De zwaarden van Jezus

Er wordt vaak een tegenstelling opgebouwd tussen het christendom als vredelievende en de islam als oorlogszuchtige godsdienst. Dit is om te beginnen onzin, omdat godsdiensten geen levende wezens zijn die ergens van kunnen houden of ergens een hekel aan hebben. Maar ook ligt er een wat eenzijdige visie op Jezus aan ten grondslag. Deze prediker uit het Noorden van Palestina was kennelijk ook aanvoerder van een troepje gewapende rebellen. Omdat het niets werd met de opstand en de gewelddadige actie beperkt bleef tot een keertje reltrappen in de tempel1 en het afslaan van welgeteld één oor,2 zijn Jezus’ aanhangers, toen hij zelf op smadelijke wijze ter dood was gebracht, de vlucht naar voren ingeslagen en hebben voortaan alleen nog maar zijn woorden, wonderdaden en vredelievendheid benadrukt. Maar het Nieuwe Testament bevat nog sporen van die oorspronkelijke agressiviteit: Jezus kwam ‘niet om vrede te brengen, maar het zwaard’3 en hij komt nog eens terug ‘met een ijzeren herdersstaf’.4 Vreemd is de passage in het evangelie van Lucas, die ik hier laat volgen in de Nieuwe Bijbelvertaling:

  • Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze. Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen. Want ik zeg jullie: wat geschreven staat moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’ Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’5

Die laatste zin bevalt mij niets. Het Grieks erbij gehaald en ziedaar: het ‘maar’ is niet nodig; Ho de eipen: ja, het woordje de kán, maar hoeft niet ‘maar’ te betekenen. Het kwam in het voorafgaande al twee maal voor, waar het niet met ‘maar’ werd vertaald. De tegenstelling is hier door de vertalers aangebracht. Hikanon estin betekent gewoon ‘het is genoeg’. De aangeboden vertaling is al een christelijke interpretatie. Onmiddellijk na de vermelding van ‘twee’ ligt het meer voor de hand te denken aan: ‘dat is genoeg,’ dus: twee is genoeg.

Nu komt u misschien meteen aan met de stoomwals van twintig eeuwen christelijke exegese, die ook in de vertaling doorwerkt, en zegt dat deze passus juíst wil laten zien hoe Jezus zich distantieerde van geweld en de weg naar vrede en liefde insloeg; amen!
We blijven echter zitten met de merkwaardige inconsequentie in de passage. De jongens krijgen eerst opdracht zwaarden aan te schaffen, zelfs als dat ten koste van hun winterkleding gaat. Dan zeggen ze: kijk, we hebben er [al/pas?] twee, en daarop zegt Jezus ineens: dat is genoeg.
Hier klopt iets niet. Je zou verwachten: dat is niet genoeg. Wat is nou twee zwaarden? De grotere knokploeg van Judas blijkt er later ook meer te hebben, en nog knuppels bovendien.6 En als twee genoeg was, waartoe dan die dramatische aansporing om zelfs de jassen te verkopen? Is de tekst corrupt? Nee, volgens de gangbare tekstcritische editie van het Nieuwe Testament zijn álle handschriften het eens over de lezing ‘het is genoeg’. Het is niet gepast om tegen alle handschriften een andere lezing te willen doorzetten, dus daar moet het bij blijven.7
En toch is het raar. Als de aanblik van die povere twee zwaarden voor Jezus ineens, bij gebrek aan perspectief, de aanleiding was om ter plekke van gewapende actie af te zien, dan had de formulering toch een andere kant op moeten gaan: okay, dat wordt niks jongens, we geven het op, we doen het later, of iets dergelijks.

Hoe dan ook, we krijgen een ander beeld van Jezus dan het gangbare vredelievende. Want ook slechts twee zwaarden wijzen op een clubje opstandelingen. Zwaarden waren duur en je moest er nog mee kunnen omgaan ook; de doorsnee Palestijnse burger zal er geen gehad hebben. Wat moest een stel brave luitjes die een boodschap wilden verkondigen met zwaarden?

Zonder twijfel hebben Nieuwtestamentici en oudheidkundigen over deze onderwerpen al honderden boeken volgeschreven, maar die heb ik niet gelezen. Ik maak gebruik van mijn recht die oude teksten als argeloze burger nog eens opnieuw te lezen. Net zo naïef als veel Nederlanders de koran lezen.

NOOT
1. Matteüs 21, 12-13, Marcus 11, 15-19, Lucas 19, 45-48, Johannes 2, 13-22.
2. Matteüs 26:51, Marcus 14:47, Lucas 22:50-51, Johannes 18:10–11.
3. Matteüs 10:34.
4. Openbaring 2:27.
5. Lucas 22:35–38.
6. Matteüs 26:47.
7. ἱκανον ἐστιν. Alleen de Codex Bezae heeft ἀρκει; dat betekent ook ‘het is genoeg’. Nergens staat er ‘het is niet genoeg’. De gebruikte uitgave is Novum Testamentum Graece, cum apparatu critico […] uitg. Barbara en Kurt Aland, Stuttgart 282012.

Terug naar Inhoud

Nachtreis en hemelvaart (vertaalde teksten)

““Toen werd de profeet op een nacht van de Heilige Moskee gevoerd naar de Verste Moskee, dat is de tempel van Aelia [Jeruzalem]. Dat gebeurde toen de islam al was verbreid in Mekka, onder Quraysh en alle andere stammen.
Het verhaal over deze nachtreis is mij overgeleverd van Abdallāh ibn Mas‘ūd, Abū Sa‘īd al-Khudrī, Aisja de vrouw van de profeet, Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān, al-Hasan al-Basrī, al-Zuhrī, Qatāda en andere geleerden, en van Umm Hani’ bint Abi Tālib. Het is samengevat in het volgende verhaal, waarin van iedereen iets is opgenomen over de gebeurtenissen tijdens de nachtreis.
In het verhaal van de nachtreis en wat daarover is gezegd ligt een beproeving; het is een zaak van Gods grootheid en almacht, een les voor mensen met inzicht, een richtsnoer, een genade en een zekerheid voor hen die geloven.
Het was zonder twijfel een grote daad Gods. Hij heeft de profeet de nachtreis laten maken op de manier die Hij wilde, om hem de tekenen te laten zien die Hij wilde, zodat hij met eigen ogen iets heeft aanschouwd van Zijn heerlijkheid en almacht waardoor Hij doet wat Hij wil.

Naar ik verneem vertelde ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd het als volgt: Burāq, het rijdier waarop de vroegere profeten hadden gereden, en dat met iedere hoefslag zover kwam als zijn oog reikte, werd bij de profeet gebracht en hij werd erop gezet. Djibrīl begeleidde hem en toonde hem de tekenen die tussen hemel en aarde zijn, tot hij bij Jeruzalem kwam. Daar vond hij Ibrāhīm (Abraham), de vriend Gods, en Mūsā (Mozes) en ‘Īsā (Jezus), te midden van enkele andere profeten die daar bijeengebracht waren voor hem, en hij ging hen voor in het gebed. Toen werden hem drie vaten voorgezet, één met melk, één met wijn en één met water. De profeet zelf heeft daarover verteld: Ik hoorde een stem die sprak: ‘Als hij het water neemt zal hij verdrinken en zijn volk evenzo. Als hij de wijn neemt zal hij afdwalen en zijn volk evenzo. Als hij de melk neemt zal hij op de rechte weg geleid worden en zijn volk evenzo.’ Dus nam ik het vat met melk en dronk ervan, waarop Djibrīl sprak: ‘Jij bent recht geleid, Mohammed, en je volk evenzo!’

Al-Hasan geeft dit verhaal van de profeet: Terwijl ik sliep binnen de omheining van de tempel kwam Djibrīl bij mij en stootte mij aan met zijn voet. Ik ging overeind zitten maar ik zag niets en ging weer liggen. Hij kwam nogmaals bij mij en stootte me aan met zijn voet. Weer ging ik overeind zitten, maar ik zag niets en ging dus weer liggen. Ten slotte kwam hij voor de derde maal en stootte me aan met zijn voet. Toen ik nu overeind ging zitten greep hij mij bij mijn bovenarm. Ik stond op en hij bracht mij naar buiten, naar de deur van de moskee. Daar stond een wit rijdier, iets tussen een muildier en een ezel in, met vleugels aan zijn flanken waarmee het zijn achterpoten aandreef, terwijl het zijn voorpoten telkens neer zette tot waar zijn oog reikte. Daar zette hij mij op, en hij voerde mij mee en bleef voortdurend dicht bij mij.

Van Qatāda zijn mij deze woorden van de profeet overgeleverd: Toen ik naar het dier toeliep om op te stijgen werd het schichtig. Djibrīl legde zijn hand op zijn manen en zei: ‘Schaam je je niet, Burāq, je zo te gedragen? Je bent nog nooit door iemand bereden die hoger aangeschreven stond bij God dan Mohammed.’ Het dier schaamde zich zo dat het zweet hem uitbrak; toen stond het stil, zodat ik kon opstijgen.

Al-Hasans versie gaat verder: De profeet reed samen met Djibrīl tot Jeruzalem. Daar vond hij Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā te midden van enkele andere profeten. De profeet trad op als imam en ging hun voor in het gebed. Vervolgens werden hem twee vaten gebracht, het ene met wijn en het andere met melk. De profeet liet het vat met wijn staan, maar hij nam het vat met melk en dronk eruit. Toen sprak Djibrīl: ‘Jij bent recht geleid tot hetgeen waartoe God je geschapen heeft, en jouw volk evenzo. Wijn is jullie verboden.’
Toen keerde de profeet terug naar Mekka, en de volgende ochtend vertelde hij zijn stamgenoten wat hem was overkomen. De meeste mensen zeiden: ‘Dit is volkomen onzin! Een karavaan doet een maand over de reis van Mekka naar Syrië, en ook nog een maand over de terugreis, en Mohammed zou dat heen en terug in één nacht hebben gedaan?’ Velen die reeds moslim waren geworden werden toen afvallig. Sommige mensen gingen naar Abū Bakr en zeiden: ‘Wat vind jij nu van je vriend, Abū Bakr? Hij beweert dat hij vannacht naar Jeruzalem is geweest, daar het gebed heeft verricht en weer terug is gekomen naar Mekka!’ Abū Bakr antwoordde dat ze logen, maar toen zij zeiden dat de profeet er op datzelfde ogenblik over aan het vertellen was in de moskee, zei hij: ‘Als hij het zelf zegt, dan is het waar! En wat is daar zo vreemd aan? Hij vertelt mij immers ook dat er mededelingen tot hem komen van God, van de hemel naar de aarde, in een uur, en dan geloof ik hem toch ook, en dat is vreemder dan dat waar jullie nu zo versteld van staan.’ Daarop begaf hij zich naar de profeet en vroeg hem of het waar was. Toen deze het hem bevestigde zei hij: ‘Beschrijf mij Jeruzalem dan eens, want ik ben er zelf geweest.’ (De profeet zei: ‘Het werd mij in een gezicht getoond, zodat ik het in de verte zag.’) De profeet begon, en telkens als hij iets beschreef zei Abū Bakr: ‘Dat klopt. Ik getuig dat u de gezant van God bent’. Ten slotte zei de profeet: ‘En jij bent Abū Bakr al-ṣiddīq (die de waarheid getuigt)’. Op die dag kreeg hij de bijnaam al-ṣiddīq.
Over degenen die naar aanleiding hiervan afvielen van de islam heeft God geopenbaard: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, en ook de in de koran vervloekte boom. Wij willen hun angst aanjagen, maar het vergroot slechts hun overmoed. [17:60]
Dat was al-Hasans verhaal over de nachtreis van de profeet, met toevoegingen van Qatāda.

Iemand uit Abū Bakrs familie heeft mij verteld dat Aisja, de vrouw van de profeet, altijd zei: ‘Het lichaam van de profeet is niet weg geweest, maar God heeft zijn geest de nachtreis laten maken.’

Ya‘qūb ibn ‘Utba verhaalt: Mu‘āwiya ibn Abī Sufyān zei altijd, als hem werd gevraagd naar de nachtreis van de profeet: ‘Het was een waarachtig droomgezicht van God.’
Deze beide laatste opvattingen zijn niet in tegenspraak met wat Hasan zegt, gezien het vers waarin God spreekt: Wij hebben het gezicht dat wij je hebben laten zien slechts gemaakt tot een verzoeking voor de mensen, [17:60] noch met het woord Gods in het verhaal over Ibrāhīm waarin deze tot zijn zoon zegt: Mijn zoon, ik heb in de droom gezien dat ik je moet slachten, [37:102] en dat ook doet. Dus voor zover ik het begrijp komt de openbaring van God tot de profeten zowel wanneer zij waken als wanneer zij slapen.
Ik heb gehoord dat de profeet altijd zei: ‘Mijn ogen slapen terwijl mijn hart waakt.’ 1 Alleen God weet hoe het tot hem kwam en hoe hij die dingen heeft gezien, krachtens Gods beschikking. Maar of hij nu waakte of sliep, het is allemaal waar en echt gebeurd.

Al-Zuhrī heeft beweerd, op gezag van Sa‘īd ibn Musayyab, dat de profeet aan zijn gezellen een beschrijving heeft gegeven van Ibrāhīm, Mūsā en ‘Īsā, die hij in die nacht gezien heeft: ‘Ik heb nog nooit iemand gezien die meer op mij leek dan Ibrāhīm. Mūsā was een man met een rossig gezicht, lang en mager, met krulhaar en een kromme neus, alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde. ‘Īsā de zoon van Maryam was een roodachtige man, van middelbare lengte, met glad haar en veel vlekken in zijn gezicht, alsof hij juist uit het badhuis was gekomen; het leek alsof het water van zijn hoofd droop, maar dat was niet zo. Degene van jullie die het meest op hem lijkt is ‘Urwa ibn Mas‘ūd, uit de stam Thaqīf.’

Uit het verhaal van Umm Hāni’ bint Abī Tālib het volgende. Zij vertelde altijd: De profeet heeft alleen een nachtreis gemaakt vanuit mijn huis. Die nacht sliep hij bij mij. Hij had het late avondgebed verricht en daarna was hij gaan slapen en wij ook. Kort voordat het dag werd maakte hij ons wakker, en nadat we samen het ochtendgebed hadden verricht zei hij: ‘Umm Hāni’, ik heb het late avondgebed verricht met jullie, in dit dal, zoals je gezien hebt. Toen ben ik naar Jeruzalem geweest; daar heb ik het gebed verricht en het ochtendgebed heb ik weer met jullie verricht, zoals je weet.’ Toen stond hij op om naar buiten te gaan, en ik greep het uiteinde van zijn kleed, zodat zijn buik bloot kwam, en die zag eruit als een geplooid Koptisch kleed. Ik zei: ‘Profeet, praat hier met niemand over, want ze zullen je voor leugenaar uitmaken en uitschelden.’ Maar hij antwoordde: ‘En óf ik het ze ga vertellen!’ Toen zei ik tegen een Ethiopisch slavinnetje van mij: ‘Vooruit, ga de profeet achterna en luister wat hij de mensen vertelt en wat zij daarop te zeggen hebben!’ De profeet ging naar buiten en vertelde de mensen wat hem overkomen was. Zij waren heel verbaasd en vroegen: ‘Wat voor bewijs heb je daarvoor, Mohammed? want zoiets hebben wij nog nooit gehoord!’ Hij zei: ‘Het bewijs ervoor is dat ik de karavaan van de stam zo-en-zo ben gepasseerd in het dal daar-en-daar; zij schrokken van het geluid van het rijdier zodat een van hun kamelen op hol sloeg, en ik heb hun gewezen waar die was. Dat gebeurde toen ik op weg was naar Syrië. Ik reisde verder tot ik bij de berg Dadjnān een karavaan van de mannen van de stam zo-en-zo passeerde, die ik slapende aantrof. Zij hadden een kruik water, die zij ergens mee hadden afgedekt. Ik haalde het deksel eraf en dronk hem leeg; toen deed ik het deksel er weer op. En ten bewijze daarvan zeg ik jullie dat hun karavaan op het ogenblik aan het afdalen is van de heuvel Baidā’, naar de Tan‘īm-pas, en voorop loopt een asgrijze kameel, beladen met twee grote zakken, waarvan de ene zwart is en de andere tweekleurig.’
Men haastte zich naar die pas, en de eerste kameel die ze tegenkwamen zag eruit zoals hij beschreven had. Ze vroegen de mannen naar die kruik, en dezen vertelden dat zij hem vol water hadden weggezet, met een deksel erop, en dat zij hem de volgende morgen wel met deksel en al hadden aangetroffen, maar dat er geen water meer in zat. Later is er ook navraag gedaan bij de mannen van die andere karavaan, toen die in Mekka waren. Zij zeiden: ‘Zo is het inderdaad gegaan: in het dal dat hij noemt zijn wij ergens van geschrokken en sloeg er een kameel op hol; toen hoorden wij de stem van een man die ons wees waar hij was, zodat wij hem weer te pakken kregen.’

Iemand over wie ik geen twijfel koester heeft mij verteld dat hij heeft vernomen van Abū Sa‘īd al-Khudrī: Ik heb de profeet horen zeggen: Nadat mij dit in Jeruzalem was overkomen werd mij een ladder gebracht. Iets mooiers dan die heb ik nog nooit gezien. Het was de ladder waarop een stervende zijn oog gericht houdt wanneer de dood nabij is. Djibrīl voerde mij daarlangs omhoog tot wij bij een der hemelpoorten kwamen, die de Poort der Wachters heette. Hierover was een engel gesteld genaamd Ismāʿīl, en onder hem stonden twaalfduizend engelen, die elk weer twaalfduizend engelen onder zich hadden. Hier gekomen met zijn verhaal zei de profeet: En niemand kent de legerscharen van uw Heer dan Hij alleen. [74:31]
Toen ik werd binnengeleid vroeg de engel: ‘Wie is dit, Djibrīl ?’
‘Het is Mohammed.’
‘Is hij al gezonden?’
‘Ja.’
Daarop zegende de engel mij.
Volgens een geleerde, die het weer van iemand anders had, heeft de profeet verteld: Alle engelen die ik tegenkwam toen ik de laagste hemel binnenging lachten blij en wensten mij goeds, behalve één, die wel hetzelfde zei als de anderen, maar er niet bij lachte, en bij wie ik geen vreugde zag. Ik vroeg Djibrīl waarom niet, en hij antwoordde: ‘Als hij ooit naar iemand had gelachen of dat later ooit nog zou doen, dan zou hij zeker naar u lachen, maar hij lacht nooit; het is Malik, de hellewachter.’ Ik vroeg aan Djibrīl —die immers bij God een plaats inneemt zoals beschreven in Gods woord: die daar gehoorzaamd en vertrouwd wordt [81:21]—: ‘Wilt u hem niet bevelen mij de hel te tonen?’ Hij zei: ‘Wel zeker! Malik, toon Mohammed de hel!’ Daarop nam deze het deksel eraf en het vuur laaide zo hoog op dat ik dacht dat het al wat ik zag zou verteren. Dus vroeg ik Djibrīl hem te bevelen het vuur terug te laten gaan, en dat deed hij. Dat teruggaan kan ik alleen vergelijken met het vallen van een schaduw. Toen het vuur was teruggegaan naar waar het vandaan was gekomen plaatste Malik het deksel er weer op.

Het verhaal van Abū Saʿīd vervolgt: De profeet zei: Toen ik de laagste hemel binnenging zag ik daar een man zitten aan wie de geesten der mensen voorbij werden geleid. Bij sommige geesten riep hij: ‘Goed zo!’ en dan zei hij blij: ‘Een goede geest uit een goed lichaam!’ maar bij andere riep hij: ‘Bah!’ en dan zei hij fronsend: ‘Een slechte geest uit een slecht lichaam!’ Toen ik Djibrīl vroeg wie dat was zei hij: ‘Dit is uw vader Adam, aan wie de geesten van zijn nageslacht voorbijtrekken; met de geest van een gelovige is hij blij, maar van de geest van een ongelovige walgt hij, en dan zegt hij dat.’
Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Djibrīl wie dat waren, en hij antwoordde, dat het de mensen waren die onrechtmatig het bezit van de wezen hadden verteerd.
Toen zag ik mannen met buiken zoals ik ze nog nooit had gezien, die werden gestraft op de wijze van het geslacht van Farao, [40:46] terwijl zij aan het vuur werden blootgesteld liepen er wezens over hen heen als dorstige kamelen; ze trapten op hen zonder dat zij van hun plaats konden komen. Djibrīl zei mij dat dit de woekeraars waren.
Toen zag ik mannen die mager, stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. Dit waren degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verbood.
Toen zag ik vrouwen die waren opgehangen aan hun borsten. Dit waren de vrouwen die hun man een kind geschonken hadden waarvan hij niet de vader was.
Toen voerde hij mij omhoog naar de tweede hemel, en daar waren de twee neven: ‘Īsā de zoon van Maryam en Yahyā de zoon van Zakariā.
Toen voerde hij mij omhoog naar de derde hemel, en daar was een man met een gelaat zo schoon als de maan wanneer die vol is. Ik vroeg Djibrīl wie het was, en hij antwoordde: ‘Dit is uw broeder Yūsuf, de zoon van Ya‘qūb.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de vierde hemel, en daar was een man van wie Djibrīl zei dat het Idrīs2 was: En Wij hebben hem verheven naar een hoge plaats. [19:57]
Toen voerde hij mij omhoog naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange witte baard; nooit heb ik een man gezien die mooier was dan hij. Djibrīl zei: ‘Dit is de meest geliefde onder zijn volk: Hārūn, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zesde hemel, en daar was een donkere, lange man met een kromme neus, die eruit zag als iemand van de stam Shanūʾa. Djibrīl zei: ‘Dit is uw broeder Mūsā, de zoon van ‘Imrān.’
Toen voerde hij mij omhoog naar de zevende hemel, en daar was een man die op een stoel zat bij de poort van het Eeuwige Verblijf, waardoor iedere dag zeventigduizend engelen naar binnen traden, die daar niet zouden terugkeren voor de Dag der Opstanding. Nooit heb ik iemand gezien die zo op mij leek als hij. Djibrīl zei: ‘Dit is uw vader Ibrāhīm.’
Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’ Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.

Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Masʿūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig gebeden per dag oplegde.
De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā, en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
‘Vijftig gebeden per dag.’
‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag Hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
Dat deed ik, en Hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf gebeden over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf gebeden verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’

[Uit Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, blz. 79–87.]

NOTEN
1. De tekst stamt uit de bijbel, Hooglied 5:2.
2. Dat is Henoch, vgl. Genesis 5:24.

Diakritische tekens: ʿĀʾisha, al-Ḥasan al-Baṣrī, Ṭālib, Yaḥyā, Ḥāritha

Terug naar Inhoud

Aankondiging Mohammeds geboorte

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.

Diakritische tekens: Buṣrā, Muḥammadī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

De emigratie naar Ethiopië (vertaalde teksten)

Toen de profeet zag wat zijn gezellen te verduren hadden en dat hij hen daartegen niet kon beschermen, ofschoon hij er zelf, door zijn positie bij God en bij zijn oom Abū Tālib, niet onder te lijden had, zei hij tegen hen: ‘In Ethiopië regeert een koning bij wie niemand onrecht wordt aangedaan; het is een voortreffelijk land; als jullie daar eens naar toe gingen en daar bleven, totdat God jullie uit de nood helpt.’ Zo gingen zijn gezellen naar Ethiopië, uit vrees van hun geloof te zullen afvallen; zij vluchtten met hun godsdienst tot God. Dit was de eerste hidjra in de islam.

Het totaal van de moslims die naar Ethiopië trokken, afgezien van de kleine kinderen die ze meenamen of die daar geboren werden, was drieëntachtig man, als ‘Ammār ibn Yāsir erbij was, maar dat is niet zeker.

Muhammad ibn Muslim al-Zuhrī heeft vernomen van Abū Bakr ibn ‘Abd al-Rahmān ibn Hārith, dat Umm Salama, de vrouw van de profeet, daarover als volgt heeft verteld: Toen wij in Ethiopië aankwamen werden wij door de negus gastvrij ontvangen. Wij konden veilig onze godsdienst belijden en God dienen zonder dat iemand ons kwaad deed of er iets van zei. Toen de Qurayshieten in Mekka dat te weten kwamen beraamden ze, twee standvastige mannen naar de negus te sturen en hem als geschenk de allerbeste Mekkaanse waar aan te bieden. Wat daar het meest gewaardeerd werd was lederwerk; ze verzamelden dus een groot aantal huiden voor de negus en maakten ook voor alle generaals een geschenk gereed. Daarmee stuurden ze ‘Abdallāh ibn abī Rabīʿa en ‘Amr ibn al-‘Ās op weg, en gaven hun de opdracht eerst alle generaals het geschenk aan te bieden, en daarna pas de negus, en dán moesten ze hem vragen hun de moslims uit te leveren, dus voordat hij met hen zou hebben gesproken.
Dat deden ze, en ze vertelden aan iedere generaal: ‘Een paar jonge heethoofden uit ons land hebben toevlucht gezocht in het land van uw koning. Zij hebben met de godsdienst van ons volk gebroken, maar tot uw godsdienst zijn zij ook niet toegetreden; zij brengen een nieuwe godsdienst, die wij niet kennen en u evenmin. Onze edelen hebben ons gezonden om uw koning te bewegen hen terug te sturen. Als wij daarover spreken met de koning, geef hem dan de raad, die lui aan ons uit te leveren en niet met hen te praten, want hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen.’ Dat beloofden de generaals.
Daarop boden de beide mannen de negus hun geschenken aan. Nadat hij die in ontvangst had genomen vertelden zij hem hetzelfde wat ze tegen de generaals hadden gezegd. ‘Abdallāh en ‘Amr wilden tot iedere prijs voorkomen dat de negus zou horen wat de moslims te zeggen hadden. De generaals om hem heen zeiden: ‘Zo is het, majesteit, hun eigen mensen kunnen dit beter beoordelen en weten het best waarvan zij hen beschuldigen. Lever hen dus uit aan deze twee mannen, en laat die hen mee terug nemen naar hun eigen land.’
Maar de negus werd boos en zei: ‘Nee, ik lever ze niet uit! Mensen die bescherming hebben gezocht in mijn land en mij hebben verkozen boven iemand anders worden niet verraden; eerst wil ik hen hier laten komen om navraag te doen naar wat deze twee te vertellen hebben. Als het is zoals zij zeggen, dan stuur ik hen terug naar hun volk, maar als het niet zo is bescherm ik hen en krijgen ze een behoorlijke behandeling zolang ze dat willen.’
Vervolgens stuurde hij iemand om de gezellen van de profeet te ontbieden. Toen de bode bij hen kwam, beraadslaagden ze wat ze tegen de negus zouden zeggen. Ten slotte zeiden ze: ‘Wat er ook van komt, we zeggen wat we weten en wat onze profeet ons opgedragen heeft.’ Toen ze voor de negus verschenen zagen ze dat hij ook zijn bisschoppen had laten komen, die hun schrifturen rondom hem hadden uitgespreid. Hij vroeg: ‘Wat is dat voor een godsdienst waarom u met uw stam hebt gebroken zonder evenwel toe te treden tot mijn godsdienst of tot enig ander geloof?’
Dja‘far ibn abī Tālib deed het woord en zei: ‘Majesteit, wij waren een barbaars volk, wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit. Zo was het met ons gesteld, tot God een gezant zond uit ons midden, wiens afkomst, eerlijkheid, betrouwbaarheid en fatsoen wij kenden. Hij riep ons op, de ene God te dienen en de stenen en beelden die onze voorouders hadden aanbeden af te zweren. Hij droeg ons op de waarheid te spreken, onze verplichtingen na te komen, de familiebanden te eerbiedigen, vreemdelingen te beschermen en verre te blijven van misdaden en bloedvergieten. Hij verbood ons ontucht te bedrijven en te liegen, het bezit van de wezen te verteren en deugdzame vrouwen vals te beschuldigen. God alleen moesten wij dienen en anders niets; hij stelde het gebed, de zakāt en de vasten in, en wij beleden dat hij de waarheid sprak, wij geloofden in hem en wij volgden de boodschap van God die hij bracht. Voortaan dienden wij dus God alleen en niets anders; wij hielden voor verboden wat hij verboden noemde en beschouwden als geoorloofd wat hij geoorloofd verklaarde. Onze stamgenoten begonnen ons echter vijandig te bejegenen en ons onder druk te zetten: zij probeerden ons van onze godsdienst af te brengen en ons ertoe over te halen dat wij weer beelden zouden gaan dienen in plaats van God, en onze wandaden van vroeger weer als geoorloofd zouden beschouwen. Toen zij tot geweld overgingen en het ons onmogelijk maakten onze godsdienst uit te oefenen zijn wij in onze nood uitgeweken naar uw land; wij zijn liever bij u dan ergens anders, wij genieten hier uw bescherming en wij hopen, majesteit, dat ons bij u geen onrecht zal overkomen.’
De negus vroeg hem of hij iets bij zich had van die boodschap van God, en toen dat het geval bleek, droeg de negus hem op dat te reciteren. Dja‘far reciteerde een stuk uit soera ‘Maria’ en de negus brak in tranen uit, zodat zijn baard nat werd, en ook zijn bisschoppen huilden ervan, tot hun schrifturen doorweekt waren. Toen zei de negus tegen de twee mannen uit Mekka: ‘Dit komt uit dezelfde hoek als de boodschap van Jezus. Ga weg jullie! Ik lever hen niet uit en zij worden niet verraden.’
De beide mannen trokken zich terug, en ‘Amr zei tegen ‘Abdallāh: ‘Morgen zal ik hem eens iets vertellen dat ze allemaal van hun stuk brengt!’ Abdallāh, die meer geneigd was ons te ontzien, zei: ‘Doe dat niet, want al hebben ze zich tegen ons gekeerd, het zijn toch onze stamgenoten.’ Maar ‘Amr hield vol: ‘Ik zal hem eens vertellen dat zij beweren dat Jezus de zoon van Maria een mens is.’
De volgende ochtend ging hij naar de negus en vertelde hem dat wij iets vreselijks beweerden over Jezus, en dat hij ons maar moest laten komen om er zelf naar te vragen.
En zo gebeurde het. Nog nooit was ons zoiets overkomen; onze mensen kwamen weer bij elkaar en overlegden wat ze over Iesa zouden zeggen als hun daarnaar werd gevraagd. Ten slotte besloten ze: ‘Wij zeggen wat God zelf heeft gezegd en wat de profeet ons heeft overgebracht, wat er ook van komt.’ Toen zij voor de negus verschenen en hun de vraag was gesteld, antwoordde Dja‘far: ‘Over Iesa zeggen wij wat onze profeet ons heeft overgebracht, namelijk dat hij de knecht van God is, en Zijn gezant en Zijn Geest en Zijn woord, dat Hij in de maagd Maria heeft gebracht.’ De negus bukte zich voorover, pakte een stukje hout van de grond en zei: ‘Jezus de zoon van Maria is nog niet zoveel als dit houtje meer!’ Terwijl hij dat zei begonnen de generaals om hem heen onrustig tegen elkaar te snuiven, en hij voegde eraan toe: ‘Ook al staan jullie te snuiven.’ En tegen ons zei hij: ‘U kunt gaan; u bent shuyūm in mijn land (shuyūm is Ethiopisch voor ‘veilig’). Wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete, wie u vervloekt krijgt een boete. Nog niet voor een dabr (d.i. berg) goud zou ik willen dat een van u iets overkwam. Geef die twee mannen hun geschenken terug; ik heb ze niet nodig. God heeft van mij ook geen omkoopsom aangenomen toen Hij mij mijn koninkrijk teruggaf; God heeft mij niet aangedaan wat de mensen wilden, dus waarom zou ik Hem aandoen wat zij willen?’
De beide mannen dropen beschaamd af, met alle geschenken die zij hadden meegebracht, en wij bleven daar wonen, veilig en goed beschermd.
Terwijl wij daar zo leefden kwam er een Ethiopiër tegen de negus in opstand die hem zijn heerschappij betwistte. Ik geloof niet dat wij ooit zo treurig zijn geweest als toen, want wij waren bang dat die man het zou winnen van de negus en dat er dan iemand zou komen die ons recht niet erkende. De negus trok tegen hem op; de Nijl lag tussen de beide partijen. De gezellen van de profeet zeiden: ‘Wie gaat er kijken bij de slag en komt ons dan het nieuws brengen?’ Zubayr ibn ‘Awwām bood zich aan, de jongste man die wij hadden. Er werd een waterzak opgeblazen, die hij onderbond, en daarop zwom hij naar het punt waar de legers tegenover elkaar stonden. Toen ging hij verder tot hij bij hen was. Intussen baden wij tot God dat Hij de negus zou laten winnen en hem de macht in zijn land zou teruggeven, en terwijl wij zaten af te wachten wat er zou gebeuren, kwam Zubayr aangehold, zwaaiend met zijn kleren, en riep: ‘Hoera, de negus heeft gewonnen en God heeft zijn vijand verpletterd.’ En werkelijk, ik geloof niet dat wij ooit zo blij zijn geweest als toen. De negus keerde terug, nu God zijn vijand had vernietigd en hem in zijn macht had hersteld, en Ethiopië bleef in zijn hand verenigd. Wij leefden veilig en wel onder zijn bescherming, tot wij ons weer bij de profeet voegden, in Mekka.

Dja‘far ibn Muhammad heeft gehoord van zijn vader: Op een keer beraamden de Ethiopiërs een opstand tegen de negus, omdat hij van het geloof zou zijn afgevallen, en zij brachten een leger op de been. De negus bracht Dja‘far ibn abī Tālib en de zijnen op de hoogte en liet schepen voor hen in gereedheid brengen, met de woorden: ‘Ga aan boord, maar vertrek nog niet. Als ik word verslagen, ga dan ergens anders heen, en als ik win kunnen jullie hier blijven.’ Toen nam hij een stuk papier en schreef: ‘Hij belijdt dat er geen god is dan God, dat Mohammed Zijn knecht en Zijn gezant is, en hij belijdt dat Jezus Zijn knecht is en Zijn gezant en Zijn geest en Zijn woord, dat hij in Maria heeft gebracht.’ Dat deed hij in zijn mantel, ter hoogte van zijn rechterschouder, en zo ging hij op de Ethiopiërs af, die in slagorde stonden opgesteld.
‘Ethiopiërs,’ zei hij, ‘heb ik niet het meeste recht jullie heerser te zijn?’
‘Ja,’ riepen zij.
‘En hoe denken jullie over mijn levenswandel?’
‘Die is voortreffelijk.’
‘Wat is dan het probleem?’
‘U bent van het geloof afgevallen, want u beweert dat Iesa een mens is.
‘Wat zeggen jullie dan over Jezus?’
‘Dat hij de zoon van God is.’
Toen zei de negus, met zijn hand op zijn mantel, op de plaats van dat papier: ‘Ik belijd, dat Jezus de zoon van Maria niets meer is dan dit,’—en hij bedoelde dus wat hij had opgeschreven. Daarmee waren zij tevreden en ze vertrokken. Dit kwam de profeet ter ore, en toen de negus stierf verrichtte hij gebeden en bad hij om vergeving voor hem.

Bron: Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 217–223; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 60–67.

Diakritische tekens: Abū Ṭālib, Muḥammad, ʿAbd al-Raḥmān ibn Ḥārith, al-ʿĀṣ, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud