Zonsverduistering

Enkele hadithen over zonsverduistering:

  • […] van al-Mughīra ibn Shu‘ba: Toen de profeet nog leefde had er een zonsverduistering plaats op de dag dat zijn zoontje Ibrāhīm stierf. De mensen zeiden: ‘De zon is verduisterd omdat Ibrāhīm is gestorven,’ maar de profeet zei: ‘De zon en de maan worden niet verduisterd omdat er iemand gestorven is of nog leeft. Als jullie een verduistering zien, verricht dan het gebed en bidt tot God.1
  • […] van ‘Abdallāh ibn ‘Amr: Toen er een zonsverduistering intrad tijdens het leven van de profeet werd er opgeroepen tot een gemeenschappelijk gebed.2
  • […] van Djābir ibn ‘Abdallāh: In de tijd van de profeet was er een zonsverduistering op een zeer warme dag. De profeet ging voor in het gebed en bleef zo lang staan dat zijn gezellen erbij neervielen. Toen deed hij twee buigingen en hield die lang aan, en ook zijn hoofd hield hij lang opgeheven. Vervolgens deed hij twee teraardewerpingen; daarna stond hij op en deed nog eens hetzelfde. Het waren vier buigingen en vier teraardewerpingen. Toen zei hij: ‘Al hetgeen waarin jullie terecht zullen komen is mij getoond. Het paradijs werd mij getoond tot ik zo dicht bij was dat ik een tros had kunnen pakken als ik ernaar gereikt had’ (of hij zei: ‘ik reikte naar een tros maar kon er net niet bij.’) ‘Ook de hel werd mij getoond. Ik zag daarin een vrouw uit de Israëlieten die werd gestraft om een kat die zij had vastgebonden en niet te eten had gegeven, en die zij ook niet had laten eten van de kleine dieren van het land. En ik zag Abū Thumāma ‘Amr ibn Mālik die zijn ingewanden voortsleepte in de hel.’
    Ze dachten toen dat de zon en de maan alleen verduisterd werden om de dood van een belangrijk man. Maar het zijn twee van Gods tekenen, die Hij jullie toont. Als zij verduisterd worden, verricht dan het gebed tot zijn weer zichtbaar zijn.3

Deze hadithen rekenen af met een geloof, dat blijkbaar bestond, dat zonsverduisteringen te maken hadden met de dood van een belangrijke persoon.4 Ter illustratie is het overlijden van Ibrāhīm, het (fictieve) zoontje van de profeet gebruikt.5 Naar islamitisch inzicht heeft God de loop van zon, maan en sterren stevig in handen en een zonsverduistering is dus niets bijzonders of verontrustends. Anderzijds moet er wel de hele tijd gebeden worden. Maar er staat net niet dat de zonsverduistering weggaat omdat er gebeden wordt. Het betreft in principe gewoon de dagelijkse rituele gebeden (salāt). Je kunt dit bidden interpreteren zoals je wilt. Het geschiedt in erkenning van Gods heerschappij over de hemellichamen. Het leidt af van eventuele angst of bijgeloof en het voorkomt oogbeschadigingen door te lang staren naar de zon. In de eerste geciteerde hadith is er echter ook sprake van smeekgebeden (du‘ā’).

NOTEN
1. Bukhārī, Kusūf 1:

حدثنا عبد الله بن محمد قال حدثنا هاشم بن القاسم قال حدثنا شيبان أبو معاوية عن زياد بن علاقة عن المغيرة بن شعبة قال  كسفت الشمس على عهد رسول الله ص يوم مات إبراهيم فقال الناس كسفت الشمس لموت إبراهيم فقال رسول الله ص إن الشمس والقمر لا ينكسفان لموت أحد ولا لحياته فإذا رأيتم فصلوا وادعوا الله.

2. Bukhārī, Kusūf 3:

حدثنا إسحاق قال أخبرنا يحيى بن صالح قال حدثنا معاوية بن سلام بن أبي سلام الحبشي الدمشقي قال حدثنا يحيى بن أبي كثير قال أخبرني أبو سلمة بن عبد الرحمن بن عوف الزهري عن عبد الله بن عمرو ر قال: لما كسفت الشمس على عهد رسول الله ص نودي إن الصلاة جامعة.

3. Muslim, Kusūf 9:

وحدثني يعقوب بن إبراهيم الدورقي حدثنا إسمعيل ابن علية عن هشام الدستوائي قال حدثنا أبو الزبير عن جابر بن عبد الله قال  كسفت الشمس على عهد رسول الله ص في يوم شديد الحر فصلى رسول الله ص بأصحابه فأطال القيام حتى جعلوا يخرون ثم ركع فأطال ثم رفع فأطال ثم ركع ثم رفع فأطال ثم سجد سجدتين ثم قام فصنع نحوا من ذاك فكانت أربع ركعات وأربع سجدات ثم قال إنه عرض علي كل شيء تولجونه فعرضت علي الجنة حتى لو تناولت منها قطفا أخذته أو قال تناولت منها قطفا فقصرت يدي عنه وعرضت علي النار فرأيت فيها امرأة من بني إسرائيل تعذب في هرة لها ربطتها فلم تطعمها ولم تدعها تأكل من خشاش الأرض ورأيت أبا ثمامة عمرو بن مالك يجر قصبه في النار وإنهم كانوا يقولون إن الشمس والقمر لا يخسفان إلا لموت عظيم وإنهما آيتان من آيات الله يريكموهما فإذا خسفا فصلوا حتى تنجلي.

4. Van het oude geloof dat er bij de geboorte van een belangrijk personen een bijzondere ster straalde (bijv. bij Jezus: Bijbel, Matteüs 2,2) is in de sīra wél iets blijven hangen: over Mohammed, bij voorbeeld Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102, حدثني من شئت من رجال قومي عن حسان بن ثابت ، قال : والله إني لغلام يفعة ، ابن سبع سنين أو ثمان ، أعقل كل ما سمعت ، إذ سمعت يهوديا يصرخ بأعلى صوته على أطمة بيثرب : يا معشر يهود ، حتى إذا اجتمعوا إليه ، قالوا له : ويلك ما لك ؟ قال : طلع الليلة نجم أحمد الذي ولد به.; mijn vertaling: […] dat Ḥassān ibn Thābit heeft gezegd: Ik was al een grote jongen van zeven of acht jaar, die alles begreep wat hij hoorde. Ik hoorde een jood vanaf een fort in Yathrib roepen, zo hard hij kon: ‘Alle joden hierheen!’ Ze verzamelden zich bij hem en riepen: ‘Hé, wat is er?’ Hij antwoordde: ‘Vannacht is de ster opgegaan waaronder Aḥmad is geboren.’
5. Over hem heb ik hier een apart artikeltje geschreven.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Kalief, kalifaat: een kort overzicht

Kalief
Arabisch khalīfa, mv. khulafā’  = ‘plaatsvervanger’ of ‘opvolger’. ‘Plaatsvervanger Gods op aarde’ namelijk: khalīfat allāh. Soms ook opgevat als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’.
Een kalief is idealiter het hoofd van een islamitische staat. Ondanks het eenheidsideaal hebben er dikwijls verschillende islamitische staten naast elkaar bestaan, met verschillende kaliefen. Enkele kalifaten waren:

De eerste ‘rechtgeleide’ kaliefen  632–661         Medina (Kūfa)
Umayyaden                                  661–750         Damaskus
Abbasiden                                    750–1258       Baghdad
Umayyaden in Spanje                  756–1031       Córdoba
Fātimiden (sjiietisch)                    909–1171        Mahdīya, Kairo

De opvolging van Mohammed was van meet af aan een heet hangijzer. Het conflict tussen Soennieten en Sjiieten gaat terug op een verschil van inzicht over die opvolging.
.
Zonen van de profeet
Als Mohammed een zoon had gehad, had deze hem opgevolgd. De overlevering vermeldt drie zoontjes van de profeet: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm, die alle reeds heel jong zouden zijn gestorven. Over Ibrāhīm heet het in een hadith: ‘[Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.’ 1 Interessanter voor de oorsprongsmythe was het bestaan van *Zayd [ibn Hāritha], die door Mohammed al voordat hij profeet werd als zoon was geadopteerd. Later is middels een koranvers de adoptie teruggedraaid, maar intussen was Zayd toch vijftien, zo niet twintig jaar lang de zoon en erfgenaam van de profeet geweest. Gelukkig was Zayd al vóór de profeet gestorven, want, aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 2
.
Opvolger/plaatsvervanger van wie?
De kaliefen lieten zich door de eeuwen heen khalīfat Allāh, ‘plaatsvervanger Gods’ noemen, of nā’ib allāh fī al-ard, ‘vertegenwoordiger Gods op aarde’ e.d. Het idee dat ze alleen wereldse macht hadden en dat de geestelijke macht aanvankelijk bij de gezellen van de profeet en later bij de schriftgeleerden, de ‘ulamā’, berustte is een vroom en niet onbaatzuchtig bedenksel van de laatstgenoemden. Zij zijn ook degenen die hebben bedacht dat de eerste kaliefen zich als khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger/opvolger van de profeet’ betiteld zouden hebben, terwijl hun opvolgers dan weer khalīfat khalīfat rasūl allāh, ‘plaatsvervanger van de plaatsvervanger van de profeet’ heetten, enzovoort. Erg onwaarschijnlijk.
.
Opvolger aangewezen?
De profeet heeft volgens de Soennieten geen opvolger aangewezen. Volgens de Sjiieten heeft hij na de afscheidsbedevaart bij Ghadīr Khumm zijn neef ‘Alī ibn abī Tālib aangewezen met de woorden: ‘Hij wiens mawlā (patroon?) ik ben, diens mawlā is ‘Alī’. De Sjiietische opvatting komt hieronder verder niet aan de orde.
.
Opvolger als wat?
– Meestal zegt men: de profeet kon als profeet niet worden opgevolgd, maar alleen als staatshoofd.
– Waarom eigenlijk niet ook als profeet? Het profeetschap had toch altijd in de familie gezeten? In K 29:27 wordt over Ibrāhīm gezegd:

  • Wij hebben hem Ishāq en Ya‘qūb geschonken en Wij hebben in zijn nageslacht het profeetschap en het boek gebracht.

In K 57:26 wordt Noach erbij betrokken:

  • Wij hebben Nūh en Ibrāhīm gezonden en in hun nageslacht het profeetschap en het Boek gebracht.

– De eerste reëel bestaande kaliefen, tot ± 850, hadden er niet over gepeinsd zich uitsluitend als wereldse heersers te beschouwen. Zij waren plaatsvervanger Gods op aarde, hoogste rechter, hoogste koraninterpreet, hun soenna diende te worden nagevolgd. Over hen zongen de dichters dat zij de oogst lieten gelukken, voor regen zorgden, recht en gerechtigheid vestigden: alles in de beste oudoosterse traditie van divine kingship.
– De latere ‘ulamā’ maakten onderscheid tussen geestelijk gezag en wereldlijke macht. De erfgenamen van het geestelijk gezag waren de gezellen (ashāb) van de profeet, hun volgelingen en dier volgelingen, en later — U raadt het al — de ‘ulamā’. De wereldlijke macht lieten zij over aan de kaliefen. Dat er in de islam geen scheiding tussen ‘kerk en staat’ zou zijn is onzin.
– De Sjiieten beschouwen het kalifaat, of het imamaat zoals zij het liever noemen, als combinatie van wereldse en geestelijke macht.

.
De ‘rechtgeleide kaliefen’
Na Mohammeds dood hebben eerst de facto vier gekozen kaliefen geregeerd, die door de soennieten de ‘rechtgeleide kaliefen’ (al-khulafā’ al-rāshidūn) worden genoemd. Hun hoofdstad was Medina.

Abū Bakr al-siddīq     632–634
‘Umar ibn al-Khattāb  634–644
‘Uthmān ibn ‘Affān     644–656
‘Alī ibn abī Tālib        656–661

– Traditionele soennitische opvatting: Abū Bakr, ‘Umar, ‘Uthmān en ‘Alī, waren de eerste vier opvolgers van de profeet. Zij hadden als hoofdstad Medina, al regeerde ‘Alī feitelijk vanuit Kūfa in Irak. Deze periode was volgens de soennieten de bloeitijd van de islam; beter was alleen de tijd van de profeet zelf. De kaliefen leidden de islamitische staat vroom en stonden dicht bij het volk. Men kon zich op deze kaliefen oriënteren voor het juiste gedrag en hun soenna volgen in geval de profeet geen richtlijn had nagelaten.
– Sjiietische opvatting: Voor de Sjiieten was er maar één rechtgeleide kalief: ‘Alī. De andere drie waren usurpatoren, over wie negatief gesproken werd en wordt.
De traditionele oriëntalistik hield als zo vaak het soennitische basisontwerp aan, maar vermocht het paradijselijke van deze vroege periode niet in te zien, omdat drie van de vier kaliefen vermoord werden en ook de eerste burgeroorlog in deze tijd heeft plaatsgehad.
Moderne geleerden zijn vaak van mening dat er bij de huidige stand van het bronnenonderzoek over deze periode nauwelijks geschiedenis te schrijven valt. Vaak twijfelt men zelfs aan de jaartallen.
Dat Mohammed zijn opvolging niet heeft geregeld komt het duidelijkst naar voren in de verhalen over de saqīfa (→ G. Lecomte), de hal of het afdak van de Banū Sā‘ida in Medina, waar in 632 direct na Mohammeds dood onderhandelingen over de opvolging zouden hebben plaatsgehad. De Helpers (ansār) uit Medina waren tegen de benoeming van een Emigrant (muhādjir) maar wilden een gedeeld leiderschap: zij hebben hun leider, wij de onze. ‘Umar hoorde ervan, drong er binnen en forceerde de benoeming van de oude Abū Bakr. Volgens sommige versies was ‘Ali hierbij ook aanwezig.3
Rechtgeleid (rāshid of rashīd of mahdī) werden overigens alle kaliefen in de eerste eeuwen van de islam genoemd. Denkt U maar aan de beroemde kalief Hārūn al-Rashīd (reg. 786–809). Zijn voorganger werd zelfs bekend onder de naam al-Mahdī (reg. 775–85).4
.
Vroege opvattingen over de opvolging: concurrerende groepen
Na de dood van de profeet waren er verscheidene facties die ideeën hadden over de opvolging en de macht:
– De vroege elite van gelovigen: De vroegste aanhangers van Mohammed, de eerste bekeerlingen, met grote verdiensten voor de nieuwe beweging. Zij wensten telkens in eigen kring te te regelen wie er zou opvolgen. Uit deze groep waren als vanzelf de eerste vier kaliefen voortgekomen, maar daarna gaf zij nog niet dadelijk op; dat gebeurde pas na het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (680–92) in Mekka.
– De voorislamitische elite: de clan Umayya van de stam ‘Abd Shams. Aanvankelijk waren zij tegenstanders van Mohammed; zij sloten zich pas op de valreep bij hem aan. Toen zij de macht hadden overgenomen (als dynastie der Umayyaden) praktiseerden zij erfopvolging binnen hun eigen clan.
– ‘Alī en zijn ‘partij’, de Sjia (shī‘a): Volgens hen was ‘Alī door de profeet tot opvolger aangewezen. Zij waren voorstanders van erfopvolging binnen de familie van de profeet.
– Kharidjieten: geen erfopvolging, geen gekonkel in elite-groepjes, maar telkens vaststellen wie in zedelijk opzicht de beste kandidaat was. De kalief afzetten als hij tegenvalt.
.
De Umayyaden (661–750)
umayyadenkaliefNa de dood van ‘Alī, die overhoop had gelegen met Mu‘āwiya, de feitelijke heerser in Syrië sinds 642, nam deze laatste het kalifaat over in 661. Hij behoorde tot de clan Umayya, dus tot de voorislamitische elite, waartoe ook kalief ‘Uthmān (644–56) al had behoord, evenals diens stadhouders in de provincies. De clan was het gewend, macht uit te oefenen. De kaliefen hadden absolute macht, hun soenna moest worden gevolgd en er was erfopvolging binnen de clan. Hun vormgeving was die van Perzische heersers, hoewel—of misschien juist omdat— hun machtsbasis Syrië een Oostromeinse provincie was geweest.
Onder deze dynastie werd veel tot stand gebracht:
– Veroveringen: Noord-Afrika, Spanje, Centraal-Azië.
– Consolidering van de macht in reeds bezette gebieden.
– Integratie van de oostelijke provincies van het Romeinse Rijk en het Perzische Rijk. Door vrede en schaalvergroting kwam er nu veel energie vrij voor wederopbouw en unifocatie. Vooral kalief ‘Abd al-Malik (685–705) heeft zich daarvoor ingezet.
– Opbouw en Arabisering van het bestuur; vanaf 700 zegetocht der Arabische taal.
– De invoering van een eigen geldstelsel (dubbele standaard). Het rijk ‘stapte uit de Euro’ van die tijd: de Romeinse solidus, die gangbaar was in heel Europa en het Middellandse-Zeegebied. Ook de Perzische drachme had afgedaan.
– Uitgave en verbreiding van de koran; ontwikkeling van een rechtssysteem (nee, nog niet de sharia).
– Opbouw van een (een!) islamitische identiteit. Als symbool gold aanvankelijk de achthoekige Rotskoepel in Jerusalem, gebouwd door kalief ‘Abd al-Malik (691): een statement tegen de christenen.
De Umayyaden vonden drie reeds genoemde groepen tegenover zich:
– de vroege elite van de gelovigen en hun nakomelingen, die na de vernietiging van het rivaliserende kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in 692 geen rol meer speelde.
– de Sjiieten, die ze er wel onder wisten te houden.
– de Kharidjieten, waar ze een geduchte vijand aan hadden.
Vanaf ± 700 kwamen er nog twee bij:
– De ‘Mensen van de Soenna en de Gemeente’ (ahl al­-sunna wa ’l-djamā‘a) die in plaats van de soenna van de Umayyadische kaliefen die van de profeet Mohammed wilden stellen, waaraan de kaliefen zich hadden te onderwerpen. Uit deze steeds machtiger wordende oppositiegroep zouden later de schriftgeleerden (‘ulamā’) voortkomen.
– De Abbasiden, die geleidelijk aan machtsovername werkten door middel van een perfide propaganda-oorlog: de Abbasidische revolutie. Als bondgenoten hadden zij de Sjiieten en de ‘ulamā’.
.
In de traditioneel-islamitische opvatting hebben de Umayyaden om religieuze redenen een heel slechte naam. Na de bloeitijd onder de Rechtgeleide Kaliefen werd de islam door hen als het ware gekaapt, zo heette het.
Zij regeerden zelfgenoegzaam, als koningen in plaats van kaliefen. Ze maakten de heerschappij erfelijk. Ze vielen Mekka en Medina aan en schoten de Ka‘ba in brand (tijdens het ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr). Ze verhinderden niet-Arabieren zich tot de islam te bekeren. Ze leefden goddeloos, dronken wijn, vierden orgieën, hadden afbeeldingen. Ze waren tyrannen en buitten hun onderdanen uit. Kortom, ze hielden zich niet aan de soenna van de profeet, zo vond de oppositie, al wist ± 710 nog niemand zo precies hoe die eruit zag.
Voor de Sjiieten waren de Umayyaden nog erger: Mu‘āwiya had immers ‘Alī bestreden en diens zoon had Husayn vermoord!
Kan allemaal wezen, maar regeringen zonder tyrannie en arrogantie bestonden er in de Oudheid niet. Die slechte pers hebben de Umayyaden gekregen omdat de teksten over hen beheerd werden door een klasse die hun vijandig gezind was: de uit de oppositie voortgekomen ‘ulamā’. Met enige moeite zijn er nog oude teksten te vinden die een ander beeld laten zien. Dat hun islam-ontwerp afweek van het latere model van de ‘ulamā’ kun je de Umayyaden moeilijk kwalijk nemen.
.
De Abbasiden (750–1258(–1517)):
– De Abbasiden lieten hun bondgenoten de Sjiieten en de ‘ulamā’ vallen zodra ze de macht hadden gegrepen.
– Ook zij regeerden aanvankelijk als absolute heersers in hun nieuwe, waarlijk keizerlijk aandoende hoofdstad Baghdad.
– Zij werden sinds ± 850 in hun macht beperkt door de ‘ulamā’. Onder de Abbasiden groeide hun invloed zozeer dat de kaliefen voortaan niet meer autocratisch konden regeren. Vanaf ± 800 neemt de sharī‘a vorm aan.
– De kaliefen verloren sinds 945 nog meer macht: zij regeerden alleen nog in naam, terwijl de werkelijke macht berustte bij legerleiders, sultans, vizieren enz.
– Het kalifaat in Baghdad eindigde in 1258 toen de Mongolen die stad verwoestten.
– Eén Abbaside ontkwam naar Cairo in het Mamelukkenrijk, waar een louter ceremonieel kalifaat werd voortgezet. De Mamelukken daar konden wel wat religieuze legitimatie gebruiken.
– Met de Turkse bezetting van Egypte in 1517 eindigde het Abbasidische kalifaat definitief.
.
De Ottomanen. Europese invloed. Het einde (1517–1924)
Toen de Turken in 1517 Egypte veroverden schaften zij het Abbasidenkalifaat af en brachten al-Mutawakkil III, de laatste kalief, naar İstanbul over, waar hij echter geen functie kreeg. Hij heeft nog zesentwintig jaar geleefd, naar ik aanneem in het genot van een pensioentje. De titel ‘kalief’ werd op onduidelijke wijze een van de vele titels van de Turkse sultans, maar zij deden er niets mee. Dat veranderde in de 18e eeuw. Europeanen meenden vaak ten onrechte dat de kalief een soort paus was, met geestelijk gezag over alle moslims ter wereld. De sultans lieten zich dat graag aanleunen, vooral sinds de Vrede van Küçük Kaynarca in 1774. Turkije moest toen o.a. de Krim aan Rusland afstaan, en als kalief kon de sultan toch nog invloed op de daar wonende Krim-Tataren uitoefenen. Het apocriefe verhaal dat de laatste Abbasidische kalief zijn titel aan sultan Selīm I zou hebben overgedragen werd korte tijd later in omloop gebracht.5 Geleidelijk werd de sultan-kalief als geestelijk hoofd opgebouwd. In de 19e eeuw woonden er veel moslims in de Europese koloniën in Azië. Dezen konden een geestelijke ondersteuning vanuit İstanbul goed gebruiken, terwijl de sultan zo zijn diplomatieke invloed kon vergroten. In de Ottomaanse grondwet van 1876 heette het: ‘De sultan is, in zijn hoedanigheid van kalief, de beschermer van de islamitische religie.’ Hij was niet het enige staatshoofd dat gelovigen in het buitenland steunde: Catharina de Grote van Rusland was ermee begonnen de orthodoxe christenen in het Nabije Oosten te ‘beschermen’ en latere tsaren bleven dat doen. Frankrijk nam de katholieken aldaar onder zijn hoede. Het Ottomaanse rijk had echter nauwelijks een marine, dus van daadwerkelijk beschermen kwam niet veel terecht. In Nederlands-Indië waren er huizen waar naast een foto van Koningin Wilhelmina een portret van de Turkse sultan (Soeltan Radja Roem) aan de wand prijkte.
Atatürk schafte in het kader van zijn modernisering van Turkije in 1922 eerst het sultanaat af, twee jaar later ook het geheel uitgeholde kalifaat.
.
Pogingen het kalifaat te doen herleven (1924–2016)
Pogingen om het kalifaat te doen herleven zijn armzalig en ongeloofwaardig gebleven. Husayn ibn ‘Alī, de sharif van Mekka, die zich in 1924 tot kalief uitriep, werd afgezet door de Wahhabieten. De Egyptische Koning Fārūq was graag kalief geworden, maar hij maakte weinig kans en werd in 1952 afgezet. In 1984 noemde al-Numayrī in Soedan zich ‘kalief Gods op aarde’; de Afghaanse Taliban-Molla Muhammad ‘Umar (1996–2001) gebruikte de kaliefentitel ‘vorst der gelovigen’, en ook Duitsland had zijn kalief: de asielzoeker Metin Kaplan, kalief van Keulen. Hij werd in 2004 wegens aanzetten tot moord op een ‘tegenkalief’ uitgeleverd aan Turkije, waar hij levenslang kreeg. In dit knullige gezelschap heeft nu de nieuwste kalief zich begeven, Ibrāhīm ‘Awwād Ibrāhīm (Fallūdja 1971— ), alias Abū Bakr al-Baghdādī, de leider van de Islamic State/al-Dawla al-Islāmīya in Syrië en Irak. Omdat een kalief volgens traditioneel-soennitische opvatting een Arabier uit de stam Quraysh behoort te zijn heeft hij zijn stamboom al bijgewerkt: hij noemt zich nu o.a. al-Husaynī al-Qurashī. Ook geen frisse jongen. 

NOTEN
1. Ibn Mādja, Djanā’iz 27.
2. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iii, 498–9, bij Koran 33:40.
3. Ibn Ishaq, Sīra, uitg. Wüstenfeld, 1013–1018; vert. Guilaume, 683–687.
4. Misschien heeft al-Hadjdjādj, de Umayyadische stadhouder in Irak vanaf 694, in een toespraak als eerste het aantal vier gebruikt in verband met de rechtgeleide kaliefen (al-khulafā’ al-rashīdūn al-muhtadūn al-mahdīyūn), hoewel hij (opzettelijk?) vaag bleef over de vraag, wie hij precies bedoelde. (Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd, iv, 122).
5. Lange tijd was d’Ohsson, Tableau voor de Europeanen een belangrijke bron van informatie over het Ottomaanse Rijk. Hij heeft blijkbaar veel misverstanden over het kalifaat in Europa verbreid. Khalīfa en imām vertaalde hij consequent met pontife, dus ‘opperpriester, paus’; de kaliefentroon heet bij hem siège pontifical. Maar daarin zal hij niet de eerste geweest zijn. Het verhaal over de overdracht van het kalifaat is wél voor het eerst door hem in omloop gebracht, o.c. i, 269–70.

BIBLIOGRAFIE NIET AF@
– Arnold@@
– P. Crone und M. Hinds, God’s Caliph. Religious Authority in the First Centuries of Islam, Cambridge 1986.
– Ibn ‘Abd Rabbihī, al-‘Iqd al-farīd @@@
– [Ibn Isḥaq, Sīra] in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, […] uitg. F. Wüstenfeld, 3 dln., Göttingen 1858–60. In Engelse vertaling: A. Guilaume, The Life of Muhammad, A Translation of Isḥāq’s (zo!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– G. Lecomte, ‘Saḳīfa,’ in EI2.
– M. Lecker, ‘Ṣiffīn,’ in EI2.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, 5 dln., uitg. A. M. Shiḥāṭa, Cairo 1979.
– I.M. d’Ohsson, Tableau Général de l’Empire Othoman, 7 dln., Parijs 1788-1824.

Diakritische tekens: Fāṭimiden, Zayd ibn Ḥāritha, ʿulamāʾ, nāʾib allāh fī al-arḍ, Abū Bakr al-ṣiddīq, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb,ʿĀlī ibn abī Ṭālib, Isḥāq, Nūḥ, anṣār, Ḥusayn ibn ʿAlī, al-Ḥadjdjādj, Ibn Isḥaq, Saḳīfa, Ṣiffīn

Terug naar Inhoud

Koptische Maria, slavin van de profeet

Het Koptische meisje Māriya was volgens de overlevering een slavin, die de Muqawqis van Alexandrië in 629 samen met haar zuster Sīrīn cadeau deed aan de profeet Mohammed. De geschenkzending bevatte verder nog goud en kostbare doeken, de muilezelin Duldul en een ezel die ‘Ufayr of Ya‘fūr heette.Māriya werd de moeder van Ibrāhīm, een zoon van de profeet. Het kind stierf terwijl het nog bij zijn voedster aan de borst was.

Maar deze Koptische slavin was geen historische figuur, en haar zoontje dus ook niet. Op minstens drie plaatsen duikt een christelijk vrouwenduo Māriya-Shirin op in Perzië, niet in Egypte:
1. In de Kroniek van Khuzistan, geschreven omstreeks 660 door een Syrisch-Aramese christen uit het Zuidperzische Khūzistān heet het:

  • Īshō‘yahb werd respectvol behandeld door de koning [Khosro II] zelf en door zijn beide christelijke vrouwen, de Aramese Shīrīn en de Romeinse Maria.2

2. In de Kroniek van Siirt (10. Jh.) is hoofdstuk 18 aan Khosro II gewijd. Daar staat te lezen:

  • […] uit dankbaarheid jegens Mauricius beval Khosro de kerken weer op te bouwen en de christenen te respecteren. Hij bouwde zelf twee kerken voor Maria (Maryam) en een grote kerk en een kasteel in het land van Beth Lashpar voor zijn Aramese vrouw Shīrīn.3

3. De Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) heeft volgens een bericht bij al-Tabarī zijn Perzische collega Khosro II Parwīz (reg. 590–628) ‘een geliefde dochter van hem, die Maryam [=Maria] heette,’ tot vrouw gegeven.4 Dat deze al een christelijke vrouw had, die Shīrīn heette, is uit de literatuur bekend.

Met deze Maria schijnt dus een christelijke Romeinse bedoeld te zijn, die in Perzië was beland. Een islamitische verteller heeft haar samen met Shīrīn naar Egypte en van daaruit weer naar Medina versleept. Ook bij hem wordt een zekere Maria door een hooggeplaatste persoon aan een andere, namelijk Mohammed, ‘geschonken’. De naam Shīrīn hoort overigens duidelijk in Perzië thuis, niet in Egypte.
.
Māriya en de sharia
Hoewel ze niet heeft bestaan, heeft Māriya wel haar sporen in de sharia achtergelaten. De profeet heeft haar aangenomen en liet zo zien dat moslims een geschenk van christenen mogen aannemen. Hij had legale seks met haar als slavin. Haar zuster Shīrīn gaf hij dadelijk door aan een ander: het is niet geoorloofd met twee zusters in dezelfde tijd omgang te hebben. Door Ibrāhīm ter wereld te brengen werd Māriya een voorbeeld van een umm walad. De dood van haar zoontje bood de profeet gelegenheid te laten zien hoe moslims bij de dood zelfs van een innig geliefd wezen zeer bescheiden dienen te rouwen.
.
Geschenk
Volgens de overlevering ontving Mohammed geschenken van verscheidene christelijke heersers: van de negus van Ethiopië, de Muqawqis van Alexandrië en de Romeinse keizer. Daarenboven nog van Dihya al-Kalbī, een moslim die meermaals met een diplomatieke missie het Romeinse Rijk bereisd zou hebben. In de teksten word de volgende formule gebruikt: ahdā fulān lin-nabī, of passief: uhdiya lin-nabī. Waarom wordt ons over deze schenkingen verteld? De berichten willen laten zien dat Mohammed zo zeer op een zelfde niveau verkeerde als de heersers van de wereld, dat zij hem geschenken stuurden.5
.
Christelijke herkomst
Blijkbaar mogen moslims geschenken van christenen aannemen, want de profeet heeft het ook gedaan. Maar mogen zij ze ook gebruiken? Volgens hadithen kreeg de profeet o.a. het volgende cadeau: schoenen, een zegelring, slavinnen, rijdieren, textiel en een kostbare bontjas. Het meeste nam hij zonder problemen in gebruik, en dankzij zijn voorbeeld is dat ook de moslims toegestaan. Alleen als een geschenk te extravagant was, of het gebruik ervan anderszins in strijd was met islamitische regels, gaf de profeet een geringschattend commentaar, schonk hij het aan iemand anders, gaf hij het een andere bestemming of liet hij het stuksnijden. De bontjas met brokaat uit Constantinopel was voor islamitisch gebruik beslist te extravagant; het prachtstuk werd dus doorgegeven aan de negus van Ethiopië.6 Gewaden van zijdebrokaat werden veracht; zelfs de servetten in het paradijs zijn nog mooier dan zij.7 Ze konden worden verscheurd en als hoofddoek8 of als onderhemd hergebruikt worden.9 Koptische doeken met afbeeldingen van levende wezens konden tot zitkussen worden verwerkt – zodat de verachting voor die afbeeldingen met het achterwerk kon worden uitgedrukt.10 Maar een paar eenvoudige zwarte11 schoenen trok de profeet wel aan, en hij liet tegelijkertijd zien dat het verplichte wassen van de voeten bij de rituele reiniging ook over die gesloten schoenen kon plaatsvinden.12 Christelijke slavinnen aannemen of bezitten en voor zich laten werken leverde blijkbaar geen problemen op.
.
Slavin
Māriya is bekend geworden als slavin. Sommige moderne moslims schamen zich met terugwerkende kracht voor de slavernij en doen alsof Mohammed met haar getrouwd was. Maar op een of twee uitzonderingen na zeggen alle bronnen dat zij een slavin was. Māriya komt niet voor in de lijsten van de vrouwen van de profeet, maar wel in een lijst van Mohammeds concubines.13 Ze zou niet bij de andere vrouwen gewoond hebben en kreeg niet de titel ‘Moeder der Gelovigen’ zoals de officiële echtgenotes.
.
Seks met slavinnen
In de Oudheid sprak het vanzelf dat een man seks kon hebben met zijn slavinnen als hij daar zin in had. Ook in de koran wordt dat als normaal beschouwd; de koranische uitdrukking voor slavin is: ‘wat uw rechter hand bezit’. Volgens islamitisch recht mag een man vier echtgenotes hebben, als hij ze kan onderhouden. Daarenboven mag hij met een onbegrensd aantal slavinnen (bijvrouwen, Arab. surrīya, mv. sarārīy) geslachtsverkeer hebben – als hij ze kan betalen.14 Ook bij de omgang met slavinnen moest Mohammed het voorbeeld gegeven hebben, en hier kwam Māriya goed van pas. Alleen al de aankomst van een waardevolle slavin als geschenk uit het buitenland vooronderstelt geslachtsverkeer. Om te melken, hout te sprokkelen en te weven waren er genoeg andere. Maar blijkbaar werd de behoefte gevoeld, de omgang van de profeet met een slavin uitdrukkelijk ter sprake te brengen, en dat gebeurde o.a. in een sabab al nuzūl-verhaal bij koran 66:1:

  • […] Zayd ibn Aslam vertelde mij dat de profeet seks had met [Māriya,] de moeder van Ibrāhīm, in de woning van een van zijn vrouwen. Die reageerde: ‘Wat, profeet! In mijn woning en op mijn bed?’ Daarop verklaarde hij [Māriya] voor zich zelf verboden [harām]. Ze zei: Hoe kun je iets wat geoorloofd is voor je zelf verboden verklaren? Maar hij zwoer bij God dat hij geen seks meer met haar zou hebben. Daarop openbaarde God: „Profeet! Waarom verklaar jij om je vrouwen tevreden te stellen verboden wat God je heeft toegestaan?“
    Zayd zei nog: Zijn woorden ‘Jij bent voor mij verboden’ waren dus zonder inhoud.15

.
Als een slavin een kind krijgt
Volgens islamitisch recht wordt een umm walad, een slavin die haar meester een kind schenkt, na diens dood vrij, zoals wordt verwoord in een uitspraak die aan kalief ‘Umar is toegeschreven:

  • Haar kind maakt haar [een umm walad] vrij – zelfs als zij een miskraam had. 16

en ook in een hadith van de profeet:

  • De profeet zei over een umm walad: ‘Haar kind maakt haar vrij. Haar wachttijd is even lang als die van een vrije vrouw.’ 17

Ter concretisering verscheen iets later Māriya in de teksten:

  • […] van Ibn ‘Abbās: In het bijzijn van de profeet werd over de moeder van Ibrāhīm gesproken. Toen zei hij: ‘Haar zoon heeft haar vrij gemaakt.’ 18

In de islamitische rechtspraktijk wordt zo’n slavin pas vrij als haar meester sterft, maar in de hadithen klinkt het alsof haar vrijlating nog bij diens leven plaatsvindt—al is het na een wachttijd.19 Dat is het onderwerp van hevige discussies geweest, die hier echter niet besproken hoeven te worden.
.
Geen seks met twee zusters
Māriya en haar zuster Sīrīn konden als precedent dienen voor de regel dat een man in dezelfde tijdspanne niet met twee zusters seks mag hebben. De profeet zou dus de aantrekkelijke Māriya zelf tot concubine hebben genomen (tasarrā bihā) en Sīrīn aan Hassān ibn Thābit hebben doorgegeven: een normale manier van doen bij niet passende geschenken (zie hierboven). Sīrīn zou Hassān aan zijn zoon ‘Abd al-Rahmān hebben geschonken.20
.
Normen voor de rouw
Door de dood van Māriya’s zoon Ibrāhīm konden enige rouwgebruiken tot sunna van de profeet worden. Over Ibrāhīm staat hier al een aparte bijdrage.
.
Wie mijn manier van kijken deelt heeft intussen allang gemerkt dat in de teksten de rechtsgeleerdheid de overhand heeft, niet het biografische en historische. Māriya dankt haar papieren bestaan en haar status als slavin aan het feit dat zij zo bruikbaar was als precedent bij shariakwesties. Natuurlijk zijn er mensen die precies haar woonplaats kennen, haar sterfdatum, die van haar zoon en de juiste ligging van zijn graf. Zelfs het origineel van de brief van de profeet aan de muqawqis is bewaard gebleven. Alles voor degenen die aan zulke dingen geloven.

LITERATUUR
– Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia Orientalia (Helsinki) 14 (1984), 297–303.
– N.N., ‘Maria al-Qibtiyya,’ in de Duitse Wikipedia. Een goed geïnformeerd artikel, dat echter in het geloof aan de historiciteit gevangen blijft zitten.
– F. Buhl, ‘Māriya,’ in EI2. Idem.

NOTEN
1. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. بعث المقوقس صاحب الاسكندرية الى رسول الله ص في سنة سبع من الهجرة بمارية وبأختها سيرين وألف مثقال ذهبًا وعشرين ثوبًا لينًا وبغلته الدلدل وحماره عفير ويقال يعقور […] De Muqawqis is een fantasieheerser uit Egypte. In werkelijkheid was dat land toen een deel van het Romeinse Rijk. De beide meisjes werden begeleid door een oude eunuch, die Mābūr heette. Over de dieren zie H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131. Van Duldul bestaat er zelfs zoiets als een biografie. Eisenstein schijnt te menen dat die dieren werkelijk hebben bestaan.
2. ‘Die von Guidi herausgegebene syrische Chronik, übersetzt und commentiert von Prof. Dr. Th. Nöldeke,’ in Sitzungsberichte der kaiserlichen Akademie der Wissenschaften, phil.-hist. Kl. 128, 9, Wien 1893, 1–48; hier S. 10; Sebastian P. Brock, ‘Guidi’s Chronicle,’ in Encyclopaedia Iranica, online hier; Robert G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw it. A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997, 182–89.
3. Histoire nestorienneChronique de Séert, II, 1, uitg. & vert. Addai Scher, Paris 1911, repr. 1950@check@, 467. (Patrologia Orientalis, vii, 2); Robert Hoyland, o.c., 443–6. Is in deze tekst met Maria niet eenvoudig de moeder Gods bedoeld?
4. Al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 994, 999: v وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم ; Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral S. 298.
5. Van zijn kant had de profeet hun alleen brieven gestuurd, waarin hij hen tot de islam opriep.
6. Abū Dāwūd, Libās 8.
7. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad iii, 229; vgl. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 903.
8. Muslim, Libās 18; Abū Dāwūd, Libās 8.
9. Abū Dāwūd, Libās 35.
10. Bukhārī, Libās 91. […] وعن عائشة وقالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهئون بخلق الله. قالت فجعلناه وسادة أو وسادتين.
11. Rode schoenen zouden bijv. te extravagant zijn geweest; Lane, Arabic Lexicon 770.
12. Koran 5:6; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf 1, 117; Abū Dāwūd, Ṭahāra 60, Tirmidhī, Adab 55, Ibn Mādja, Ṭahāra 84, Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352. Het wassen, resp het afwissen van de geschoeide voeten (al-masḥ ʿalā al-khuffain) is het onderwerp geweest van ongelooflijk uitvoerige discussies; zie R. Strothmann, Der Kultus der Zaiditen, Straatsburg 1912, 21–46; vgl. Ch. Pellat, ‘al-Masḥ ‘alā ’l-khuffayn,’ in EI2 en J. Schacht, The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950, 263f.; Wim Raven, ‘Some early Islamic Texts on the Negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218. Online hier.
13. Aṭ-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 1778. Bij de vermelding van haar dood noemt al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 2480 haar een umm walad.
14. Tegenwoordig is de slavernij weliswaar afgeschaft, maar streng-islamitisch beschouwd kan zij niet afgeschaft worden, omdat zij in koran en hadith als vanzelfsprekend geldt. In landen die de slavernij pas laat hebben afgeschaft (o.a. Saoedi-Arabië in 1962, de Emiraten in 1963, Mauritanië laatstelijk in 2007) bestaat zij in de praktijk vaak nog voort.
15. Deze versie komt uit al-Ṭabarī, Tafsīr bij koran 66:1. Er zijn verscheidene, ook langere versies van het verhaal, met en zonder vermelding van Māriya’s naam, met en zonder specificering van de vrouw van de profeet. De pijnlijk verraste vrouw van de profeet zou Ḥafṣa bint ‘Umar zijn geweest.

حدثني محمد بن عبد الرحيم البرقي، قال: ثني ابن أبي مريم، قال: ثنا أبو غسان، قال: ثني زيد بن أسلم أن رسول الله ص أصاب أمَّ إبراهيم في بيت بعض نسائه قال: فقالت: أي رسول الله في بيتي وعلى فراشي؟، فجعلها عليه حراماً فقالت: يا رسول الله كيف تحرّم عليك الحلال؟، فحلف لها بالله لا يصيبها، فأنزل الله عزّ وجلّ: { يا أيُّها النَّبِيُّ لِمَ تُحَرّمُ ما أحَلَّ اللَّهُ لَكَ تَبْتَغِي مَرْضَاةَ أزْوَاجِكَ } قال زيد: فقوله أنت عليّ حرام لغو.

16. Ibn Abī Shayba (gest. 849), Muṣannaf, xi, 184/21894.@check@
17. ʿAbd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (gest. 826), Muṣannaf, vii, 12937: v عبد الرزاق عن الن عيينة عن أبي أنعم عن راشد بن الحارث عن ابن المسيّب أن النبي ص قال في أم الولد: أعتقها ولدها، فتعتدّ عدة الحرة.
18. Ibn Mādja (gest. 887),ʿItq, 2:‎ ‎حدثنا أحمد بن يوسف حدثنا أبو عاصم حدثنا أبو بكر يعني النهشلي عن الحسين بن عبد الله عن عكرمة عن ابن عباس قال: ذكرت أم إبراهيم عند رسول الله ص فقال: أعتقها ولدها.
19. Om te zien of zij niet zwanger is. Eenzelfde wachttijd is vereist wanneer een vrouw verstoten wordt.
20. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1528, 1591, 1781.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Ibrahim, de zoon van de profeet

Had Mohammed een zoon? Behalve mensen met ‘geloofskennis’ weet niemand dat; er staat zo weinig vast over de profeet dat zulke vragen niet te beantwoorden zijn. Er wordt van hem gezegd dat hij verscheidene vrouwen heeft gehad. Als dat klopt zal hij allicht ook kinderen gehad hebben, waaronder zonen. Over drie van hen berichten hadithen: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm. Alle drie zouden ze al als zuigeling gestorven zijn. De laatstgenoemde zou vernoemd zijn naar de profeet Ibrāhīm (Abraham). Enkele  hadithen over hem volgen hier:   

  • [… van Anas:] De profeet zei: ‘Vannacht heb ik een zoon gekregen; ik noem hem naar mijn vader Ibrāhīm.’ Hij gaf hem over aan de [voedster] Umm Sayf, de vrouw van een smid die Abū Sayf heette. Op een dag ging hij hem bezoeken; ik kwam mee en toen we bij Abū Sayf aankwamen was die met de blaasblag in het smidsvuur aan het blazen; het hele huis was vol rook. Ik snelde vooruit en zei: Hou op, Abū Sayf, de profeet is er! Hij hield op en de profeet riep om Ibrāhīm, knuffelde hem en praatte van alles tegen hem. Anas zei: Ik heb hem ook gezien toen [het kind] in zijn bijzijn op sterven lag. Hij huilde een zei: ‘De ogen wenen en het hart is bedroefd, maar wij zeggen alleen wat God tevreden stelt. Bij God, Ibrāhīm, we zijn wél bedroefd om je.’ 1
  • Ten tijde van de profeet was er een zonsverduistering op de dag dat Ibrāhīm stierf. De profeet zei: ‘De zon en de maan zijn [niet meer dan] twee van Gods tekenen; zij worden niet verduisterd vanwege iemands dood en evenmin vanwege zijn leven. Als jullie een [zons- of maansverduistering] zien, bidt dan tot God en verricht gebeden tot zij voorbij is.’ 2
  • Toen Ibrāhīm, de zoon van de profeet stierf, zei deze tegen de mensen: ‘Wikkel hem niet in het doodskleed voordat ik hem nog heb gezien.’ Toen liep hij op hem toe, boog zich over hem heen en huilde.3

Oude Arabische geschiedschrijvers weten nog te vertellen dat hij in het jaar 7 (= 629) werd geboren, dat zijn moeder de Koptische slavin Māriya was, en dat hij binnen twee jaar is gestorven. Wie hadith als geschiedbron serieus neemt zou op grond van de eerste tekst hierboven aan rookvergiftiging als doodsoorzaak kunnen denken. Veel is het niet, wat we over het ventje te horen krijgen. Dat is niet verbazend: over een zuigeling is nu eenmaal niet veel te vertellen. Maar ook de weinige harde feiten die we lijken te hebben zijn niet hard. Zijn moeder alleen al, de Koptische Māriya, is rijkelijk fictief. Zij zou deel uitgemaakt hebben van een geschenkzending die de Muqawqis, een raadselachtige heerser in Alexandrië, in het jaar 7 na de hidjra aan de profeet zou hebben gestuurd. De zending behelsde twee prachtige, zonder twijfel maagdelijke slavinnen: Māriya en haar zuster Sīrīn, een hoop goud en textiel, de muilezelin Duldul en de ezel ‘Ufayr of Ya‘fūr.4 Maar de beide vrouwennamen zijn uit een heel ander verhaal komen aanwaaien. Reeds de Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) zou zijn Perzische collega Khosro (Chosroës) II Parwīz (reg. 590–628) zijn geliefde dochter Maryam (Maria) tot vrouw hebben gegeven.5 En deze Khosro had al een christelijke vrouw, die Shīrīn heette; zij is in de literatuur tamelijk bekend geworden. De naam Shirin past beter in Perzië dan in Egypte. (Over  de Koptische Māriya staat hier een apart artikeltje.)

De drie hadithen hierboven gaan bij nader inzien niet over Ibrāhīm, maar willen de genegenheid van de profeet jegens hem en vooral zijn gedrag bij diens overlijden laten zien, dat als voorbeeld diende voor het gedrag van de moslims bij sterfgevallen. Rouw, tranen, natuurlijk; maar met mate! Ook een zonsverduistering moet niet te belangrijk worden gevonden; nuchterheid is geboden. In geen geval wordt zo’n natuurverschijnsel, zoals sommige mensen meenden, veroorzaakt door het heengaan van een persoon, hoe belangrijk deze ook was. In deze op het eerste gezicht biografische teksten domineren dus zoals dikwijls de doelstellingen van shariageleerden; niet de biografische impuls. Het ging erom, paal en perk te stellen aan de overdreven rouwgebruiken van moslims van Perzische afkomst.6 Voor moslims volstaat een gepaste, maar niet overdreven rouw; van begrafenissen moet niet te veel werk gemaakt worden. Zoals altijd moest ook bij het onderwerp rouwbeklag (al-niyāha ‘alā al-mayyit) de profeet het voorbeeld gegeven hebben, en daartoe kon de verteller goed iemand gebruiken, die de profeet heel erg zou missen: een gestorven zoontje. Naar mijn overtuiging is Ibrāhīm vooral in het leven geroepen met het doel hem snel te laten sterven, zodat de profeet hem voorbeeldig en met mate kon bewenen. Daarenboven maakte zijn geboorte de slavin die zijn moeder was tot een umm walad, dat is een slavin die haar meester een kind schenkt en daarom na diens dood van rechtswege vrij wordt. Twee maal dient Ibrāhīm als precedent voor sharia-regels.

Of Mohammed in het werkelijke leven een zoon had of niet, in zijn vita zou er geen passen. Godsdienststichters hebben doorgaans geen afstammeling. Mozes, Jezus en de Boeddha hadden er ook geen. Tenminste niet een, die in de verhalen een rol speelt, of die na hun dood als opvolger had kunnen optreden; dat zou de mythen van oorsprong ernstig hebben verstoord. De hadithliteratuur schijnt zich daarvan enigszins bewust te zijn:

  • [Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.7

Veel interessanter is eigenlijk het verhaal van Zayd (ibn Hāritha), die als volwassene vijftien à twintig jaar Mohammeds aangenomen zoon is geweest. Die adoptie was via de koran ongedaan gemaakt; bovendien was Zayd al vóór de profeet gestorven. Gelukkig maar, want aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 8 Daarover een volgende keer.

NOTEN
1. Muslim, Fadā’il 62 (hieronder); ook Bukhārī, Djanā’iz 44, Ibn Mādja, Djanā’iz 53 e.v.a.

حدثنا هداب بن خالد وشيبان بن فروخ كلاهما عن سليمان واللفظ لشيبان حدثنا سليمان بن المغيرة حدثنا ثابت البناني عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله ص ولد لي الليلة غلام فسميته باسم أبي إبراهيم. ثم دفعه إلى أم سيف امرأة قين يقال له أبو سيف. فانطلق يأتيه واتبعته فانتهينا إلى أبي سيف وهو ينفخ بكيره قد امتلأ البيت دخانا. فأسرعت المشي بين يدي رسول الله ص فقلت يا أبا سيف أمسك جاء رسول الله ص. فأمسك فدعا النبي ص بالصبي فضمه إليه وقال ما شاء الله أن يقول. فقال أنس لقد رأيته وهو يَكيد بنفسه بين يدي رسول الله ص فدمعت عينا رسول الله ص فقال تدمع العين ويحزن القلب ولا نقول إلا ما يرضى ربنا والله يا إبراهيم إنا بك لمحزونون.

2. Muslim, Kusūf, 29  (langere versie Muslim, Kusūf 10 e.v.a.):

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة ومحمد بن عبد الله بن نمير قالا حدثنا مصعب وهو ابن المقدام حدثنا زائدة حدثنا زياد بن علاقة وفي رواية أبي بكر قال قال زياد بن علاقة سمعت المغيرة بن شعبة يقول انكسفت الشمس على عهد رسول الله ص يوم مات إبراهيم فقال رسول الله ص إن الشمس والقمر آيتان من آيات الله لا ينكسفان لموت أحد ولا لحياته فإذا رأيتموهما فادعوا الله وصلوا حتى تنكشف.

3. Ibn Mādja, Djanā’iz 13:

حدثنا محمد بن إسمعيل بن سمرة حدثنا محمد بن الحسن حدثنا أبو شيبة عن أنس بن مالك قال لما قبض إبراهيم ابن النبي ص قال لهم النبي ص لا تُدرِجوه في أكفانه حتى أنظر إليه فأتاه فانكبّ عليه وبكى.

4. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg.. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. Zie nu over de muildieren van de profeet hier, en over zijn ezels hier.
5. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 994, 999: وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم. Ook dit is pure fantasie. Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral. S. 298. Zie ook C. Cannuyer, „Māriya, la concubine copte de Muhammad, réalité ou mythe?“ in Acta Orientalia Belgica 21 (2008), 251–64. Uri Rubin houdt Māriya en Ibrāḥīm voor historische personen: U. Rubin, ‘The Seal of the Prophets and the Finality of Prophecy,’ ZDMG 164 (2014), 65–96, vooral p. 76vv.
6. T. Fahd, ‘Niyāha,’ in EI2; G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Cambridge 1982, 99–108.
7. Ibn Mādja, Djanā’iz 27:

حدثنا محمد بن عبد الله بن نمير حدثنا محمد بن بشر حدثنا إسمعيل بن أبي خالد قال قلت لعبد الله بن أبي أوفى رأيت إبراهيم ابن رسول الله ص  قال مات وهو صغير ولو قضي أن يكون بعد محمد ص نبي لعاش ابنه ولكن لا نبي بعده.

8. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, iii, 498–9 bij Koran 33:40:

يقول لو كان زيد ابن محمد لكان نبيا فلما نرلت ((ما كان محمد أبا أحد من رجالكم)) قال النبي ص لزيد: لست لك بأب. فقال زيد: يا رسول الله، أنا زيد بن حارثة معروف نسبي.

Diakritische tekens: niyāḥa, Ḥāritha, Faḍāʾil, Al-Ṭabarī, Māriya al-qibṭiyya, Muḥammad

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud