De penis als godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant en een over de domheid van babies. Hier onder volgt een tekst over de penis van de man.

  • Vervloekt zijn Epicurus en zijn soortgenoten, want hun harten zijn zo blind voor deze wonderbaarlijke schepping dat zij het ontwerp en de doelmatigheid ervan ontkennen.
    Als het geslachtsdeel van de man altijd slap was, hoe zou het dan ooit de bodem van de baarmoeder kunnen bereiken waar de zaaddruppel terecht moet komen? Anderzijds, als het altijd geërigeerd was, hoe zou een man zich dan in bed kunnen omdraaien of op straat rondlopen met zo’n stijf ding voor zich? Afgezien daarvan dat het een lelijk gezicht zou zijn, het zou ook voortdurend lust opwekken bij zowel mannen als vrouwen. Dat zou hen ertoe aanzetten voortdurend met elkaar naar bed te gaan, wat op den duur tot hun ondergang zou leiden. Daarom is het zo ingericht dat de penis meestal slap afhangt, zodat hij niet steeds in het oog loopt en de man tot last wordt. Maar hij heeft ook het vermogen om bij behoefte stijf overeind te staan, namelijk voor de handeling die een continue voortplanting garandeert.

Zoals U ziet vallen die godsbewijzen soms nogal raar uit.
Dit fragment komt niet in alle handschriften voor. Ik vraag mij soms af of niet een afschrijver in een melige bui het heeft bedacht en in de tekst binnengesmokkeld. Als je namelijk twintig godsbewijzen uit deze verzameling achter elkaar leest kun je er zelf met gemak nog een paar bij verzinnen. Maar het is ook denkbaar dat de tekst toch origineel is, en dat juist andere afschrijvers de tekst niet hebben opgenomen omdat hij hun niet stichtelijk genoeg was. Voor de originaliteit spreekt ook de vermelding van de vloekwaardige Epicurus: een copiïst in een melige bui zou denkelijk niet zo veel algemene ontwikkeling en verontwaardiging aan de dag leggen.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāḥiẓ (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فتبّاًلافيقورس وأشباهه حين‏ عميت قلوبهم عن هذه الخلقة العجيبة حتّى أنكروا التدبير والعمد فيها‏. لو كان فرج‏ الرجل مسترخيًا أبدًا كيف كان يصل الى قعر الرحم حتى تقرّ النطفة فيه؟‏ ولو كان منعظًا أبدًا كيف كان الرجل يتقلب في الفراش ويمشي بين الناس وشيء شاخص أمامه؟ ثم كان في ذلك مع قبح‏ المنظر تحريك الشهوة في كلّ وقت من الرجال والنساء جميعًا فيدعوهم تحريكهما الى المباضعة، وهذا على الأوان يؤدّيهم الى الهلاك. فقُدّر أن‏ يكون في‏ أكثر ذلك مسترخيًا لكيلا‏ يبدو للبصر في كلّ وقت ولا يكون على الرجل منه مؤنة وجعلت فيه قوّة‏ علي الانتصاب عند الحاجة الى ذلك لما فيه من دوام النسل وبقاؤه‏.

Terug naar Inhoud

De domheid van babies als godsbewijs

Ik zat weer even te knutselen aan de  uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d.
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen tijdens de Renaissance gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Ik had al eerder een fragment gebracht over de slurf van de olifant. Hier volgt een tekst over de domheid van babies. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Denk eens aan een ander aspect van de gesteldheid van de mens, namelijk het feit dat hij dom en zonder verstand of begrip geboren wordt. Als hij met verstand en begrip geboren zou worden, zou hij de wereld bij zijn geboorte zo vreemd vinden dat hij in verwarring zou geraken en volkomen de kluts kwijt zijn als hij zijn nieuwe omgeving zag en geconfronteerd werd met dingen als hij nog nooit had gezien. Neem bij voorbeeld een man die als gevangene wordt overgebracht van het ene land naar het andere als hij al wereldwijs is. Hij zal als een verwarde idioot zijn en niet zo vlug de taal leren en de manieren oppikken als iemand die op jonge leeftijd gevangen was genomen. Bovendien, als een zuigeling intelligent geboren werd zou hij eronder lijden zo rondgedragen te worden, en gezoogd en ingepakt in oude lappen en in de wieg te worden ingestopt, hoewel hij dat alles nodig heeft, omdat zijn lichaam bij zijn geboorte zo zacht en teer is. Verder zou hij niet meer zo lief zijn, en hij zou niet meer die speciale plaats in de harten innemen. Maar nu komt een kind dom op de wereld, zonder enig idee van de situatie van al die familieleden om hem heen, en hij treedt alles tegemoet met een zwakke intelligentie en gebrekkige kennis. Dan neemt zijn kennis geleidelijk toe, beetje bij beetje, tot hij vertrouwd raakt met de dingen en er ervaring mee opdoet; dan verlaat hij de fase van het verward overpeinzen ervan en begint hij zijn eigen zaken te regelen en actief zijn levensonderhoud te verdienen.
    Er zijn nog andere gezichtspunten. Als een mens met een volgroeid intellect en zelfstandig geboren werd, dan zou de aanleiding om kinderen op te voeden vervallen, evenals het belang dat in die bezigheid voor de ouders is voorzien, omdat het grootbrengen de ouders namelijk een aanspraak oplevert op zorg en genegenheid van hun kinderen wanneer zij die van hun kant nodig hebben. Bovendien zouden de kinderen geen band krijgen met hun ouders, en de ouders niet met de kinderen, omdat de kleinen de opvoeding en zorg van hun ouders niet nodig hadden. Zij zouden al op eigen benen staan zodra zij geboren waren, zodat niemand zijn vader of moeder zou leren kennen. Zo zou een jongen er ook niet van afgehouden worden, geslachtsverkeer met zijn moeder en zijn zuster te hebben, omdat hij die niet zou kennen. Het minste wat er op dit gebied zou gebeuren, als een kind met verstand begaafd uit zijn moeders buik kwam, is dat hij iets van haar te zien zou krijgen wat niet geoorloofd is, en wat hij beter niet had kunnen zien.

Meestal staat bij dit soort voorbeelden nog een retorische vraag: zou dit schitterende ontwerp op toeval kunnen berusten, of zit er toch intelligent design achter? Hier ontbreekt die vraag, maar U kunt hem er zelf bij denken en erkennen dat het in ieder geval mooi geregeld is zoals het is.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فكر‏ في‏ أمر الانسان‏ في‏ باب‏ آخر وهو‏ ولاده‏‏ حين‏ يولد‏ غبيّاً‏ غير ذي‏ عقل وفهم‏. فانّه لو كان‏ يولد‏ عاقلاً‏ فاهمًا‏‏ لأنكر العالَم عند ولاده‏ حتّى‏ يبقى حيرانًا تائه العقل اذا رأى ما‏‏‏ لم‏ يعرف وورد عليه‏ ما لم‏ ير مثله‏. واعتبر‏‏ ذلك بأن من سبي‏ من بلد الى بلد وهو‏ محتنك يكون كالواله الحيران ولا يسرع‏ في‏ تعلم‏ الكلام‏  وقبول الأدب كما يسرع‏ الذي‏ سبي صغيرًا. ثم كان لو ولد‏ عاقلًا وجد‏ غضاضة أن‏ يرى نفسه محمولاً‏ ومرضعًا معصّبًا بالخرق ومسجىً في المهد،‏ على أنّه كان لا‏ يستغني‏ عن هذا كلّه لرقّة بدنه ورطوبته حين‏ يولد‏. ثم كان لا‏ يوجد له من الحلاوة والموقع في‏ القلوب‏ ما‏ يوجد للطفل.‏ فصار يدخل‏ العالم‏ غبيّاً غافلاً‏ عمّا فيه أهله فيلقي‏ الأشياء بذهن ضعيف ومعرفة ناقصة‏. ثم لا‏ يزال‏ يتزيّد في‏ المعرفة قليلاً‏ قليلاً‏ وشيئًا بعد شيء حتى‏ يألف الأشياء ويتمرّن‏ عليها فيخرج من حد التأمّل لها والحيرة‏ فيها‏ الى التصرّف في‏ الأمور‏ والاضطراب في‏ المعاش‏.

‏وفي هذا أيضًا‏ وجوه أخر،‏ فأنّه لو كان‏ يولد‏ تام العقل مستقلاً‏ بنفسه لذهب موضع تربية الأولاد وما دبّر‏ أن‏ يكون للوالدين في‏ الاشتغال به من المصلحة وما توجب التربية للآباء على البنين‏ من المكافأبة بالبرّ‏ والعطف عند حاجتهم الى ذلك منهم‏. ثم كان الأولاد لا‏ يألفون آباءهم ولا الآباء‏ يألفون‏ أبناءهم لأنّه كان‏ الأولاد‏ يستغنون عن تربية الأباء وحياطتهم فيتفرّقون عنهم حين‏ يولدون‏ حتّى لا‏ يعرف الرجل أباه وأمّه. ولا‏ يمتنع من نكاح أمّه وأخته إذ كان لا‏ يعرفها‏. وأقلّ‏ ما كان‏ يكون في‏ ذلك أن يخرج‏‏ من بطن أمّه‏ وهو يعقل فيرى منها ما‏ لا‏ يحلّ‏ له‏ ولا‏ يحسن به أن‏ يراه‏.

Terug naar Inhoud

De slurf als godsbewijs

Soms werk ik aan de uitgave van een Arabische tekst, Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt,1 vermoedelijk uit de negende eeuw, dat ongeveer honderd teleologische godsbewijzen bevat (arguments from design).
Die godsbewijzen lopen meestal als volgt. De aandacht wordt gevestigd op iets in de schepping wat bijzonder mooi, ingewikkeld of doelmatig is. Vervolgens wordt gezegd dat zoiets ingewikkelds toch onmogelijk door toeval zou kunnen bestaan, en dat er dus een intelligente ontwerper achter moet zitten. In deze tekst wordt die niet God genoemd, maar de Schepper, de Ontwerper e.d..
Is het godsbewijs niet allang uit de tijd? Jawel, maar in Amerika leeft het onder christenen die de evolutietheorie afwijzen nog volop, onder het etiket Intelligent Design. En in de islamitische wereld komt het conservatieven ook weer erg van pas, zodat het boekje weer is herdrukt en ook in het internet in stukken en brokken wordt verbreid. De koran staat vol verwijzingen naar de tekenen Gods in de Schepping, zodat de ‘markt’ voor godsbewijzen nog heel lang gegeven zal zijn.

Waarom zit ik aan zo’n oud boekje met zulke ouwe koek? Niet omdat ik alsnog het bestaan van God wil bewijzen, maar omdat het interessant is te zien hoe die teksten sinds de Oudheid hebben gecirculeerd en telkens herhaald en opnieuw bewerkt zijn. Mijn tekst is namelijk helemaal geen islamitisch boekje; het is eerder christelijk, met een flinke scheut Griekse Oudheid. Sporen van Xenophon en Cicero zijn erin terug te vinden, maar ook teksten van een kerkvader als Theodoretus (393–±460). Het geheel is ooit in het Syrisch vertaald en in de taal van het preïslamitische Iran, het Pahlavi, en van daaruit in het Arabisch. Er moeten mensen geweest zijn die het boekje in zijn oudste vorm niet islamitisch genoeg vonden, want er bestaat een bewerking van, die wat meer geïslamiseerd is.
Het boekje is ook interessant omdat het de mogelijkheid biedt om de overlevering  van oude Griekse teksten in Arabische vertaling te volgen. Soms kan met behulp van het Arabisch een gebrekkig overgeleverde Griekse tekst beter begrepen worden. En in elk geval wordt weer eens zichtbaar hoe de westerse cultuur in de loop der  eeuwen een grote cirkel beschreven heeft: van Griekenland en Rome via Syrië en Irak naar Spanje en Sicilië, en vandaar naar het Middeleeuwse Europa. Waar de mensen vervolgens gingen doen alsof zij alles rechtstreeks van de Grieken overgenomen of zelf bedacht hadden; een euvel waar we nog niet helemaal van bevrijd zijn.

Hier volgt een proeve uit de oudste versie, en wel een over de slurf van de olifant. Welke handschriften ik heb gebruikt verklap ik later wel eens.

  • Kijk eens naar de slurf van de olifant, hoe subtiel die is ontworpen. Voor dit dier vervangt deze een hand om voer en water mee op te pakken en het naar zijn maag over te brengen. Daarzonder had hij niets van de grond kunnen oppakken, want hij heeft geen nek die hij had kunnen uitstrekken, zoals de andere grazers. Maar omdat hij geen nek had gekregen werd hem in plaats daarvan die lange slurf gegeven, die hij kan laten afhangen om te pakken wat hij nodig heeft. Zij is hol gemaakt, omdat daardoor het voedsel en water naar zijn maag wordt getransporteerd. Bovendien is het zijn wapen, waarmee hij kan geven en nemen, zich verdedigen en aanvallen.
    En wie is degene die hem iets ter vervanging van het ontbrekende lichaamsdeel heeft gegeven als het niet de goedgunstige Schepper is? Hoe had zoiets tot stand kunnen komen door toeval, zoals de zondaren zeggen?
    Wanneer je nu zegt: Waarom heeft hij hem niet met een nek geschapen, zoals de andere grazers? dan antwoorden wij naar de mate van onze kennis en zeggen: De kop en de oren van een olifant zijn enorm en erg zwaar. Als die op een nek zouden rusten zou die ze niet kunnen dragen en breken. De kop is direct aan het lijf bevestigd om dat te voorkomen, en in plaats van een nek is voor hem dus die slurf geschapen, waarmee hij zijn voedsel kan oppakken en ook zonder nek in al zijn behoeften kan voorzien.

NOOT
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

أنظر الى مشفر الفيل وما فيه من لطف التدبير فانّه صار يقوم له مقام اليد في تناول العلف والماء وايرادهما جوفه. فلولا ذلك لما استطاع أن يتناول شيئًا من الأرض، فانّه ليست له عنق يمدّها كسائر الأنعام. فلمّا عدم العنق أخلف عليه مكان العنق ذلك الخرطوم الطويل ليسدله ويتناول به حاجته. وجُعل أجوف لأنّه وعاء لما يحمل الى صدره من طعامه وشرابه وأيضًا فهو سلاحه وبه يعطي ويتناول ويقابل ويصول . فمن الذي عوّضه مكان العضو الذي عدمه ما يقوم له مقامه الاّ الرؤوف بخلقه؟ وكيف يأتي مثل هذا بالاهمال كما قال الظلمة؟ فان قلت: ما باله لم يخلق ذا عنق كسائر الأنعام؟ أجبنا بمبلغ علمنا فقلنا: انّ رأس الفيل وأذنيه أمر عظيم وثقل ثقيل، فلو كان ذلك على عنق لهدّها وأوهنها. فجعل رأسه ملصقًا بجسمه لكيلا يناله منه شيء مما وصفنا وخلق له مكان العنق هذا المشفر يتناول به غذاءه فصار مع عدمه العنق مستوفيًا ما فيه بلوغ حاجته.

Terug naar Inhoud

‘Platonische liefde’

Ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 868-909) was bekend met de ‘platonische liefde’—maar natuurlijk niet zoals die uitdrukking tegenwoordig wordt opgevat. In zijn Kitāb al-Zahra heeft hij twee teksten die oorspronkelijk teruggaan op Plato. In de kortste tekst wordt Plato als de auteur genoemd:

  • Er wordt verteld dat Plato gezegd heeft: ‘Ik weet niet wat liefde is, maar ik weet wel dat het een goddelijke waanzin is, die te prijzen noch te laken is.’ 1

In de andere wordt de Griekse wijsgeer niet genoemd, maar we moeten onweerstaanbaar denken aan diens gehalveerde mensen en hun verlangen naar hun oorspronkelijke wederhelft:2

  • Een filosoof beweert dat God iedere ziel rond heeft geschapen, in de vorm van een bol, en haar dan in tweeën heeft gesneden en een helft in ieder lichaam heeft gedaan. [Wanneer nu] een lichaam het lichaam ontmoet waarin zich de helft bevindt die was afgesneden van de helft die hij zelf bij zich heeft, dan ontstaat tussen hen hartstochtelijke liefde op grond van hun vroegere samenpassen. Die aantrekkingskracht is bij mensen sterker of zwakker naar gelang de fijnheid van hun natuur.3

Bekend is de kritiek van Ibn Hazm (994–1064) op de halve-bollentheorie:

  • Men is het niet eens over het wezen van de liefde, daar zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie. Dit moet niet opgevat worden, zoals Muhammed ibn Dawud het voorstelt, die zich baseert op filosofen die zeggen dat de zielen halve bollen zijn, maar in die zin, meen ik, dat de zielekrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.4

Maar ook het Kitāb al-Zahra zelf heeft in één van de drie handschriften een kritisch commentaar daarop, dat Ibn Hazm blijkbaar niet kende. Het is niet duidelijk of het van de auteur stamt of van een afschrijver.

  • Tegen hem is in te brengen: Als we iemand vinden die een ander hartstochtelijk liefheeft, en de minnaar sterft dan aan liefde, maar die ander sterft uit haat jegens die minnaar, hoe was zijn helft dan afgesneden? En als we een man vinden die twintig personen liefheeft, hoeveel helften heeft zijn ziel dan? 5

NOTEN
1. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وحكي عن افلاطرن أنه قال: ما أدري ما الهوى غير أني أعلم أنه جنون الاهي لا محمود ولا مذموم.

Deze zin komt zo niet bij Plato voor, maar de inhoud gaat terug op diens Phaedrus 244a-245b.
2. Plato, Symposion 189d–193d; vert. Gerard Koolschijn, Amsterdam, 1985, p. 31vv.
3. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وزعم بعض المتفلسفين أن الله جل ثناؤه خلق كل روح مدوّرة على هيئة الكرة، ثم قطعها أنصافًا، فجعل في كل جسد نصفًا وكل جسد لقي الجسد الذي فيه النصف الذي قطع من النصف الذي معه كان بينهما عشق للمناسبة القديمة وتتفاوت أحوال الناس في ذلك بين القوة والضعف على حسب رقة طبائعهم.

4. Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde, vert. Remke Kruk en J.J. Witkam, Amsterdam 1977, 41. Het originele Arabisch staat in Abû-Muhammed-Alî-Ibn-Hazm al-Andalusî, Ṭauḳ-al-Ḥamâma, uitg. D.K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914, 7.

وقد اختلف الناس في مائيته وقالوا وأطالوا والذي أذهب اليه انّه اتّصال بين أجزاء النفوس المقسومة في هذه الخليقة في أصل عنصرها الرفيع، لا على ما حكاه محمد بن داود رحمه الله عن بعض أهل الفلسفة: الأرواح أُكَر مقسومة لكن على سبيل مناسبة قواها في مقرّ عالمها العلوى ومجاورتها في هيئة تركيبها.

5. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra I, Ms. Torino 68, fol 11 a/b.

يقال له فهو [إ]ذا [كنا] نجد واحدًا يعشق واحدًا فيموت العاشق من حبّه وذلك الآخر يموت من بغض من يعشقه، فأنّى قَصّة هذا النصف؟ ونجد الرجل أيضًا يعشق عشرين فكم نصف لروح هذا؟

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni,Ibn Ḥazm

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. .
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud