Datering van hadithen

For the happy few 1

Het gros van de niet-islamitische geleerden gaat ervan uit dat weinig tot geen van de hadithen op Mohammed teruggaan. Maar als dat zo is, van wanneer dateren ze dan?
Als veellezer van hadithen heb ik in grote lijnen het gevoel dat het gros tussen 700 en 750 tot stand kwam, en dat er nog tot ± 900 steeds bijkwamen.
De ahl al-djamā‘a wal-sunna, de mensen die de soenna van de profeet tegenover de verfoeide soenna’s van de Umayyadische kaliefen wilden stellen, werden immers actief in die periode van 700–750, vooral na 717.
En om een concreet voorbeeld te noemen: zouden de teksten over het beeldenverbod niet zijn ontstaan nadat men in Constantinopel in 695 een Christuskop op de munten had gezet en de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik dus voortaan van iedere kop afzag? Of toen het lang smeulende debat over ikonen in de Grieks-Orthodoxe kerk tot eruptie kwam in de jaren na 730, terwijl de kerkvader Johannes Damascenus midden in Damascus, de hoofdstad van de Umayyaden, zijn tractaat over die ikonen schreef?
.
Maar een ‘indruk,’ een ‘gevoel’ is voor wetenschap natuurlijk niet genoeg. Er zou voor iedere hadith een harde datering moeten komen. Dateren op grond van de inhoud van de hadithen lijkt onmogelijk. Daarom heeft men getracht tot dateringen te komen via analyse van de overleveringsketens, de isnāds, en wel via de common link-theorie, of beter gezegd de common link– methode. Deze werd voor het eerst gepresenteerd door Joseph Schacht in 1950, uitgewerkt door Gauthier Juynboll in 1983, daarna overgenomen onder de lelijke naam isnad-cum-matn-analyse door Harald Motzki en zijn school.
.
Om die methode toe te kunnen passen is een hadith nodig die tenminste vijf, maar liever tien of twintig maal voorkomt in de hadithcollecties en eventuele andere bronnen.
Het moet steeds dezelfde tekst zijn, dat wil zeggen: een groot deel van de woordelijke tekst moet overeenstemmen.2 Bij kennelijk doelgerichte tekstwijzigingen, zoals een extra frase of een toegevoegde ontkenning, moeten deze nauwkeurig in het oog gehouden worden. Die bieden namelijk een inzicht in de ontwikkeling van de hadith. Met een beetje geluk komen ze overeen met een ontwikkeling van de isnād, zodat we kunnen weten wie voor welke variant verantwoordelijk is.
Veel hadithen voldoen niet aan de basisvoorwaarden. Maar als we er een gevonden hebben, schrijven we alle isnads neer op een groot vel. (Naarmate de ervaring toeneemt kan het ook vlugger.) De profeet komt telkens onder aan de bladzijde te staan; boven hem komt de gezel van de profeet (ṣāḥib) die de hadith van hem overlevert; daarboven de volgende generatie (tābi‘) enzovoort. Bovenaan staan meestal de auteurs van de hadithcollecties: Muslim, Bukhārī, Aḥmad ibn Ḥanbal enzovoort. Zo worden er twee of drie eeuwen (vermeende) mondelinge overlevering gedocumenteerd.
Nu hebben we naast elkaar vijf of tien of nog meer kolommetjes met namen staan. De profeet, helemaal onderaan, hebben ze allemaal gemeen.
De volgende opgave is vast te stellen wie al die overleveraars waren. Ze zijn na te slaan in een biografisch lexicon, bij voorbeeld Tahdhīb al-tahdhīb van Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī (1372–1449) en we kunnen hun een identiteit geven, bij voorbeeld door er het ‘persoonsnummer’ uit Ibn Ḥadjars lexicon bij te schrijven. Vaak is die identificatie even puzzelen: omdat de isnāds vaak slechts delen van de naam vermelden. Zo blijkt Ibn Shihāb in de ene isnād dan bij voorbeeld identiek te zijn met al-Zuhrī in een andere, Abū Fulān met Ḥasan ibn Muḥammad e.d.

  • Bij het naslaan van die personen kunnen we meteen even registreren waar ze vandaan komen. De oudste overleveraars, de profeet en de gezel, stammen natuurlijk uit Arabië, maar wanneer de gezel bij voorbeeld naar Basra is getrokken en de latere overleveraars daar ook allemaal thuishoren, dan is het duidelijk dat de hadith in Basra in omloop is gebracht.

Bij vergelijking van de verticale lijstjes met overleveraars blijken deze misschien behalve de profeet nauwelijks gemeenschappelijke personen te bevatten. Dat is pech: zo’n hadith is dan niet bruikbaar voor de common link-methode. Bij Aḥmad ibn Ḥanbal (780–855) komt dat nogal eens voor; Aḥmad grossierde namelijk in fantasie-isnāds. Maar als we geluk hebben zien alle lijstjes er aan de onderkant hetzelfde uit, bij voorbeeld zo:

Hishām ibn ‘Urwa (± 667–± 772)
|
‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712)
|
‘Ā’isha († 678)
|
De Profeet

En als dan de namen boven Hishām verschillend zijn, en de isnāds dus ‘uitwaaieren’, dan is Hishām de zg. common link, de oudste overleveraar die alle versies nog gemeenschappelijk hebben. Die common link zal degene zijn die de betreffende hadith in omloop heeft gebracht resp. gecreëerd en eventueel de oudste schakels van de isnād erbij hebben bedacht. (Joseph Schacht: ‘Isnāds tend to grow backward.’)
Al die isnads die we naast elkaar hadden gezet kunnen we ook in een ‘boompje’ onderbrengen, waarbij de takken soms behoorlijk door elkaar lopen:

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Juynboll, Encyclopedia, xxi

Nu kunnen zich verschillende omstandigheden voordoen waardoor het toch niet zo mooi klopt met die common link. Dat wordt te ingewikkeld voor deze bladzijde; zie daarvoor de uitleggingen van → Juynboll en →Motzki. Liever wijs ik hier nog even op het bestaan van de partial common link. Dat is, als we bij het boompje blijven, de overleveraar die ergens halverwege of bovenin de boom zit (zoals Mālik en Ḥammād ibn Zayd op de afbeelding hierboven) en van wie zelf ook weer overleveraars uitwaaieren. Het kan zijn dat al degenen die van zo iemand hebben overgeleverd in hun tekstversie een bepaalde variant of toevoeging gemeen hebben; die heeft de partial common link dan in de wereld gezet.
.
Juynboll en Motzki hebben elkaar flink in de haren gezeten over dateringen (→Juynboll 1993, Motzki 1996). In grote lijnen dateert Motzki meestal een of twee generaties vroeger dan Juynboll. Dat zulks überhaupt mogelijk is vergroot natuurlijk niet het vertrouwen in de methode.
.
Het geleerde wereldje (50 personen wereldwijd misschien?) reageerde laat en behoudend op de common link-theorie. Het boek van Schacht werd pas dertig jaar na verschijnen behoorlijk gerecipieerd. Daarvoor, en ten dele nog daarna, schudden de geleerden hun hoofd en vonden het onzin. In de jaren tachtig werd er druk over de datering van hadithen gediscussieerd. Het was een zaak van vooruitstrevende jonge geleerden. Later werd de methode echter ook door degenen toegepast die er aanvankelijk tegen waren geweest, en nu is het de gewoonste zaak van de wereld om ermee te werken. Of liever gezegd: van het wereldje, dat door ouderdom, overlijden en het algemene verval der geleerdheid nog aanzienlijk kleiner is geworden dan vroeger.
.
Hoe dan ook, de methode is alleen toepasbaar op een beperkt aantal hadithen. Er moeten immers verschillende overleveringsketens met elkaar vergeleken worden, en als er niet genoeg verschillende zijn lukt het niet. Ik heb zelf ooit over de tandenborstel van de profeet gewerkt, een complex van ongeveer 80 hadithen. Daarvan bleken er maar vier geschikt te zijn om er de common link methode op los te laten. Dat heb ik gedaan—helaas met een fout erin—en toen was ik nog niet veel wijzer. Meer baat had ik bij vergelijking van de hadithcollectie van ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (744–827) met die van de ‘canonieke’ collecties, die een halve eeuw jonger zijn. Zo kreeg ik een aardig beeld van wat de mensen aanvankelijk had beziggehouden en wat later; ook werd zichtbaar hoe een issue die al is uitgewoed nog heel lang doorzeurt omdat die teksten nu eenmaal bestaan. Datering van de hadithen onderling leek mogelijk. Die blijft echter altijd hachelijk, want weer zo’n zaak van dat onwetenschappelijke ‘gevoel’. Ik stel mij echter voor dat er meer duidelijkheid zou ontstaan, wanneer men tien of twintig van zulke hadithcomplexen zou behandelen en het mogelijk wordt, de boel in stereo te zien. Dit zal echter niet gebeuren: personeelsgebrek, veranderde tijden, boekoe haraam: hadith is weer helemaal uit de belangstelling.

NOTEN
1. Wie de begrippen hadith en isnad niet kent zij verwezen naar het startartikeltje en de daar aangegeven verdere lectuur.
2. Honderd procent is niet nodig. Oude teksten werden immers met de hand afgeschreven en daarbij ontstaan altijd varianten.

BIBLIOGRAFIE
– Joseph Schacht, The origins of Muhammadan Jursiprudence, Oxford 1950.
– G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Studies in chronology, provenance and authorship of early ḥadīth, Cambridge 1983.
– G.H.A. Juynboll, ‘Some Isnād-Analytical Methods Illustrated on the Basis of Several Women-Demeaning Sayings from Ḥadīth Literature,’ Al-Qanṭara 10 (1989), 345–84. [Juynboll heeft talloze publicaties over de common link-methode; dit is een van de duidelijkste.]
– G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the Mawlā of Ibn ʿUmar, and his Position in Muslim Ḥadīth Literature,’ Der Islam 70 (1993), 207–244.
– G.H.A. Juynboll, Encyclopedia of Canonical Ḥadīth, Leiden/Boston 2007.
– Harald Motzki, “Quo vadis Ḥadīṯ-Forschung? Eine kritische Untersuchung von G.H.A. Juynboll, ‘Nāfiʿ the mawlā of Ibn ʿUmar, and his position in Muslim ḥadīth literature’,” Der Islam 73 (1996), 40–80, 193–231. Engelse vertaling in Motzki, Analysing, 47–124.
– Harald Motzki, ‘Dating Muslim Traditions: a Survey,’ Arabica 52 (2005), 204–253.
– Harald Motzki et al., Analysing Muslim Traditions. Studies in Legal, Exegetical and Maghāzī Ḥadīth, Leiden 2013.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Mohammed en Aisha: was de profeet getrouwd met een kind?

DEUTSCHE FASSUNG

In 2008 verscheen er een artikel van mij in De Gids, getiteld ‘Mohammed en Aisja: was de profeet getrouwd met een kind?’ Het werd graag gelezen, en het kan ook nu nog gelezen worden. HIER kunt U het downloaden. Na vijf jaar vond ik echter dat artikel wel aan herziening toe. Daarom begin ik hieronder nog eens opnieuw. Het Wikipedia-artikel waarnaar ik destijds verwees bestaat niet meer. Ik heb echter de Pakistaanse publicatie gevonden die misschien de bron daarvan was. Het is Habib-ur-Rahman Siddiqui Kandhalvi, Taḥqīq-e ‘omr-e ‘Ā’isha, Karachi 1997. Meer daarover op blz. 4.

————————————————————————–

Was Mohammed getrouwd met een kind? – nieuwe versie

De hadith volgens welke de profeet Mohammed met zijn lievelingsvrouw Aisha (of Aisja) getrouwd is toen zij zes of zeven jaar oud was en het huwelijk heeft voltrokken toen ze negen was, vormt steeds meer een steen des aanstoots. Islamhaters en -critici zien er een welkome aanleiding in om de profeet nog eens lekker te beledigen. Vele moslims voelen zich onbehaaglijk bij de inhoud van deze en dergelijke teksten en weten niet goed hoe ze op de kritiek van buitenaf moeten reageren. De hadith bestaat in een aantal varianten, die allemaal duidelijk en slechts voor één interpretatie vatbaar zijn. Een overzicht daarvan in het Arabisch, met enkele overwegingen van mij, staat hier: HadithLeeftijdAisha (doelgroep: gevorderde Arabisten). Een voorbeeld: 

  • Muhammad ibn Yūsuf levert over van Sufyān, en deze van Hishām ibn ‘Urwa, die het gehoord had van zijn vader [‘Urwa ibn al-Zubayr]: Aisha vertelde dat de profeet haar huwde toen zij zes jaar oud was; zij werd in zijn huis gebracht toen zij negen was, en zij bleef negen jaar bij hem.1

Maar moeten we echt geloven dat deze en dergelijke teksten over feiten berichten, en dat zij als bronnen voor de geschiedsschrijving gebruikt kunnen worden?

Natuurlijk koesteren conservatieve moslims, die noch met westerse familiewaarden, noch met moderne literatuur en literatuurwetenschap vertrouwd zijn, geen enkele twijfel aan de historiciteit van deze hadithen. Menigeen zou zelfs kunnen denken dat het op basis van het profetische voorbeeld aan alle moslims is toegestaan met zulke jonge meisjes te trouwen. Daartoe worden ze misschien geïnspireerd door de hoofdstuktitels in de hadithcollecties. Opvallend is daar namelijk een zekere veralgemening: ‘Over het uithuwelijken van jonge dochtertjes,’ ‘Wie het huwelijk voltrekt met een vrouw, die negen jaar oud is,’ enz.. Maar steevast staat onder een dergelijk opschrift alleen de hadith over de leeftijd van Aisha.2 En in het islamitische recht wordt nergens gerept van huwelijken met zulke jonge meisjes.

Islamhaters in Europa en de Verenigde Staten3 hebben evenmin twijfel: Aisha was negen toen zij werd ontmaagd. Alleen hun gevolgtrekking is een andere: Mohammed was dus een pedofiel en een perverse kinderschender. Hoe zwarter de islam, des te lekkerder gaat immers het vechten ertegen.

WikiIslam, een islamkritische website, doet zich wetenschappelijk voor, maar valt al gauw door de mand en belandt tenslotte ook bij de islamhaters.4 Zij is absoluut overtuigd van de feitelijke huwelijksvoltrekking met negen jaar en weigert alternatieve voorstellen in overweging te nemen. Er wordt dus volledig vastgehouden aan de geloofwaardigheid van de hadithen als historische berichten. Een hogere leeftijd voor de huwelijksvoltrekking zou immers betekenen dat de makers van de website een punt minder op ‘de islam’ te vitten hadden, wat zij kennelijk zouden betreuren. Zij hebben liever kritiek op ‘de islam’ – wat dat ook moge zijn – dan dat zij teksten kritisch lezen. Zo zijn zij toch eerder gelovigen dan geleerden.

Niet alleen de zwaar conservatieve, maar álle moslims worden verondersteld deze hadith-teksten te respecteren en voor waar te houden. Daartoe behoort in principe ook het bericht met die pijnlijke inhoud: hun profeet heeft een negenjarig meisje ontmaagd. In de traditionele islam begint, net als in vele andere oude culturen, de huwbare leeftijd met de puberteit. Negen jaar is beslist te vroeg. De profeet zou wel bepaalde privileges hebben gehad, maar in dit geval zou het niet handig zijn, daarop te wijzen, daar de profeet immers juist een voorbeeld van zedelijkheid was. Moderne moslims, die evenals de meeste andere mensen van mening zijn, dat een negenjarig meisje in het huwelijksbed niets te zoeken heeft, moeten dus andere manieren vinden om van die lastige teksten af te komen.

Eén manier is: negeren en verdringen. Er bestaan inderdaad mensen die niet met het onderwerp lastig gevallen willen worden. De profeet zal zonder twijfel het beste met het meisje voor gehad hebben. Tot iets anders was hij immers niet in staat, en voor Aisha was het een voorrecht, reeds als kind de zegen van de profeet van zo nabij te ervaren; amen! Deze houding trof ik bij voorbeeld aan op de betreffende pagina van de Duitse Islam-pedia. Daar schilderen de auteurs hoe buitengewoon liefdevol en zegenrijk het huwelijk van Mohammed met Aisha was. De huwelijksleeftijd van negen jaar vermelden zij wel even, maar ze maken er verder geen woord aan vuil. Ze fantaseren een heel huwelijksleven bij elkaar, maar de vraag: ‘hoe dan precies?’ stellen zulke gelovigen principieel niet, en zij weigeren zich concreet voor te stellen, hoe die oudere, wat zwaarlijvige man met dat kleine meisje geslachtsverkeer had. En dat moet hebben plaatsgehad, want daarzonder is een huwelijk niet geldig. Het negeren van die vraag wordt echter door de aandrang van de buitenwereld steeds moeilijker.

Heel veel mensen willen het probleem niet verdoezelen, maar proberen de hadithen met argumenten te redden —niet alleen onder moslims, maar ook onder ongelovigen met ‘begrip’. Hun argumenten zijn veelal lui en vaag, zoals bij voorbeeld: ‘De puberteit viel in die tijd veel vroeger.’ Of: ‘Aisha was zeker vroegrijp; dat komt in warme landen wel vaker voor.’ Of: ‘In die tijd wist niemand werkelijk hoe oud hij was.’ Dat laatste is zeker juist, maar een huwelijksvoltrekking met een veel te klein meisje zou ook zonder Burgerlijke Stand zijn opgevallen. De eerste twee uitspraken zijn volledig speculatief en berusten niet op kennis van zaken. Artsen verzekeren mij zelfs dat de puberteit in de oudheid, door de slechtere voeding, juist láter intrad dan tegenwoordig. Bovendien, als dit huwelijk zo normaal was, waarom heeft de literatuur er dan zoveel werk van gemaakt? En waarom lezen we in oude bronnen niet over nog andere zulke ‘doodgewone’ huwelijken?

Op blz. 4 zal ik de veel interessantere argumenten bespreken van moslims die deze hadithen niet willen redden maar schrappen, zonder echter meteen de hele rest van het geloofsgebouw tot instorten te brengen. Zulke moslims zijn er steeds meer. Moderne Moslims willen namelijk liever niet geloven dat hun profeet als oudere man met een zo jong meisje naar bed ging. Zij vinden die voorstelling weerzinwekkend en pijnlijk, en doen vaak hun best, de betreffende teksten met argumenten te ontkrachten. Zo doet zich de interessante situatie voor, dat vele gelovigen de gewijde hadithen in dit geval niet wensen te geloven — waartoe zij eigenlijk verplicht zijn —, terwijl ongelovige islam-bestrijders ze voor zoete koek slikken — waartoe zij normaal niet bereid zijn.
.
Maar heeft dat huwelijk met een kind ooit plaatsgehad? Hier gaat het verder !

NOTEN
1. Dat wil zeggen: tot zijn dood. Bukhārī, Nikāḥ 38, vgl. 39; ook zo Muslim, Nikāḥ 70, 72: عن عائشة أن النبي ص تزوجها وهي بنت ست سنين وأدخلت عليه وهي بنت تسع ومكثت عنده تسعا … .
2. Bukhārī, Manāqib al-Anṣār 44a باب تزويج النبي ص عائشةَ وقدومها المدينة وبنائه بها ; Nikāḥ 38 باب إنكاح الرجل ولده الصغار لقول الله تعالى واللائي لم يحضن فجعل عدتها ثلاثة أشهر قبل البلوغ ; Nikāḥ 59 باب من بنى بامرأة وهي بنت تسع سنين ; Muslim Nikāḥ 69 باب تزويج الأب البكر الصغيرة ; Ibn Mādja, Nikāḥ 13 باب نكاح الصغار يزوجهن الآباء ; Dārimī, Nikāḥ 56 باب في تزويج الصغار إذا زوجهنّ آباؤهنّ ; Nasāʾī, Nikāḥ, 29a إنكاح الرجل ابنته الصغيرة .
3. In Nederland zijn natuurlijk Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali het bekendst. Maar er zijn er ook veel buiten Nederland, bij voorbeeld Bat Ye’or en Elisabeth Sabaditsch-Wolff. Als U eenvoudig Mohammed + paedophile (of pedophile), of + child molester googelt, walmt de haat U al tegemoet.
4. http://www.wikiislam.net/wiki/Main_Page
http://www.wikiislam.net/wiki/Aisha_Age_of_Consummation
http://www.wikiislam.net/wiki/Rejecting_Dr_David_Lieperts_Aisha_Was_Older_Apologetic_Myth.    Laatst gezien 1 oktober 2016.

Diakritische Zeichen: ʿĀʾiša, Nikāḥ, al-Anṣār

Raar mannetje sloopt de Ka‘ba

In de Eindtijd, kort voor de Jongste Dag dus, zullen er zowel volgens christelijke als islamitische overleveringen onaangename creaturen verschijnen die de mensheid het leven schier ondraaglijk maken en weedom verbreiden over het aardrijk. Bij de christenen is de hoofdfiguur de Antichrist, bij de moslims de dadjdjāl, ook een soort Antichrist.1 Maar moslims kennen ook nog andere eindtijdfiguren: de Qahtānī, de Sufyānī en Dhū al-Suwayqatayn. Bovendien breken er twee gewelddadige volken los: Gog en Magog (Arabisch: Yādjūdj en Mādjūdj), en een beest uit de aarde, en er doen zich rampzalige natuurverschijnselen voor. Volgens beide religies wordt aan alle ellende een eind gemaakt door de wederkomende, triomferende Jezus, en in de islam ook nog door de Mahdī. Oude voorzeggingen, die in perioden van rust en welvaart niemand interesseren, maar in moeilijke tijden steeds weer mensen meeslepen.
De minst bekende islamitische eindtijdfiguur is misschien Dhū al-Suwayqatayn, ‘de man met de korte beentjes,’ die de Ka‘ba zal vernielen. Ik geef enkele—niet alle—hadithen, sommige met oude commentaren:

  • … dat de profeet gezegd heeft: ‘Het is alsof ik hem voor me zie: zwart, met zijn hielen ver uit elkaar, hij breekt haar steen voor steen af.’2
  • De profeet heeft gezegd: De Ka‘ba wordt vernietigd door Dhū al-Suwayqatayn uit Ethiopië,3
  • … van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Ik heb de profeet horen zeggen: De Ka‘ba wordt vernietigd door Dhū al-Suwayqatayn uit Ethiopië, die haar van haar sieraad (hilya)4 berooft en het kleed (kiswa) eraf trekt. Het is alsof ik hem voor mij zie: een kaalhoofdig, krombenig mannetje; hij slaat erop met zijn schop en zijn pikhouweel.5
  • …  in de hadith van Hudhayfa [ibn al-Yaman]: Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode onderbenen en blauwe ogen, met een platgedrukte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Kaʿba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.6

Gelukkig is het een Afrikaan; anders zouden er vast weer mensen een vetzuchtige Amerikaan of Europeaan in hem herkennen. Een raar mannetje blijft het: rode benen en blauwe ogen waren vanouds in Ethiopië zeldzaam en dikke buiken ook. Een platte neus zou nog zin hebben wanneer we niet aan Ethiopiërs denken, maar aan bepaalde volkeren verderop uit Afrika. Maar Ethiopisch staat in de hadith meestal voor ‘christelijk’.7 Het gevaar voor de Kaʿba komt dus uit christelijke hoek. Ooit in de voorgeschiedenis hebben volgens de overlevering Ethiopiërs geprobeerd Mekka te veroveren. Dat is door goddelijk ingrijpen mislukt, maar aan het einde der tijden krijgen zij de kans om te doen wat zij blijkbaar altijd al wilden: de Ka‘ba slopen.

Wat hieronder volgt is vooral bedoeld voor arabisten en voor die twee studenten in Nederland en drie in Vlaanderen die nog grondig Klassiek-Arabisch studeren. Ik wil U met deze teksten niet voorbereiden op het nabije Einde, maar laten zien dat het verkeerd is, te snel te denken dat U een oude tekst begrijpt. Bovendien zijn de teksten aanleiding om U te attenderen op een mooi wetenschappelijk boek over Oudarabische kleuren.

Hoe zit dat met die beentjes? Suwayqatān/-­ayn betekent ‘kleine onderbenen’. Een aantal Arabieren die ik het woord heb voorgelegd dacht daarbij spontaan wat ik zelf ook dacht: ‘korte beentjes’. De commentator al-Nawawī is echter van mening dat het dunne benen betreft. Hij voegt eraan toe: ‘Van de zwarten is bekend dat zij dunne benen hebben’. Dat kunnen we beamen, voor zover het de oorspronkelijke bewoners van Noordoost-­Afrika betreft, die inderdaad vaak lang en rank van gestalte zijn. Toch denk ik dat al-Nawawī het juist daarom bij het verkeerde eind heeft. Hij heeft niet het woord zelf laten spreken, maar zich een doorsnee Ethiopiër voor de geest gehaald en die beschreven willen zien. De teksten willen het mannetje echter beschrijven in zijn opvallende, niet in zijn normale eigenschappen.

Verder wemelen de bovenstaande hadithen van de adjectieven van het patroon aFʿaLu, of zo u wilt aC1C2aC3u (waarbij C staat voor consonant), dat is gereserveerd voor adjectieven die kleuren of vormen, vaak onveranderlijke lichamelijke eigenschappen aanduiden. In het oude Arabië was dat één categorie. Bij voorbeeld aṣfaru, ‘geel’, aṭrashu, ‘doof,’ akhzaru ‘met varkensoogjes’ en vele, vele meer.
Over dit type woord heeft Wolfdietrich Fischer in 1965 een geleerd boek8 in de beste Duitse traditie geschreven, met een berg bewijsplaatsen uit de oude Arabische poëzie, waarin de wereld heel anders werd bekeken dan wij gewend zijn. Bij de lectuur blijkt al spoedig dat ons spectrum vergeleken bij dat van de oude Arabieren nogal simpel is. Hadithen heeft Fischer in zijn boek niet verwerkt; vandaar dat sommige aFʿaLu-woorden uit onze teksten bij hem niet te vinden zijn. In dat geval moeten we ons behelpen met de woordenboeken, die heel wat armzaliger zijn dan Fischers boek.

In de bovenstaande hadithen en commentaren, plus nog een aantal tekstvarianten, komen de volgende aFʿaLu-woorden voor:

aswadu ‘zwart’, zeker gebruikt van de huidskleur van Afrikanen. Maar van mensen betekent het ook: ‘met een laag of laf karakter, met een laaghartige gezindheid’ en dat zal hier meeklinken. Ons slopertje is een Ethiopiër, maar ook een duistere gestalte.

afḥadju, niet in Fischer. Lane: having the fore parts of the feet together and the heels wide apart. De Biberstein Kazimirski: ‘qui marche les talons écartés et le devant des pieds rapproché’. Iemand met een gebrek en een raar loopje dus.

uṣayliʿ. Maar dat is toch geen aFʿaLu-woord? Nee, maar het is een verkleinwoord van het aFʿaLu-woord aṣlaʿu, wat ‘kaalhoofdig’ betekent, maar ook ‘penis’. Het verkleinwoord betekent dus ‘kaalkoppie’, maar is ook in gebruik voor ‘eikel, glans penis’.

ufaydiʿ, een verkleinwoord van afdaʿu, en dat is volgens Lane iemand die last heeft van fadaʿ, i.e deflection and distortion of the wrist or of the ankle-joint, so that the hand or the foot becomes turned towards the inner side, or a colliding of the [inner] ankle bones, and a wide separation of the feet, to the right and the left. Een verdraaiing in de pols of enkel: betekent het verkleinwoord dus zoiets als ‘krompootje’? Door die verkleinwoorden wordt in ieder geval de indruk versterkt dat we hier niet met een lange man met dunne benen te maken hebben, maar met een klein kereltje.

aḥmaru is ‘rood,’ dat weet iedereen, dus dat hoeven we niet op te zoeken? Het is de kleur van bloed bij voorbeeld, en het kan ook wat donkerder zijn, zoals bij rode wijn. Toch maar even bij Fischer kijken: het is ook het roodbruine van paardenbenen, maar kijk eens aan: het betekent ook ‘blank’ van huid. Inderdaad is de huid van blanke mensen welbeschouwd niet wit. Afgezien daarvan was het Oudarabische woord abyaḍu ‘wit’ niet als kleuraanduiding voor mensen te gebruiken, omdat het woord al bezet was: abyaḍu is ook ‘opvallend, in het oog lopend’ en vandaar van mensen: ‘voornaam, edel’. Het tegendeel van aswadu.
Is hij voor de helft een blanke dan, die Dhū as-Suwayqatayn? Een halve Ethiopiër met blanke beentjes? Die Ethiopische christenen zijn sowieso halve Grieken; zit dat er soms achter? Nee, deze gedachtengang voert niet verder.
Maar misschien zijn die benen helemaal niet aḥmaru, misschien deugt de tekst gewoon niet. Het woord komt maar in één versie voor; op de plaats van dit woord komen de meeste varianten voor. Het boven reeds genoemde afḥadju en ook aṣlaʿu, maar ook nog twee andere woorden, te weten aṣʿalu, ‘smal van hoofd’ en aṣmaʿu, ‘whose ear is like that of the gazelle, whose ear is little, and cleaving to the head’ (Lane) en zelfs afadjdju ‘having his legs wide apart‘ (Lane).
Kortom, de overleveraars waren op deze plek kennelijk in verlegenheid en hebben maar wat aangerommeld.

azraqu is ‘blauw,’ dat kennen we ook. Fout! Over dit woord is bij Fischer (blz. 47–55) het meeste op te steken. Die ogen zijn helemaal niet blauw, dat wordt al spoedig duidelijk. In het oude Arabisch betekende azraqu zoiets als ‘van kleur wisselend, glinsterend, changeant’. Denkt u aan de flikkerende ogen van een roofdier. Dat is dan ook van toepassing in Koran 20:102:   وَنَحْشُر الْمُجْرمينَ يَوْمئذٍ زُرْقًا . Niet zoals Kramers vertaalt: ‘ en waarop Wij bijeendrijven de boosgezinden blauwogig.’

afṭasu ‘platgedrukt’, dat is onproblematisch.

Het mannetje heeft dus geen rode maar blanke beentjes, of er is nog iets heel anders met die beentjes aan de hand. De blauwe ogen zijn niet blauw, maar flikkerend, dreigend.

NOTEN
1. Ontleend aan Bijbel, Matthaeus 24:24. In de Syrische vertaling: mesīḥē daggālē, ‘valse messiassen’. Ook in het Arabisch komt de woordkombinatie al-masīḥ al-dadjdjāl vaak voor. Te onderscheiden zijn: de ‘gewone’ dadjdjāl, de op een eiland in het Westen vastgebonden daddjāl, en Ibn Ṣayyād. Over de laatste zie Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist”. A reappraisal of the texts,’ in Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder (uitg.), Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, Berlin 2008, blz. 261–291; hier te downloaden. Over andere dadjdjāl-varianten zie David Cook, Studies in Muslim Apocalyptic, Princeton (NJ) 2002.
2. Al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Ḥadjdj 49. De parallelplaatsen komen nog@:

حدثنا عمرو بن علي حدثنا يحيى بن سعيد حدثنا عبيد الله بن الأخنس حدثني ابن أبي مليكة عن ابن عباس عن النبي ص قال كأني به أسود أفحج يقلعها حجرا حجرا.

3. Al-Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Ḥadjdj 49:

حدثنا يحيى بن بكير حدثنا الليث عن يونس عن ابن شهاب عن سعيد بن المسيب أن أبا هريرة رضي الله عنه قال: قال رسول الله ص يخرب الكعبة ذو السويقتين من الحبشة.

4. Tekstvariant: ‘haar schat (kanz)’. Wat daaronder te verstaan is blijft onduidelijk.
5. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad ii, 220:

حدثنا عبد الله حدثني‮ ‬أبي‮ ‬ثنا أحمد بن عبد الملك وهو الحراني‮ ‬ثنا محمد بن سلمة عم محمد بن إسحق عن ابن أبي‮ ‬نجيح عن مجاهد عن عبد الله‮ ‬بن عمر،‮ ‬وقال سمعت‮ ‬رسول الله ص يقول‭:‬‮ ‬يخرب الكعبة ذو السويقتين من الحبشة‮ ‬ويسلبها حليتها،‮ ‬ويجرّدها من كسوتها،‮ ‬ولكأني‮ ‬أنظر إليه أصيلع أفيدع‮ ‬يضرب عليها بمسحاته ومعوله‮.‬

6. Tegen mijn gewoonte heb ik hier nog geen behoorlijke bronvermelding. De tekst is uit een commentaar op een hadith-collectie; ik ben de herkomst even kwijt. Komt wel weer.

كأني‮ ‬أنظر إلى حبشي‮ ‬أحمر الساقين‮ ‬،‮ ‬أزرق العينين،‮ ‬أفطس الأنف،‮ ‬كبير البطن‮ ‬،‮ ‬وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له‮ ‬ينقضونها حجرا حجرا‮ ‬ويتداولونها حتى‮ ‬يطرحوها في‮ ‬البحر‮.‬

7. Zie Wim Raven, ‘Some early Islamic texts on the negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218, vooral blz. 216–18; hier te downloaden.
8. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965.

Diakritische tekens: Qaḥtānī, ḥilya, Ḥudhayfa

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Ibn Dawud: hadith

In Ibn Dāwūd’s Kitāb al-Zahra komen ongeveer tien hadithen voor; daaronder drie vermeldenswaardige:1

  • 1. Abū Bakr Muhammad ibn Ishāq al-Sāghānī – Ibn Abī Maryam – Yahyā ibn Ayyūb – Yahyā ibn Sa‘īd – ‘Amra – ‘Ā’isha – de Profeet: ‘De zielen zijn geregelde soldaten; zij die elkaar herkennen zoeken elkaars gezelschap, zij die dat niet doen botsen met elkaar.’2

Ibn Dāwūd kan al-Sāghānī eventueel nog zelf gekend hebben; deze woonde in Baghdad en stierf in 883, toen Ibn Dāwūd 15 jaar oud was.3
.
2. De beroemde liefdeshadith (hadīth al-‘ishq) luidt in de Zahra alsvolgt:

  • Van mijn vader – Suwayd ibn Sa‘īd al-Hadathānī – ‘Alī ibn Mushir – Abū Yahyā al-Qattāt – Mudjāhid – Ibn ‘Abbās – de Profeet: ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, kuis blijft, het verbergt en dan sterft, die sterft als martelaar.’4

Een martelaar was oorspronkelijk iemand die sneuvelde in de strijd voor de islam. Omdat echter na verloop van tijd steeds minder moslims aan krijgshandelingen deelnamen, maar men wel graag deel wilde hebben aan de privileges van de martelaren, werd het begrip martelaar uitgebreid. Ook mensen, die bij voorbeeld in het buitenland stierven, of in een epidemie, in het kraambed, door ziekte, armoe of verdrinking, golden voortaan als martelaar. De onderhavige hadith rekent ook liefdesverdriet tot die zware omstandigheden.5 Mogelijk is de zāhiriet Ibn Dāwūd de enige geweest, die dit letterlijk heeft genomen. Maar hij heeft deze hadith zeker niet zelf verzonnen, althans niet de kern ervan. De dichter Abū Nuwās had honderd jaar tevoren al een soortgelijke, maar kortere hadith als grap gelanceerd; zijn bedoeling was kennelijk te zinspelen op of te spotten met het zich snel uitbreidende martelarenwezen. Na een fantasie-isnad luidde de tekst daarvan: ‘Wie als verliefde sterft, verkrijgt het loon van een martelaar.’ Abū Nuwās kan de tekst kant en klaar hebben aangetroffen of zelf hebben bedacht.6

  • 3. (de isnad is maar kort:) Ibn ‘Abbās – de Profeet: „Sommige poëzie is wijsheid, sommige welsprekendheid is toverij.“

Deze tekst werd vaak gebruikt om poëzie islamitisch te legitimeren.7

NOTEN
1. W. Raven, Ibn Dāwūd, 13–15.
2. Ibn Dāwūd, Zahra i, 14; A.J. Wensinck, Concordance s.v. djannada; Giffen, Theory 55, Ibn Qayyim al-Djawzīya, Rawḍa 83. الأرواح جنود مجنَّدة فما تعارف منها ائتلف وما تناكر منها اختلف
3. al-Khaṭīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād i, 240–241; Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī, Tahdhīb al-tahdhīb ix, 35–37.
4. Ibn Dāwūd, Zahra i, 66; niet in Wensincks Concordance; Giffen, Theory 99ff.  قال رسول الله ص من عشق فعفّ فكتمه فمات فهو شهيد
5. E. Kohlberg, Art. „Shahīd,“ in EI2; W. Raven, Art. „Martyrs,“ in EQ.
6. E. Wagner, Abū Nuwās. Eine Studie zur arabischen Literatur der frühen ‘Abbāsidenzeit, Wiesbaden 1965, 34–5.

ولـــقـــد كـُــنّــا رويـْـنــا ‪*‬ عـن سـعـيـدٍ عـن قـتـادة
عـن سعيـدِ بـنِ الـمســـيَّـــــبِ أنّ سعْـدَ بـنَ عُبـادة
قــال: مـَنْ مـات مُـحـبـّاً * فــلــه أَجْـــر الــشــهادة

7. De laatste zin in Zahra, althans zoals dit overgeleverd is; Ibn Dāwūd, Zahra ii, 372. Ongeveer identiek in Abū Dāwūd, Sunan, Adab 87; de beide delen van de hadith komen vaak apart voor. .إنّ من الشعر لحكمًا وإنّ من البيان لسحرًا

Diacritische tekens: Muḥammad ibn Isḥāq al-Ṣāghānī, Yaḥyā, ḥadīth, al-Ḥadathān, ẓāhiriet

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Hadithen opzoeken, naslaan en citeren

(Bedoeld voor een beperkte doelgroep: Arabisten en islamologen die hadithen in het Arabisch lezen)

Het opzoeken van hadithen gaat tegenwoordig snel: naar onderwerp in →Wensinck, Handbook1 en volgens Arabische tekst in →Wensinck, Concordance.2
Nog sneller gaat het in het internet. De beste website met de Arabische bronnen lijkt me deze.

Maar het citeren van hadithen of het naslaan van de plaatsen die anderen in hun voetnoten vermelden, is een tijdrovend en moeizaam karwei, wat misschien ten dele verklaart waarom er zo weinig systematisch onderzoek over hadith gedaan wordt. Op drie na zijn de uitgaven slecht en chaotisch; vreemd eigenlijk voor een soort literatuur die iedereen erg belangrijk zegt te vinden. De rommeligheid van de manier van citeren in vele publicaties maakt ook het gebruiken en controleren van vakliteratuur moeizaam. Citeert u alstublieft nooit zoiets als: Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Beirut 1981, Dl. ii, p. 135. Van de vele Bukhārī-uitgaven heeft uw lezer waarschijnlijk net niet die uit het oorlogsjaar 1981 bij de hand. Nooit terug te vinden, nooit te controleren dus. Bij fantastische hadithnummers uit het internet of op een (misschien onder de nieuwste Windows niet eens meer te openen) CD-ROM is het even erg.

Er bestaat een systeem van Wensinck en ‘Abd al-Bāqī, dat helaas niet wereldwijd is geaccepteerd, maar beter is dan al het andere. Negen hadithcollecties (ook hadith.al-islam.com spreekt van al-kutub at-tis‘a) zijn in de hierboven genoemde werken →Wensinck, Handbook 1 en →Wensinck, Concordance2 ontsloten.
Bij de Musannaf-werken gaat het citeren zo: eerst de naam van de verzamelaar (evt. afgekort), dan de titel of het nummer van het ‘boek,’ dan het nummer van het hoofdstuk (alleen bij Muslim: het hadithnummer; zijn Inleiding wordt naar paginanummer geciteerd). Voorbeeld:

  • Abū Dāwūd, Buyū‘ 12 (zo in de Concordance),     of:
    A. D., 22, 12  (zo in het Handbook).

Het zoeken gaat in deze traditionele naslagwerken wel langzamer dan in het internet, maar u krijgt er meteen een waterdichte manier om te citeren bij cadeau.
Voor in Wensinck, Handbook zijn de ‘boek’titels afgedrukt. In mijn exemplaar heb ik daar met de hand de band- en bladzijdenummers in de bronteksten aangegeven, om het naslaan te bespoedigen.
Het voorbeeld van hierboven: Abū Dāwūd, Buyū‘ 12, vindt men in deel 3 van de best bruikbare uitgave;3 daar bladzij 242 opslaan en dan verder bladeren tot hoofdstuk 12.
Waar de nummering van de hadithen in de gedrukte uitgaven ontbreekt dient → ‘Abd al-Bāqī, Taysīr4 als gids.
De nummering klopt slechts in de drie uitgaven die Muhammad Fu’ād ‘Abd al-Bāqī heeft bezorgd, namelijk Muslim, Mālik en Ibn Mādja. Daar is het makkelijk zoeken, en ook de uitgaven zijn ‘goed’—zij het onkritisch. In de andere uitgaven moeten onderzoekers eerst met potlood de nummers van de hoofdstukjes in de marge schrijven. Dat is een hoop werk, maar een alternatief zie ik niet. Zonder het zelf voorbewerken van de uitgaven kan het wel tien minuten duren voordat u één tekstpassage hebt gevonden. En bij hadithonderzoek gaat het er juist om, álle varianten een tekst bij elkaar te zoeken.

De niet naar onderwerp, maar naar overleveraars geordende Musnad van Ahmad ibn Hanbal wordt met het deelnummer en het bladzijnummer in de editio princeps van Cairo 1313/1895 geciteerd. U schrijft dan bijv. Ahmad ibn Hanbal, Musnad vi, 145, of A.b.H. vi, 145. In de nieuwere uitgaven staan deze bladzijnummers (idealiter) in de marge afgedrukt.
Bij ‘Abd al-Razzāq al-San‘ānī, Musannaf, volstaat het hadithnummer. Als kleine attentie jegens uw lezer kunt u nog het bandnummer  vermelden, zodat hij meteen het juiste deel uit de kast pakt: ‘Abd al-Razzāq, Musannaf vii, 13135, of eenvoudig A.R. vii, 13135. Bij Ibn Abī Shayba, Muṣannaf gaat het net zo.

NOTEN
1. A.J. Wensinck, Handbook of Early Muhammadan Tradition, Leiden 1927.   [De stof is naar onderwerp geordnend. Proefpagina’s hier.]
2. A.J. Wensinck et. al., Concordance et indices de la Tradition musulmane (Arab. titel: Al-Muʿǧam al-mufahras li-alfāẓ al-ḥadīṯ an-nabawī), 8 dln., Leiden 1936–1988.   [Arabische woordconcordantie; ook plaatsnamen en koranverzen. Proefpagina’s hier.]
3. Abū Dāwūd, Sunan, 4 dln, z.p, z.j. (!).
4. Muḥammad Fu’ād ‘Abd al-Bāqī, Taysīr al-manfa‘a bi-kitābay Miftāḥ kunūz al-sunna wal-Muʿdjam al-mufahras li-alfāẓ al-ḥadīth al-nabawī, Cairo 1935–9.

Diacritische tekens: ṣaḥīḥ, muṣannaf, Muḥammad, Aḥmad ibn Ḥanbal, al-Ṣanʿānī

Terug naar Inhoud

Is de hel een vrouw?

Het is volgens koran 50:30 in ieder geval een vrouwelijk wezen dat kan praten en een grote … eh, muilinhoud heeft: يوم نقول لجهنم هل امتلأت وتقول هل من مزيد  … op de dag dat Wij tot de hel zeggen: ‘Ben je al vol?’ en dat zij zegt: ‘Komt er nog meer?’
Ik was benieuwd wat de oude moslims over die personificatie van de hel gedacht hadden en sloeg een paar gangbare korancommentaren op: Muqātil, aṭ-Ṭabarī, al-Qurṭubī, Ibn Kathīr.
Niets! Wel veel over het enorme bevattingsvermogen van de hel en over de precieze nuance van de woorden: ‘Komt er nog meer?’: is dat gulzigheid, of veeleer protest? En het blijkt dat ook het paradijs kan praten, want er wordt een hadith geciteerd waarin hel en paradijs een twistgesprek hebben:

  • … van Abū Hurayra, van de profeet… : De hel en het paradijs voerden een dispuut. De hel zei: ‘Ik ben bevoorrecht met de arroganten en de geweldenaren’. Het paradijs zei: ‘Waarom komen bij mij alleen de zwakkelingen en de stakkers en de sukkels binnen?’ God zei tegen het paradijs: ‘Jij bent mijn erbarmen; met jou betoon ik erbarmen aan de mensen die ik wil’, en tegen de hel zei hij: ‘Jij bent mijn bestraffing; met jou folter ik de mensen die ik wil. Elk van beiden hebben jullie een punt dat je vol bent.’
    De hel wordt niet vol totdat Hij zijn voet daarin zet ; dan zegt zij: ‘Genoeg, genoeg!’ Dan is zij vol en wordt zij samengevouwen. 1

Mijn beginvraag was dus verkeerd. Het was slechts de vraag van een vervelend catechisantje, want een ware gelovige behoort zich niet voor stellen hoe de hemel en de hel zijn. Het rechtschapen islamitische antwoord op zulke vragen is: bilā kayf, ‘zonder te vragen hoe.’ Ik blijf dus met mijn verlangen naar een voorstelling van de hel zitten, temeer omdat elders in de koran veel andere voorstellingen worden aangereikt: de hel is een laaiend vuur (nār), ‘een slechte rustplaats’ (biʾsa al-mihād); zij bevindt zich op een onbekende, maar blijkbaar vaste plek met zeven poorten, die over de ‘helleweg’ (ṣirāṭ al-djaḥīm) bereikt wordt. Maar zij wordt ook ‘gebracht’, volgens koran 89:23: وجيء يومئذ بجهنم ‘…en op die dag de hel gebracht wordt’.

Een vrome zou misschien zeggen dat ik beter kan geloven en weinig zondigen, zodat ik de hel niet hoef te leren kennen. Ik peins daar niet over, maar zie deze teksten als waarschuwing: denk maar niet dat je het gedachtengoed van de Oudheid begrijpt. Moderne moslims doen dat evenmin, denk ik.

NOOT
1. Een stukje Rangstreitdichtung; daarover moet maar een aparte bijdrage komen.

‎وحدثني محمد بن رافع حدثنا شبابة حدثني ورقاء عن أبي الزناد عن الأعرج عن أبي هريرة عن النبي صلى الله عليه وسلم قال تحاجت النار والجنة فقالت النار أوثرت بالمتكبرين والمتجبرين وقالت الجنة فما لي لا يدخلني إلا ضعفاء الناس وسقطهم وعجزهم فقال الله للجنة أنت رحمتي أرحم بك من أشاء من عبادي وقال للنار أنت عذابي أعذب بك من أشاء من عبادي ولكل واحدة منكم ملؤها فأما النار فلا تمتلئ فيضع قدمه عليها فتقول قط قط فهنالك تمتلئ ويزوى بعضها إلى بعض.

In al-Ṭabarī’s korancommentaar op 50:30, maar bovenstaande versie ook bij Muslim, Ṣaḥīḥ, Djanna 35; er zijn ettelijke andere versies.

Terug naar Inhoud

De Negus van Ethiopië in sira en hadith

Hierover had ik ooit een engelstalig artikel. Wie iets wil weten over een echte Negus zal teleurgesteld zijn. Tijdens het onderzoek bleek dat de teksten niet over enige historische Ethiopische koning gaan. De vorst van Ethiopië (Abessinië, Abyssinië) wordt slechts opgevoerd om Mohammeds omgang met ‘christelijke’ voorwerpen te behandelen waarvan de Negus een plausibele leverancier is. Download hier: RavenNegus

Terug naar Inhoud