Koranverzen uitvergroot

Koranverzen kunnen in vertellingen worden vergroot en uitvergroot. Bevredigende Nederlandse termen voor deze processen ken ik niet; men spreekt wel van amplification, blow up of Erweiterung.
Het vergroten gebeurt in bepaalde vertellingen, die te vinden zijn in oude korancommentaren, maar ook in de biografie van Mohammed (*sīra) en de verhalen over de oudere profeten (qisas al-anbiyā’).
Zo’n vergroting gaat als volgt: iemand neemt de woorden van een koranvers en bouwt daaromheen een verhaaltje op.

Het koranvers 37:100–1: ‘Hij zei: Ik wil naar mijn Heer gaan, hij zal mij leiden. Mijn Heer, schenk mij een van de rechtschapenen. Daarop verkondigden Wij hem een zachtmoedige jongen,’ vinden we bij voorbeeld terug in het profetenverhaal over Ibrāhīm.

  • Toen Ibrāhīm [Abraham] de vriend Gods van zijn familie weggetrokken was en naar Syrië emigreerde, vluchtend met zijn religie, zoals God zegt: ‘Ik wil naar mijn Heer gaan,’ bad hij tot God dat Hij hem bij Sarah een zoon zou schenken uit de rechtschapenen: ‘Mijn Heer, schenk mij een van de rechtschapenen!’ Toen zijn gasten, de engelen, die naar de omvergeworpen stad gezonden waren, bij hem afstegen, verkondigden zij hem een zachtmoedige jongen.1

De cursief gedrukte woorden zijn korantekst; de rest is het verhaaltje eromheen. In deze vorm zou het in het jodendom denk ik midrasj heten. De bedoeling is kennelijk het vers uit te leggen door er op speelse wijze iets omheen te vertellen, en om het in het grotere geheel van de heilsgeschiedenis te plaatsen.

————————
Aan het sterkere uitvergroten (blow up) denk ik, wanneer een koranvers de basis vormt van een verhaal, dat wel twee of meer bladzijden in beslag kan nemen. Woordelijke citaten uit het koranvers hoeven niet voor te komen. Een voorbeeld is het verhaal over de Duivelsverzen. Dit heeft als bron koran 22:52: ‘Wij hebben vóór jou geen gezant of profeet gezonden, zonder dat Satan hem, wanneer hij iets wenste, iets volgens zijn wens had ingegeven. Maar God schaft af wat Satan ingeeft, en dan stelt God zijn verzen vast.’
Het verhaal eromheen zal ik nu kort samenvatten; in zijn complete vorm vindt U het hier.
‘wanneer hij iets wenste’: Mohammed wilde zijn ongelovige Mekkaanse stadgenoten, die hem dwars zaten en vervolgden, tegemoet komen door hun drie godinnen te erkennen.
‘dat Satan hem iets volgens zijn wens had ingegeven’: hij kreeg door Satan twee valse koranverzen ingegeven, die hij invoegde in soera 53. De Mekkanen waren er blij om.
‘maar God schaft af wat Satan ingeeft’: Gabriël verscheen bij de profeet om hem bestraffend toe te spreken en de foute verzen weer te vernietigen.
‘dan stelt God zijn verzen vast’: de profeet krijgt het juiste vervolg van soera 53 geopenbaard.

Een ander voorbeeld: het verhaal over de samenzwering van de ongelovige Mekkanen, die zich van Mohammed willen ontdoen, aan de vooravond van de hidjra. Het hele verhaal vindt U hier vertaald.
De bron is koran 8:30: ‘En toen degenen die ongelovig waren plannen maakten om je vast te zetten of je te doden of je te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’
Een samenvatting van het verhaal laat zien hoe het samenhangt met het koranvers:
‘degenen die ongelovig waren plannen maakten’: de gemeenteraad komt samen in het raadhuis om een plan te smeden. Satan is ook aanwezig.
‘om je vast te zetten’: één van de voorstellen in de raad is, de profeet gevangen te zetten en te laten verhongeren.
‘of je te verdrijven’: een ander voorstel is, hem de stad uit te gooien.
‘of je te doden’: het derde en laatste voorstel (in het koranvers het tweede) wordt door Satan goedgekeurd: ze zullen hem met twaalf man doden, om de bloedschuld te spreiden.
‘Zij maakten plannen’: verwijst nogmaals naar de beraadslaging.
‘en God maakte plannen’: God heeft een tegenplan. Ali moet in de profeet zijn bed gaan slapen. De tegenstanders worden tijdelijk blind gemaakt, zodat zij de profeet niet kunnen zien terwijl deze ontsnapt.
‘God is de beste plannenmaker: natuurlijk slaagt Gods list en de profeet kan ontkomen.

Wat minder duidelijk is het verhaal van de vroegste moslim emigranten bij de Negus van Ethiopië. Maar als men de andere voorbeelden gezien heeft wordt toch wel zichtbaar, dat in dit geval hetzelfde bedoeld was.
Koran 3:199 luidt: ‘Onder de mensen van de Schrift is er een die in God gelooft en in wat u is geopenbaard, en in wat hun is geopenbaard, terwijl zij zich deemoedig aan God onderwerpen. Zij verkopen de tekenen Gods niet voor een lage prijs. Zij zijn het, die hun loon bij hun Heer hebben. God is snel met de afrekening.’
‘Onder de mensen van de Schrift is er een die in God gelooft en in wat u is geopenbaard en in wat hun is geopenbaard […]’: de koran komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Jezus; de geloofsbelijdenis van de negus over Jezus komt overeen met wat de koran over hem zegt.
‘Zij verkopen de tekenen Gods’: de moslims om wier uitlevering was gevraagd.
‘niet voor een lage prijs’: voor de geschenken van Quraysh.
‘God is snel met afrekening’, namelijk door de negus na een burgeroorlog de macht in zijn land terug te geven.

Er zijn in al deze verhalen telkens elementen die niet koranisch zijn. Mogelijk was de stof oorspronkelijk zelfs geheel niet koranisch, maar de opzet van de verhalen in déze vorm volgt steeds tamelijk precies die van de verzen.
In de sīra zijn er nog meer plekken waar een koranvers de basis vormt van een verhaal. Het zal duidelijk zijn dat het weinig zin heeft, in gevallen als deze naar harde historische feiten te zoeken. De bedoeling is het vers te verklaren, en … gewoon te vertellen.

Noot:
1. Ath-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyā’, Beirut 2004, S. 95 infra.

Terug naar Inhoud

Aankondiging Mohammeds geboorte

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.

Diakritische tekens: Buṣrā, Muḥammadī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De eerste koranopenbaring (vertaling)

Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en deze had het van Aisha: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dageraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.
.
‘Abd al-Malik ibn ‘Ubaydallāh ibn abī Sufyān, van de stam Thaqīf, die een uitstekend geheugen had, heeft vernomen van een geleerde: In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: ‘Wees gegroet, gezant van God!’ De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen. Dat bleef hij zien en horen zolang God het wilde. Toen bracht Djibrīl hem Gods eerbewijs; het was op de berg Hirā’, in de maand ramadan.
.
Wahb ibn Kaysān, een beschermeling van de familie al-Zubayr heeft verteld: Ik heb ‘Abdallāh ibn al-Zubayr aan ‘Ubayd ibn ‘Umayr ibn Qatāda horen vragen: ‘Vertel eens, ‘Ubayd, hoe begon het profeetschap precies, toen Djibrīl bij hem kwam?’ Toen zei ‘Ubayd tegen ‘Abdallāh en de andere aanwezigen—onder wie ook ik—: De Profeet zonderde zich ieder jaar een maand af op de berg Hirā’, om tahannuth1 te beoefenen, zoals de stam Quraysh dat gewoon was in de heidentijd. Ieder jaar als de Profeet zich die maand afzonderde gaf hij de armen die bij hem kwamen te eten. Als de maand voorbij was en hij terugkeerde naar de stad, ging hij eerst naar de Ka‘ba, nog voordat hij naar huis ging, en maakte zevenmaal een ommegang, of zo dikwijls als het God behaagde, en pas daarna ging hij naar huis. Maar in de maand waarin God hem Zijn gunstbewijs wilde verlenen, in het jaar waarin Hij hem uitzond—en dat was in de maand ramadan—trok de Profeet met zijn mensen naar de Hirā’ om zich af te zonderen zoals hij gewoon was, en in de nacht waarin God hem tot Zijn gezant maakte en aldus de mensheid ontferming betoonde, kwam Djibrīl bij hem, door Gods beschikking.
.
In de woorden van de Profeet zelf: Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Nee, ik kan niet lezen.’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Nee, ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer zo hard dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen?’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei:

  • Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft,
    de mens geschapen heeft uit een bloedklomp.
    Lees voor: Zeer edelmoedig is jouw Heer,
    die onderwezen heeft het gebruik van de pen,
    de mens onderwezen heeft wat hij niet kende. [koran 96:1–5]

Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ Ik keek naar boven, naar de hemel, om te zien wie er sprak, en daar was Djibrīl, in de gedaante van een man, die met zijn voeten naast elkaar aan de einder stond, en hij zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant van God en ik ben Djibrīl.’ Ik bleef naar hem staan kijken, en dat bracht mij van mijn voornemen af; ik ging vooruit noch achteruit. Toen wilde ik mijn gezicht van hem afwenden, maar waar ik ook keek aan de horizon, overal zag ik hem weer. Zo lang bleef ik daar staan, zonder een stap vooruit of achteruit te doen, dat Khadīdja haar boden stuurde om mij te zoeken; zij kwamen tot aan Mekka en gingen weer terug, terwijl ik nog op diezelfde plaats stond. Toen verliet Djibrīl mij. Ik ging terug naar mijn gezin en ging bij Khadīdja zitten, dicht tegen haar aan.
Ze vroeg: ‘Abū Qāsim,2 waar ben je geweest? Ik had al boden gestuurd om je te zoeken; ze zijn helemaal tot aan Mekka gegaan en onverrichter zake teruggekeerd.’
Ik zei tegen haar: ‘O wee, ik ben een dichter of een bezetene!’
Maar zij zei: ‘Daarvoor behoede je God, Abū Qāsim. Dat zou God je niet aandoen, omdat Hij weet hoe eerlijk en betrouwbaar je bent en wat een goed karakter je hebt, en dat je de familiebanden eerbiedigt. Dat kan niet zijn, lieve neef; maar misschien heb je een gezicht gehad?’
‘Ja,’ zei ik, en toen vertelde ik haar wat ik gezien had.
Ze zei: ‘Wees blij, mijn neef, en houd goede moed! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: ik hoop dat jij de profeet van dit volk bent!’
Toen stond ze op, kleedde zich aan en begaf zich naar Waraqa ibn Nawfal, die een neef van haar was. Waraqa was namelijk christen; hij had de Schriften gelezen en had allerlei zaken gehoord van de volgelingen van Thora en Evangelie. Toen zij hem vertelde wat de Profeet had gezien en gehoord riep Waraqa uit: ‘Heilig! Heilig! Bij Hem in Wiens hand mijn leven is: als je de waarheid hebt gesproken, Khadīdja, dan is de grote Nāmūs3 bij hem gekomen’—daarmee bedoelde hij Djibrīl—‘die eertijds tot Mūsa (Mozes) is gekomen, en dan is hij de profeet van dit volk. Zeg hem dat hij goede moed houdt!’ Khadīdja ging terug naar de Profeet en vertelde hem wat Waraqa had gezegd, en dat maakte hem wat minder ongerust.
Toen de Profeet zijn periode van afzondering had beëindigd en was teruggekeerd ging hij, zoals hij gewoon was, eerst naar de Ka‘ba om de ommegang te maken. Terwijl hij daarmee bezig was ontmoette hij Waraqa, die tegen hem zei: ‘Beste neef, vertel mij eens wat je gezien en gehoord hebt!’ Dat deed de Profeet en Waraqa zei: ‘Werkelijk, bij Hem in Wiens hand mijn leven is: jij bent de profeet van dit volk! De grote Nāmūs is bij je gekomen, die ook tot Mūsa is gekomen. Je zult voor leugenaar worden uitgemaakt, gekrenkt en uitgestoten en bestreden worden, maar als ik die dag nog mag beleven zal ik God helpen op de manier die Hij kent.’ Toen boog hij zich naar hem over en kuste zijn kruin. Daarna ging de Profeet naar huis. Die woorden van Waraqa vergrootten zijn zelfvertrouwen en namen zijn ongerustheid een beetje weg.
.
Ismā‘īl ibn abī Hakīm, een beschermeling van de familie al-Zubayr bericht dat hem was verteld dat Khadīdja tegen de Profeet zei: ‘Neef, kun je het mij laten weten als die persoon bij je komt?’ Dat zou hij doen. Toen Djibrīl dus bij hem verscheen, zoals hij dat eerder had gedaan, zei de Profeet tegen Khadīdja: ‘Nu is Djibrīl bij mij.’ Ze zei: ‘Kom eens hier, mijn lief, en ga tegen mijn linkerdij aan zitten!’ Dat deed de Profeet, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘Ga nu eens tegen mijn rechterdij aan zitten!’ Dat deed hij, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. ‘En ga nu eens op mijn schoot zitten!’ Dat deed hij; toen vroeg ze: ‘Zie je hem nog?’ ‘Ja,’ zei hij. Toen ontblootte zij haar hoofd en deed haar sluier af, terwijl de Profeet nog op haar schoot zat, en ze vroeg: ‘Zie je hem nog?’ Hij antwoordde: ‘Nee.’ Toen zei ze: ‘Mijn lief, houd goede moed en wees blij; want bij God, het is een engel en geen duivel.’
.
Toen ik dit verhaal aan ‘Abdallāh ibn Hasan vertelde zei deze: ‘Ik heb mijn moeder Fātima bint Husayn deze overlevering van Khadīdja horen vertellen, maar zij zei, dat ze de Profeet onder haar hemd had laten komen, en dat Djibrīl daarop was weggegaan, en dat zij toen tegen de Profeet had gezegd: dit is een engel en geen duivel.’

Bron: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 151, 154; Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 Bde., Leiden 1879–1901, i, 1149–52; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 40–44, maar hier heb ik de vertaling verbeterd.

NOTEN
1. Voetnoot van Ibn Hishām: ‘Tahannuth is ‘devotie’.
2. Abū al-Qāsim is een kunya, een andere naam voor Mohammed.
3. Dit zal wel het Griekse woord νόμος (nomos), ‘Wet’ zijn.

Diakritische tekens: Ḥirāʾ, taḥannuth, Ismā‘īl ibn abī Ḥakīm, Ḥasan, Fāṭima bint Ḥusayn, Al-Ṭabarī

Terug naar Inhoud