Het lange mannengewaad

Assyrische reliëfs in het British Museum (8e eeuw v. Chr.) tonen ons Arabische krijgers in lendenschortjes tot iets boven de knie, die op hun plaats gehouden werden door een smalle, later ook bredere en dikkere gordel. Maar misschien was die doek alleen het praktische gevechtspak en hadden ze thuis in de tent iets langers? Het lange gewaad schijnt te zijn overgenomen uit het Noorden. Eén Arabier op een reliëf, niet in een gevechtsscène, draagt een langer gewaad naar Noord-Syrische stijl. De stoffen moesten ook vaak uit het noorden komen, of uit het zuiden: veel kleding draagt Jemenitische namen. Arabië kende wel wol, maar geen vlas om linnen van te maken. Volgens Herodotus (484–425 v. Chr.)1 droegen ze een ζειρά (zeira), dat is een lange lendendoek die tot onder de enkels gaat. Zeira zal wel niet, zoals ik eerst dacht, het Arabische woord izāra zijn, dat is een lendendoek die tot onder de knie gaat. De zeira werd ook in delen van Griekenland gedragen en het is onwaarschijnlijk dat de oude Grieken hun kleding Arabische namen gaven.
Toen de Islam opkwam werd het bij ons welbekende lange gewaad door Arabische mannen dus al lang gedragen. Bij zulke gewaden hoort het Arabische woord tashmīr, het opstropen of ophijsen. Misschien hebben de oude Arabieren ook hun mouwen opgestroopt, maar de nadruk valt bij dit woord op het omhoog hijsen van het gewaad en door middel van de gordel vastzetten rond de heupen, zodat de onderbenen vrijkomen en men zich vlotter kan bewegen. Omhoog ging het kleed wanneer er gewerkt, gerend of gevochten moest worden. Dit was al in oudtestamentische tijden bekend, getuige de bijbelse uitdrukking: ‘de lendenen omgorden’ – ook daar heeft het te maken met action.

In Koran 68:42 wordt gezegd, over de *Jongste Dag: يوم يكشف عن ساق ‘ten dage dat er een onderbeen ontbloot zal worden…,’ wat neerkomt op het ophijsen van het gewaad. Wiens been is dat? Er waren uitleggers die meenden dat het Gods been betreft.2 Zo verwonderlijk is dat niet: de Koran spreekt over Gods oog en Gods hand; waarom zou hij dan ook geen been hebben? Er waren inderdaad moslims die deze uitdrukkingen letterlijk  namen—zonder zich uiteraard te willen afvragen hoe dat been er uit zag. Bilā kayf (‘zonder te vragen hoe’) was het orthodoxe devies. Gelijk hadden ze; anders krijg je maar rare vragen. De  koranvertaler Fred Leemhuis vertaalt: ‘ … dat hun de benen ontbloot worden’ — de benen van de in de hel gestraften? De Amerikaan Majid Fakhry dacht aan nog iets meer; hij vertaalt: ‘… when nothing shall be concealed.’ Met andere woorden: ze moeten met de billen bloot, ook figuurlijk.
Mij dunkt dat de uitdrukking oorspronkelijk met dat opstropen van een gewaad te maken had gehad, maar allang idiomatisch was geworden, zodat er niet meer aan een concreet been gedacht werd, zoals wij bij ‘de mouwen opstropen’ en ‘zijn handen in onschuld wassen’ ook meestal niet aan echte armen of handen denken. Dan betekent de koranische uitdrukking zoiets als: ‘Ten dage dat het heftig zal toegaan’.

Noten
1. Herodotus, Historiae vii, 69.
2. O.a. al-Bukhārī, Tafsīr sūra 68, 2.

حدثنا آدم حدثنا الليث عن خالد بن يزيد عن سعيد بن أبي هلال عن زيد بن أسلم عن عطاء بن يسارعن أبي سعيد ر قال سمعت النبي ص يقول يكشف ربنا عن ساقه فيسجد له كل مؤمن ومؤمنة فيبقى كل من كان يسجد في الدنيا رياء وسمعة فيذهب ليسجد فيعود ظهره طبقا واحدا.

Naar rubriek KLEDING:
Dames: hoofddoek, sluier, boerka & co, tsjador, hot pants.
Heren: boerka, Arabische kleding in de bijbel.

Terug naar Inhoud

Driehonderd en

In de film 300 proberen driehonderd Spartanen en nog wat andere Grieken in de bekende slag bij Thermopylae (480 v. Chr.) stand te houden tegen een grote Perzische overmacht. Het aantal 300 wordt reeds genoemd bij de Griekse Auteur Herodotus (± 480–425 v. Chr.).1
Het aantal 300 en nog wat komt ook in de bijbel voor: in het boek Rechters, in het verhaal over Gideon.2 Ook daar wordt verteld over een kleine troep zorgvuldig uitgezochte krijgers, die zich opstelt tegen een ongelofelijk grote overmacht. In de nacht voor de slag heeft iemand in het kamp van de vijand een boze droom, namelijk dat Gideon zal overwinnen en hun hele kamp in handen zal krijgen. De overwinning van de kleinere troep wordt behaald met de uitdrukkelijke hulp van God.

Rechters wordt voor zover ik weet omstreeks 1000 v. Chr. gedateerd en is dus heel wat ouder dan het Griekse verhaal. Dat Herodotus het boek Rechters gekend zou hebben, dat in het Hebreeuws geschreven is en in zijn tijd alleen door joden in Mesopotamië en Palestina werd gelezen, is onwaarschijnlijk. Hij moet of uit zich zelf op het aantal 300 gekomen zijn, of het verhaal circuleerde in enigerlei afgeleide vorm in het oude Nabije Oosten.

Zeker afhankelijk van de bijbel of eventueel van een joodse bewerking van de Gideonlegende waren echter de Arabische vertellers, die over Mohammeds slag bij Badr verhaalden.3 Driehonderd en nog een paar aanhangers van Mohammed, als moslims per definitie elitestrijders, overvielen daar een veel sterkere Mekkaanse karavaan. Een vrouw in het vijandige kamp had in de nacht voor de slag een droom waarin de nederlaag werd voorspeld, net als in het verhaal over Gideon. Ook hier kon de kleinere groep de grotere met Gods hulp verslaan.
De elitetroep van ± 300 man, de overmacht van de vijand, de droom in het vijandige kamp én Gods hulp bij het gevecht: zo veel overeenkomsten kunnen niet toevallig zijn; daar heeft von Mžik al een eeuw geleden op gewezen.4 Het is weer een voorbeeld van de invloed van de joods-christelijke literatuur op de biografie van de profeet.

Hoe groot moest, verteltechnisch gezien, de tegenpartij zijn in de Slag bij Badr? Niet zo onwaarschijnlijk groot als bij Gideon; de vertelkunst was in al die eeuwen wel wat gevorderd. Dat één moslim één heiden de baas kan is vanzelfsprekend. Dat hij er ook twee kan hebben ligt voor de hand: door de kracht van zijn geloof. Maar tien zou echt te veel zijn; dan zou het verhaal een ander karakter krijgen. Personages als Superman, Asterix en Obelix, Bud Spencer en Terence Hill kunnen onbeperkte hoeveelheden tegenstanders aan, maar die horen dan ook duidelijk in fantasieverhalen thuis. En die zijn tamelijk vervelend, omdat de gevechten zo niet spannend of reëel voorstelbaar zijn. De tegenstanders bij Badr zijn er in totaal 950 geworden, dat is één moslim op ruim drie heidenen. Dat is aan de hoge kant en neigt al enigszins naar het fantastische, maar wordt dat nog net niet. Ook dit verhaal wil ons immers duidelijk maken dat de slag gewonnen werd met Gods hulp; en daar is, in de opvatting van zowel de verteller als zijn hoorders, niets fictiefs of fantastisch aan. Aan de waarschijnlijkheid is in hun ogen net geen afbreuk gedaan.

Noten
1. Herodotus, Historiae vii, 205.
2. Rechters (ook genoemd Richteren) 7:2–22.
3. Ibn Isḥāq, in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, […] uitg. F. Wüstenfeld, 3 vols., Göttingen 1858–60, blzz. 428–9, 506, 516 (Arabische teksten). In Engelse vertaling: A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Isḥāq’s (zo!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, 290, 336, 340.
4. Hans von Mžik, ‘Die Gideon-Saul-Legende und die Überlieferung der Schlacht bei Badr. Ein Beitrag zur ältesten Geschichte des Islām,’ Wiener Zeitschift für die Kunde des Morgenlandes (WZKM) 29 (1915), 371–383.

Terug naar Inhoud