leden van deze familie gaat het gedenken niet van harte: ze zijn nauwelijks religieus, niemand kent de liturgie meer, en bovenal: niemand wil weg! Het betreft hier immers geassimileerde joden uit de bourgeoisie, die zich gevaarlijk thuis waren gaan voelen in een oude wereld waar ze bij dachten te horen omdat zij nergens anders bijhoorden. Pesterijen, onteigeningen en tenslotte de verbanning dwingen hen, weer joods te zijn.
De verteller wilde als jongetje ambassadeur worden; een pijnlijk verlangen voor iemand die burger van geen enkel land is. Door wat hij vertelt wordt hij echter een glansrijk ambassadeur van het vroegere, kosmopolitische Alexandrië; een wereld waar de vrouwen Fortunée Lombroso heetten of Marie Cantacouzenos, en waar de namen van de tramhaltes nog menigeen in vervoering brengen: Glymenopoulo, Camp de César, Ibrahimieh. Er bestaat een rijke Alexandrië-literatuur; Aciman toont discreet dat hij daarmee vertrouwd is, maar gelukkig kent hij zijn stad te goed en is hij een te groot schrijver om andermans teksten nodig te hebben. Ook onder de Alexandrië-literatuur verdient Uit Egypte een ereplaats. Een driedubbele prachtroman, die mede dankzij de uitstekende vertaling in één ruk is uit te lezen.

Gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 16 februari 1996.

Terug naar Inhoud