Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Arabische veroveringen

Nadat de nomadische Arabieren zich eeuwen lang tevreden hadden gesteld met incidentele rooftochten en invallen in de landbouwgebieden kwamen zij omstreeks 630 plotseling in beweging en werden sterk expansief. Eerst werd het Arabisch Schiereiland in een staat verenigd (de Ridda-oorlogen; 632–34), wat daarvoor nooit was gelukt; daarna volgden de veroveringen (futūh) van het halve Romeinse en het hele Perzische Rijk. Vooral in het begin is het verbazend snel verlopen. In een vloek en een zucht kwamen het Nabije en Midden-Oosten onder Arabische heerschappij.

  • Enige data, voor wat ze waard zijn
    632–634 Arabië verenigd. Ridda-­oorlogen
    635 Damascus, Syrië veroverd
    634–642 Irak en West-­Iran veroverd
    639–642 Egypte
    640 Caesarea (Palestina)
    640–660 Oost­-Iran
    670 Qayrawān (Tunesië)
    672 Aanval op Constantinopel
    711 Tot aan de Indus (het huidige Pakistan)
    711–732 Iberisch Schiereiland, raids in Frankrijk
    tot 750 Afghanistan, delen van India, Centraal-Azië

De jaartallen staan niet zo vast als ze lijken; de verhalen kloppen niet altijd. Van de beroemde Slag bij Qādisīya (± 640) bij voorbeeld blijft in het moderne onderzoek niet zoveel over.

Hoe kon een handjevol Arabieren in korte tijd twee wereldrijken wegvagen?
Hieronder vat ik een aantal van de pogingen samen die gedaan zijn om die buitengewoon snelle veroveringen te verklaren.
.
-­ ‘De Arabieren stormden voorwaarts met de koran in de ene hand en het zwaard in de andere.’ Dat is werkelijk lastig vechten! Deze dwaze voorstelling stamt van Edward Gibbon (1737–94).
.
-­ De moslims waren door hun geloof bevleugeld. Zij volgden het gebod van de koran, djihad te voeren. Het snelle en overweldigende succes is te danken aan Gods bijstand. (moderne islamitische voorstelling)
.
-­ De moslims hadden door hun geloof een grote discipline en een ijzeren moraal. (oude islamitische voorstelling)

  • [Een Romeinse spion met Arabische achtergrond werd in het vijandelijk kamp gestuurd en kwam met de volgen de beschrijving van de moslims terug:]
    ‘’s Nachts zijn het monniken, overdag ridders! Zelfs als de zoon van hun koning iets zou stelen zouden ze zijn hand afhakken; als hij ontucht zou bedrijven zou hij gestenigd worden om het recht onder hen te handhaven.’
    ‘Als het zo is,’ zei de cubicularius, ‘dan is het binnenste der aarde beter dan hen op de aardoppervlakte te ontmoeten!’ 1

-­ Daarentegen was de vijand laf, decadent en gedemoraliseerd. Het ‘Belsazars-Feest’-motief 2 (oude islamitische voorstelling)

  • Toen Khālid naar Suwā kwam overviel hij de bewoners toen ze net wijn aan het drinken waren uit een drinknap, waaromheen zij bij elkaar zaten, terwijl een zanger zong:
    ‘Ja, geef me nog een slok, voordat Abū Bakrs leger verschijnt!
    Misschien is ons doodslot nabij zonder dat wij het weten.
    ‘Ja, geef me nog een slok… enz@ 3

-­ De inwoners van de bezette gebieden stonden juichend langs de weg toen de Arabische troepen binnenmarcheerden. De veroveraars waren eigenlijk bevrijders. De soldaten gedroegen zich correct en gevoelvol jegens de mensen. (moderne islamitische voorstelling. Waar hebben we dat meer gehoord?)
.
– De bevolking van Syrië wilde haar eigen  Syrische kerk(en) en niet de Griekstalige staatskerk van Constantinopel; ze waren dus erg blij dat de Romeinen vertrokken. De Arabieren waren sowieso niet in kerken geïnteresseerd. (oudere oriëntalistische variant van de ‘bevrijdingstheorie’)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Rijk  hadden elkaar in lange oorlogen militair geheel uitgeput en boden nog maar weinig weerwerk. Jeruzalem was juist in 622, Egypte in 629, Palestina in 630 door de Romeinen op Perzië terugveroverd. (oudere oriëntalistiek)
.
– De beide grote rijken hadden tijdens hun onderlinge oorlogen hun Arabische vazallen financieel verwaarloosd. Dezen werden nu opstandig en waren bereid tegen hun vroegere heren te vechten. (nieuwere oriëntalistiek)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk had zich militair al vrijwillig uit Syrië teruggetrokken; daar hoefde dus niet meer gevochten te worden. Keizer Heraclius had in 628 het Perzische leger bij Ctesiphon definitief verslagen; toen de Arabieren dan naar Perzië kwamen stieten ze daar niet op veel weerstand.  (→ Koren & Nevo; moderne ‘oriëntalistiek’)
.
– Het succes is te danken aan de unieke en superieure militaire strategie van de Arabieren. Flexibiliteit tegen moeizaam beweegbare troepen, die braaf in het gelid stonden; snelle terugtocht en dan verrassend terugkomen (karr wa-farr). Het toevluchtsoord woestijn was voor de Romeinse en Perzische troepen met hun paarden en wagens ontoegankelijk. (islamitisch én oriëntalistiek).
.
– De Arabieren hadden altijd al rooftochten in de landbouwgebieden gemaakt. 4 Dat was lastig, maar de inwoners hadden geleerd ermee te leven. Daarom zullen ze gedacht hebben dat deze aanvallen ook weer een incident waren. Wie had kunnen denken dat het deze keer anders zou aflopen? (oriëntalistiek)
.
– Het Arabisch Schiereiland was overbevolkt; de Arabieren waren eenvoudig gedwongen ergens anders Lebensraum te vinden (oriëntalistisch, eind 19e eeuw).
.
– Syrië werd eigenlijk al voor een groot deel door Arabieren bewoond; het ging alleen nog maar om de dominantie onder hen. (moderne oriëntalistiek)
.
– De Arabieren moeten door de koran en de nieuwe religie wel een sterke geestelijke impuls en aanmoediging hebben gekregen; anders is deze plotselinge explosie van energie niet verklaarbaar. (oudere oriëntalistiek)
.
– Veel van al die veroveringen hebben domweg niet plaatsgehad. Mu‘āwiya was der eerste Arabier die over Damascus regeerde, vanaf ± 640. De eerste, zogenaamde rechtgeleide kaliefen en hadden over Syrië geen zeggenschap en zijn er nooit geweest. (moderne ‘oriëntalistiek’)
.
En hoe was het nu echt? Wie zal het zeggen; het zal in ieder geval zeer complex geweest zijn. Het bovenstaande bevat naast onzin ook enkele interessante overwegingen, maar natuurlijk was er niet maar één factor. Wetenschappers zoeken verder, maar zitten momenteel een beetje in het  slop, met name de zog. Inârah-Groep.
.
Hoe kan het onderzoek verder gaan? Echt schot zit er niet in, maar er kan op de volgende fronten verder gewerkt worden:
.
Teksten anders lezen
De islamitische bronnen, die oud zijn maar helaas niet oud genoeg, en die vaak een ideologische, patriottische of religieuze bias hebben, zijn vaak teleurstellend. Toch zou men ze nog eens met nieuwe ogen kunnen bekijken.

Noth en Conrad 5 zijn begonnen met de analyse van de vroegste bronnen, bij voorbeeld in het geschiedwerk van al-Tabarī. Zij hebben bevonden dat deze voor de geschiedschrijving slechts ten dele bruikbaar zijn. Enkele van hun overwegingen:

  • Dat de kalief in zijn hoofdstad Medina het hele rijk middels brieven aan zijn generaals en agenten centralistisch geregeerd heeft is fictie. Een brief naar Syrië duurde een maand; het antwoord eveneens. In plaats van een centrale strategie te volgen zullen de krijgsheren eerder zelfstandig gehandeld hebben.
  • De beschrijvingen van de veldslagen met olifanten, poëzie-intermezzo’s en spannende tweegevechten is veel te literair om betrouwbaar te zijn.
  • Er zijn veel topoi, bij voorbeeld: voortdurend overleg van de kalief met zijn omgeving; als teken voor de aanval wordt steeds Allāhu akbar geroepen; individuele moslims zoeken de martelaarsdood, en vele meer.

Al lang bekende feiten en teksten raken soms in vergetelheid.  Bij voorbeeld het zog. ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka (680-692) en de geschriften van zijn broer ‘Urwa zouden een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben in de ‘Mekkaïsering’ van de vroege islamitische geschiedenis. Toen de burgeroorlog ten einde was heeft de tot verzoening geneigde kalief Kalif ‘Abd al-Malik voor het Arabische Schiereiland in de officiële geschiedenis misschien meer plaats ingeruimd dan het ooit gehad had; zie verder hier.

Andere teksten lezen
1. Teksten op papyrus. Naast geschiedenisboeken worden er tegenwoordig ook papyri bestudeerd, die vaak ouder zijn dan die boeken en niet kunnen ‘liegen’. Het betreft dan vooral handelsverdragen, correspondentie enzovoort, die een inkijk bieden in het reële leven van die tijd.
2. We hebben tegenwoordig getuigenissen van de onderworpen volkeren, die deels ouder zijn dan de oudste Arabische bronnen en een heel ander beeld geven van de veroveringen. 6

Archeologie
Er worden mondjesmaat archeologische gegevens bekend. Ik zelf ben niet in staat archeologische gegevens te interpreteren; er moet maar eens iemand voor gaan zitten om dat voor niet-vakmensen te doen.
Er zijn en worden ook inscripties gevonden (zie bijv. deze) en ook vroege munten gevonden (zie bijv. deze). Tot nu toe is er een hoop onzin naar aanleiding van die munten beweerd; daar moeten meer echte numismaten naar kijken.

NOTEN
1. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2126.
2. Zie Bijbel, Daniel 5.
3. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2124.
4. Bijbel, Rechters 8:11.
5. Noth & Conrad, Historical Tradition
6. Hoyland, Seeing Islam

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire (Ancient Warfare and Civilization), Oxford University Press 2015.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Het ontstaan van het islamitische rijk, van Afghanistan tot Spanje (632-750), vert. Guus Houtzager, Bulaaq/Epo 2008. Oorspr. titel: The Great Arab Conquests. How the spread of Islam changed the world we live in – 2007.
– M. G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984.
– Albrecht Noth & Lawrence I. Conrad, The Early Arabic Historical Tradition: A Source-Critical Study (Studies in Late Antiquity and Early Islam, Vol. 3), Princeton 1994. [Het boek is ook nuttig als ogenopener voor de biografie van de profeet.]
– R. G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw It, Princeton 1997.
– Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-mulūk wal-rusul] Annales, uitg.. M.J. de Goeje et al., 14?@ dln., Leiden 1879–1901; Vert. Ehsan Yarshater (uitg.), The History of al-Ṭabarī. An annotated translation, Albany 1985—.
– G.-R. Puin, Der Dīwān von ‘Umar ibn al-Haṭṭāb, Ph. D. Diss. Bonn 1970.
– Y.D. Nevo & J. Koren, Crossroads to Islam. The Origins of the Arab Religion and the Arab State, Amherst NY 2003 [beveel ik niet aan].
– K.H. Ohlig und G.R. Puin (hg.), Die dunklen Anfänge: Neue Forschung zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlin 2005 [beveel ik niet aan].

Diakritische Zeichen: futūḥ, al-Ṭabarī, taʾrīḫ, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb

Terug naar Inhoud

De biografie van Mohammed in de moderne tijd: ups en downs

Het sīra-materiaal in zijn geheel is zo omvangrijk en verscheiden dat er geen coherent beeld van de profeet uit kan worden verkregen. Kan het wel worden gebruikt voor een betrouwbare biografie van Mohammad, of als bron voor de geschiedenis van de vroege islam? Dat is typisch een vraag van orientalisten. Negentiende-eeuwse geleerden als Ernest Renan (1823–93; ‘De islam ontstond in het volle licht der geschiedenis’), Julius Wellhausen (1844–1918), Ignaz Goldziher (1850–1921) en anderen waren nog vol vertrouwen. Zij verwierpen veel teksten als onbetrouwbaar, maar geloofden dat het mogelijk was, met de rest het historische verleden te reconstrueren ‘zoals het werkelijk was geweest’.
Dit geloof werd ondergraven tijdens de eerste golf van scepticisme, waarvan de hoofdvertegenwoordigers Leone → Caetani (1869–1935) en Henri → Lammens (1862-1937) waren. Caetani deed in zijn Annali niets anders dan de toen beschikbare bronnen in Italiaanse vertaling naast elkaar te zetten, waardoor de discrepanties dadelijk zichtbaar werden. Volgens Lammens leunde de hele biografie op de koran en was daarom niet betrouwbaar als bron voor geschiedschrijving. Na de Eerste Wereldoorlog was de kritische geest weer weg en werd de queeste naar de ‘historische waarheid’ hervat. Een aantal wetenschappelijke biografieën werd geschreven, met als hoogtepunt het omvattende werk van W. Montgomery →Watt.
Een tweede golf van scepticisme kwam op in de zeventiger jaren van de twintigste eeuw. John → Wansbrough paste ‘bronnenscheiding’ toe op sīra teksten, zoals het tevoren gedaan was op bijbelteksten, en analyseerde de diverse literaire genres met hun functies en doelstellingen. Patricia → Crone en Michael Cook zetten in hun Hagarism de literaire benadering voort; bovendien brachten zij de tot dusverre verwaarloosde niet-Arabische bronnen onder de aandacht en hadden een scherp oog voor de materiële, economische en geografische realia in Arabië.
Op het ogenblik gaan de meningen onder niet-islamitische geleerden sterk uiteen. Aan de ene kant is er een neiging terug te keren naar de traditie. Een zekere nostalgie naar de ouderwetse biografie van de profeet wordt aan de dag gelegd door Gregor → Schoeler, Charakter en Harald → Motzki, Murder). F.E. Peters is zich wel bewust van de aard van de bronnen, maar schreef toch een biografie. De aanvankelijk zo sceptische Patricia → Crone († 2015) was later in haar leven van mening dat we veel weten van Mohammad en door nader onderzoek nog meer te weten kunnen komen. Tilman → Nagel schreef een dikke geleerde biografie alsof er nooit scepticisme had bestaan.
Andere geleerden proberen de vroege islamitische geschiedenis compleet te herschrijven en twijfelen zelfs of Mohammed ooit heeft bestaan of beweren dat Mohammed geen eigennaam is maar een adjectief, dat betrekking heeft op Jezus (Nevo & Koren; de zog. Inârah-groep; Ohlig en Puin; Luxenberg in → Ohlig & Puin; ook vermeld bij → Jansen). Een zekere postmoderne onverschilligheid tegenover de historiciteit van de de biografie is aan te treffen bij → Rubin and → Schöller.
Welk gezichtspunt men ook inneemt, het in de afgelopen decennia gewonnen inzicht dat de biografische texten literatuur zijn kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Vele van die teksten behoren tot literaire genres met hun eigen conventies, een flinke portie fictionaliteit en heel wat intertextualiteit. Hoe meer intertextualiteit er in een verhaal te ontdekken is, des te onbruikbaarder is het voor de geschiedschrijving. Teksten die gebaseerd zijn op de bijbel of andere joodse of christelijke literatuur, of op de koran, of naar het patroon van een legende zijn opgebouwd, of stukken heilsgeschiedenis, kunnen wel gebruikt worden voor de geestesgeschiedenis van de periode van hun ontstaan, maar niet voor die van de gebeurtenissen die daarin worden beschreven. Omdat we nu meer bronnen ter beschikking hebben dan Caetani zien we nog duidelijker de discrepanties tussen de bronteksten. Bovendien kan nauwelijks enige biografische tekst gedateerd worden vóór 693, en hoe later de bronnen zijn, des te meer beweren zij te weten over de profeet.

Terugblik
Als datgene wat men over Mohammed wetenschappelijk meent te kunnen weten over een periode van anderhalve eeuw zo varieert, dan ligt er maar één conclusie voor de hand: dat we blijkbaar niet veel zeker weten. Waaraan ligt het, dat de meningen van wetenschappers zo variabel zijn? Die vraag kan ik niet beantwoorden; hoogstens wil ik hierover enige overwegingen ten beste geven.
– De persoonlijkheid van de onderzoeker speelt altijd een rol: is hij conservatief, ‘gelooft’ hij graag, of is hij juist gretig om iets nieuws te ontdekken?
– Ook het tijdsgewricht speelt een rol. Na de Eerste Wereldoorlog had blijkbaar niemand zin of energie om de veelbelovende kritische onderzoekingen van ± 1900 voort te zetten. De Tweede Wereldoorlog en de dulle tijd daarna maakten het niet beter. Pas in de jaren zeventig durfden jonge onderzoekers weer moed te scheppen en zich te bevrijden van de grijze stoffigheid van hun leermeesters. Er was geld, er was een algemeen gevoel van op te breken naar nieuwe oevers. Vanaf ± 2000 breekt er weer politiek pessimisme door. De Chinezen staan voor de deur, de universiteiten geraken vrijwel overal in een financiële en existentiële crisis; de algemene stemming wordt eerder conservatief. Dat heeft invloed op het onderzoek, of op het ontbreken daarvan.
– Vanaf de zestiger jaren zijn er moslims in ons gezichtsveld gekomen. Dat leidde bij sommige geleerden tot politiek-correcte reacties (‘daarmee kan ik toch mijn moslim-vrienden niet onder ogen komen?’); anderen wilden graag onderzoek doen, maar bemerkten dat zij dat niet gefinancierd kregen door overheden, die vooral rust in de tent wilden en niets wilden steunen wat moslims onprettig vinden. Na 9/11 sloeg dat om en zagen weer andere geleerden hun kans schoon om hun anti-islamitische en/of racistische sentimenten wetenschappelijk verpakt op de markt te brengen. Met geen van die politiek en financieel bepaalde houdingen is de wetenschap gediend, maar ze spelen wel degelijk een rol. Ik ga maar geen namen noemen.

Over biografieën die door moslims zijn geschreven zie hier.

Bibliografie
– Tor Andræ, Die person Muhammeds in lehre und glaube seiner gemeinde, Stockholm 1917.
– Leone Caetani, Annali dell’ Islam, i–ii, Milano 1905–7.
– Patricia Crone and Michael Cook, Hagarism. The making of de Islamic world, Cambridge 1977.
– Patricia Crone, What do we actually know about Mohammed? (gepubl. 31.08.2006).
– Toufic Fahd (uitg.), La vie du prophète Mahomet. Colloque de Strasbourg (23–24 octobre 1980), Paris 1983.
– Ibn Warraq, The Quest for de Historical Muhammad, ed. with translations by Ibn Warraq, Amherst (NY) 2000.
– Hans Jansen, De historische Mohammed, Amsterdam/Antwerpen: De Mekkaanse verhalen 2005, De verhalen uit Medina 2007.
– Henri Lammens, ‘L’Âge de Mahomet et la chronologie de la Sîra,’ in Journal Asiatique [2nd ser.] 17 (1911), 209-50 (vert. als ‘The age of Muhammad and the chronology of the sira,’ in Ibn Warraq, Quest, 188–217).
– idem, ‘Caractéristique de Mahomet d’après le Qoran,’ in Recherches de science religieuse 20 (1930), 416–38.
– idem, Fāṭima et les filles de Mahomet. Notes critiques pour l’étude de la Sīra, Rome 1912. (vert. als ‘Fatima and the daughters of Muhammad,’ in IbnWarraq, Quest, 218-329).
– idem, ‘Qoran et Tradition. Comment fut composée la vie de Mahomet,’ in Recherches de science religieuse 1 (1910), 26–51 (vert. als ‘The Koran and tradition. How the life of Muhammad was composed,’ in Ibn Warraq, Quest, 169–87).
– Harald Motzki (ed.), Biography of Muḥammad. The issue of the sources. Leiden 2000.
– idem, ‘The murder of Ibn abī l-Ḥuqayq. On de origin and reliability of some maghāzī-reports,‘ in idem, Biography, 170–239.
– Tilman Nagel, Mohammed. Leben und Legende, München 2008.
– Yehuda D. Nevo and Judith Koren, Crossroads to Islam : the origins of the Arab religion and the Arab state, Amherst (NY) 2003.
– Albrecht Noth and Lawrence I. Conrad, The early Arabic historical tradition. A source-critical study, Princeton 1994.
– Karl-Heinz Ohlig & Gerd-R. Puin, Die dunklen Anfänge: neue Forschungen zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlijn 2006.
– F. E. Peters, Muhammad and the origins of Islam, New York 1994.
– idem, ‘The quest of the historical Muhammad,’ in IJMES 23 (1991), 291–315 [herdrukt in Peters, Muhammad].
– Wim Raven, ‘Sīra and the Qurʾān’in Encyclopaedia of the Qur’ān.
– Ernest Renan, Études d’histoire religieuse, Paris 61863 (het beroemde citaat staat op blz. 220).
– Maxime Rodinson, ‘A critical survey of modern studies on Muhammad,’ in Merlin Swartz, Studies on Islam, New York/Oxford 1981, 23–85.
– Uri Rubin, The eye of the beholder. The life of Muḥammad as viewed by de early Muslims. A textual analysis. Princeton 1995.
– idem, ‘Muḥammad,’ in Encyclopaedia of the Qur’ān.
– Gregor Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Muhammad’s, Berlin/New York 1996.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie. Eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden. Wiesbaden 1998.
– John Wansbrough, The sectarian milieu. Content and composition of Islamic salvation history, Oxford 1978.
– W. Montgomery Watt, Muhammad at Mecca, Oxford 1953.
– idem, Muhammad at Medina, Oxford 1956.
– idem, ‘The reliability of Ibn Isḥāq’s sources, in Fahd, La vie, 31–43.

Terug naar Inhoud