AM: De Rotskoepel in Jeruzalem

800px-Dome_of_the_Rock_Jerusalem_Victor_2011_-1-7(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Het mooiste bouwwerk tussen Damascus en Cairo is de zevende-eeuwse Rotskoepel in Jeruzalem. Het staat op het plateau waar ooit de Tempel van Salomo gestaan moet hebben. Hoewel niet groot is het een dominerend gebouw, dat je van vele plaatsen uit de verte ziet. Toen er nog geen hoogbouw was moet dat nog meer het geval geweest zijn. Hier kunt U er een virtuele wandeling langs en doorheen maken. Naar verluidt mogen alleen moslims er naar binnen; ik ben er twintig jaar geleden nog wel in geweest.

domerockinterior2Het is een achthoekig gebouw met een rond binnenwerk (rotunda). Een moskee is het niet; die stond en staat een eindje verder op dat plateau. In het midden van de koepel ligt een flink rotsblok met een balustrade eromheen. Bezoekers kunnen er rondjes omheen lopen. Waarom zouden ze dat doen, vraagt U zich misschien af, maar dat wordt bij de zwarte steen in de Ka‘ba te Mekka ook gedaan. Ook het christendom en vele andere godsdiensten kennen religieus betekenisvolle ‘ommegangen’.

Het was kalief ‘Abd al-Malik die de Rotskoepel heeft laten bouwen, zo tussen 688 en 692. Waarom? Vroege schriftelijke bronnen vermelden het gebouw met geen woord, maar er zijn verschillende theorieën over.

Eén verklaring is de nog woedende burgeroorlog: Syriërs zouden de bedevaart naar Mekka niet hebben kunnen of willen maken omdat daar kalief ‘Abdallāh ibn al-Zubayr heerste en onder de pelgrims anti-Umayyadische propaganda bedreef. Daarom moest er een alternatief heiligdom in Jerusalem gebouwd worden.
Maar de bouw duurde een jaar of drie, en ‘Abd al-Malik was toen toch al druk bezig het kalifaat van Ibn al-Zubayr op te rollen? Het had wel van heel weinig vertrouwen in zijn eigen militaire capaciteiten getuigd als hij zijn twijfel aan de eindoverwinning al bij voorbaat in steen had vastgelegd. Toen hij Mekka en Medina terugveroverde kwam het gebouw juist gereed, dus met betrekking tot de burgeroorlog was het van meet af aan overbodig.

Meer voor de hand ligt het gebouw te interpreteren als statement aan de monotheïsten. En dat nog wel op de tempelberg, een schitterende, strategische locatie waar ooit de tempel van de joden had gestaan, maar nu al eeuwen niet meer. Joden vormden blijkbaar geen probleem, want die mochten nu weer in Jerusalem wonen, wat eeuwen lang niet toegestaan was geweest. Door hun geringe aantal vormden ze geen factor van belang. Christenen daarentegen vormden bijna de gehele bevolking van het westelijk deel van het Arabische Rijk. En voor hen was Jerusalem een zeer centrale plaats, met zijn kerk van het Heilige Graf, een niet zo stralend gebouw omgeven door een web van smalle straatjes, en daarin het Heilige Kruis, dat pas in 630 door keizer Heraclius in de kerk was teruggebracht nadat het door de Perzische vijand geroofd was geweest. De rotskoepel stond vrij: een fris, nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging, zijn schoonheid en de teksten die erop en erin stonden. Duidelijk is wat er over Jezus te denken is:

Mensen van de Schrift! Overdrijft niet in jullie godsdienst en zegt niets over God dan de waarheid. De Messias Jezus, de zoon van Maria, is de gezant van God en Zijn woord, dat hij toevertrouwde aan Maria, en een geest van hem. Gelooft dan in God en zijn boodschappers, en zegt niet: ‘Drie’. Houdt daarmee op, dat is beter voor u. God is één God, geloofd zijn hij! Dat hij een kind zou hebben. Hem behoort wat in de hemelen en wat op aarde is, en God volstaat als bewindvoerder. (Koran 4:171)

Aan eeuwenlang dogmatisch gehakketak over de natuur van Christus moest met deze en andere teksten een einde gemaakt worden. Ook Mohammed wordt als dienaar en gezant van God genoemd; dat was tevoren nog nauwelijks zo in het openbaar gedaan.

Met dit afscheid van de christenheid werd de islam geboren. Arabisch, de taal van de inscripties op het gebouw, zou voortaan de rijkstaal zijn; niet meer Syrisch of Grieks. Met het gemak waarmee gelovigen bij christenen de kerk binnenwipten en daar soms hun gebeden verrichtten zou het langzamerhand afgelopen zijn. Koranexemplaren werden naar de provinciehoofdsteden gestuurd, zodat men wist welke tekst de juiste was.

Voor moslims zullen de Rotskoepel en Jeruzalem aanvankelijk niet van groot belang zijn geweest. Integendeel; na de beëindiging van de burgeroorlog kreeg het heroverde Mekka een veel grotere nadruk. Met het afscheid van het christendom werd Arabië pas echt belangrijk: in de nieuwe islam werd een ‘ontbijbeling’ ingeluid. De koppeling van het verhaal over Mohammeds hemelvaart aan het heiligdom in Jerusalem en de verering van Jeruzalem door moslims überhaupt dateren van veel later dan het gebouw zelf.

Bibliografie: een kleine keus
– K. A. C. Creswell, Early Muslim Architecture. Oxford 1932, i, 42–94.
– O. Grabar, The Dome of the Rock, Harvard University Press 2006 (vooral voor de kunsthistorische kant)
– H. Busse: ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥarambauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins (ZDPV), 107 (1991), S. 144–154.
– En vele andere! Het Duitse Wikipedia-Artikel ‘Felsendom’ bevat veel informatie over de Rotskoepel en heeft goede foto’s en een uitgebreide bibliografie.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen.

Terug naar Inhoud

Kruistochten (modern)

Sommige moslims lijden met terugwerkende kracht onder de trauma’s en nawerkingen van de Kruistochten, sinds deze vanaf 1865 in het Ottomaanse Rijk via Franse en Turkse geschiedenisboeken weer bekend werden.1 Vooral het bezoek van de Duitse keizer aan Palestina in 1898 heeft tot hun bekendheid bijgedragen. Vanaf de jaren twintig hebben de Moslim Broeders de Kruistochten bewust in hun antikoloniale propaganda gebruikt. De stichting van de staat Israël was een buitenkansje en versterkte het motief nog eens: wederom werd Palestina vanuit Europa bezet! ‘Zionisten en kruisvaarders’ worden tegenwoordig in islamistische propaganda vaak in één adem genoemd. De historische Kruistochten waren echter sterk antisemitisch geïnspireerd geweest en hadden vele Joden het leven gekost.

De eerste kruisvaarder van de nieuwere tijd was inderdaad niet George W. Bush, maar de Duitse keizer Wilhelm II. Op 31 Oktober (Hervormingsdag!) 1898 reed de keizer in een zelf ontworpen tropenkostuum2 te paard de heilige stad Jeruzalem binnen, o.a. om daar de door hem gefinancierde Verlosserkerk in te wijden. Om een fotogenieke intocht met geheven vaandels mogelijk te maken was er een stukje van de stadsmuur afgebroken. De pers, niet in de laatste plaats geïnspireerd door officiële propaganda en door de wandschilderingen in de kerk,3 noemde de keizer een ‘nieuwe kruisvaarder’. De dichter Wedekind spotte:

  • Mit Stolz erfüllst du Millionen Christen;
    wie wird von nun an Golgatha sich brüsten,
    das einst vernahm das letzte Wort vom Kreuz
    und heute nun das erste deinerseits.4

In Damascus bezocht Wilhelm het graf van Saladin, de islamitische oorlogsheld uit de tijd van de echte Kruistochten. Deze ‘ridder zonder vrees of blaam’ prees hij de hemel in in een beroemd geworden rede, waarin hij de Ottomaanse sultan en de toenmalige 300 miljoen moslims zijn blijvende steun beloofde. Het was vooral deze publiciteit die Saladin en daardoor de Kruistochten in het Arabische ’geheugen’ terugbracht. Een protestantse Kruisvaarder prees dus de vroegere islamitische vijand en beloofde moslims hulp tegen hun christelijke tegenstanders. Nog vragen?


NOTEN
1. Carole Hillenbrand, The Crusades: Islamic Perspectives, Edinburgh 2006 (2e dr.), 592.
2. Tropenkostuums waren een typische outfit van koloniale heersers. Eind oktober is het in Jeruzalem ongeveer even warm als in Berlijn in de zomer. Bijzondere kleding is er niet nodig.
3. Deze zijn in 1970–71 bij een restauratie van de kerk vernietigd. Uit schaamte? Ik heb geen afbeelding meer kunnen vinden.
4. ‘Miljoenen christenen vervul jij met trots | wat zal Golgotha nu trots zijn, | dat ooit het laatste woord van het kruis vernam | en vandaag nu het eerste van jouw kant.’ Simplizissimus, Palästina Sondernummer 1898. Volledige tekst van het gedicht hier. De dichter moest snel de wijk nemen naar Zwitserland en belandde na terugkeer in Duitsland alsnog in de gevangenis.

Terug naar Inhoud

Nachtreis en hemelvaart (vertaalde teksten)

““Toen werd de profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Quraysh en alle andere stammen.
Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallāh ibn Mas‘ūd, Abū Sa‘īd al-Khudrī, Aisja de vrouw van de profeet, Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān, al-Hasan al-Basrī, al-Zuhrī, Qatāda en andere geleerden, en van Umm Hani’ bint Abi Tālib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

Naar ik verneem vertelde ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd het als volgt: Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibrīl begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrāhīm (Abraham), de vriend Gods, en Mūsā (Mozes) en ‘Īsā (Jezus), te midden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in het gebed. Toen werden hem drie vaten voorgezet, één met melk, één met wijn en één met water. De profeet zelf heeft daarover verteld: Ik hoorde een stem die sprak: ‘Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.’ Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibrīl sprak: ‘Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk evenzo!’

Al-Hasan geeft dit verhaal van de profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van de tempel kwam Djibrīl bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Ten slotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neer zette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

Van Qatāda zijn mij deze woorden van de profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

Al-Hasans versie gaat verder: De profeet reed samen met Djibrīl tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als imam en ging hun voor in het gebed. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibrīl: ‘Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.’
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in één nacht hebben gedaan?’ Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Abū Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Abū Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar het gebed heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Abū Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.’ Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er zelf geweest.’ (De profeet zei: ‘Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.’) De profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Abū Bakr: ‘Dat klopt. Ik getuig dat u de gezant van God bent’. Ten slotte zei de profeet: ‘En jij bent Abū Bakr al-ṣiddīq (die de waarheid getuigt)’. Op die dag kreeg hij de bijnaam al-ṣiddīq.
Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
Dat was al-Hasans verhaal over de nachtreis van de profeet, met toevoegingen van Qatāda.

Iemand uit Abū Bakrs familie heeft mij verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.’

Ya‘qūb ibn ‘Utba verhaalt: Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de profeet: ‘Het was een waarachtig droomgezicht van God.’
Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrāhīm waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten, [37:102] en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
Ik heb gehoord dat de profeet altijd zei: ‘Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.’ 1 Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

Al-Zuhrī heeft beweerd, op gezag van Sa‘īd ibn Musayyab, dat de profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā, die hij in die nacht gezien heeft: ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrāhīm. Mūsā was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde. ‘Īsā de zoon van Maryam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badhuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is ‘Urwa ibn Mas‘ūd, uit de stam Thaqīf.’

Uit het verhaal van Umm Hāni’ bint Abī Tālib het volgende. Zij vertelde altijd: De profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had het late avondgebed verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker, en nadat we samen het ochtendgebed hadden verricht zei hij: ‘Umm Hāni’, ik heb het late avondgebed verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik het gebed verricht en het ochtendgebed heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.’ Toen stond hij op om naar buiten te gaan, en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. Ik zei: ‘Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.’ Maar hij antwoordde: ‘En óf ik het ze ga vertellen!’ Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: ‘Vooruit, ga de profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!’ De profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: ‘Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!’ Hij zei: ‘Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg, en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar Syrië. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnān een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van de heuvel Baidā’, naar de Tan‘īm-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.’
Men haastte zich naar die pas, en de eerste kameel die ze tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan bij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: ‘Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.’

Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Ik heb de profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. Iets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibrīl voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd Ismāʿīl, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: ‘Wie is dit, Djibrīl ?’
‘Het is Mohammed.’
‘Is hij al gezonden?’
‘Ja.’
Daarop zegende de engel mij.
Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve één, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibrīl waarom niet, en hij antwoordde: ‘Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar u lachen, maar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.’ Ik vroeg aan Djibrīl —die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daar gehoorzaamd en vertrouwd wordt [81:21]—: ‘Wilt u hem niet bevelen mij de hel te tonen?’ Hij zei: ‘Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!’ Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibrīl hem te bevelen het vuur terug te laten gaan, en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen plaatste Malik het deksel er weer op.

Het verhaal van Abū Saʿīd vervolgt: De profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: ‘Goed zo!’ en dan zei hij blij: ‘Een goede geest uit een goed lichaam!’ maar bij andere riep hij: ‘Bah!’ en dan zei hij fronsend: ‘Een slechte geest uit een slecht lichaam!’ Toen ik Djibrīl vroeg wie dat was zei hij: ‘Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.’
Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibrīl wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibrīl zei mij dat dit de woekeraars waren.
Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: ‘Īsā de zoon van Maryam en Yahyā de zoon van Zakariā.
Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. Ik vroeg Djibrīl wie het was, en hij antwoordde: ‘Dit is uw broeder Yūsuf, de zoon van Ya‘qūb.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibrīl zei dat het Idrīs2 was: En Wij hebben hem verheven naar een hoge plaats. [19:57]
Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibrīl zei: ‘Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Hārūn, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruit zag als iemand van de stam Shanūʾa. Djibrīl zei: ‘Dit is uw broeder Mūsā, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf, waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de Dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op mij leek als hij. Djibrīl zei: ‘Dit is uw vader Ibrāhīm.’
Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’ Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.

Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Masʿūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig gebeden per dag oplegde.
De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
‘Vijftig gebeden per dag.’
‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf gebeden over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf gebeden verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’

[Uit Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, blz. 79–87.]

NOTEN
1. De tekst stamt uit de bijbel, Hooglied 5:2.
2. Dat is Henoch, vgl. Genesis 5:24.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ṭālib, Yaḥyā, Ḥāritha

Terug naar Inhoud