De hidjra van de profeet volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

BEHOEFT NOG REVISIE@@

De vroege biograaf van de Profeet ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712) stelde op verzoek van kalief ‘Abd al-Malik het verhaal over de hidjra van de profeet van Mekka naar Medina op schrift:

… dat ‘Urwa aan ‘Abd al-Malik schreef: Toen hij–de profeet–zijn mensen had opgeroepen tot de leiding en het licht dat God hem geopenbaard had, gingen zij hem eerst niet uit de weg en hadden bijna naar hem geluisterd. Maar toen hij over hun afgoden begon kwamen er vermogende Qurayshieten uit Tā’if die hem dat kwalijk namen en heftig tegen hem uitvielen, omdat zij een grote afkeer hadden van wat hij had gezegd. Zij zetten degenen die hen gehoorzaamden tegen hem op en de meeste mensen wendden zich nu van hem af en lieten hem in de steek. De mensen die God daarvoor behoedde deden dat niet, maar dat waren er niet veel. Zo bleef het zolang God beschikte dat het blijven zou. Toen beraamden hun hoofdmannen dat zij hun zonen, hun broeders en stamgenoten die Mohammed volgden zouden proberen af te brengen  van Gods religie. Het was een verzoeking (fitna) die een zware schok teweeg bracht onder de mensen van de islam, die de profeet volgden. Sommigen werden verleid [tot geloofsafval] en ongehoorzaamheid jegens God. Toen dat de moslims werd aangedaan droeg de profeet hen op naar Ethiopië te vertrekken. Daar heerste een rechtschapen koning, genaamd de Negus. In zijn land werd er niemand onderdrukt en hij werd geprezen om zijn rechtschapenheid. Ethiopië was een land waar de Qurayshieten handel dreven en waar zij royaal levensonderhoud en een goede markt vonden. Dat droeg de profeet hen dus op en de meesten  die in Mekka onderdrukt werden gingen daarheen, want hij was bang dat men hen van hun geloof zou afbrengen. Hij zelf bleef in Mekka. Zo gingen enkele jaren voorbij, waarin de gelovigen het zwaar te verduren hadden.
Daarna verbreidde de islam zich in Mekka en een aantal edelen trad toe.    (Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1180–1.)
Toen er emigranten uit Ethiopië terugkeerden, vóór de emigratie van de profeet naar Medina, maakten [de Qurayshieten] het de mensen van de islam nog moeilijker en vielen hen vaker lastig. Veel van de Helpers (anṣār) in Medina waren moslim geworden en de islam verbreidde zich ook in Medina en er begonnen mensen vandaar naar de profeet in Mekka te komen. Toen de Qurayshieten dat zagen spoorden ze elkaar aan om hen van hun geloof af te brengen en hen hard te behandelen en dat deden ze.
Dat was de tweede verzoeking (fitna). Er waren er dus twee: de verzoeking die de aanleiding was tot de emigratie naar Ethiopië, toen de profeet hun daartoe opdracht en toestemming gaf, en een verzoeking na terugkeer van die emigranten, toen [de Qurayshieten] zagen wie er allemaal uit Medina naar hem toe kwamen.
Toen kwamen er zeventig afgevaardigden uit Medina bij de profeet, de hoofdmannen van degenen die de islam hadden aangenomen. Zij ontmoetten hem tijdens de pelgrimstocht en zwoeren hem trouw in al-‘Aqaba. In hun eed van trouw heette het: ‘Wij zijn van u en u bent van ons,’ en: ‘Als er iemand van uw gezellen bij ons komt, of u zelf komt, zullen we u verdedigen zoals we onszelf verdedigen.’
Quraysh verhoogde nu de druk op hen en de profeet beval zijn gezellen naar Medina te vetrekken. Dit was de tweede verzoeking, gedurende welke de profeet zijn gezellen opdroeg naar Medina te gaan en zelf ook ging. Dit is de verzoeking waarover God heeft geopenbaard: Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort (koran 8:39).

Toen de Gezellen van de profeet naar Medina waren gegaan, maar voordat hij zelf Mekka verliet en voordat het vers was geopenbaard waarin hun werd opgedragen te vechten [koran 8:39], vroeg Abū Bakr, die geen opdracht had gekregen te gaan, Mohammeds toestemming om met de rest van de Gezellen te vertrekken. Maar de profeet hield hem tegen en zei: ‘Geef me wat tijd; ik weet het niet; misschien zal ik toestemming krijgen te vertrekken.’ Abū Bakr had twee rijkamelen gekocht en die voorbereid voor het vertrek naar Medina met de Gezellen. Toen de profeet hem vroeg te wachten en hem vertelde dat hij goede hoop had dat God hem toestemming zou geven te verrtrekken, hield hij die twee kamelen aan, in de verwachting de profeet te mogen vergezellen; hij voedde ze goed en mestte ze vet. Toen het vertrek van de profeet uitgesteld werd vroeg Abū Bakr hem: ‘Hoop je dat je toestemming zult krijgen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘wacht tot die komt.’ Daarna wachtte hij geduldig.
Aisha vertelde me dat op zekere dag, terwijl zij binnen in huis waren omstreeks het middaguur, terwijl daar niemand  was behalve Abū Bakr en zijn dochters Aisha en Asmā’, de profeet plotseling verscheen, terwijl de middagzon op zijn hoogst stond. Het was zijn gewoonte iedere dag zonder mankeren naar  Abū Bakrs huis te komen aan het begin en het eind van de dag. Dus toen Abū Bakr hem ’s middags zag komen zei hij: ‘Profeet, alleen iets bijzonders kan je hierheen gevoerd hebben. Toen hij binnenkwam zei de profeet tegen Abū Bakr: ‘Vraag degenen die bij je zijn weg te gaan.’ Hij antwoorde: ‘Er zijn hier geen spionnen, dit zijn alleen mijn twee dochters. Toen zei de profeet: ‘God heeft mij toestemming gegeven naar Medina te vetrekken. Abū Bakr vroeg: ‘Profeet, mag ik je vergezellen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. Abū Bakr zei: ‘Neem een van de rijkamelen.’ Dat waren de rijkamelen die hij bij wijze van voorbereiding had gevoederd toen de profeet toestemming kreeg. Hij gaf hem een van de twee dieren en zei: ‘Neem het, profeet, en rijd erop.’ De profeet antwoordde: ‘Ik neem het aan, voor de prijs die het waard is.’
‘Āmir ibn Fuhayra was een …@ van de stam Azd, die behoorde tot/aan al-Ṭufayl ibn ‘Abdallāh ibn Sakhbara, die dezelfde moeder had als Abū Bakrs dochter Aisha en zijn zoon ‘Abd al-Raḥmān. ‘Āmir werd moslim toen  hij hun slaaf was, en Abū Bakr kocht hem en liet hem vrij. Hij was een goede moslim. In de tijd dat de profeet en Abū Bakr zich op weg begaven had Abū Bakr de rechten@ op de melk van een kudde schapen die ’s avonds naar zijn huis placht te komen. Abū Bakr stuurde ‘Āmir met de schapen naar Thawr, en hij bracht ze ’s avonds naar de profeet in de grot daar, en dat is de grot die door God in de koran genoemd wordt [koran 9:40].
Met de rijdieren vooruit stuurden ze een man uit de stam ‘Abd ibn ‘Adī, een … van de familie van al-‘Āṣ ibn Wā’il van de stam Sahm van Quraysh. In die tijd was die man uit ‘Adī een heiden, maar zij huurden hem als gids voor de reis. De tijd dat zij in de grot doorbrachten kwam Abū Bakrs zoon ‘Abdallāh iedere avond om hun het nieuws uit Mekka te brengen; dan keerde hij ’s ochtends naar Mekka terug. ‘Āmir bracht iedere avond de schapen, zodat ze die konden melken, en bracht ze dan bij het aanbreken van de dageraad/@voor dag en dauw terug naar hun weidegrond, waar hij de ochtend doorbracht met de herders van anderen, zodat niemand in de gaten had wat hij deed. Toen de geruchten over Mohammed en Abū Bakr afzwakten en zij vernamen dat er neit meer over hen gesprokene werd bracht de gids hun de kamelen en gingen ze op weg. ’Āmir ibn Fuhayra namen ze mee, als dienaar en hulpkracht. Abū Bakr nam hem achterop en wisselde op het zadel met hem af. Er was niemand bij hen behalve ’Āmir en die man uit ‘Adī die hun als gids diende. Hij voerde hen door de laaglanden van Mekka, vervolgens over een weg parallel aan de kust, onder ‘Usfān langs, dan dwars door het land, weer op de weg komend bij Qudayd, vervolgens langs het al-Kharrār-pad, dan over de pas van al-Marah en dan langs een weg genaamd al-Mudjidja, tussenm de ‘Amq en de Rawḥā’-weg. Toen kwam hij op de ‘Ardj-weg, en bij een bron genaamd al-Ghabīr rechts van Rakūba en toen de Batḥ Ri’m omhoog, om tenslotte op een middag aan te komen bij het kwartier van de stam ‘Amr ibn ‘Awf in [het zuiden van] Medina. Mij is verteld dat de profeet slechts twee dagen bij hen vertoefde, hoewel de ‘Amr ibn ‘Awf verzekeren dat hij langer bij hen bleef. Vervolgens leidde hij zijn kameel, die hem volgde naar de kwartier van de stam Najdjdār. Daar toonde de profeet hem een droogvloer midden tussen hun woonsteden.

Bron: Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, i, 1224–5 en 1234–7.

BEHOEFT NOG REVISIE@

Nog doen: Het verhaal bij Ma‘mar ibn Rashåd

Ga naar De hidjra in de koran    De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

De hidjra in de koran

De hidjra was de migratie van de profeet Mohammed van Mekka naar Medina. De datum van die hidjra, 20 september 622 (of toch een andere), werd nog geen twintig jaar later tot beginpunt van de islamitische jaartelling gemaakt. De gebeurtenis werd dus van groot belang geacht.

In de koran komt het verbaal substantief hidjra niet voor. Wel is er meermalen sprake van mensen die geëmigreerd waren (alladhīna hādjarū) ofwel Emigranten (muhādjirūn). Deze zijn ‘naar God en zijn gezant’ of ‘op de weg Gods’ geëmigreerd. Het laatste staat meestal voor oorlog voeren. Emigratie gaat gepaard met strijden voor de goede zaak. Slechts éénmaal duidt de koran aan dat ook de profeet een muhādjir was, en alleen indirect: in vers 33:50 wordt gesproken over vrouwelijke verwanten ‘die met jou geëmigreerd zijn’.

Van de Emigranten wordt in de koran meermalen gezegd dat zij ‘uit hun woonsteden verdreven zijn’ (ukhridjū min diyārihim). Dit wordt op enkele plaatsen ook van de profeet gezegd, bijv. in koran 9:40, 47:13; 2:191(?). In 17:76 wordt gezegd: ‘Bijna hadden ze jou het land uitgejaagd…’ en in 9:13 dat ze het van plan waren geweest.

Wat was de aard, wat was de reden van Mohammeds migratie? De Nederlandse oriëntalist Chr. Snouck Hurgronje streed in 1886 tegen de toen heersende opvatting dat de hidjra een vlucht was.1 Het woord hidjra betekent: ‘de banden verbreken, zijn stad of stam verlaten om zich elders te vestigen, emigreren’. Volgens Snouck was het een deel van een plan, van een strategie: ‘De Hidjra werd dus door Mohammed, wegens zijn met den tijd veranderde opvatting zijner zending, lang te voren zorgvuldig beraamd.’ Zo is ook de gangbare islamitische opvatting, die al bij ‘Urwa is te vinden, al krijgt het heilsplan Gods daar natuurlijk de hoofdrol. Bij de oriëntalisten is er sinds Snouck niet veel veranderd. Een goed overzicht van het gangbare oriëntalistische verhaal geeft W. Montgomery Watt.2

‘Het’ algemeen bekende verhaal over de hidjra staat niet in de koran, maar in de biografische teksten over de profeet en in hadithen, uiteraard in verschillende versies. Zie bij voorbeeld de twee basisversies van ‘Urwa ibn al-Zubayr hier (@maar is nog niet af@) en een uitgewerkte versie van Ibn Ishāq hier. In grote lijnen gaat het alsvolgt: Mohammed en zijn aanhangers werden in Mekka getreiterd. Sommige gelovigen waren al naar Ethiopië geëmigreerd, de meesten waren ook weer teruggekomen of kwamen alsnog terug. Pogingen om medestanders te vinden onder de bedoeïenen en in Tā’if liepen op niets uit. Een groep inwoners van Yathrib (Medina), die naar de jaarmarkt in Mekka kwam, wilde zich echter wel met Mohammed inlaten. Na twee jaren van onderhandelingen en voorbereidingen vertrokken eerst de gelovigen naar Medina en tenslotte Mohammed zelf.

Het in de koran gebruikte werkwoord akhradja: ‘eruit werken, eruit gooien, uitzetten, verdrijven, verjagen’ wijst inderdaad niet op een vlucht, maar evenmin op de souvereine beslissing te vertrekken. In het biografische verhaal ontbreekt dat woord geheel. Ibn Ishāq heeft aan zijn versie een uitvergroting van Koran 8:30 toegevoegd. Daar beraadslaagt de gemeenteraad van Mekka over wat te doen met Mohammed: hem doden, hem eruit gooien of hem gevangen zetten? In het verhaal besluit men hem er juist niet uit te gooien: dan zou hij immers buiten de stad maar bondgenoten gaan zoeken. Nee, ze zullen hem ’s nachts doden, in zijn eigen bed. God brengt Mohammed op de hoogte en deze weet … te vluchten. Na een spannende achtervolging vindt hij met Gods hulp beschutting in een grot en bereikt vandaar Medina. Toch een vlucht dus; maar alleen in een toegevoegd deel van het hidjra-verhaal.

Uit kiesheid vermeden de oude biografen het blijkbaar, het koranische motief ‘eruit gooien’ ter sprake te brengen in verband met Mohammeds hidjra, die volgens hen niet op enig initiatief van de heidenen berustte, maar op een heilsplan van God en op zelfstandig handelen van zijn profeet. Begrijpelijk, want zo klinkt het een stuk positiever. Maar naar mijn indruk wordt het ‘eruit gooien, verjagen’ (al dan niet ‘bijna’) ook in moderne wetenschappelijke beschouwingen over de hidjra genegeerd.

NOOT
1. In zijn Twee populaire dwalingen verbeterd, herdrukt in Chr. Snouck Hurgronje, Verspreide geschriften, 6 dln, Bonn/Leiden 1923–27, i, 295–305 (online hier).
2. W. Montgomery Watt, Muhammad at Mecca, Oxford 1953, 141–51.

Ga naar De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr     De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

Mohammed: ezelrijder of kameelrijder?

Evenals zijn tijdgenoten zal de profeet Mohammed alle rijdieren hebben gebruikt die ter beschikking stonden en geschikt waren voor een bepaalde afstand: ezels, muilezels, paarden en kamelen.

Na een eerdere bijdrage over de muildieren van de profeet komen nu de ezels aan de beurt. Dezelfde Herbert Eisenstein, die de muildieren van de profeet heeft beschreven, heeft ook diens ezels bestudeerd.1
.
Ya‘fūr
In dezelfde geschenkzending die twee slavinnen en de muilezel Duldul bevatten, bevond zich ook een ezel genaamd ʿUfayr. Verder was er de ezel Ya‘fūr, die hem tesamen met een ander muildier werd geschonken door Farwa ibn ‘Amr. Net als bij de muildieren is de overlevering nogal in de war en worden beide ezels vaak door elkaar gehaald. Volgens een andere overlevering was Ya‘fūr een deel van de oorlogsbuit bij de verovering van de oase Khaybar in 628. Toen de profeet bij die gelegenheid naar zijn naam vroeg zou het dier zelf hebben geantwoord:

  • Ik ben Yazīd ibn Shihāb. God heeft uit de nakomelingschap van mijn voorouders zestig ezels voortgebracht, waarop alleen profeten reden. Ik hoop dat U op mij wilt rijden, omdat er van de nakomelingschap van mijn voorvader niemand meer over is, en van de profeten ook niemand behalve U.
Mohammed en Gabriël

Mohammed en Gabriël

Hij klaagde nog dat zijn vorige eigenaar, een jood, hem vaak sloeg, omdat hij opzettelijk struikelde als hij door hem bereden werd. De profeet gaf hem de nieuwe naam Ya‘fūr en reed vaak op hem. Hij kon hem ook gebruiken als hij een van zijn gezellen wilde laten komen. De ezel klopte dan met zijn kop aan diens huisdeur, waarop de bewoner naar buiten kwam en begreep dat de profeet hem bij zich wilde zien. Het dier zou in 632 na de afscheidsbedevaart van de profeet gestorven zijn. Volgens een nog mooier verhaal zou het op de sterfdag van de profeet van verdriet in een put gevallen zijn — of was het zelfmoord? In ieder geval is zijn sterven op die manier geladen met betekenis: zoals Mohammed de laatste in de reeks der profeten was, zo was Ya‘fūr de laatste profetische ezel.
.
De ezel als profetisch en messiaans rijdier
Een ezel is dus meer dan een rijdier, en vele teksten die Mohammed op een ezel laten rijden doen dat niet zomaar. De islamwetenschapper Suliman Bashear heeft over dit onderwerp een uiterst gedetailleerd artikel geschreven, waaruit ik graag zal putten.2
Al eeuwenlang was de ezel een profetisch rijdier geweest. Ook voor de uit islamitisch oogpunt oude ‘profeten’ Abraham, Mozes en Jezus was de ezel een normaal vervoermiddel. Maar bij de exegese van heilige schriften kunnen er altijd zinvolle verbanden worden gelegd. De auteur van het joodse geschrift Pirqe de Rabbi Eliezer3 bij voorbeeld ziet door de eeuwen heen slechts een en dezelfde ezel — die dus vrijwel onsterfelijk moet zijn geweest.4

  • In de ochtend stond Abraham vroeg op en nam Ismaël und Eliëzer en Isaak, zijn zoon, en zadelde de ezel. Deze ezel was de zoon van de ezelin, die in de avondschemering geschapen werd,5 zoals de Schrift zegt: In de ochtend stond Abraham vroeg op en zadelde zijn ezel […].Dat was ook de ezel waarop Mozes reed toen hij naar Egypte kwam […].7 En dezelfde ezel zal in toekomst door de zoon van David worden bereden, zoals geschreven staat: Juich, dochter Zions; jubel, Jeruzalem! Uw koning komt, een rechtvaardige en een helper; arm, en rijdende op een ezel, op een veulen, een ezelinnenjong. 8

De ezel is dus ook een messiaans dier: de zoon van David is immers de verwachte Messias. De Christenen zijn nog een stap verder gegaan. Voor hen was Jezus de Messias, die bij zijn intocht in Jeruzalem dan ook inderdaad op een ezel gereden moest hebben: Jezus zag een ezel staan en ging erop zitten, zoals geschreven staat: … [volgt ongeveer het vers uit Zacharia ].9

De vroege moslims hebben ijverig de bijbel gelezen en de daar aangetroffen verwijzingen naar de Messias of de Heilige Geest op Mohammed betrokken. Volgens hen moeten christen en joden dus uit hun Schrift geweten hebben dat Mohammed komende was, hoewel ze dat natuurlijk meestal loochenden. Was de bijbel dan van belang voor moslims? Jazeker! Zij of hun vaders waren ook christenen of joden geweest en ze vormden maar een kleine minderheid in de zee van hen die dat nog gebleven waren. Een hadith van de profeet beveelt uitdrukkelijk aan, van de joden over te leveren: haddithū ‘an Banī Isrā’īl. Bovendien namen de moslims bijbelverzen te baat in hun twistgesprekken met christenen en joden. Als de gebruikte teksten niet overeenstemden met de welbekende veranderden ze die — waarbij zij hunnerzijds natuurlijk meenden dat de joden en christenen ze vervalst of verdonkeremaand hadden.
.
De profeet als ezelrijder
Inderdaad bestaat er zoiets als een bijbelvers waarin Mohammed als ezelrijder wordt aangekondigd. Alleen moet u dat niet in de bijbel willen naslaan: het is honderd procent verzonnen, maar sluit in zijn vormgeving enigszins aan bij het hierboven geciteerde vers over de Zoon van David. Bashear10 heeft vier varianten ontdekt, waarvan ik alleen de makkelijkst verkrijgbare hier zal citeren:

  • […] Hij zal verschijnen in Mekka en deze stad [= Medina] zal de woonplaats van zijn hidjra zijn. Hij is de lachende, de dodelijke, die tevreden is met stukjes brood en een paar dadels, die op een ongezadelde ezel rijdt en rood in zijn ogen heeft; tussen zijn schouders is het Zegel des Profeetschaps en hij draagt een zwaard op zijn schouder […].11

.
De profeet als kameelrijder
Talrijker zijn de teksten waarin de verschijning van Mohammed als kameelrijder wordt aangekondigd. Ik citeer er maar één, omdat het anders te lang wordt. Een joodse tegenstander van Mohammed uit de Banū Nadīr herinnerde de joden eraan, dat ze een man met de volgende eigenschappen te verwachten hadden:

  • […] de lachende, de dodelijke, die rood in zijn ogen heeft, die uit het Zuiden komt, die op een kameel rijdt en een mantel draagt, die tevreden is met een stuk brood en zijn zwaard op zijn schouder heeft […]12

Waarom laat men de profeet eerst op een ezel en daarna op een kameel rijden? Als profeet stond Mohammed natuurlijk in dezelfde lijn als Jezus, maar misschien beviel diens messiaanse karakter de moslims niet. Hoewel Jezus in de koran ook Messias (masīh) wordt genoemd is volgens islamitisch geloof de masīh vooral degene die aan het einde der tijden komen zal om tesamen met de  Mahdī de Antichrist te verslaan. Dat wordt over Mohammed niet geloofd. Die was een normale mens, wordt niet voor de  masīh gehouden en moet dus ook geen trekken van deze vertonen.13
Een andere mogelijkheid is dat de auteurs van deze teksten het bescheidene van de ezel niet begrepen of waardeerden en een nobele kameel een profeet waardiger achtten dan een ezel.
Bovendien is de kameel een echt Arabisch dier en daarom passender. Er was ook een godgestuurde kamelin (al-nāqa al-ma’mūra) in Mohammeds leven: het dier waarop hij de hidjra van Mekka naar Medina heeft gemaakt en dat in Medina niet op de plek neerknielde die men hem aanwees, maar ergens waar het zelf besloot dat te doen — uiteraard op goddelijk bevel.
De vele ingewikkelde teksten over dit onderwerp zijn slecht te dateren, maar als de kameel-teksten inderdaad later zijn dan de ezel-teksten, dan heeft de wisseling van rijdier misschien te maken met de arabisering en ‘ontbijbeling’ van de vroege islam, waarover ik hier en hier al had geschreven.13  Een bijbels dier wordt door een echt Arabisch dier vervangen.

Mohammed en Jezus?

Mohammed en Jezus?

In veel teksten wordt zowel van een ezelrijder als van een kameelrijder gesproken. Volgens al-Fārisī (gest. 902), de auteur van een vroege verzameling profetenverhalen, was de bijbelse profeet Jesaja degene die voor voorzeggingen als de hierboven geciteerde verantwoordelijk was:

  • Er werd gezegd dat het Jesaja was, die de zaak van [de aankondiging van] Jezus en Mohammed was opgedragen. Hij zei tot Aelia, dat is een stad nabij al-Bayt al-Maqdis, genaamd Jeruzalem: ‘Verheug u, Jeruzalem: de ezelrijder zal tot u komen (d.i. Jezus); daarna zal de kameelman tot u komen (d.i. Mohammed).” 15

Hier worden in hetzelfde pseudovers uit Jesaja eerst Jezus en dan Mohammed aangekondigd, elk op een passend rijdier. Overigens staat er in Jesaja een echt vers, waarin met wat fantasie sprake is van een ezeldrijver en een kameelrijder: Ziet hij strijdwagens, met paarden bespannen, een troep ezels, een troep kamelen, laat hij dan toezien, nauwlettend toezien.16 Maar het daar voorkomende woord rèkèv , ‘troep ruiters’, werd door deze of gene ook als rokev ‘rijder, rijdend’ in het enkelvoud gelezen; het Hebreeuwse consonantenschrift laat dat toe. Dan zouden er inderdaad een ezelrijder en een kameelrijder aangekondigd zijn.

Er is een wilde woekering van nog veel meer teksten, die Bashear alle uitwerkt. Deze weinige dienen slechts als oriëntering in het onderwerp.

.
Umar als ezelrijder
Was de ezel als profetisch dier met Ya‘fūr uitgestorven, als messiaans dier heeft hij nog even voortgeleefd. ‘Umar, de tweede kalief (reg. 634–44), zou op een ezel van al-Djābiya op de Golanhoogten naar Jeruzalem gereden zijn. Nog afgezien daarvan dat hij waarschijnlijk nooit in Jeruzalem geweest is, is deze afstand zo lang dat een staatshoofd met een drukke agenda daarvoor nooit een ezel zou hebben gekozen. Er zijn inderdaad varianten van het verhaal volgens welke ‘Umar pas bij de Jordaan op een ezel zou zijn overgestapt. Een paard te nemen om indruk te maken op de Romeinen, zoals zijn entourage voorstelde, zou hij uit bescheidenheid uitdrukkelijk hebben geweigerd. De schrijvers van zulke ‘berichten’ zullen zeker het  messiaanse karakter van de ezel en van de intocht in Jeruzalem in hun hoofd hebben gehad. ‘Umar had immers de bijnaam Fārūq, in het Aramees parūqā, wat ‘verlosser’ betekent. ʿUmars rijdier wordt in ettelijke teksten besproken.17 Bij al-Tabarī vinden we tenslotte een compromistekst, volgens welke hij bij drie bezoeken aan Syrië op drie verschillende rijdieren zou hebben gereden: paard, kameel en ezel.18
.
Burāq
Tenslotte was er nog het rijdier Burāq, waarop Mohammed een hemelvaart (mi‘rādj) en een nachtelijke reis naar Jerusalem (isrā’) zou hebben gemaakt. Van dit dier bestaan beschrijvingen:

  • Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet […].19

In de woorden van de profeet zelf:

  • […] Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neerzette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.
    Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.20

Al-Buraf_Hafifa4816-357Burāq behoort tot de soort der vliegende mythologische viervoeters. Meestal betreft het vliegende paarden (Pegasus; het mongoolse windpaard), maar in India is er ook de vliegende koe Kamadhenu. En nu dus dit tussending tussen ezel en muildier. Van Burāq bestaan er veel afbeeldingen, maar die zijn erg laat ontstaan. Vaak heeft hij een mensengezicht gekregen; in India is er beïnvloeding door genoemde koe geweest.

Hebben deze reizen op Burāq werkelijk plaats gehad of alleen in een droom of visioen? De discussie daarover is al heel oud; ze is al te vinden in de biografie van de profeet door Ibn Ishāq (gest. 767).21 De altijd rationele korancommentator al-Tabarī (gest. 923) meent, dat de reizen wel echt lichamelijk moeten zijn geweest: om alleen een ziel te vervoeren was er immers geen rijdier nodig geweest.22

NOTEN:
1. Eisenstein, Maulesel und Esel, 104–106.
2. Bashear, Riding Beasts on Divine Missions.
3. Pirqe de Rabbi Eliezer 31. Deze tekst uit Palestina dateert van na 700. Hoe bekend hij was in islamitische kring weet ik niet.

השכים אברהם בבקר ולקח את ישמעל ואת אליעזר ואת יצחק בנו וחבש את החמור. הוא החמור בן האתון שנבראת בין השמשות שנא׳ וישכם אברהם בבקר ויחבש את חמורו והוא החמור שרכב עליו משה בבואו למצרים שנאמר ויקח משה את אשתו ואת בניו וגו׳ הוא החמור שעתיד בן דוד לרכוב עליו שנאמר גילי מאד בת ציון הריעי בת ירושלים הנה מלכך יבא לך צדיק ונושע הוא עני ורוכב על חמור ועל עיר בן אתונות.

4. In Koran 2:259 is sprake van een mens (profeet?), die God honderd jaar dood liet zijn en daarna weer opwekte, en zijn ezel eveneens. Een zeer raadselachtig vers, waarin ik mij nu niet wil verliezen.
5. De moeder van deze ezel, die in de avondschemering van de zesde scheppingsdag werd geschapen, was ook de ezelin waarop Bileam reed (Numeri 22:21–23).
6. Genesis 22:3.
7. Exodus 4:20.
8. Zacharia 9:9. Ik heb dit bijbelvers met opzet wat letterlijker vertaald dan ik anders zou doen, om straks de verbanden met andere teksten duidelijk te kunnen maken.
9. Johannes 12:13–15; ook Matteüs 21:1–6; Marcus 11:1–10; Lucas 19:28–35; Matteüs und Johannes verwijzen naar het vers uit Zacharia.
10. Bashear, o.c., 47–51. Bashear beschikte in Jeruzalem over een ongelooflijke bibliotheek, waarbij Europese bibliotheken zouden verbleken — als ze zich nog konden schamen.
11. Al-Madjlisī, Biḥār al-Anwār, volgens Bashear deel xv, 206, maar hij zegt niet in welke uitgave. In dit sji‘itische reuzenwerk kan ik trouwens toch nooit iets vinden. Ik beken, ik heb deze tekst gewoon uit het internet geplukt. Lezers die niet van sjiitische bronnen houden kan ik meedelen dat er ook ettelijke soennitische bestaan.

ان خروجه يكون مخرجه بمكة وهذه دار هجرته وهو الضحوك القتال ، يجتزي بالكسيرات والتمرات ويركب الحمار العاري ، في عينيه حمرة وبين كتفيه خاتم النبوة ، يضع سيفه على عاتقه

12. Al-Wāqidī, Kitāb al-maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 dln., London 1966, i, 367: أتاكم صاحبها الضحوك القتال في عينيه حمرة يأتي من قِبل اليمن يركب البعير ويلبس الشملة ويجترئ بالكسرة سيفه على عاتقه الخ
13. In de woordcombinatie al-masiḥ al-dadjdjāl heeft het woord zelfs een zeer ongunstige klank; het komt overeen met de naam Antichrist bij de christenen.
14. Bashear, o.c., 39–47.
15. R.G. Khoury, Les légendes prophétiques dans l’Islam […] d’après le manuscrit d’Abū Rifā‘a ʿUmāra b. Wāṯīma b. Mūsā b. al-Furāṭ al-Fārisi al-Fasawī, Kitāb bad’ al-Ḫalq wa-qiṣas al-anbiyā’ […], Wiesbaden 1978, S. 300. Ik heb twee kleine tekstveranderingen aangebracht.

وكان يقال ان أشعياء هو الذي عهد الي بني اسرائيل في أمر عيسى س ومحمد ص فقال لإيلياء وهي قرية قريبة من بيت المقدس واسمها أرشلم: ابشرى أرشلم سيأتيك راكب الحمار يعني عيسى س، ثم يأتيك من بعده صاحب الجمل، يعني محمد ص.

16. Jesaja 21:7. De Nieuwe Bijbelvertaling is hier niet letterlijk genoeg. וראה רכב צמד פרשים רכב חמור רכב גמל והקשיב קשב רב־קשב
17. Bashear, o.c., 68–71.
18. Muḥammad ibn Djarīr al-Ṭabarī, Taʾrīkh ar-rusul wa-’l-mulūk (Annales), uitg. M.J. de Goeje et al., Leiden 1879–1901, i, 2401: ‘In totaal is ‘Umar vier maal Syrië binnengereden: de eerste maal te paard, de tweede maal op een kameel, de derde keer heeft hij afgebroken omdat de pest woedde, en de vierde maal op een ezel.’

فجميع ما خرج عمر الى الشأم أربع مرات، فأما الأولى فعلى فرس، وأما الثانية فعلى بعير، وأما الثالثة فقصر عنها أن الطاعون مستعر، وأما الرابعة فدخلها على حمار.

19. Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, hrsg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 263; vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 79:

أتي رسول الله ص بالبراق – وهي الدابة التي كانت تحمل عليها الأنبياء قبله ، تضع حافرها في منتهى طرفها – فحمل عليها ، ثم خرج به صاحبه.

20. Ibn Isḥāq, o.c. 264; vertaling 80:

… فإذا دابة أبيض ، بين البغل والحمار ، في فخذيه جناحان يحفز بهما رجليه ، يضع يده في منتهى طرفه ، فحملني عليه ، ثم خرج معي لا يفوتني ولا أفوته
وحدثت عن قتادة أنه قال : حدثت أن رسول الله ص قال :  لما دنوت منه لأركبه شمس ، فوضع جبريل يده على معرفته ثم قال : ألا تستحي يا براق مما تصنع ، فوالله ما ركبك عبد لله قبل محمد أكرم عليه منه . قال : فاستحيا حتى ارفض عرقا ، ثم قر حتى ركبته.

21. Ibn Isḥāq, o.c. 264–5;  vertaling 81.
22. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij Koran 17:1:

ولا دلالة تدل على أن مراد الله من قوله : { أسرى بعبده } أسرى بروح عبده، بل الأدلة الواضحة والأخبار المتتابعة عن رسول الله  ص أن الله أسرى به على دابة يقال لها البراق؛ ولو كان الإسراء بروحه لم تكن الروح محمولة على البراق، إذ كانت الدواب لا تحمل إلا الأجسام .

BIBLIOGRAFIE:
Bashear, Suliman, ‘Riding Beasts on Divine Missions: An Examination of the Ass and Camel Traditions,’ JSS 37.1 (1991), 37–75.
Eisenstein, Herbert, ‘Die Maulesel und Esel des Propheten,’ Der Islam 62 (1985), 98–107.
Kister, Meir J., ‘Ḥaddithū ʿan Banī Isrāʾīla wa-lā ḥaraja. A Study of an early Tradition,’ in IOS 2 (1972), 215-39; online hier.
Rubin, Uri, The eye of the beholder. The life of Muḥammad as viewed by the early Muslims. A textual analysis, Princeton 1995, vooral S. 35–43.

Diakritische tekens: Yaʿfūr, haddiṯhū, Banū Naḍīr, masīḥ, al-Ṭabarī

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Verdiensten van de Gezellen: Abu Bakr vs. Umar en Ali

In mijn inleidende stuk over de Verdiensten der Gezellen had ik er al op gewezen hoe de reputatie en de status van de ‘gezellen van de profeet’ in sira-verhalen worden gemaakt of gebroken. De personen uit zijn omgeving over wie het meest werd gebakkeleid waren de eerste kaliefen. Daarom ben ik eens nagegaan hoe bij voorbeeld Abū Bakr, de eerste kalief (reg. 632–34) eraf komt in de teksten omtrent het sterfbed en de hidjra van de profeet. Zijn verdiensten blijken te contrasteren met die van twee latere kaliefen: ‘Umar en ‘Alī.
.
Het sterfbed van de profeet: Abū Bakr en ‘Umar
De laatste dagen van de profeet vormen een spannend hoofdstuk uit de biografie.1 De brandende vraag was: heeft de profeet een opvolger aangewezen of toch niet? Abū Bakr wás de opvolger van de profeet als staatshoofd, en het is dus interessant te kijken of daar in de teksten iets van te merken is. We zien zijn ‘koers’ op en neer gaan.
.
De profeet gaf tijdens zijn laatste ziekte opdracht dat Abū Bakr hem moest vervangen als imam die voorging in het gebed.2 Daaruit zou men eventueel kunnen concluderen dat ook een opvolging als imam in de zin van staatshoofd, kalief, was bedoeld.
.
Volgens twee berichten nam ‘Umar (de tweede kalief, reg. 632–34) de leiding van het gebed over, omdat Abū Bakr afwezig was. Kort daarop bleek echter dat dit niet de bedoeling was van de profeet en nam Abū Bakr de leiding alsnog over.3
Volgens een ander bericht was Abū Bakr zelfs op het moment dat de profeet stierf afwezig.4 Was hij ver weg, of had hij een belangrijke missie te vervullen zoals bij voorbeeld Usāma ibn Zayd, die een eind buiten de oase een veldtocht naar het noorden voorbereidde, maar op het kritieke ogenblik ijlings naar Medina kwam? Nee, Abū Bakr wilde slechts wat quality time met zijn vrouw doorbrengen in zijn huis aan de rand van Medina. Hij had daarvoor toestemming gevraagd en gekregen; toch maakt zijn afwezigheid geen fraaie indruk. Kan iemand die op kritieke ogenblikken niet aanwezig is de gemeenschap leiden? Het detail was blijkbaar niet te loochenen of weg te krijgen uit de overlevering. Maar nog niet alles was verloren op dit punt:
.
Al was Abū Bakr zelf niet bij het overlijden aanwezig, zijn familie was dat in sterke mate.5 Zijn dochter Aisha is zelfs de heldin van het sterfbed. Zij maakt grapjes met de profeet en zij is het die hem in zijn laatste dagen in huis neemt en verpleegt. In zijn laatste ogenblikken ziet de profeet een man in haar huis lopen met in zijn hand een twijgje van de soort die als tandenborstel (siwāk) werd gebruikt. Dat was natuurlijk een familielid, want vreemde mannen zijn in Aisha’s huis niet te verwachten. Eén overlevering noemt die man bij name: het was Aisha’s broer ‘Abd al-Rahmān. De profeet wenkt dat hij die tandenstoker wil hebben; Aisha kauwt hem voor en overhandigt hem aan de profeet. Daarna sterft deze aan Aisha’s borst. Meer intimiteit is niet mogelijk! Zo werd Abū Bakrs afwezigheid in dit verhaal door zijn familieleden enigszins gecompenseerd.
.
Na het overlijden van de profeet maakt Abū Bakr volgens de overlevering een goede beurt. Terwijl ‘Umar de kluts kwijt raakt en beweert dat de profeet niet echt dood is, bewaart Abū Bakr zijn kalmte en brengt de gemeente met behulp van een koranvers weer op het rechte spoor.6 Een geschikte leidersfiguur dus.
.
Abū Bakr en ‘Alī in de verhalen omtrent de hidjra
Hier wordt de werking van het principe ‘Verdiensten der Gezellen’ nog duidelijker. Van de bekendste sunnitische verhaalstof van Ibn Isḥāq over de hidjra, dat is de emigratie van de profeet naar Medina, en de voorbereidingen daartoe heb ik hier een deel vertaald.7 Het gedeelte over Abū Bakr stamt van ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 635–712), wiens moeder Asmāʾ was, een dochter van Abū Bakr. De beroemdste dochter van Abū Bakr, Aisha, was dus zijn tante. Het zal dus niet verbazen dat Abū Bakr en diens kinderen schitterende rollen spelen in zijn verhaal.
Vrijwel alle Moslims zijn al weg naar Medina, maar de profeet wacht nog in Mekka tot hij de toestemming van God krijgt om ook te gaan. Alleen Abū Bakr en ‘Alī8 zijn bij hem gebleven. Abū Bakr hoopt de profeet te mogen vergezellen op zijn gevaarlijke reis. Hij koopt alvast de kamelen waarop de profeet en hij de tocht kunnen volbrengen. De profeet verschijnt onverwacht in het huis van Abū Bakr om hem te zeggen dat hij samen met hem mag reizen. Asmā’ en Aisha zijn daarbij nadrukkelijk aanwezig. Intussen beramen de tegenstanders van de profeet een aanslag op hem. Als deze mislukt is en de profeet en Abū Bakr eenmaal de stad zijn ontvlucht verbergen zij zich enige dagen in een grot. Hiermee wordt soms het koranvers 9:40 in verband gebracht: فقد نصره الله إذ أخرجه الذين كفروا ثاني اثنين إذ هما في الغار […] God heeft hem al geholpen toen de ongelovigen hem samen met een tweede eruit zetten, toen zij beiden in de grot waren […].
Abū Bakr maakt zich wederom onmisbaar doordat hij met gevaar voor eigen leven de grot zuivert van ongedierte en schorpioenen. Zijn dochter Asmāʾ brengt proviand, zijn zoon ‘Abdallāh luistert af wat de mensen in Mekka zeggen en brengt dat ‘s avonds over aan de profeet in de grot. Kortom, het hele gezin van Abū Bakr wordt ingeschakeld en maakt zich buitengewoon verdienstelijk. Allen lopen daarbij aanzienlijke risico’s. Alleen Aisha is nog te jong om actief te worden, maar zij is wel bij het overleg aanwezig geweest en vertelt later het hele verhaal.
‘Alī was eveneens in Mekka achtergebleven, maar zijn rol bij de vlucht is een ondergeschikte: hij moet in het bed van de profeet overnachten om aldus de mannen te misleiden die de profeet in dat bed willen vermoorden. Na vertrek van de profeet en Abū Bakr bleef ‘Alī nog enkele dagen in Mekka achter om mensen de goederen terug te geven die ze bij de profeet in bewaring hadden gegeven. Twee eerzame, maar ondergeschikte karweitjes. Zo maakte hij de eigenlijke hidjra dus niet mee, en de intocht van de profeet in Medina evenmin.
Zonder Abū Bakr en zijn gezin had de hele hidjra niet kunnen plaatsvinden, lijkt ons dit verhaal over te willen brengen. Zonder ‘Urwa en zijn bron, zijn tante Aisha, was de geschiedenis heel anders uitgevallen.
.
Er bestaan echter ook versies van de hidjra-verhalen waarin Abū Bakr minder fraai optreedt, te laat komt of zelfs in de weg loopt, terwijl ‘Alī een glansrol speelt. Een korte, anonieme, kennelijk sjiïetisch geïnspireerde versie, die o.a. bewaard is bij al-Tabarī, vertelt het als volgt:
Abū Bakr wist blijkbaar niet dat de profeet al vertrokken was en ging ‘Alī vragen waar hij was. ‘Alī vertelde hem dat de profeet de stad had verlaten en in een bepaalde grot zijn toevlucht ging zoeken, en dat hij zich daar maar bij hem moest voegen. Abū Bakr begaf zich haastig daarheen, de profeet achterna. De profeet hoorde hem achter zich aan komen en was bang dat het een vijand was. Hij zette de pas erin, maar kreeg last van een kapotte sandaal en verwondde zijn grote teen. Abū Bakr was bang dat hij de profeet overlast zou geven en maakte zich kenbaar. Pas vanaf dat moment gingen ze samen verder, terwijl de voet van de profeet hevig bloedde.
‘Alī daarentegen gedroeg zich heldhaftig in de confrontatie met de vijanden die de profeet wilden doden. Zij gaven hem ter plaatse een pak slaag en zetten hem een tijdje gevangen, wat hij dapper doorstond.9
Een sjiïtisch verhaal, kortom. Het is ook bewaard in een papyrus uit de negende eeuw, dat echter teruggaat op de verteller → Wahb in Munabbih (± 654–730).10 Diens veel uitvoerigere verhaal bevat de volgende elementen:
.
Mohammed begeeft zich naar Abū Bakrs huis en vertelt over de samenzwering van Quraysh. Abū Bakr moet buiten gaan afluisteren wat de vijanden beramen. Hij volgt er twee, waarvan er een zelfs de duivel in persoon is. Abū Bakr brengt verslag uit van zijn gevaarlijke missie en vraagt toestemming mee te reizen. Die krijgt hij, waarop hij zich voorbereidt voor vertrek die avond.
De profeet laat intussen ‘Alī halen en hem zeggen dat hij in het bed van de profeet moet gaan slapen, om de samenzweerders te misleiden. Quasi terloops wordt hem ook gezegd dat hij Abū Bakr moet opdragen zich in een bepaalde grot bij hem te voegen. Ze gaan dus toch niet samen; dat is een vreemde breuk in het verhaal. De profeet weet te ontkomen; Abū Bakr gaat hem achterna, maar laat hem schrikken, zodat hij struikelt en zijn voet bloedt. Nu maakt Abū Bakr zich kenbaar. Samen gaan ze de grot binnen. Abū Bakr maakt met gevaar voor eigen leven de grot een beetje schoon en wordt door een schorpioen gestoken. De profeet moet nu zijn toverkracht (ruqya) aanwenden om hem te genezen. Kortom, Abū Bakr slooft zich uit, maar hij loopt het vertrek van de profeet mis, en deze heeft onderweg nogal wat met hem te stellen.
‘Alī had intussen in het bed van de profeet geslapen en treedt heldhaftig op tegen de samenzweerders. Zowel Abū Bakrs dochter Asmāʾ als ‘Alī brengen dagelijks levensmiddelen naar de grot; er is zelfs enige competitie tussen die beiden.
‘Alī krijgt de opdracht drie kamelen en een gids te gaan huren voor de verdere tocht. Bij de intocht in Medina wordt Abū Bakr helemaal niet vermeld; wel ‘Alī, die enkele dagen later aankomt.
.
Europese oriëntalisten voelen zich meestal verwant met de sunnitische islam; vandaar dat zij ook in dit geval al gauw zeggen dat ‘Urwa’s verhaal het oudste is en het andere een sjiïetische bewerking. Het kan zijn, maar het zou eventueel ook omgekeerd kunnen zijn. Men maakt zich er wat makkelijk van af.
De Shia, de ‘Partij van ‘Alī’, bestond al tijdens diens leven. Zijn recht op het kalifaat was van meet af aan en vooral na zijn dood in 661 voortdurend een hot issue, terwijl het gedachtengoed van ‘Urwa pas goed doorbrak na 690. Wahb stierf ± 728, maar zijn versie is er één die al een hele geschiedenis achter zich heeft. Er zitten duidelijk elementen van secundaire ‘Alī-pushing in, zoals het opzichtig ertussen proppen van ‘Alī’s rol bij de verwerving van kamelen en de voedselvoorziening in de grot, maar het is niet alléén ‘Alī wat de klok slaat. Er zitten ook wat ‘verdiensten van Abū Bakr’ in, die waarschijnlijk tot de kern van het verhaal behoorden. Wahbs verhaal is inderdaad een gemengde versie. De ongedateerde versie van al-Tabarī is veel eenzijdiger sjiïetisch. Het sjiïetische basisverhaal kán ouder dan ‘Urwa’s verhaal zijn geweest. Alleen een zorgvuldige vergelijking van alle versies zou hier verder kunnen brengen.
.
In ieder geval zal het duidelijk geworden zijn dat de ‘verdiensten’ van een bepaalde gezel van de profeet op en af gaan naar gelang van de politieke overtuiging van de verteller.

NOTEN
1. Onvolledige vertaling in Ibn Ishaak, Leven, 243–251, en ook hier. Arabische tekst: Ibn Isḥāq (Wüstenfeld), 999–1013; complete Engelse vertaling Guillaume, 678–683.
2. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1008; vert. Guillaume, 680, vert. Raven 247.
3. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1009 en 1010; vert. Guillaume, 681, vert. Raven 247 en 248.
4. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1010; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 249.
5. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1011; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 250 ; Raven, Chew stick, 593–598.)
6. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1012–13; vert. Guillaume, 682–3, vert. Raven 250–251. Zie ook Mohammeds bijzondere dood.
7. Onvolledige vert. in Ibn Ishaak, Leven, 100–109; Arabische tekst: Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 323–334; complete Engelse vertaling Guillaume, 221–227 .
8. ‘Alī ibn Abī Tālib, de latere vierde kalief, reg. 656–661; het uithangbord van de Sjiieten, die de eerste drie kaliefen illegitiem achten. Daarom is hij in de verhalen met terugwerkende kracht de verklaarde tegenspeler van Abū Bakr en ‘Umar. Hoe de mannen tegenover elkaar stonden tijdens hun werkelijke leven is uiteraard onbekend.
9. Al-Tabarī, Ta’rīkh i, 1233-4.
10. Khoury, Wahb i, 136–151.

LITERATUUR
Ibn Ishāq: 
Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 (Arabische tekst, editio princeps).
– A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– R. G. Khoury, Wahb b. Munabbih. Teil 1. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. Leben und Werk des Dichters. Teil 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih,“ BSOAS 37 (1974), 547–71.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih: An Addendum,“ BSOAS 40 (1977), 125–27.
– W. Raven, ‘The chew stick of the prophet in Sira and Hadith,’ in Anna Akasoy en Wim Raven (uitg.), Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation in Honour of Hans Daiber, Leiden 2008, 593–611. Online hier.

Diakritische tekens en tags: ʿĀʾisha, Aisja, Aicha, Umar, Omar, ʿUmar, ʿAlī ibn Abī Ṭālib, Abu Bakr ʿAbd al-Raḥmān, aṭ-Ṭabarī

Terug naar Inhoud

Koranverzen uitvergroot

Koranverzen kunnen in vertellingen worden vergroot en uitvergroot. Bevredigende Nederlandse termen voor deze processen ken ik niet; men spreekt wel van amplification, blow up of Erweiterung.
Het vergroten gebeurt in bepaalde vertellingen, die te vinden zijn in oude korancommentaren, maar ook in de biografie van Mohammed (*sīra) en de verhalen over de oudere profeten (qisas al-anbiyā’).
Zo’n vergroting gaat als volgt: iemand neemt de woorden van een koranvers en bouwt daaromheen een verhaaltje op.

Het koranvers 37:100–1: ‘Hij zei: Ik wil naar mijn Heer gaan, hij zal mij leiden. Mijn Heer, schenk mij een van de rechtschapenen. Daarop verkondigden Wij hem een zachtmoedige jongen,’ vinden we bij voorbeeld terug in het profetenverhaal over Ibrāhīm.

  • Toen Ibrāhīm [Abraham] de vriend Gods van zijn familie weggetrokken was en naar Syrië emigreerde, vlichtend met zijn religie, zoals God zegt: ‘Ik wil naar mijn Heer gaan,’ bad hij tot God dat Hij hem bij Sarah een zoon zou schenken uit de rechtschapenen: ‘Mijn Heer, schenk mij een van de rechtschapenen!’ Toen zijn gasten, de engelen, die naar de omvergeworpen stad gezonden waren, bij hem afstegen, verkondigden zij hem een zachtmoedige jongen.1

De cursief gedrukte woorden zijn korantekst; de rest is het verhaaltje eromheen. In deze vorm zou het in het jodendom denk ik midrasj heten. De bedoeling is kennelijk het vers uit te leggen door er op speelse wijze iets omheen te vertellen, en om het in het grotere geheel van de heilsgeschiedenis te plaatsen.

————————
Aan het sterkere uitvergroten (blow up) denk ik, wanneer een koranvers de basis vormt van een verhaal, dat wel twee of meer bladzijden in beslag kan nemen. Woordelijke citaten uit het koranvers hoeven niet voor te komen. Een voorbeeld is het verhaal over de Duivelsverzen. Dit heeft als bron koran 22:52: ‘Wij hebben vóór jou geen gezant of profeet gezonden, zonder dat Satan hem, wanneer hij iets wenste, iets volgens zijn wens had ingegeven. Maar God schaft af wat Satan ingeeft, en dan stelt God zijn verzen vast.’
Het verhaal eromheen zal ik nu kort samenvatten; in zijn complete vorm vindt U het hier.
‘wanneer hij iets wenste’: Mohammed wilde zijn ongelovige Mekkaanse stadgenoten, die hem dwars zaten en vervolgden, tegemoet komen door hun drie godinnen te erkennen.
‘dat Satan hem iets volgens zijn wens had ingegeven’: hij kreeg door Satan twee valse koranverzen ingegeven, die hij invoegde in soera 53. De Mekkanen waren er blij om.
‘maar God schaft af wat Satan ingeeft’: Gabriël verscheen bij de profeet om hem bestraffend toe te spreken en de foute verzen weer te vernietigen.
‘dan stelt God zijn verzen vast’: de profeet krijgt het juiste vervolg van soera 53 geopenbaard.

Een ander voorbeeld: het verhaal over de samenzwering van de ongelovige Mekkanen, die zich van Mohammed willen ontdoen, aan de vooravond van de hidjra. Het hele verhaal vindt U hier vertaald.
De bron is koran 8:30: ‘En toen degenen die ongelovig waren plannen maakten om je vast te zetten of je te doden of je te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’
Een samenvatting van het verhaal laat zien hoe het samenhangt met het koranvers:
‘degenen die ongelovig waren plannen maakten’: de gemeenteraad komt samen in het raadhuis om een plan te smeden. Satan is ook aanwezig.
‘om je vast te zetten’: één van de voorstellen in de raad is, de profeet gevangen te zetten en te laten verhongeren.
‘of je te verdrijven’: een ander voorstel is, hem de stad uit te gooien.
‘of je te doden’: het derde en laatste voorstel (in het koranvers het tweede) wordt door Satan goedgekeurd: ze zullen hem met twaalf man doden, om de bloedschuld te spreiden.
‘Zij maakten plannen’: verwijst nogmaals naar de beraadslaging.
‘en God maakte plannen’: God heeft een tegenplan. Ali moet in de profeet zijn bed gaan slapen. De tegenstanders worden tijdelijk blind gemaakt, zodat zij de profeet niet kunnen zien terwijl deze ontsnapt.
‘God is de beste plannenmaker: natuurlijk slaagt Gods list en de profeet kan ontkomen.

Wat minder duidelijk is het verhaal van de vroegste moslim emigranten bij de Negus van Ethiopië. Maar als men de andere voorbeelden gezien heeft wordt toch wel zichtbaar, dat in dit geval hetzelfde bedoeld was.
Koran 3:199 luidt: ‘Onder de mensen van de Schrift is er een die in God gelooft en in wat u is geopenbaard, en in wat hun is geopenbaard, terwijl zij zich deemoedig aan God onderwerpen. Zij verkopen de tekenen Gods niet voor een lage prijs. Zij zijn het, die hun loon bij hun Heer hebben. God is snel met de afrekening.’
‘Onder de mensen van de Schrift is er een die in God gelooft en in wat u is geopenbaard en in wat hun is geopenbaard […]’: de koran komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Jezus; de geloofsbelijdenis van de negus over Jezus komt overeen met wat de koran over hem zegt.
‘Zij verkopen de tekenen Gods’: de moslims om wier uitlevering was gevraagd.
‘niet voor een lage prijs’: voor de geschenken van Quraysh.
‘God is snel met afrekening’, namelijk door de negus na een burgeroorlog de macht in zijn land terug te geven.

Er zijn in al deze verhalen telkens elementen die niet koranisch zijn. Mogelijk was de stof oorspronkelijk zelfs geheel niet koranisch, maar de opzet van de verhalen in déze vorm volgt steeds tamelijk precies die van de verzen.
In de sīra zijn er nog meer plekken waar een koranvers de basis vormt van een verhaal. Het zal duidelijk zijn dat het weinig zin heeft, in gevallen als deze naar harde historische feiten te zoeken. De bedoeling is het vers te verklaren, en … gewoon te vertellen.

Noot:
1. Ath-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyā’, Beirut 2004, S. 95 infra.

Terug naar Inhoud

De hidjra van de profeet volgens Ibn Ishaq (vertaalde tekst)

““Na het vertrek van zijn gezellen wachtte de profeet in Mekka op Gods toestemming om ook zelf te emigreren. Behalve ‘Alī en Abū Bakr bleef geen van de Emigranten in Mekka achter, met uitzondering van hen die gevangen zaten en degenen die tot afval waren gedwongen. Abū Bakr vroeg de profeet meermalen of hij al mocht emigreren, maar dan kreeg hij ten antwoord: ‘Haast je niet; misschien zal God je een reisgenoot geven.’ Dan hoopte Abū Bakr dat het de profeet zelf zou zijn.

Toen de Qurayshieten merkten dat de profeet aanhangers en vrienden buiten hun stam en buiten hun gebied had en dat zijn gezellen daarheen vertrokken waren, begrepen ze dat zij daar een woonplaats en beschermers hadden gevonden. Nu werden ze bang dat ook de profeet zich bij hen zou voegen, want zij wisten dat hij had besloten oorlog tegen hen te voeren. Daarom kwamen ze bij elkaar in de raadszaal—dat was het huis van Quṣayy ibn Kilāb, waar alle belangrijke besluiten van Quraysh werden genomen—om te beraadslagen wat ze moesten doen met de profeet, nu ze hem te duchten hadden.

Een van onze vrienden, een betrouwbare man, heeft ons bericht van ‘Abdallāh ibn abi Nadjīḥ, die zich beriep op Mudjāhid, en nog een ander onverdacht persoon die ‘Abdallāh ibn ‘Abbās aanhaalde, heeft eveneens verteld: Toen zij daartoe hadden besloten en hadden afgesproken dat ze in de raadszaal zouden vergaderen over de profeet, kwam op de ochtend van de vastgestelde dag—die de dag der Menigte (al-zaḥma) genoemd wordt—de duivel bij hen, in de gedaante van een waardige grijsaard, die was gekleed in een ruige mantel. Toen zij hem bij de deur zagen staan vroegen zij wie hij was. Hij antwoordde dat hij uit de Nadjd kwam, dat hij van hun afspraak had gehoord en was gekomen om zijn oor te luisteren te leggen en hun wellicht goede raad te geven. Hij werd binnengelaten en daar trof hij de edelen van Quraysh in vergadering bijeen. […] Zij stelden vast dat zij, nu Mohammed aanhangers had buiten hun stam, niet langer veilig waren voor een onverhoedse aanval en dat er dus iets ondernomen moest worden. Tijdens de beraadslaging zei iemand: ‘Sla hem in ijzeren boeien, doe de deur op slot en wacht rustig af tot hij dezelfde dood sterft als de dichters Zuhayr en Nābigha en anderen van zijn slag.’ ‘Nee, dat is geen goed plan,’ zei de oude man uit de Nadjd. ‘Als jullie hem gevangen zetten, dan lekt dat uit: zijn gezellen zullen ervan horen en zullen waarschijnlijk onmiddellijk aanvallen en hem bevrijden; dan zal hun aantal zo toenemen dat zij jullie de baas worden. Nee, dat is geen goed plan; jullie moeten iets anders bedenken.’ Toen zei iemand: ‘Laten we hem wegjagen uit ons gebied. Als hij hier eenmaal vandaan is kan het ons niet schelen waar hij heen gaat en waar hij terechtkomt. Als we eerst maar van hem af zijn, dan kunnen wij onze oude eendracht herstellen.’ ‘Ook dit is geen goed plan,’ zei de oude man, ‘zien jullie niet met wat voor mooie verhalen hij komt, hoe goed hij spreekt en hoe hij de mensen in zijn ban houdt met zijn boodschap? Als jullie dat doen zal hij misschien neerstrijken bij een bedoeïenenstam en hen met mooie woorden overhalen naar zijn kant. Dan trekt hij met hen op en verslaat jullie in je eigen gebied; dan krijgt hij hier de macht in handen en zijn jullie aan zijn genade overgeleverd. Nee, bedenk liever een ander plan.’ Toen zei Abū Djahl ibn Hishām dat hij een idee had waar nog niemand op was gekomen: ‘We nemen uit iedere stam een aanzienlijke, sterke jonge man en geven hem een scherp zwaard. Die gaan met hun allen op hem af en doden hem met één klap; dan zijn wij van hem af, want zo wordt de bloedschuld verdeeld over alle stammen; het geslacht ‘Abd Manāf kan het nooit opnemen tegen hen allen, zodat ze genoegen moeten nemen met een bloedgeld, en dat betalen we dan.’ ‘Dat is het!’ zei de oude man uit de Nadjd, ‘er is geen beter plan dan dit.’ Met dit besluit gingen ze uiteen.

Intussen kwam Djibrīl bij de profeet en zei tegen hem, dat hij die nacht niet in zijn eigen bed moest gaan slapen. Nadat er een deel van de nacht verstreken was verzamelden die mannen zich bij de deur van Mohammeds huis om te kijken of hij al sliep; dan zouden ze hem overvallen. Maar de profeet zag hen en zei tegen ‘Alī: ‘Ga jij in mijn bed slapen en hul je in deze groene Hadramitische mantel, want jou zullen ze niets doen.’ Dat was de mantel waarin de profeet gewoonlijk sliep. De rest van het verhaal geef ik in de overlevering van Muḥammad ibn Kaʿb de Qurayẓiet, zoals Yazīd ibn Ziyād mij die heeft doorgegeven: Toen zij zich allemaal bij de deur hadden verzameld zei Abū Djahl tegen hen: ‘Mohammed beweert dat je, als je hem volgt, koning over Arabieren en Perzen wordt, en dat je na je dood wordt opgewekt en dat je een tuin krijgt zo mooi als de tuinen van de Jordaan, maar dat je afgeslacht wordt als je hem niet volgt en dat je dan na je dood zal branden in het hellevuur.’ Hierop kwam de profeet naar buiten, met in zijn handen wat stof, en zei: ‘Zo is het, en dat geldt ook voor jou.’ God had hun gezichtsvermogen weggenomen, zodat ze hem niet konden zien, en hij begon dat stof uit te strooien over hun hoofden, terwijl hij uit soera ‘Yā’ Sīn’ reciteerde: „Yā’ Sīn. Bij de wijze koran. Jij bent werkelijk een van de gezondenen, op een rechte weg. De openbaring van de Geweldige, de Barmhartige […]“, tot de woorden: […] „en Wij hebben hen bedekt, zodat zij niet kunnen zien.“ [36:1–9] Nadat hij deze verzen had gereciteerd, had hij bij iedereen stof op het hoofd gelegd en ging ongehinderd weg. Er kwam iemand langs die niet bij die mannen behoorde; deze vroeg waarop ze stonden te wachten. Toen ze zeiden dat ze Mohammed opwachtten zei hij: ‘Maar jullie plan is verijdeld! Mohammed is net naar buiten gekomen, heeft stof op jullie hoofd gelegd en is weggegaan. Zien jullie dan niet hoe je eraan toe bent?’ Nu grepen ze naar hun hoofd en voelden het stof. Ze gingen op onderzoek uit en zagen ‘Alī op het bed liggen, gehuld in de mantel van de profeet, en ze zeiden: ‘Maar daar ligt Mohammed toch te slapen onder zijn mantel?’ Dus bleven ze daar tot de ochtend, en toen het ‘Alī bleek te zijn die uit het bed stapte zeiden ze: ‘God allemachtig, dan had die man toch gelijk!’ Over deze dag en over dat besluit van hen heeft God onder andere geopenbaard: ‘En toen degenen die ongelovig zijn een aanslag tegen jou beraamden, om je vast te zetten of te doden of te verdrijven. Zij maakten plannen en God maakte plannen, maar God is de beste plannenmaker.’ [8:30] en: ‘Of zij zeggen: ‘Een dichter; wij zullen afwachten wat het wisselvallige noodlot met hem zal doen. Zeg: ‘Wacht maar af; Ik wacht met u mee.’’ [52:30]

Toen gaf God zijn profeet toestemming tot de hidjra. Abū Bakr, die een vermogend man was, had met het oog op de hoopgevende uitlatingen van de profeet alvast twee rijdieren gekocht, ze op zijn binnenplaats opgesloten en ze goed gevoederd. Een man die ik vertrouw heeft van ‘Urwa ibn Zubayr vernomen dat Aisha heeft gezegd: De profeet kwam altijd naar het huis van Abū Bakr in de vroege ochtend of in de avond. Maar op de dag dat hij toestemming kreeg tot de hidjra uit Mekka, kwam hij ’s middags bij ons, op een ongebruikelijk uur. Zodra Abū Bakr hem zag begreep hij dat er iets aan de hand was. De profeet kwam binnen en mijn vader bood hem zijn zitplaats aan. Alleen mijn zuster Asmāʾ en ik waren erbij, en de profeet vroeg aan mijn vader ons weg te sturen. ‘Maar waarom? Dit zijn mijn twee dochters,’ zei Abū Bakr. Toen deelde de profeet mee dat hij toestemming had gekregen om te vertrekken. ‘Samen?’ vroeg Abū Bakr. ‘Ja, samen,’ antwoordde hij. Ik had nog nooit iemand van vreugde zien huilen, totdat ik mijn vader zag huilen op die dag. Hij vertelde over de twee kamelen die hij klaar hield. Zij huurden ‘Abdallāh ibn Arkaṭ, die toen nog heiden was, als gids en gaven hem de beide kamelen om ze te verzorgen tot het afgesproken tijdstip. Naar verluidt wist niemand van het vertrek van de profeet, behalve ‘Alī en Abū Bakr en diens gezin. ‘Alī was door de profeet op de hoogte gebracht en had opdracht gekregen, in Mekka achter te blijven om namens hem de mensen hun waardevolle voorwerpen terug te geven die ze bij hem in bewaring hadden gegeven. Want iedereen in Mekka die iets bezat waarom hij zich zorgen maakte deponeerde dat bij de profeet, omdat die bekend stond als eerlijk en betrouwbaar.

Toen de profeet besloot te vertrekken ging hij naar Abū Bakr. Door een raampje aan de achterkant van Abū Bakrs huis verdwenen ze. Zij begaven zich naar een grot in de Thawr, een berg beneden Mekka, waar zij zich verborgen. Abū Bakr droeg zijn zoon ‘Abdallāh op om overdag te gaan afluisteren wat de mensen over hen zeiden en ’s avonds het nieuws van die dag te komen melden. Zijn vrijgelaten slaaf “Āmir ibn Fuhayra gaf hij opdracht, overdag zijn kudde te hoeden en die ’s avonds bij hen in de grot te brengen. Zijn dochter Asmāʾ bracht hun ’s avonds het nodige voedsel. De profeet bleef drie dagen in de grot, met Abū Bakr. De mannen van Quraysh loofden intussen honderd kamelen uit voor degene die hun de profeet in handen zou spelen. ’s Avonds bracht ‘Abdallāh verslag uit van wat ze in Mekka bespraken en beraamden, en ‘Āmir kwam met het vee van Abū Bakr, dat hij samen met de herders van de Mekkanen had geweid, naar de grot, waar ze het molken en er een beest van slachtten. Als ‘Abdallāh ’s morgens naar Mekka ging volgde ‘Āmir hem met de kudde om zijn sporen uit te wissen. Toen er zo drie dagen voorbij waren gegaan en de aandacht van Quraysh verslapte, kwam de man die zij hadden gehuurd met hun kamelen en nog een kameel voor zich zelf, terwijl Asmā’ hun voedsel kwam brengen voor onderweg; zij had echter vergeten een touw mee te brengen, zodat zij de zak niet op de kameel kon binden. Toen maakte zij haar gordel los en gebruikte die als touw. Daarom kreeg zij de bijnaam: ‘zij van de gordel’. Abū Bakr toonde de profeet de beide dieren en bood hem het beste aan om te berijden. Maar de profeet weigerde een kameel te berijden die niet van hem was. Toen Abū Bakr hem het dier wilde schenken weigerde hij dat ook, en vroeg voor hoeveel hij het gekocht had; voor die prijs nam hij het over. Ze gingen op weg, en Abū Bakr nam zijn vrijgelatene ‘Āmir ibn Fuhayra achterop, zodat die hen onderweg kon bedienen.

Niet af; hier hoort nog een groot tussenstuk.@@

Hun gids, ‘Abdallāh ibn Arkaṭ,@ leidde hen onder Mekka, langs de kust, onder ‘Usfān voorbij. Vervolgens ging het langs Amadj en verder langs Koedaid@. Daarna vermeed hij de weg en voerde hen via Kharrār en de Marra-pas naar Liqf. Vandaar langs de waterput van Liqf, omlaag naar die van Mahādj; toen naar Mardjiḥ Mahādj, en omlaag naar Mardjih in Dhū al-Ghadwayn, door het dal van Dhū Kashr, over Djadādjid, Adjrad, Dhū Salam in het dal A‘dā’, de waterput van Ta‘hin, over ‘Abābīd; toen via Fāddja. Toen leidde de gids hen van ‘Ardj naar de ‘Ā’ir-pas, rechts van Rakūba tot in het dal van Riʾm, en ten slotte bereikten zij Qubāʾ, bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf op maandag 12 rabīʾ al-awwal, precies op het middaguur.

Muḥammad ibn Dja‘far ibn Zubayr doet het volgende verhaal van ‘Urwa ibn Zubayr dat deze heeft vernomen van ‘Abdallāh ibn ‘Uwaymir ibn Sā‘ida, dat gezellen van de profeet uit zijn stam hem hebben verteld: Zodra wij hadden gehoord van Mohammeds vertrek uit Mekka verlangden wij vurig naar zijn aankomst. Na het ochtendgebed gingen wij altijd naar het lavaveld buiten Medina om hem op te wachten; wij bleven daar tot er helemaal geen schaduw meer was en wij wel moesten terugkeren, want het was in het hete jaargetijde. Ook op de dag dat de profeet aankwam waren wij daar geweest, maar toen hij eraan kwam waren wij al teruggegaan om binnen in de schaduw te gaan zitten. De eerste die hem zag was een jood. Deze had gezien hoe wij dagelijks de komst van de profeet verwachtten. Hij riep zo hard hij kon: ‘Mannen van Qayla, jullie geluk is gekomen!’ Toen kwamen wij naar buiten en troffen de profeet aan in de schaduw van een palm, met naast zich Abū Bakr, die van dezelfde leeftijd was. De meesten van ons hadden de profeet nog nooit gezien, en toen onze mensen samendromden rondom hen, wisten ze niet wie van de twee het was. Pas toen hij in de volle zon kwam te zitten en Abū Bakr opstond om hem schaduw te bieden met zijn bovenkleed begrepen wij het. Naar verluidt nam de profeet zijn intrek bij Kulthūm ibn Hidm, een broeder van de stam ‘Amr ibn Awf, iemand uit het geslacht ‘Ubayd; maar volgens anderen bij Sa‘d ibn Khaythama. Degenen die menen dat het bij Kulthūm was, zeggen dat de profeet het huis van ʿalleen heeft bezocht, en wel omdat deze ongetrouwd was en geen gezin had en hij de ongehuwde Emigranten herbergde, en dat zo het gerucht is ontstaan dat de profeet bij Sa‘d inwoonde. Diens huis wordt ook wel genoemd: het vrijgezellenhuis. Maar God weet het best hoe het gegaan is. Abū Bakr ging in Sunḥ wonen, bij Khubayb ibn Isāf, van het geslacht Ḥārith ibn Khazradj; volgens anderen bij Kharidja ibn Zayd. ‘Alī was nog drie dagen in Mekka gebleven om namens de profeet alle in bewaring genomen voorwerpen terug te geven; daarna voegde hij zich bij de profeet en woonde met hem bij Kulthūm. De profeet bleef bij de stam ‘Amr ibn ‘Awf te Qubāʾ van maandag tot donderdag en legde daar de hoeksteen voor een moskee. Op vrijdag liet God hem vandaar vertrekken (al beweren de mensen van ‘Amr dat hij langer bij hen bleef; maar God weet het het beste). Het vrijdagsgebed verrichtte hij bij het geslacht Sālim ibn ‘Awf. Hij verrichtte het in de moskee in het diepst van het rivierdal Ranūnāʾ. Dat was het eerste vrijdagsgebed die hij in Medina verrichtte. Toen hij verder trok kwamen er telkens vertegenwoordigers van de verschillende clans naar hem toe die hem vroegen of hij bij hen wilde blijven en hun bezit en bescherming wilde aanvaarden, maar hij antwoordde: ‘Laat mijn kameel gaan, want hij staat onder Gods bevel!’ Zo trok de kameel verder, van de ene woonstee naar de andere, tot hij bij het geslacht Mālik ibn Nadjdjār kwam, waar hij neerknielde bij de poort van de moskee. Destijds was dat een plaats waar dadels gedroogd werden, die toebehoorde aan twee wezen uit de stam Nadjdjār, die onder voogdij stonden van Mu‘ādh ibn ‘Afrā’, namelijk Sahl en Suhayl ibn ‘Amr. Daar de profeet echter niet afsteeg, stond de kameel weer op en liep een eindje verder, waarbij de profeet de teugel vrij liet en hem niet leidde. Maar de kameel keerde om, ging terug naar diezelfde plek en knielde neer. Hij wilde weer overeind komen, maar kon het niet en bleef liggen met zijn voorlijf op de grond. Toen steeg de profeet af. Abū Ayyūb Khālid ibn Zayd droeg zijn bagage zijn huis binnen en de profeet nam bij hem zijn intrek. Hij informeerde naar de droogvloer en Mu‘ādh vertelde hem dat die toebehoorde aan die twee wezen, maar dat hij hem als moskee in gebruik kon nemen en dat hij de beide jongens schadeloos zou stellen. De profeet gaf opdracht, daar een moskee te bouwen en bleef bij Abū Ayyūb tot de moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. De profeet nam zelf ook deel aan de arbeid, om de moslims aan te moedigen. Zowel de Emigranten uit Mekka als de Helpers uit Medina werkten er onvermoeibaar aan. De profeet bleef in Medina van de maand rabīʾ al-awwal tot de maand ṣafar van het volgende jaar, toen zijn moskee en zijn woonvertrekken voltooid waren. Deze stam der Helpers nam in zijn geheel de islam aan, en er was geen huis waarvan de bewoners zich niet bekeerden. Alleen Khaṭma, Waqif, Wā’il en Umayya, die samen de Aws Allāh vormen, een deel van de stam Aws, volhardden in hun heidendom’’’’

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 323–329; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 100–106.

Ga naar De hidjra in de koran      De hidjra volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

Terug naar Inhoud