De liefdesdood van Ibn Dawud

Ibn Dawud, voluit genoemd Abū Bakr Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī (868–910), zou aan onvervulde liefde zijn gestorven. Daarover bestaat een anekdote, waarvan ik drie varianten heb gevonden.

De klassieke, of liever gezegd: meest geciteerde versie noem ik Versie 1:
[Lange  isnad …] – van Ibrāhīm ibn ‘Arafa Niftawayh: Ik bezocht Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī gedurende het ziekbed waaraan hij is gestorven, en vroeg hem:
– Hoe voel je je nu?
Hij antwoordde:
– De liefde voor je-weet-wel-wie heeft mij in de toestand gebracht die je ziet.
– Wat heeft je belet van hem te genieten zolang dat nog kon?
– Het genieten heeft twee kanten: de verboden wellust en het toegestane kijken. Dat laatste heeft me in de toestand gebracht die je ziet. En van de verboden wellust heeft mij de hadith afgehouden die mijn vader mij heeft overgeleverd van Suwayd [… volgt isnad die teruggaat tot] – de Profeet: ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, het verbergt, kuis blijft en daarin volhardt, die schenkt God vergiffenis en die voert hij in het paradijs binnen.’
Daarop droeg hij enige verzen voor van zijn eigen hand:

  • Kijk naar de tover in zijn ogen,
  • kijk naar de zwartheid in zijn lome blik.
  • Kijk naar de haartjes op zijn wang,
  • verstrooid als mieren kruipend op ivoor.

en eveneens:

  • Wat hebben ze tegen het zwart op zijn wangen
  • terwijl ze bloeiende takken niets verwijten?
  • Als het zwart op zijn wangen een schande is,
  • zijn oogleden dat ook voor de ogen. 1

Ik zei tegen hem:
– Je gebruikt je dus geen analogieën in het recht, maar wel in de poëzie?
– Ja, daartoe ben ik gekomen door het bedwingen van de hartstocht en het beheersen der lust.
Hij stierf nog in diezelfde nacht, of op de dag daarna.2

Versie 2. Een variant op hetzelfde verhaal gaat als volgt:
Al-Marzubānī zegt […] – Tussen Abū ‘Abdallāh Niftawayh en Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī bestond een hechte genegenheid en een volmaakt eerlijke gehechtheid. Ibn Dāwūd  was verliefd op Abū al-Husayn Muhammad ibn Djāmiʿ al-Saydalānī, wat tot zijn dood leidde.
Ibn ‘Arafa Niftawayh heeft gezegd: Ik bezocht hem gedurende het ziekbed waaraan hij is gestorven, en vroeg hem:
– Wat is er met u, mijn heer?
Hij antwoordde:
– De liefde voor je-weet-wel-wie heeft mij in de toestand gebracht die je ziet.
– Wat belet je van hem te genieten zolang je nog kan?
– Het genieten is het in twee soorten: één verboden en één toegestaan. Wat betreft de verboden soort, God beware mij daarvoor!, en de toegestane soort heeft mij in deze toestand gebracht.
Daarop zei hij: Suwayd [… volgt isnad die teruggaat tot] – de Profeet heeft gezegd: ‘Wie liefheeft, kuis blijft, het verbergt en dan sterft, die sterft als martelaar.’ Daarop verloor hij het bewustzijn, en toen hij weer bijkwam opende hij zijn ogen. Ik zei:
– Ik zie dat je hart nu rustiger klopt en je voorhoofd niet meer zo bezweet is; dat is een teken van goede gezondheid.
Maar hij hief aan en reciteerde:

  • Ik zeg tot mijn beide vrienden, die trachten mij te troosten
  • en die misleid zijn door mijn nu kalme voorhoofd:
  • ‘Zoek troost in volharding voor het verlies van je broeder,
  • begin maar met bidden en laat mij met rust.
  • Ik ben niet opgehouden te kreunen omdat mijn ziekte afneemt,
  • ik ben te zwak geworden om te kreunen.’ 1

Hij stierf nog in diezelfde  nacht; dat was in het jaar 297 [= 909 AD].
De mensen zeggen dat Niftawayh daaronder zeer leed, ontroostbaar was en een jaar lang geen bijeenkomsten hield. Na dat jaar verscheen hij weer en hield bijeenkomsten. Toen hij daarop werd aangesproken antwoordde hij: ‘Abū Bakr ibn Dāwūd heeft mij eens gezegd, toen wij discussieerden over het nakomen van de plichten der vriendschap: ‘Het minste dat iemand voor een vriend kan doen is rouw dragen3 gedurende één jaar, naar het vers van Labīd:

  • Tot een jaar; dan het woord: ‘Vaarwel!’
  • Wie een vol jaar weent is verontschuldigd.

Wij hebben dus een jaar om hem getreurd, zoals hij bedongen had.4

Versie 3:
Toen Ibn Dāwūd al op de rand van de dood was, kwam Ibrāhīm ibn ‘Arafa Niftawayh hem bezoeken en zei: ‘Abū Bakr,5 wat is dit, terwijl je toch kunt en je geliefde ook wil?’ Hij antwoordde: ‘Dit is de laatste dag van mijn leven in deze wereld. Moge God Mohammeds voorspraak verre van mij houden als ik ooit mijn broek open knoop voor iets verbodens. Mijn vader heeft mij heeft overgeleverd met een *isnad tot Ibn ‘Abbās : ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, het verbergt, kuis blijft en daarin volhardt en dan sterft, sterft als een martelaar en God voert hem het paradijs binnen.’6

——

Ik moet U teleurstellen: dit sterfbed heeft zo niet plaats gevonden. De anekdote is volgeladen met motiefjes uit Ibn Dawuds boek Kitāb al-Zahra en met opvattingen over juridische zaken die van hem bekend waren.
Zo lang je nog kon: ‘Wie van verboden handelingen wordt afgehouden door zijn onvermogen ze te doen verdient geen dank,’ zegt Ibn Dawud in zijn Zahra.7 Kuisheid zonder in staat te zijn tot het tegendeel is dus ook niet zedelijk waardevol.
De toegestane blik kan een juridische mening van Ibn Dāwūd zijn geweest. Terwijl de meeste rechtsscholen één, hoogstens twee maal een toekomstige huwelijkspartner in het gezicht zien voor geoorloofd houden, zou Ibn Dāwūd dit altijd voor geoorloofd hebben gehouden. Het zou kunnen, maar het kan ook zijn dat dit standpunt is gedistilleerd uit zijn Kitāb al-Zahra, waar de functie van de blik in de liefde uitvoerig wordt behandeld. Reeds de titel van het eerste hoofdstuk luidt: ‘Veel aankijken leidt tot lang zuchten’.8
De wellust met andere personen dan een huwelijkspartner of slavin is volgens de sharia-geleerden verboden, hoewel in die tijd niemand zwaar tilde aan seks met een man of opgroeiende jongeling. Of Ibn Dāwūd daar bij uitzondering wél zwaar aan tilde is niet bekend. Waarschijnlijker is dat de verteller door te verwijzen naar het verboden karakter van zijn liefde de zaak wat pikanter wilde maken. In Versie 3 wordt de wellust wel erg grof aangeduid (‘… broek openknoop’). Zoiets komt in dit soort literatuur normaal niet voor.
Zeer voor de hand lag het gebruik van de beroemde liefdeshadith (hadīth al-‘ishq) die de kuisheid propageert, omdat die door Ibn Dāwūd zelf (in een iets andere versie) in zijn Kitāb al-Zahra is verbreid. Ook hierom moet hij beroemd zijn geweest. De titel van het hoofdstuk waarin hij de liefdeshadith citeert luidt: ‘Een verfijnd man dient kuis te leven.’ 9
In die hadith kwam tevens het motief geheimhouding aan de orde. In bovenstaande anekdote vinden we de geheimhouding terug in de woorden: ‘Mijn liefde voor je-weet-wel-wie’. In versie 2 wordt weliswaar de naam van de geliefde genoemd, maar dat is in het voorwerk; niet in de eigenlijke anekdote.
Poëzie op het sterfbed. Voor het sterven moet er nog wat poëzie worden voorgedragen, zoals bij ons in de opera een stervende met zijn laatste adem nog graag een aria zingt. De gedichtjes lijken niet op de poëzie die we elders van Ibn Dāwūd lezen. De vertellers hebben zomaar wat versjes ingevoegd; in de beide versies verschillende. Jonge jongens met beginnende baardgroei worden in de Arabische poëzie vaak bezongen, maar bij Ibn Dāwūd niet.
Analogie. Het ziekenbezoek komt tot een scherpzinnige analyse: terwijl Ibn Dāwūd bekend stond om het niet gebruiken van de analogie in het recht, deed hij dat kennelijk wel in de poëzie, althans in dit ‘citaat’. Men kan het lezen als kritiek op Ibn Dāwūds afwijzing van de analogie (qiyās) in het recht.
De liefdesdood wordt vreemd genoeg aanbevolen in het Kitāb al-Zahra, in een vers van ‘een tijdgenoot’ dat van Ibn Dāwūd zelf zou kunnen zijn:

  • Geef je zelf de schuld, en niet de rijdieren
    En sterf van smart, want voorzichtigheid is passend.10

Het is bedoeld als literaire kritiek: een traditionele liefdesdichter geeft er de rijdieren de schuld van dat ze met zijn lief zijn weggereden en zij nu ver weg is. Maar een minnaar die werkelijk lijdt onder de scheiding moet niet zeuren over verlaten tentenkampen of vertrekkende kamelen, maar consequent zijn en liever sterven!
Rouw gedurende een jaar: het vers van Labīd wordt ook in het Kitāb al-Zahra geciteerd en besproken.11 Het zal vandaar zijn weg naar deze anekdote gevonden hebben.

NOTEN
1. Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.
2. al-Khatīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād, Cairo @ v, 262

أخبرني أبو الحسن بن أيوب بن الحسين بن أيوب القمي – إملاء من حفظه – حدثنا أبو عبيد الله المرزباني وأبو عمر بن حيويه وإبو بكر بن شاذان قالوا: حدثنا أبو عبد الله إبراهيم بن محمد بن عرفة النحوي – نفطويه – قال: دخلت على محمد بن داود الإصبهاني في مرضه الذي مات فيه فقلت له: كيف تجدك؟ فقال: حب من تعلم أورثني ما ترى. فقلت: ما منعك من الاستمتاع به مع القدرة عليه؟ فقال: الاستمتاع على وجهين؛ أحدهما النظر المباح، والثاني اللذة المحظورة. فأما النظر المباح فأورثني ما ترى، وأما اللذة المحظورة، فإنه منعني منها ما حدثني به أبي حدثنا سويد بن سعيد حدثنا علي بن مسهر عن أبي يحيى القتات عن مجاهد عن ابن عباس عن النبي ص أنه قال:  من عشق وكتمه وعفّ وصبر غفر الله له وأدخله الجنة. ثم أنشد لنفسه: [من البسيط]
أُنْظُرْ إلَى السِحْرِ فِي لَوَاحِظِهِ * وَانْظُرْ إلَى دَعَجٍ فِي طَرْفِهِ السَّاجِي
وَانْظُرْ إلَى الشَّعَرَاتِ فَوْقَ عًارِضِهِ * كَأَنّهُنَّ نِمالٌ دَبَّ فِي عَاجِ
وأنشد لنفسه: [من الخفيف]
مَا لَهُمْ أَنْكَرُوا سَوَادًا بِخَدَّيْــــــــهِ وَلاَ يُنْكِرُونَ وَرْدَ الغُصُونِ
إنْ يَكُنْ عَيْبُ خَدِّهِ بَدَدُ الشَـــــعْرِ ، فَعَيْبُ العُيُونِ شَعرُ الجُفُون
فقلت له: نفيت القياس في الفقه وأثبتّه في الشعر! فقال: غلبة الهوى وملكة النفوس دعوا اليه. قال: فمات في ليلته أو في اليوم الثاني.

3. Tasallub: een woord dat meestal van vrouwen wordt gebezigd.
4. Yāqūt, Irshād  al-arīb ilā ma‘rifat al-adīb, ed. D.S. Margoliouth, 7 dln, London 1923-31,  i, 308–310.

قال المرزباني […] وكان بين أبي عبد الله نفطويه وبين محمد بن داود الاصبهاني مودة أكيدة وتصافٍ تام. وكان ابن داود يهوى أبا الحسين محمد بن جامع الصيدلاني هوًي أفضى به الى التلف.
وقال ابن عرفة نفطويه: فدخلت عليه في مرضه الذي مات فيه. فقلت: يا سيدي ما بك؟ فقال: حب من تعلم أورثني ما ترى. فقلت: ما يمنعك من الاستمتاع به مع القدرة عليه؟ فقال: الاستمتاع نوعان: محظور ومباح. أما المحظور فمعاذ الله منه، وأما المباح  فهو الذي صيّرني الى ما ترى. ثم قال: حدثني سويد بن سعيد الحدثاني عن أبي يحيى القتات عن مجاهد عن ابن عباس أن النبي ص قال: من حبّ فعفّ وكتم ثم مات مات شهيدًا. ثم غُشي عليه ساعة وأفاق ففتح عينيه، فقلت له: أرى قلبك قد سكن، وعرق جبينك قد انفطع، وهذا أمارة العافية فأنشأ يقول: [من الوافر]
أَقُولُ لِصَاحِبَيَّ وَسَلَّيَانِي * وَغَرَّهُمَا سُكُونُ حِمَى جَبِينِي
تَسَلَّوْا بالّتَعَزِّي عَنْ أَخِيكُمْ * وَخُوضُوا فِي الدُّعَاءِ وَوَدَّعُونِي
فَلَمْ أَدَعِ الْأَنِينَ لِضَعْفِ سُقْمٍ * وَلَكِنِّي ضَعُفْتُ عَنِ الْأَنِينِ
ثم مات في ليلته، وذلك في سنة سبع وتسعين ومائتين. فيقال إن نفطويه تفجّع عليه وجزع جزعًا عظيمًا، ولم يجلس للناس سنةً كاملةً، ثم ظهر بعد السنة وجلس. فقيل له في ذلك فقال: إن أبا بكر بن داود قال لي يومًا، وقد تجارينا حفظ عهود الأصدقاء، فقال: أقلّ ما يجب للصديق أن يتسلّب على صديقه سنةً كاملةً، عملاً بقول لبيد: [من الكامل]
إلَى الْحَوْلِ ثُمَّ اسْمُ السَّلاَمِ عَلَيْكُمَا * وَمَنْ يَبْكِ حَوْلاً كَامِلاً فَقَدِ اعْتَذَرْ
فحزنّا عليه سنةً كما شرط.

5. Dat is Ibn Dāwūd. Al-Safadī, al-Wāfī bil-wafayāt, dl. iii, ed. Sven Dedering, Damascus 1953, 59–60:

دخل على ابن داود ابراهيم بن (محمد) نفطويه وقي ضنى على فراشه فقال له: يا أبا بكر ما هذا مع القدرة والمحبوب مساعد؟ فقال: أنا في آخز يوم من أيام الدنيا لا أنالني الله شفاعة محمد ص إن كنت حللت سراويلي على حرلم قط. حدثني أبي العباس: قال رسرل الله ص: من عشق فكتم وعفّ وصبر ثم مات مات شهيدا وأدخله الله الجنة.

7. Zahra i, 72  .لأن من منعه من اتيان المنكر عجزه عنه لم يُشكر
8. Zahra i, 8 .من كثرت لحظاته دامت زفراته
9. Zahra i, 66 .من كان ظريفًا فليكن عفيفًا
10. Zahra i, 219 .فَنَفْسَكَ لُمْ وَلاَ تَلُمْ المَطَايَا * وَمُتْ أَسَفًا فَقَدْ حَقَّ الحِذَارُ
11. Zahra ii, 82.

Diacritische tekens: Nifṭawayh, Muḥammad, al-Iṣbahānī, al-Ḥusayn, al-Ṣaydalānī, ḥadīth, al-Khaṭīb, al-Ṣafadī

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud. Liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.

Terug naar Inhoud

Ibn Dawud: hadith

In Ibn Dāwūd’s Kitāb al-Zahra komen ongeveer tien hadithen voor; daaronder drie vermeldenswaardige:1

  • 1. Abū Bakr Muhammad ibn Ishāq al-Sāghānī – Ibn Abī Maryam – Yahyā ibn Ayyūb – Yahyā ibn Sa‘īd – ‘Amra – ‘Ā’isha – de Profeet: ‘De zielen zijn geregelde soldaten; zij die elkaar herkennen zoeken elkaars gezelschap, zij die dat niet doen botsen met elkaar.’2

Ibn Dāwūd kan al-Sāghānī eventueel nog zelf gekend hebben; deze woonde in Baghdad en stierf in 883, toen Ibn Dāwūd 15 jaar oud was.3
.
2. De beroemde liefdeshadith (hadīth al-‘ishq) luidt in de Zahra alsvolgt:

  • Van mijn vader – Suwayd ibn Sa‘īd al-Hadathānī – ‘Alī ibn Mushir – Abū Yahyā al-Qattāt – Mudjāhid – Ibn ‘Abbās – de Profeet: ‘Wie hartstochtelijk liefheeft, kuis blijft, het verbergt en dan sterft, die sterft als martelaar.’4

Een martelaar was oorspronkelijk iemand die sneuvelde in de strijd voor de islam. Omdat echter na verloop van tijd steeds minder moslims aan krijgshandelingen deelnamen, maar men wel graag deel wilde hebben aan de privileges van de martelaren, werd het begrip martelaar uitgebreid. Ook mensen, die bij voorbeeld in het buitenland stierven, of in een epidemie, in het kraambed, door ziekte, armoe of verdrinking, golden voortaan als martelaar. De onderhavige hadith rekent ook liefdesverdriet tot die zware omstandigheden.5 Mogelijk is de zāhiriet Ibn Dāwūd de enige geweest, die dit letterlijk heeft genomen. Maar hij heeft deze hadith zeker niet zelf verzonnen, althans niet de kern ervan. De dichter Abū Nuwās had honderd jaar tevoren al een soortgelijke, maar kortere hadith als grap gelanceerd; zijn bedoeling was kennelijk te zinspelen op of te spotten met het zich snel uitbreidende martelarenwezen. Na een fantasie-isnad luidde de tekst daarvan: ‘Wie als verliefde sterft, verkrijgt het loon van een martelaar.’ Abū Nuwās kan de tekst kant en klaar hebben aangetroffen of zelf hebben bedacht.6

  • 3. (de isnad is maar kort:) Ibn ‘Abbās – de Profeet: „Sommige poëzie is wijsheid, sommige welsprekendheid is toverij.“

Deze tekst werd vaak gebruikt om poëzie islamitisch te legitimeren.7

NOTEN
1. W. Raven, Ibn Dāwūd, 13–15.
2. Ibn Dāwūd, Zahra i, 14; A.J. Wensinck, Concordance s.v. djannada; Giffen, Theory 55, Ibn Qayyim al-Djawzīya, Rawḍa 83. الأرواح جنود مجنَّدة فما تعارف منها ائتلف وما تناكر منها اختلف
3. al-Khaṭīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād i, 240–241; Ibn Ḥadjar al-‘Asqalānī, Tahdhīb al-tahdhīb ix, 35–37.
4. Ibn Dāwūd, Zahra i, 66; niet in Wensincks Concordance; Giffen, Theory 99ff.  قال رسول الله ص من عشق فعفّ فكتمه فمات فهو شهيد
5. E. Kohlberg, Art. „Shahīd,“ in EI2; W. Raven, Art. „Martyrs,“ in EQ.
6. E. Wagner, Abū Nuwās. Eine Studie zur arabischen Literatur der frühen ‘Abbāsidenzeit, Wiesbaden 1965, 34–5.

ولـــقـــد كـُــنّــا رويـْـنــا ‪*‬ عـن سـعـيـدٍ عـن قـتـادة
عـن سعيـدِ بـنِ الـمســـيَّـــــبِ أنّ سعْـدَ بـنَ عُبـادة
قــال: مـَنْ مـات مُـحـبـّاً * فــلــه أَجْـــر الــشــهادة

7. De laatste zin in Zahra, althans zoals dit overgeleverd is; Ibn Dāwūd, Zahra ii, 372. Ongeveer identiek in Abū Dāwūd, Sunan, Adab 87; de beide delen van de hadith komen vaak apart voor. .إنّ من الشعر لحكمًا وإنّ من البيان لسحرًا

Diacritische tekens: Muḥammad ibn Isḥāq al-Ṣāghānī, Yaḥyā, ḥadīth, al-Ḥadathān, ẓāhiriet

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

‘Platonische liefde’

Ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 868-909) was bekend met de ‘platonische liefde’—maar natuurlijk niet zoals die uitdrukking tegenwoordig wordt opgevat. In zijn Kitāb al-Zahra heeft hij twee teksten die oorspronkelijk teruggaan op Plato. In de kortste tekst wordt Plato als de auteur genoemd:

  • Er wordt verteld dat Plato gezegd heeft: ‘Ik weet niet wat liefde is, maar ik weet wel dat het een goddelijke waanzin is, die te prijzen noch te laken is.’ 1

In de andere wordt de Griekse wijsgeer niet genoemd, maar we moeten onweerstaanbaar denken aan diens gehalveerde mensen en hun verlangen naar hun oorspronkelijke wederhelft:2

  • Een filosoof beweert dat God iedere ziel rond heeft geschapen, in de vorm van een bol, en haar dan in tweeën heeft gesneden en een helft in ieder lichaam heeft gedaan. [Wanneer nu] een lichaam het lichaam ontmoet waarin zich de helft bevindt die was afgesneden van de helft die hij zelf bij zich heeft, dan ontstaat tussen hen hartstochtelijke liefde op grond van hun vroegere samenpassen. Die aantrekkingskracht is bij mensen sterker of zwakker naar gelang de fijnheid van hun natuur.3

Bekend is de kritiek van Ibn Hazm (994–1064) op de halve-bollentheorie:

  • Men is het niet eens over het wezen van de liefde, daar zijn lange betogen over gehouden. Ik hang de mening aan dat liefde de vereniging is van delen van de ziel, die in deze schepping gescheiden zijn, in hun oorspronkelijke verheven substantie. Dit moet niet opgevat worden, zoals Muhammed ibn Dawud het voorstelt, die zich baseert op filosofen die zeggen dat de zielen halve bollen zijn, maar in die zin, meen ik, dat de zielekrachten in hun hogere bestaansvorm aan elkaar verwant zijn en qua samenstelling op elkaar lijken.4

Maar ook het Kitāb al-Zahra zelf heeft in één van de drie handschriften een kritisch commentaar daarop, dat Ibn Hazm blijkbaar niet kende. Het is niet duidelijk of het van de auteur stamt of van een afschrijver.

  • Tegen hem is in te brengen: Als we iemand vinden die een ander hartstochtelijk liefheeft, en de minnaar sterft dan aan liefde, maar die ander sterft uit haat jegens die minnaar, hoe was zijn helft dan afgesneden? En als we een man vinden die twintig personen liefheeft, hoeveel helften heeft zijn ziel dan? 5

NOTEN
1. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وحكي عن افلاطرن أنه قال: ما أدري ما الهوى غير أني أعلم أنه جنون الاهي لا محمود ولا مذموم.

Deze zin komt zo niet bij Plato voor, maar de inhoud gaat terug op diens Phaedrus 244a-245b.
2. Plato, Symposion 189d–193d; vert. Gerard Koolschijn, Amsterdam, 1985, p. 31vv.
3. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933, p. 15.

وزعم بعض المتفلسفين أن الله جل ثناؤه خلق كل روح مدوّرة على هيئة الكرة، ثم قطعها أنصافًا، فجعل في كل جسد نصفًا وكل جسد لقي الجسد الذي فيه النصف الذي قطع من النصف الذي معه كان بينهما عشق للمناسبة القديمة وتتفاوت أحوال الناس في ذلك بين القوة والضعف على حسب رقة طبائعهم.

4. Ibn Hazm, De ring van de duif. Over minnaars en liefde, vert. Remke Kruk en J.J. Witkam, Amsterdam 1977, 41. Het originele Arabisch staat in Abû-Muhammed-Alî-Ibn-Hazm al-Andalusî, Ṭauḳ-al-Ḥamâma, uitg. D.K. Pétrof, St. Petersburg/Leiden 1914, 7.

وقد اختلف الناس في مائيته وقالوا وأطالوا والذي أذهب اليه انّه اتّصال بين أجزاء النفوس المقسومة في هذه الخليقة في أصل عنصرها الرفيع، لا على ما حكاه محمد بن داود رحمه الله عن بعض أهل الفلسفة: الأرواح أُكَر مقسومة لكن على سبيل مناسبة قواها في مقرّ عالمها العلوى ومجاورتها في هيئة تركيبها.

5. Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra I, Ms. Torino 68, fol 11 a/b.

يقال له فهو [إ]ذا [كنا] نجد واحدًا يعشق واحدًا فيموت العاشق من حبّه وذلك الآخر يموت من بغض من يعشقه، فأنّى قَصّة هذا النصف؟ ونجد الرجل أيضًا يعشق عشرين فكم نصف لروح هذا؟

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni,Ibn Ḥazm

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. .
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Muhammad ibn Dawud al-Isbahani

Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahānī is een niet erg bekende intellectueel uit Baghdad, die leefde van 868–910. Over hem heb ik ooit een proefschrift geschreven;1 dat was niet erg briljant, maar de stof was en is nog steeds interessant. Daarom denk ik dat ik van hier uit het dossier maar heropen en aan een groeipagina begin.
In de Encyclopaedia of Islam hoeft U Ibn Dawud niet na te slaan; er staat wel een artikel over hem in, maar dat is nogal slecht. Aan de Wikipedia is hij nog ontsnapt.

Als vele intellectuelen in die tijd was Ibn Dawud algemeen ontwikkeld in de, zeg maar ‘alfa-vakken’. Hij was rechtsgeleerde, overleverde hadithen en had meningen over theologie. Maar interessanter was hij als *literair criticus. Hij heeft een bloemlezing in honderd hoofdstukken uit de Arabische poëzie gemaakt, het *Kitāb al-Zahra,2 op zich al een kritische bezigheid. Daarenboven gaf hij beknopte commentaren bij veel gedichtfragmenten. Een beetje naïef vaak, maar wel op een manier die toen nog nieuw was. Dichter was hij ook. Geen groot dichter, maar wel eigenaardig. Het bewijs is nog niet helemaal rond, maar het is waarschijnlijk dat hij zijn eigen gedichten in zijn boek heeft verstopt, toegeschreven aan ‘een tijdgenoot’.
In het Kitāb al-Zahra heeft hij ook zog. *Graeco-Arabica opgenomen: teksten met een Griekse wetenschappelijke en filosofische achtergrond, vertaald uit het Grieks of Syrisch, bewerkt, nog eens herschreven; in dit geval vooral populair-wetenschappelijke medische literatuur. Ik heb de sterke indruk dat Ibn Dawud zelf niet altijd begreep wat hij afschreef, maar hij vond het blijkbaar nodig om zijn boek een wetenschappelijk cachet te geven.
Zeer interessant is Ibn Dawuds theorie over de liefde, die hij ontvouwt aan de hand van de gekozen liefdespoëzie in de eerst vijftig hoofdstukken. Mogelijkerwijs is zijn theorie nog van invloed geweest op West-Europa.
Interessant is ook zijn reactie op de in zijn tijd sterk opkomende islamitische mystiek (sufisme).
Verder zijn er wat anecdotes over zijn leven, half over juridische onderwerpen, half over zijn liefdesdood. Tja, hij zou aan liefde gestorven zijn; dat kwam wel vaker voor in de toenmalige literatuur. Ook een aardig onderwerp.

NOTEN
1. W. Raven, Ibn Dâwûd al–Isbahânî and his Kitâb al–Zahra, (Diss. Leiden), Amsterdam 1989. Wie wil kan voor een tientje een exemplaar van me krijgen; gewoon even contact opnemen.
2. – Ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra (The Book of the Flower), The first half, uitg. A.R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1933.
– Abū Bakr Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣfahānī, Al-niṣf al-thānī min Kitāb al-Zahra, uitg. Ibrāhīm al-Sāmarrāʾī en Nūrī al-Qaysī, Baghdād 1975.
– Abū Bakr Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣfahānī, Al-Zahra, uitg. en commt. Ibrāhīm al-Sāmarrāʾī, al-Zarqāʾ 1406/1985.
– Abū Bakr Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣfahānī aẓ-Ẓahirī, Kitāb az-Zahra. Parte seconda, uitg. Michele Vallaro, Napoli 1985.

‘Alles’ over de handschriften en uitgaven hier:
W. Raven, ‘The manuscripts and editions of Muḥammad ibn Dāwūd’s Kitāb al-Zahra,’ in Manucripts of the Middle East 4 (1989), 133–37.

Naar: Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Theologie bij Ibn Dawud
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawud en de sufi’s.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Liefde als doodsoorzaak (vertaling)

Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 869-910) was jurist en de zoon van een beroemde, maar nogal omstreden jurist. Het enige boek dat van hem bewaard is gebleven is Kitāb al-Zahra (De bloem). Dit is een bloemlezing uit de Arabische poëzie, waaronder de liefdespoëzie een belangrijke plaats inneemt. Het boek bevat ook theoretische teksten over liefde, daarvan heb ik er een aantal vertaald. Ibn Dāwūd wilde graag weten wat de liefde precies is en hoe zij ontstaat, niet alleen uit algemene belangstelling, maar ook omdat hij de islamitische wet serieus nam. Volgens deze is alleen omgang van een man met maximaal vier wettige echtgenotes of met slavinnen geoorloofd. Wanneer de liefde iets is wat de mens niet zelf gekozen heeft, maar waarmee hij door de natuur, door de stand der sterren of door onvermijdelijke lichamelijke reacties, met andere woorden: door God wordt opgezadeld, dan kan de mens er niets aan doen en is hij niet zondig als hij verliefd wordt. Tobben blijft het in de liefde in ieder geval. Het is een slopende ziekte, die niet zelden tot de dood leidt. De auteur had toegang tot uit het Grieks vertaalde populair-medische teksten die hij op zijn onderwerp toepaste. Vertaalde teksten:

‘Tranen kunnen een leven redden; niet kunnen huilen kan dodelijk zijn.’ Hitte die voortkomt uit droefheid komt uit alle lichaamsdelen samen naar het hart en stijgt dan op naar de hersenen, waar kwade dampen ontstaan. Als de natuur, door zijn aangeboren krachten, daartegen is opgewassen maakt zij deze kwade dampen vloeibaar en laat ze uit het lichaam vloeien in de vorm van tranen. Soms beschadigt de grote tranenvloed de traanklieren en veroorzaakt bloedingen. In dat geval wordt er bloed geweend. Genoemde krachten maken eveneens de dampen vloeibaar, die ontstaan in de hersenen door de latente hitte, vanwege de temperatuurwisselingen die zich aan het hoofd voordoen, en laten ze uit de neus stromen in de vorm van neusvocht. Dan is het gevaar geweken. Maar als zij niet vloeibaar worden en niet via de neus uitgescheiden kunnen worden, worden zij een dikke vloeistof en een substantie die naar de voornaamste lichaamsdelen stroomt; dan treedt de dood in of ontstaat er een ernstige ziekte. Zo is het ook met tranen: als de natuurlijke krachten er niet in slagen de tranen vloeibaar te maken en te zeer bezig zijn met het bestrijden van zaken die voor de ziel nog meer te vrezen zijn, dan gaan deze dampen over in een dikke vloeistof, die een ernstige toestand te weeg brengt. Als deze in de hersenen blijft kan zij deze ofwel geheel aantasten: zij schakelt dan het geheugen uit, tast het verstandelijk denken aan en brengt absurde waanvoorstellingen te weeg. Of soms tast zij slechts één, twee deeltjes van de hersenen aan; dan worden alleen die delen aangetast die in goede toestand waren toen zij nog gezond waren. Soms daalt die vloeistof uit de hersenen af naar het hart en scheurt een of alle membranen. Dan is de afloop onvermijdelijk fataal; maar God weet het het beste. Soms daalt zij af in de lever en remt de eetlust en de dorst. In dat geval treden sterke vermagering op en vermindering van krachten. Soms wordt het uitstromen van tranen verhinderd door factoren van verschillende aard, bij voorbeeld door de excessieve droogte van de hersenen, die de dampen die er samenkomen absorberen, zodat ze alleen in vloeibare vorm uitstromen als er een overweldigende hoeveelheid van is; of door diepe smart, zoals wij eerder hebben vermeld. Liefde heeft kenmerken die duidelijk waarneembaar zijn, in zuchten, gelaatskleur, blikken en gebaren. Wie ernaar zoekt kan ze nauwelijks over het hoofd zien, en wie er niet naar zoekt ziet ze ook, hoewel hij de oorzaak ervan niet kent, in het bijzonder als twee geliefden elkaar ontmoeten. Iemand heeft eens gezegd: ‘Je geheim is je gevangene, en als je het uitspreekt wordt jij zijn gevangene.’ Over het onthullen van het liefdesgeheim door een minnaar aan zijn geliefde hebben we al eerder gezegd dat het soms wel doeltreffend is. Maar dat een minnaar andere mensen op de hoogte brengt van zijn gevoelens voor de geliefde is in meer dan één opzicht verkeerd. Ten eerste wordt daardoor de geliefde blootgesteld aan ongewenste praatjes en verdachtmakingen. Vervolgens wordt de minnaar zelf blootgesteld aan laster en zal men hem in de gaten houden. Wij bevelen hem dringend aan, zijn zaak geheim te houden. Maar iemand aan wie zijn geheim is ontglipt door de toestand waarin hij verkeert, die kan er niets aan doen en hem valt niets te verwijten. Geheimen die de geliefde zijn minnaar heeft toevertrouwd, over tijden voor het rendez-vous, bezoeken, zijn tegemoetkomen aan hem bij wat hij begeert, verwijten over en weer, ja zelfs alle ruzies, dat zijn zaken die zo gevoelig liggen dat niet het openbaar maken daarvan, maar juist het bewaren en verbergen ervan vereist is. Wie dergelijke dingen openbaar maakt staat erg zwak. De noodzaak, zulke dingen te verbergen is zo evident dat wij er niet meer woorden aan vuil hoeven te maken. Iemand die in staat is zijn geheim te bewaren behoort zelfs het enkele feit dat hij van de geliefde houdt niet aan iemand anders dan deze zelf te onthullen. Wie dat niet kan en buiten staat is, zich te beheersen en zijn plicht te doen en het niet op kan brengen, zijn geheim te bewaren, die moet het een ander niet kwalijk nemen als die het verder vertelt. Al is dat op zich zelf inderdaad laakbaar, want het komt een man toe, zelf en uit vrije wil zijn geheim te openbaren, en iemand die een geheim van een ander toevertrouwd heeft gekregen moet dat niet verder vertellen.

‘Wie wanhoopt aan zijn geliefde maar daar niet aan sterft, zal hem na verloop van tijd vergeten.’ De reden daarvan is de volgende: Wanhoop is, dat de ziel de hoop opgeeft die zij als substituut had genomen voor de ongestoorde staat, en met hulp waarvan zij staande was gebleven bij het intreden van de scheiding waaronder zij te lijden kreeg. De eerste verrassingsaanval van de wanhoop treft het hart wanneer het er niet op voorbereid is zich te weer te stellen, en niet gewend zoiets mee te maken, zodat het hart in één klap van de gewone in een ongewone toestand wordt gebracht. De tweede aanval komt nadat de eerste het hart al murw geslagen had. De tweede aanval veroorzaakt de pijn van de herhaling, niet de pijn van het moeten opgeven van een toestand waaraan het gewend is, terwijl de eerste de pijn met zich mee had gebracht van de confrontatie met iets vreselijks en het moeten afzien van de gunsten die men gewend was van de geliefde te verkrijgen. Wanneer nu de eerste aanval niet dodelijk was, hoewel hij twee verschrikkingen behelsde, dan zal de tweede, die er slechts één inhoudt, zeker niet dodelijk zijn. Zo zal iedere aanval van wanhoop die het gevolg is van tobben en terugdenken minder ernstig zijn dan de voorafgaande, omdat die al gewaarschuwd had voor de volgende en de weg ervoor had geëffend, en tenslotte zal iedere hoop geleidelijk verdwijnen uit de ziel. Want deze aanvallen kunnen alleen door blijven gaan doordat vrees en hoop met elkaar strijden. Wanneer de wanhoop intreedt houdt de vrees op, omdat wat gevreesd werd een feit is geworden, en hoop is er ook niet meer, omdat er niets meer is om op te hopen. Als het gemoed niet langer door iets in beweging wordt gehouden, verdwijnt de kwelling van de pijn die het overkomt. Immers, als er water wordt gegoten op iets dat brandt zal het water één plek aantasten en het vuur een andere, zolang beide blijven bestaan. Wanneer beide niet langer bestaan blijven er droge, hete plekken over door de invloed van het vuur en koude, natte door de invloed van het water, die na verloop van tijd alle verdwijnen. De reden dat de eerste aanval van wanhoop fataal kan zijn is dat het hart heet wordt, omdat het door verschrikkingen wordt bedreigd. In zulke gevallen is het de functie van de rest van het lichaam, het hart te hulp te schieten met een overeenkomstige hoeveelheid hitte of koude. Als dat echter te veel wordt, scheurt het septum en treedt de dood in, want geen enkele pijn (met uitzondering van de pijnen door denken) kan het hart bereiken zonder de dood tot gevolg te hebben. De volksmond zegt: ‘Die-en-die zit zo hevig te snikken; ik hoop dat zijn galblaas niet zal barsten!’ Inderdaad, de galblaas kan heet worden, en als hij te heet wordt kan hij barsten en dat is fataal. Maar voor het zover is zou het hart te heet worden en barsten; ja, dat zou helemaal kapot gaan. Vergelijk het hiermee: stel, we hebben een pot die is gemaakt van was en pek, we gieten er water in en steken er een vuur onder aan. Natuurlijk, in dat geval zou het vuur de pek laten smelten, en daardoor zou het water uit de pot stromen. Maar al vóórdat de pek smelt wordt de was vloeibaar en door het vuur vernietigd. Zo is het ook met het hart: het septum scheurt door de hitte, die het bereikt lang voordat de galblaas scheurt. De gewone mensen, maar ook vele intellectuelen, veronderstellen dat het zuchten de doodsoorzaak is, maar dat is niet juist. Integendeel: met Gods hulp kan zuchten een factor zijn die de exitus voorkomt. Want als de hitte teveel wordt voor het hart, zorgen de aangeboren krachten voor een pneuma dat beschadiging voorkomt. Zij brengen dat naar het hart door een luchtstroom van buitenaf. Soms slaagt de luchtstroom er inderdaad in, beschadiging door die hitte af te wenden. Dan treedt er alleen zuchten op en blijft de fatale afloop uit. Maar in andere gevallen is de aangevoerde luchtstroom te zwak en wordt hij heet in de luchtwegen, omdat de hem tegemoet slaande hitte te hevig is. Dan kan de koude van die luchtstroom beschadiging door de hitte rondom het hart niet voorkomen en scheurt het septum door de hitte, wat de dood tot gevolg heeft. Omdat de gewone mensen de dood onmiddellijk na het zuchten zien intreden, denken zij dat hij door dat zuchten veroorzaakt wordt. Maar in werkelijkheid treedt de dood in door precies de tegengestelde oorzaak. De eerste verrassingsaanval van een overweldigende vreugde kan eveneens letaal zijn, door een overmaat van koude, juist zoals de eerste plotselinge confrontatie met droefheid letaal kan zijn door een overmaat van hitte. Want bij het hart komt uit de andere lichaamsdelen een koude samen waarvoor de aangeboren hitte niet voldoende is. Het hartenbloed wordt dikker en de ondergang is een feit, maar in dit geval gaat deze niet gepaard met inademing of uitademing, omdat de adem geen hitte kan aanvoeren van buiten het lichaam zoals het dat kan met koude. De gangbare uitdrukkingen: ‘Moge God uw oog verkwikken (d.w.z. u blij maken),’ of ‘Moge God het oog van die-en-die heet maken (d.w.z. hem laten huilen van droefheid en smart)’ zijn te verklaren uit het feit dat tranen van droefheid heet zijn en vreugdetranen koud. Als hetzij vreugde, hetzij droefheid zich vestigt in de ziel, raakt de ziel er geleidelijk aan gewend en wordt die emotie tenslotte zoiets als haar normale dispositie en permanente natuur.

Vertaling van een tekst van Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahāni, Kitāb al-Zahra, uitg. A. R. Nykl en Ibrāhīm Ṭūqān, Chicago 1932, blz. 343–346.

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Verliefdheid als ziekte (tekst en vertaling, 9e eeuw)

““Een medicus heeft gezegd: Hartstochtelijke liefde is een begeerte die ontstaat in het hart, waarheen zich elementen van verlangen verzamelen. Naarmate zij sterker wordt, wordt de verliefde opgewondener en hardnekkiger en nemen zijn onrust en slapeloosheid toe. Daarbij wordt zijn bloed verbrand en omgezet in zwarte gal, en ontsteekt zijn gele gal, die eveneens in zwarte gal overgaat. Dit surplus aan zwarte gal brengt schade toe aan het denkvermogen. Daarmee gaan verbijstering gepaard, vermindering van het rationele denken, onredelijke verwachtingen en de wens dat het onmogelijke zal gebeuren, tot het uiteindelijk tot waanzin leidt. De verliefde gaat soms over tot zelfdoding, of hij sterft van smart, of hij kijkt de hele tijd naar het voorwerp van zijn hartstocht en sterft dan van vreugde of verdriet. Soms ook slaakt hij een zucht, waardoor zijn geest vierentwintig uur lang verdwijnt, zodat men denkt dat hij gestorven is en hij begraven wordt terwijl hij nog in leven is. Soms haalt hij diep adem en blijft zijn ziel steken in zijn hartzakje; het hart omsluit haar en laat haar niet meer los totdat hij sterft. Soms is hij rustig en staart de hele tijd naar zijn geliefde, of hij ziet die plotseling, en dan is zijn ziel in één keer weg, geheel onverwacht.
Bij een hartstochtelijk verliefde is waar te nemen, als zijn geliefde alleen maar wordt genoemd, dat het bloed uit zijn gezicht wegtrekt, en in dat geval kan de afloop zijn zoals vermeld. Wie in deze toestand verkeert is niet te helpen door ingrijpen van mensenkinderen, maar kan alleen nog genezen door een genade van de Allerhoogste. Dat komt omdat aan een kwaadaardige aandoening, die voortkomt uit een onafhankelijk bestaande oorzaak, een eind gemaakt kan worden door het wegnemen van haar oorzaak. Maar als er twee oorzaken gelijktijdig optreden, en de ene is de oorzaak van de andere, dat is er geen manier om een eind te maken aan één van hen. Als de zwarte gal de oorzaak is van voortdurend nadenken en dit is weer de oorzaak van het verbranden en omzetten van bloed en gele gal, zodat de zwartgalligheid nog versterkt wordt, dan neemt het gepieker toe met de zwarte gal en de zwarte gal met het gepieker. Dit is een ernstige ziekte, die artsen niet kunnen behandelen.””

وقال بعض —المتطببين: العشق طمع يتولد في القلب وتجتمع اليه مواد من الحرص. فكلما قوِي ازداد صاحبه في الاهتباج واللَجاج وشدة القلَق وكثرة السهر، وعند ذلك يكون احتراق الدم واستحالته الى السوداء والتهاب الصفراء وانقلابها الى السوداء. ومن طغيان السوداء فساد الفكر، ومع فساد الفكر تكون الفدامة ونقصان العقل ورجاء ما لا يكون وتمني ما لا يتمّ حتى يؤدي ذلك الى الجنون. فحينئد ربما قتل العاشق نفسه وربما مات غمّا وربما نظر الى معشوقه فيموت فرحا أو أسفا، وربما شهق شهقة فتختفي منها روحه أربعا وعشرين ساعة، فيظنون أنه قد مات فيقبرونه وهو حي. وربما تنفّس الصعداء فتختنق نفسه في تأمور قلبه، وينضمّ عليه القلب فلا ينفرج حتى يموت وربما ارتاح وتشوف للنظر أو رأى من يحب فجأة، فتخرج نفسه فجأة دفعة واحدة. وأنت ترى العاشق إذا سمع بذكر من يحب كيف يهرب ويستحيل لونه وإن كان الأمر يجري على ما ذكر فإن زوال المكروه عمّن هذه حاله لا سبيل إليه بتدبير الآدميين ولا شفاءَ له الّا بلطف يقع له من رب العالمين، و ذلك أن المكروه العارض من سبب قائم منفرد بنفسه يتهيأ التلطف في إزالته بإزالة سببِه. فإذا وقع السببان وكل واحد منهما علة لصاحبه لم يكن الى زوال واحد منهما سبيل. فإذا كانت السوداء سببا لاتصال الفكر وكان اتصال الفكر سببا لاحتراق الدم والصفراء وقلبها الى تقوية السوداء فالسوداء كلما قويت قوت الفكر، والفكر كلما قوي قوى السوداءَ. وهذا هو الداء العياء الذي يعجز عن معالجته الأطباء.

Uitgave en vertaling van een tekst van Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahāni (Baghdad, 869–910 na Chr.), Kitāb al-Zahra, uitg. R. Nykl, Chicago 1932, blz. 17. Ik heb de tekst op enkele plaatsen gewijzigd op grond van handschriften en tekstgetuigen.
De tekst is grondig bestudeerd en met andere versies vergeleken in: Hans Hinrich Biesterfeldt en Dimitri Gutas, ‘The Malady of Love,’ Journal of the American Oriental Society, 104/1 (1984), 21–55.

Diakritische tekens: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahānī

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Islamitisch recht bij Ibn Dawud. De wijn in het paradijs
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud

Nep-fatwa

Wanneer een moslim een rechtsgeleerd advies (fatwa) nodig heeft kan hij zich tot een mufti wenden. Van bekende rechtsgeleerden worden de fatwa’s bewaard. Er zijn van hen echter ook als grap bedoelde nep-fatwa’s in dichtvorm overgeleverd, vaak over de liefde.
Een minnaar wordt soms voorgesteld als jager, maar het ‘wild,’ de geliefde, kon hem ook doden door pijlen af te schieten uit haar/zijn ogen: door blikken namelijk, die zoals bekend kunnen doden. Wanneer zo’n ‘liefde op het eerste gezicht’ tot de dood leidt, en dat is in de Arabische literatuur nooit uit te sluiten, zou je kunnen denken dat het eigenlijk doodslag is, of zelfs moord. Een mufti te vragen of er straf staat op zo’n dodelijke blik ligt dan voor de hand.
Dat heeft de dichter Ibn al-Rūmī (836–896) volgens een anecdote inderdaad gedaan. In dichtvorm zou hij aan Muhammed ibn Dāwūd (± 868–910) een fatwa over dit onderwerp hebben gevraagd:

  • Geef, Ibn Dāwūd, geleerde van Irak,
    een fatwa over dodende ogen:
    Wacht hen voor minnaarsmoord ooit wraak,
    of is hun bloeddorst te gedogen?

De rechtsgeleerde antwoordde per omgaande en eveneens in dichtvorm:

  • Een wrede vraag! Ik weet er antwoord op,
    maar geef het met betraande wangen:
    Op liefdeswurgmoord staat de strop
    waar dader en dode al in hangen!

Noot: Al-Daylamī, Kitāb ‘Atf al-alif al-ma’lūf ‘alā al-lām al-ma‘tūf, uitg. J.C. Vadet, Cairo 1962, 60–61. Uitgebreider in Al-Khatīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād 14 dln., Cairo 1931, v, 257; al-Sarrāj, Masāri‘ al-‘ushshāq, Beirut 1958, ii, 119=213–14   komt nog

Diakritische tekens: Muḥammed ibn Dāwūd, Kitāb ʿAṭf al-alif al-maʾlūf ʿalā al-lām al-maʿṭūf, Al-Khaṭīb al-Baghdādī, Taʾrīkh Baghdād, Maṣāriʿ al-ʿushshāq

Terug naar Inhoud