Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691-2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-*Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van *Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud

Wilde Mohammed zelfmoord plegen?

In het grote geschiedwerk van al-Tabarī staat ook Ibn Ishāqs verhaal over hoe Mohammed de eerste koranopenbaring ontving op de berg Hirā’. Het verhaal is de profeet zelf in de mond gelegd; wie anders zou als bron aannemelijk zijn? Het hele verhaal staat hier; voor het ogenblik licht ik er het fragment over zijn gedachte aan zelfmoord even uit. De profeet heeft net verteld hoe hij in een droom door Djibrīl (Gabriël) de eerste Koranverzen onderwezen heeft gekregen; dan vervolgt hij:

  • … Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Nu was er geen schepsel waar ik een groter hekel aan had dan dichters en bezetenen; ik kon ze niet zien of luchten. En ik dacht: ‘O wee, deze nietswaardige’—hij bedoelde zich zelf—‘is een dichter of een bezetene. Maar dat zullen de Qurayshieten nooit van mij zeggen! Ik zal hoog de berg opklimmen en mij eraf storten; dan heb ik rust.’ Dus ging ik met die bedoeling op weg en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ […]1

Deze versie van het verhaal is weinig bekend: meestal wordt Ibn Ishāqs verhaal in de versie van Ibn Hishām gelezen, die voor veel mensen ‘de’ biografie van de profeet is:

  • … Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte uit mijn slaap was het alsof het in mijn hart gegrift stond. Dus ging ik en toen ik halverwege de berg was hoorde ik een stem uit de hemel die zei: ‘Mohammed! Jij bent de gezant Gods en ik ben Djibrīl.’ […]1

Ibn Hishām heeft alles over die zelfmoordgedachte er tussenuit gehaald en de twee resterende teksthelften onzorgvuldig weer aan elkaar genaaid. De naad is duidelijk zichtbaar. Waarom heeft hij dat gedaan? Ibn Hishām wilde blijkbaar niet een tekst uitgeven waarin iets negatiefs over Mohammed voorkwam. Hij had weinig gevoel voor vertellen, en voor islamitische theologie. Want past het niet uitstekend, dat Mohammed, die volgens de koran een gewoon mens was, op dat moment diep somber was? Je hoeft geen profeet te zijn om te weten dat een mystieke ervaring vaak door depressieve gevoelens wordt gevolgd. Bovendien werkt in het verhaal daarna de opheffing uit het dal des te fraaier. God grijpt onmiddellijk in: zodra Mohammed de berg oploopt verschijnt de engel aan hem, hemelvullend.2 En er werd ook nog een koranisch element verwerkt: de profeet is volgens de koran door zijn nog onbekeerde stadgenoten meermaals voor dichter of bezetene uitgescholden. Als dat geen stichtelijk verhaal is! Het is eigenlijk pas sluitend dóór die zelfmoordgedachte. God biedt uitzicht bij somberheid, God beschermt zijn profeet voor het kwaad, net als hier. Maar nee, de brave Ibn Hishām snapte zulke dingen niet; zijn boek is dan ook een bestseller geworden.

Dat een verteller de profeet überhaupt aan zelfmoord kón laten denken wordt aangedragen door koran 18:6: فلعلك بـٰخع نفسك على أثـٰرهم إن لم يؤمنوا بهذا الحديث أسفًا .  ‘Misschien ga jij in hun voetspoor (?) je van smart nog ombrengen als zij aan dit verhaal niet geloven,’ en door koran 26:3:  لعلك بـٰخع نفسك ألاّ يكونوا مؤمنين .  ‘Misschien ga jij je nog ombrengen omdat zij niet gelovig zijn.’ Ullmann3 heeft aangetoond dat het daar gebruikte woord bākhi‘ niet ‘ombrengen’ betekent, maar vele commentatoren vatten het toch zo op, en de verteller van het bovenstaande verhaal zou dat ook gedaan kunnen hebben.

NOTEN
1. Al-Ṭabarī, [Taʾrīkh al-rusul wal-mulūkAnnales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 Bde., Leiden 1879–1901, i, 1150.

قال: فقرأتها ثم انتهى فانصرف عني وهببت من نومي ، فكأنما كتبت في قلبي كتابًا. (قال: ولم يكن من خَلْق الله أحد أبغض إليّ من شاعر أو مجنون، كنت لا أطيق أن أنظر إليهما، قال: قلت إنّ الأبعد – يعني نفسه – لَشاعر أو مجنون، لا تحدّث بها عنّي قريش أبدًا! لأعمدنّ إلى حالق من الجبل فلأطرحنّ نفسي منه فلأقتلنّها فلأستريحنّ.) قال: فخرجت (أريد ذلك) حتى إذا كنت في وسط من الجبل سمعت صوتًا من السماء يقول : يا محمد، أنت رسول الله وأنا جبريل.

Ibn Hishām heeft dezelfde tekst, maar zonder de delen tussen haakjes: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60, i, 153; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 42.
2. Of is het God zelf? Vgl. koran 53:8–10: . ثم دنا فتدلّى فكان قاب قوسين أو أدنى فأوحى إلى عبده ما أوحى   „Toen kwam hij dichtbij en liet zich neer, en was op twee booglengten afstand of nog dichterbij en gaf zijn knecht die openbaring“.
3. Manfred Ullmann, ‘Wollte Mohammed Selbstmord begehen? Die Bedeutung des arabischen Verbums baḫaʿa,’ Die Welt des Orients 34 (2004), 64–71.

Diakritische tekens: al-Ṭabarī, Ibn Isḥāq, Ḥirāʾ

Terug naar Inhoud

Ibn Ishaq en zijn uitgevers

De beroemde historicus en profetenbiograaf Muhammad ibn Ishāq,1 geboren Medina 704, gestorven 767 in Baghdād, is lang niet de enige auteur van siraliteratuur, maar wel de bekendste. Hij specialiseerde zich al vroeg in verhalen en geschiedschrijving, maar ook in hadith. Zijn belangrijkste leermeester was al-Zuhrī, en verscheidene verwanten van ‘Urwa ibn al-Zubayr waren zijn informanten. Niet alle geleerden in Medina wisten zijn werk te waarderen. Hij leefde in een tijd waarin vertellingen uit de gratie geraakten en hadithen met behoorlijke overleveringsketens werden verlangd. Na een hoog opgelopen conflict met Mālik ibn Anas, de grootste rechtsgeleerde van Medina, verliet hij zijn vaderstad en vestigde zich in Irak, waar de Abbasidische kalief al-Mansūr (reg. 754-75) hem vroeg een alomvattend geschiedwerk te schrijven, dat zou lopen van de schepping tot zijn eigen tijd. Het materiaal dat Ibn Ishāq tevoren had verzameld zou in dit werk een centrale plaats innemen. Zijn magnum opus bestond uit drie delen. Het eerste, al-Mubtada’ (‘In den beginne’) behandelde de schepping van de wereld, de profeten van Adam tot Jezus en de Arabieren in de voorislamitische tijd. In het tweede deel, al-Mab‘ath (‘De zending’), werd het leven van de profeet beschreven tot diens emigratie naar Medina. Deel drie, al-Maghāzī (‘Krijgstochten’), ging over Mohammeds activiteiten in Medina. Een toegevoegd vierde deel handelde over diens opvolgers, de kaliefen. Anders dan zijn voorgangers verzamelde Ibn Ishāq niet alleen materiaal. Hij schreef een werk met een structuur, soms chronologisch, soms naar onderwerp geordend. Blijkbaar was er maar één exemplaar van het reusachtige werk, in de hofbibliotheek in het nieuw gestichte Baghdad. Ibn Ishāq ‘publiceerde’ eruit door delen aan zijn leerlingen te dicteren, die zijn dictaten woordelijk opschreven.
.
Het boek zelf bestaat niet meer, maar grote delen ervan, vooral van de eerste drie delen, zijn bewaard gebleven in afschriften en uittreksels van die leerlingen, of liever gezegd van latere compilatoren die deze uitgaven.2 Drie uitgevers van Ibn Ishāqs werk zijn hier vermeldenswaard.
.
1. De bekendste is ‘Abd al-Malik ibn Hishām (gest. ± 830 in Egypte),3 wiens keuze uit het werk van Ibn Ishāq’s werk de eerste sīra-tekst was die in een vastomlijnde vorm verder werd overgeleverd. Veel mensen beschouwen Ibn Hishāms bewerking als ‘de’ biografie van de profeet; ten onrechte, want het gaat om de aanzienlijk oudere tekst van Ibn Ishāq. Ibn Hishām gaf slechts een keuze uit deel twee en drie van het oorspronkelijke werk uit, zodat alleen het oude Arabië en de het leven van de profeet aan de orde kwamen: hij behandelt de Ka‘ba en de christenen en joden van Arabië, maar niet de vroegere profeten. In uitvoerige noten van eigen hand legt hij moeilijke woorden en uitdrukkingen uit en voegt hij verhalen, poëzie en genealogisch materiaal toe. Ibn Hishām keurde de teksten ook op theologische ‘zuiverheid’ en liet passages weg die hij aanstootgevend vond.
.
2. De Pers al-Tabarī (gest. 923)4 heeft in zijn omvangrijke geschiedwerk Ta’rīkh al-rusul wal-mulūk aanzienlijke delen van Ibn Ishāq’s werk overgeleverd. Voor het eerste deel, het Kitāb al-Mubtada’, is al-Tabarī zelfs de belangrijkste bron.5 Het deel over Mohammed is een versie die verwant is aan die van Ibn Hishām, maar korter.6 Twee opvallende teksten van Ibn Ishāq, die Ibn Hishām niet had opgenomen, zijn hier bewaard: een over Mohammeds voornemen zelfmoord te plegen7 en het verhaal van de Duivelsverzen”.8 De Ta’rīkh is ontworpen als een wereldgeschiedenis; het leven van Mohammed vormt hier het centrale deel tussen de vroegste geschiedenis (hier inclusief de oude Perzische koningen) en de periode van de kaliefen. Veel van Ibn Ishāqs sira-materiaal is ook te vinden in al-Tabarī’s Tafsīr, maar daar moet het van vele verschillende plaatsen bijeen worden gesprokkeld.9
.
3. De minst bekende uitgave van een deel van Ibn Isḥāqs werk is die door Ahmad ibn ‘Abd al-Djabbār al-‘Utāridī (794-886).10 Zij is gebaseerd op de overlevering van Ibn Ishāqs leerling Yūnus ibn Bukayr (gest. 815).11 Wat er bewaard is van de tekst heeft ongeveer de omvang van een vijfde van Ibn Hishāms versie. Het werd pas in 1976 gedrukt en is niet vertaald. Al-‘Utāridī geeft soms verhaalstof van Ibn Ishāq die Ibn Hishām niet heeft en zeker zou hebben afgekeurd. Bovendien voegt hij teksten toe die in het geheel niet op Ibn Ishāq teruggaan.12

NOTEN
1. Over hem: Schoeler, Charakter, 37–51; Newby, Making, 1–31; Duri, Rise, 32–7; Jones, Ibn Isḥāḳ.
2. Een overzicht in A. Guillaume, Life, xxx–xxxi.
3. Watt, Ibn Hishām; Schoeler, Charakter, 50–3.
4. C.E. Bosworth, ‘al-Ṭabarī,’ in EI2.
5. Al-Tabarī, Ta’rīkh, i, 9–872, fragmenten. De profetenverhalen staan ook in Newby, Making.
6. Al-Tabarī, Ta’rīkh, i, 1073–1837.
7. ibid., i, 1147.
8. ibid., i, 1192–6.
9. Nuttige verwijzingen echter in Newby, Making.
10. Sezgin, GAS, i, 146.
11. ibid., i, 289.
12. Zie Muranyi, Riwāya. Beschrijving van de inhoud in Guillaume, New light.Vertaalde fragmenten  in Rubin, Eye, index s.v. Yūnus b. Bukayr en in Schoeler, Character, index s.v. Yūnus en al-‘Utāridī.

Bibliografie
Primair:
Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst].
idem: de redactie van Ibn Hishām online hier.
idem: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955 [ook belangwekkende inleiding].
idem: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed. De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000. (een keuze uit de teksten)
idem, de versie van al-‘Utāridī: Sīrat Ibn Ishāq al-musammā bi-Kitāb al-mubtada’ wal-mab‘ath wal-maghāzī, uitg. M. Hamīd Allāh, Rabat 1976, herdrukt Konya 1981 (een mindere uitgave: Ibn Ishāq, Kitāb al-Siyar wa-l-maghāzī, ed. S. Zakkār, Beirut 1978).
Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-rusul wal-mulūk] Annales, uitg. M.J. de Goeje et al., 14 dln., Leiden 1879–1901. In deze editie hier online (volledig?); in een no name editie hier.
idem, idem, Engelse vertaling: E. Yarshater (uitg.), The history of al-Tabarī. An annotated translation, 39 dln., Albany 1985–1999.
idem, Djāmi‘ al-bayān fī tafsīr al-Qur’ān, versch. uitgaven.
.
Secundair:
A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983 (= updated vert. van Baḥth fī nashʾat ʿilm al-taʾrīkh ʿinda al-ʿarab, Beirut 1960).
A. Guillaume, New light on the life of Muhammad, Manchester z.j. (JSS Monograph 1).
J.M.B. Jones, ‘Ibn Isḥāḳ,’ in EI2.
M. Muranyi, ‘Ibn Isḥāq’s Kitāb al-Maġāzī in der riwāya von Yūnus b. Bukair. Bemerkungen zur frühen Überlieferungsgeschichte,’ in JSAI 14 (1991), 214–75.
G.D. Newby, The making of the last prophet. A reconstruction of the earliest biography of Muhammad, Columbia, SC 1989.
A. Noth and L.I. Conrad, The early Arabic historical tradition. A source-critical study, Princeton 1994.
W. Raven, ‘Sīra and the Qurʾān,’ in EQ.
U. Rubin, The Eye of the Beholder. The life of Muḥammad as viewed by the early Muslims. A textual analysis, Princeton 1995.
G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin 1996.
F. Sezgin, Geschichte des arabischen Schrifttums, 9 vols., Leiden 1967–84.
W.M. Watt, ‘Ibn Hishām,’ in EI2.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, al-Manṣūr, al-Ṭabarī, Aḥmad ibn ʿAbd al-Djabbār al-ʿUṭāridī

Terug naar Inhoud

Koranexegese (tafsir)

Wansbrough heeft twaalf manieren van koranexegese (tafsīr) (‘kinds of procedural device’) opgesomd:1
1. Variante lezingen (qirā’āt)
2. Bewijsplaatsen uit de poëzie (shawāhid)
3. Lexicale uitleg
4. Grammaticale uitleg
5. Retorische uitleg
6. Periphrase
7. Analogie
8. Afschafffing
9. Aanleiding to de openbaring (sabab al-nuzūl)
10. Identificatie (tasmiya, ta‘yīn)
11. Prophetische traditie (hadith)
12. Anecdote

Deze zal ik hier behandelen, maar niet allemaal tegelijk. Sommige zijn nu al ingevuld:

1. Variante lezingen. In de islamitische wereld heeft zich nooit zoiets ontwikkeld als de tekstkritiek van onze klassieke filologie, maar de koran werd als alle oude teksten overgeleverd door afschrijven, en alleen al daardoor ontstonden dus tekstvarianten of ‘variante lezingen’ (qirā’āt). In de derde eeuw van de islam heeft men onder die varianten flink gesaneerd; toch worden er nog een heleboel overgeleverd, vaak toegeschreven aan vroege autoriteiten.
Als voorbeeld van een ‘tekstkritisch apparaat’ (dat echter nooit zo volledig in één commentaar te vinden is), de varianten bij k. 112:1–2:
Qul huwa allāhu ahadun allāhu al-samadu.
qul valt weg (bij vier autoriteiten)
al-wāhidu in plaats van ahadun (bij drie autoriteiten)
het tweede allāhu valt weg (bij één autoriteit).
Zie over dit vers hier nog een tekstvariant die buiten de tafsīr om bewaard is gebleven.
Er wordt ook wel gesproken van tekstwijzigingen, maar dat is minder juist, want dat zouden afwijkingen zijn van een vooronderstelde, juiste tekstvorm, en die is er niet.

2. Bewijsplaatsen uit de poëzie (shawāhid). Een woord in de koran wordt verklaard aan de hand van een oud(, meestal voorislamitisch) gedicht waarin het woord ook voorkomt. Bij koran 93:2: Bij de nacht, wanneer zij stil is (sadjā), geeft Ibn Hishām een synonym voor sadjā, ‘stil zijn’, maar hij voegt eraan toe: ‘[De dichter] Umayya ibn Abī al-Salt zegt: ‘[…] en de nacht was stil, in het diepste duister.’ 2

3. Lexicale uitleg van een zeldzaam, moeilijk of dubbelzinnig woord in de koran, zoals een woordenboek dat doet.
Bij het woord al-kawthar (koran 108:1) zegt al-Qurtubī: ‘Kawthar, van dezelfde woordstructuur als nawfal en djawhar. De Arabieren noemen alles wat veel is in aantal, maat of belangrijkheid kawthar.’ 3

9. Aanleiding tot de openbaring (sabab al-nuzūl, mv. asbāb al-­nuzūl, Engels: Occasion(s) of the revelation, Duits: Anlass/Anlässe der Offenbarung)). Een meestal kort verhaal, dat vertelt naar welke aanleiding een koranvers of –passage geopenbaard werd. Eerst gebeurt er iets; dan reageert God door iets te openbaren. Is hier al uitvoeriger behandeld.

10. Identificatie (tasmiya, ta‘yīn)
Als het in koran 18:22 in de legende over de Zevenslapers heet: ‘Drie waren er in de grot, en de vierde was een hond,’ weten de exegeten hoe deze hond heette (namelijk Qitmīr; volgens anderen ar-Raqīm, genoemd in 18:9).
Wie was de man met de hoornen (dhū al-qarnayn), over wie verteld wordt in koran 18:83–98? Ibn Ishāq had gehoord van iemand die bekend was met de verhalen van buitenlanders dat het een Egyptenaar van Griekse afkomst was, namelijk Marzubān ibn Mardhaba, die afstamde van Yūnān ibn Yāfith ibn Nūh. Maar hij citeert ook een hadith, volgens welke het een engel was die de aarde van onderen opgemeten heeft met touwen. Ibn Hishām en vele andere exegeten kennen nog een andere naam: het was Alexander, die Alexandrië gebouwd heeft. Alexander de Grote dus.4
De Vertellers ‘weten’ alles en laten geen detail onbenoemd.

11. Prophetische traditie (hadith)
Hierover heb ik veel bijdragen, lang niet alle zonder samenhang met koranuitleg. Zie hier.

NOTEN
1. John Wansbrough, Quranic Studies. Sources and Methods of Scriptural Interpretation, Oxford 1977, 121.
2. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 156; vert. A Guillaume, The life of Muhammad, Oxford 1955, 713.
3. @@.
4. Ibn Ishāq, o.c. 197, vert. 139.

Diakritische Zeichen: aḥadun, al-ṣamadu, al-wāḥidu, al-Ṣalt, al-Qurṭubī, Qiṭmīr, Isḥāq, Nūḥ

Terug naar Inhoud