Vroegrijpe profeten

Een zeer korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59, maakt al duidelijk dat vele oude ‘profeten’ op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij wat menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.1

Over de profeet Mohammed is verteld dat hij bij zijn voedster

  • ‘… opgroeide als geen andere jongen en vast voedsel kon eten voordat hij twee jaar oud was.’ 2

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en hij toen hij zes maanden oud was kon hij vast voedsel eten.’ 3

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben gehoed achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 4

Eveneens daar werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de *splijting van de buik.5 Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.6

Meer is er te vinden in de hadithen over Ibn Sayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij was geen profeet, maar wordt wel voorgesteld als iemand die graag deed alsof. In zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Sayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand, of zelfs twee maanden. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.7

Dit laat zien dat het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ in de vroege islam bekend en gangbaar was. Geen wonder: het Arabische rijk der Umayyaden was nog geheel doordrenkt met christelijke en joodse literaturen.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus ongeveer dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Een banaal leven leiden? Zondigen misschien? De vertellers proberen de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge roeping waardig te maken.

NOTEN
1. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apopryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, 353–57. Engelse vertalingen hier.
2. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 105. Normaal bleef een zuigeling twee tot twee en een half jaar aan de moederborst.
3. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277.
4. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
6. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108.
7. Wim Raven, “Ibn Ṣayyād as an Islamic ‘Antichrist’. A reappraisal of the texts,” in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. Het artikel kunt U hier downloaden.

Terug naar Inhoud

Dhimmi (korte definitie)

Een dhimmī was in de vroege islamitische staten een aanhanger van de joodse of christelijke religie, later ook: van iedere andere religie, die de bescherming (dhimma) van de staat en vrijheid van militaire dienst genoot, in ruil voor betaling van een hoofdelijke belasting (djizya).

In het huidige Nederlands komt het woord zo vaak voor dat het bijna Nederlands is geworden. De schrijfster Bat Ye’or heeft het woord nieuw leven ingeblazen voor haar virulente anti-islambetoog, dat in Nederland grif aftrek heeft gevonden. Zij heeft ook het Engelse woord dhimmitude uitgevonden, het dhimmī-zijn of het zich als zodanig gedragen, een bezigheid die zij graag toeschrijft aan regeerders van Europese staten, die bij voorbaat al capituleren voor het kalifaat, de Eurabische islamstaat die volgens haar binnenkort op Europees grondgebied zal ontstaan. Behalve voor blinden is hiervan echter niets te zien; er is geen werkelijkheid die met deze fantasieën overeenkomt.
In de negentiende en twintigste eeuw is het dhimma-deel van de sharia-wetgeving in de islamitische wereld niet toegepast. Hoe het daarvoor was, en wanneer het precies in onbruik raakte zou ik moeten naslaan. In de huidige islamitische wereld is het begrip dhimmī volkomen verouderd. Christenen en joden betalen nergens hoofdelijke belasting, dragen geen onderscheidende kleding en moeten wél in dienst. Hoogstens zijn er enkele halve gare *salafisten die de term dhimmī weer zouden willen invoeren. Niets dan grootheidswaan is dat, want het vooronderstelt de aanwezigheid van een sterke islamitische staat, en die is nergens te bekennen.

Dat neemt niet weg dat in vele islamitische omgevingen christenen en joden als tweederangs burgers worden beschouwd, die vaak ook flink gekoejeneerd of weggepest worden. Dat is nu eenmaal het lot van minderheden; dat hoef ik Nederlanders niet uit te leggen. Met het begrip dhimma of dhimmī heeft dat niets te maken.

NASCHRIFT 20 maart 2015: In Daesh (Islamic State) is het begrip dhimmī weer ingevoerd. Christenen en joden, voor zover nog in leven, moeten nu weer hoofdelijke belasting betalen, zie hier.

Terug naar Inhoud

André Aciman, Uit Egypte (bespreking)

André Aciman, Uit Egypte. Herinneringen. Uit het Engels vertaald door Babet Mossel, Meulenhoff, 1994.

Herinneringen, luidt de ondertitel van dit boek. Het zullen wel Acimans eigen familie en jeugd zijn die hij zich als ik-verteller herinnert, maar hij heeft zoveel talent voor fictie dat hij er een schitterende roman van heeft gemaakt. In dit epos van een joodse familie in Alexandrië is het ene personage nog schilderachtiger dan het andere. Oudoom Vili bij voorbeeld, een fascistische Italiaanse macho die tevens spioneert voor de Engelsen; of tante Elsa, die bij nadering van de oorlog haar winkeltje in religieuze artikelen in Lourdes had moeten opgeven. Ontroerend is de moeder van de verteller, die doof is en in een merkwaardige symbiose leeft met haar zoontje, dat haar tot oren dient.
Familieromans beschrijven dikwijls de opkomst en de ondergang van een geslacht. Dat is ook hier het geval, maar het schema wordt doorkruist door de regelmaat van de verdrijving van de joden. Uit Egypte is meer dan een familieroman: het is ook een roman van de joodse diaspora. De familie sprak vanouds Spaans en was in het Ottomaanse rijk neergestreken, waar zij zich ook van het Turks, Grieks, Italiaans en Frans bediende. Vandaar waren ze in Alexandrië terechtgekomen, maar daar was het in 1964 abattoir, zoals de uitdrukking in de familie luidde als de pleuris weer eens uitbrak. Voor Levantijnse joden betekende dat niet een slachting zoals de Nazi’s hebben aangericht. In Acimans universum wordt een jood gemiddeld eens per kwart eeuw gedwongen zijn koffers te pakken, en als het in een joods huis naar verse leren koffers ruikt heet het: ça sent l’abattoir.
Aan de vooravond van het gedwongen vertrek uit Egypte is het seider-avond, de avond waarop joden traditioneel hun uittocht uit Egypte gedenken. Bij de nog levende leden van deze familie gaat het gedenken niet van harte: ze zijn nauwelijks religieus, niemand kent de liturgie meer, en bovenal: niemand wil weg! Het betreft hier immers geassimileerde joden uit de bourgeoisie, die zich gevaarlijk thuis waren gaan voelen in een oude wereld waar ze bij dachten te horen omdat zij nergens anders bijhoorden. Pesterijen, onteigeningen en tenslotte de verbanning dwingen hen, weer joods te zijn.
De verteller wilde als jongetje ambassadeur worden; een pijnlijk verlangen voor iemand die burger van geen enkel land is. Door wat hij vertelt wordt hij echter een glansrijk ambassadeur van het vroegere, kosmopolitische Alexandrië; een wereld waar de vrouwen Fortunée Lombroso heetten of Marie Cantacouzenos, en waar de namen van de tramhaltes nog menigeen in vervoering brengen: Glymenopoulo, Camp de César, Ibrahimieh. Er bestaat een rijke Alexandrië-literatuur; Aciman toont discreet dat hij daarmee vertrouwd is, maar gelukkig kent hij zijn stad te goed en is hij een te groot schrijver om andermans teksten nodig te hebben. Ook onder de Alexandrië-literatuur verdient Uit Egypte een ereplaats. Een driedubbele prachtroman, die mede dankzij de uitstekende vertaling in één ruk is uit te lezen.

Gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 16 februari 1996.

Terug naar Inhoud

Allochthone wolf

Een fragment uit een profetenverhaal van al-Tha‘labī:
In koran 12:17 zeggen Jozefs broers, nadat hem in de woestijn hebben achtergelaten, tegen zijn vader Jacob: وتركنا يوسف عند متعنا فأكله الذئب We hebben Jozef achtergelaten bij onze spullen; toen heeft een wolf hem opgevreten. Het verhaal fantaseert daaromheen:

  • [Jacob] zei tegen hen: ‘Als het waar is dat een wolf Jozef heeft opgevreten, waar is die wolf dan? Breng hem hier!’
    Ze haalden hun touwen en stokken, trokken de woestijn in en joegen een wolf, die zij vingen en vastbonden. Die brachten ze bij Jacob en zetten hem voor hem neer.
    Hij zei: ‘Maak hem los!’ Dat deden ze en Jacob vroeg de wolf dichterbij te komen. Hij kwam langs de hele groep gestapt tot hij met gebogen hoofd voor Jacob stond.
    Jacob zei tegen hem: ‘Wolf, je hebt mijn zoon opgevreten, mijn oogappel, de geliefde van mijn hart en je hebt mij eindeloos verdriet en diepe smart bezorgd.’
    De wolf antwoordde: ‘Nee, bij uw grijze haar, profeet Gods! Ik heb helemaal geen zoon van u opgegeten. Het is ons verboden uw vlees en bloed te eten, van u profeten. Mij wordt hier onrecht aangedaan en ik word vals beschuldigd! Ik ben een wolf uit het buitenland, uit Egypte.’
    Toen vroeg Jacob hem: ‘En wat heeft je naar het land Kanaän gevoerd?’
    Hij zei: ‘Ik ben hier voor familiezaken, om wolven uit mijn familie te bezoeken.’ 1

De joodse oorsprong (isrā’īlīyāt) van het motief is duidelijk; het gaat terug op Genesis 37:33–35. De legende van de sporekende wolf bij Ginzberg2 is volgens hem van Arabische oorsprong. Een mooie huilerige smoes heeft de wolf hier.

  • … stond Jacob op en sprak tot zijn zonen, met betraande wangen: ‘Vooruit, neemt jullie zwaarden en bogen, gaat uit in het veld en zoekt; misschien vinden jullie het lichaam van mijn zoon en brengen jullie het me, zodat ik het kan begraven. Kijk ook uit naar wilde dieren, en vang het eerste dat jullie tegenkomen. Grijp het en breng het hier. Misschien zal God medelijden met mij hebben in mijn kommer en het dier dat mijn kind heeft verscheurd in jullie macht geven zodat ik mij erop kan wreken.’
    Jacobs zonen trokken de volgende morgen uit om het verzoek van hun vader na te komen, terwijl deze thuisbleef en huilde en rouwde om Jozef. In de wildernis vonden zij een wolf die zij vingen en levend bij Jacob brachten met de woorden: ‘Hier is het eerste wilde dier dat we tegenkwamen; we hebben het meegebracht, maar van het lichaam van uw zoon hebben geen spoor gezien.’ Jacob greep de wolf vast en sprak onder luid misbaar: ‘Waarom heb je mijn zoon Jozef verslonden, zonder enige vrees voor de God der wereld, en zonder rekening te houden met het verdriet dat jij mij zou aandoen? Jij hebt mijn zoon zonder reden verslonden; hij was aan geen enkele overtreding schuldig, en je hebt de verantwoordelijkheid voor zijn dood op mij afgewenteld. Maar God wreekt degene die wordt vervolgd.’
    Om Jacob te troosten opende God de mond van het dier en het sprak: ‘Zowaar de Heer leeft die mij geschapen heeft, en zowaar u leeft, mijn heer, ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd. Ik kom uit een land ver weg om mijn eigen zoon te zoeken, die eenzelfde lot heeft ondergaan als de uwe. Hij is verdwenen en ik weet niet of hij dood is of leeft, en daarom ben ik tien dagen geleden hierheen gekomen om hem te zoeken. Toen ik vandaag op zoek was kwamen uw zoons mij tegen en zij grepen mij en brachten mij bij u, aldus mijn verdriet over mijn verloren zoon nog groter makend. Dit is mijn verhaal en nu, mensenkind, ben ik in uw handen. U kunt zich vandaag van mij ontdoen zoals het u goeddunkt, maar ik zweer u bij de God die mij geschapen heeft: ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd; nooit is mensenvlees mij in de mond gekomen.’ Verbaasd over wat de wolf gezegd had liet Jacob hem ongehinderd gaan waarheen hij wilde, maar hij rouwde als tevoren over zijn zoon Jozef.

NOTEN:
1. At-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyāʾ, Cairo 1347 (= 1929), blz. 81.

فقال لهم يعقوب: إن كنتم صادقين أنّ الذئب أكله فأين الذئب؟ أتوني به! فعمدوا الى حبالهم وعصيهم فأخذوها ومضوا الى الصحراء فاصطادوا ذئبًا وشدّوه وأوثقوه كتافًا، ثم حملوه الى يعقوب وأوقفوه بين يديه. فقال: حلّوا عقاله فحلّوه. فقال له يعقوب: أقبلْ فأقبل الذئب يتخطّى القوم حتى وقف بين يدي يعقوب منكسًا رأسه. فقال له يعقوب: أيّها الذئب أكلت ولدي وقرّة عيني وحبيب قلبي وثمرة فؤادي، لقد أورثتني حزنًا طويلاً وألمًا عظيمًا. قال فتكلّم الذئب قال: لا وحقّ شيبتك يا نبي الله ما أكلت لك ولدًا وإن لحومكم ودماءكم معشر الأنبياء لمحرّمة علينا. وإني لمظلوم مكذوب عليّ، وإني لذئب غريب من بلاد مصر. فقال يعقوب: وما أدخلك أرض كنعان؟ قال: جئت لأجل قرابة لي من الذئاب أزورهم وأصلهم.
(الثعلبي، قصص الأنبيا المسمّى بالعرائس، القاهرة ١٣٤٧، ص ٨١)

2. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, i, 28–9, online hier; v, 332 noot 66: Yashar Wa-Yesheb, 85a–85b. ‘This legend seems to be of Arabic origin, since in genuinely Jewish legends animals do not speak.’

Terug naar Inhoud

Emile Habiebi, Sa’ied de pessoptimist (bespreking)

Emile Habiebi, De wonderlijke lotgevallen van Sa’ied de pessoptimist (الوقائع الغريبة في اختفاء سعيد أبي النحس المتشائل). Vertaald door Djûke Poppinga. AMBO/NOVIB/NCOS, 1993.

Emile Habiebi was al volwassen en gesetteld toen de staat Israël in 1948 zijn vaderland Palestina overdekte. Velen van zijn landgenoten werden verdreven of namen de wijk; híj bleef. In de nieuwe staat was het leven minder uitzichtloos dan in een vluchtelingenkamp, maar hard was het toch. Onvrijheid en vernederingen waren aan de orde van de dag, en hij werd uitgekotst zowel door de Israëli’s als door zijn politiek correcte landgenoten over de grens. Bovendien heeft hij jarenlang behoord tot het topkader van de Israëlische communistische partij.
Al deze ellende bij elkaar heeft hem niet belet in 1974 een lichtvoetig prozawerk te schrijven. Binnen de Palestijnse literatuur, die meestal aan de zware en smartelijke kant is, valt dit boek op door zijn knappe constructie en doordat het, ondanks de onvermijdelijke ernst, heel grappig is en zelfs trekken heeft van een klucht. Bovendien vertelt het over de dagelijkse gang in Israël dingen die je anders nooit hoort.
Het pessoptimisme heeft veel weg het quasi-optimisme van Voltaire in Candide. Een pessoptimist roept onder alle omstandigheden uit: “Gelukkig is het zo gegaan en niet anders!” Alles had immers nog veel erger kunnen zijn. De schlemielige hoofdpersoon Sa’ied (“Gelukkige”) is niet veel bespaard gebleven. Hij wordt in 1948 niet, zoals zovelen, over de grens gezet, want zijn vader had ook al voor de joden gewerkt. De situatie is van meet af aan absurd: als Palestijn in de joodse staat mag hij nu als vakbondsman, verklikker en agitator tegen radicale (d.w.z. voor zich zelf opkomende) Palestijnse elementen gaan werken. Zijn eerste vriendin kan hij ondanks zijn relaties niet beschermen. Zijn vrouw en zoon tonen de ruggengraat die hij zelf niet heeft en “verdwijnen” dus. Bij een gemartelde vrijheidsstrijder, die hij in de gevangenis ontmoet, voelt hij zich slecht op zijn gemak. Zijn Israëlische werkgevers vertrouwen hem niet, bespioneren hem en controleren zelfs zijn intiemste leven. Sa’ied kruipt voor ze in het stof. Ook zijn eigen mensen beschouwen hem als een verrader. Laconiek incasseert hij: “Als de kinderen in de buurt me vanwege mijn slechte reputatie met stenen bekogelden deed ik alsof ik dat leuk vond en dan lieten ze me met rust.” Toch is hij te veel een sul om een hekel aan hem te hebben of hem zelfs een collaborateur te noemen.
Veel gaat er mis door die sulligheid, bij voorbeeld als hij met zijn clandestiene vriendin wil vrijen uitgerekend op het moment dat soldaten zijn huis binnendringen om haar weg te halen. Of wanneer hij per ongeluk hoogverraad pleegt door in 1967 een witte vlag uit te hangen. Dat moest alleen gebeuren als teken van overgave in de “bezette gebieden”; zijn woonplaats Haifa is volgens de in Israël heersende ideologie juist geen bezet gebied, begrijpt hij dat dan niet? Het incident levert hem een pijnlijk verblijf op in de gevangenis, waar hij ook weer de verklikker mag spelen.
Zijn lot is alleen te dragen door de geheime contacten die hij onderhoudt met buitenaardse wezens in de catacomben onder de stad Akka. Op deze ontmoetingen heeft het almachtige Israëlische staatsapparaat geen vat. Wanneer de nood te hoog wordt komen “zij” hem een steuntje in de rug geven of vermanend toespreken: “Wat scheelt jullie toch, wat missen jullie toch? Hebben jullie het leven nodig om het vervolgens niet op te offeren? Of de dood om voor je leven te kunnen vrezen?”
Levert Sa’ied’s leven van vlees noch vis en uiterste buigzaamheid hem soms een “identiteitscrisis” op, de gesel van zovele romans? Gelukkig niet, daarvoor is hij toch te veel een brave sukkel, en hij wordt uiteindelijk juist gered doordat hij bij geen enkele partij hoort. Zijn “contacten” tillen hem letterlijk uit boven al die conventionele lijders waaraan zijn volk zo rijk is. Aan het eind van het boek bevindt hij zich, angstig en volstrekt geïsoleerd, op een hoge gladde paal met een plateautje erop. Is het een nachtmerrie; is hij een pilaarheilige geworden; moeten we misschien aan Jezus denken? “Zoals mijn voorvaderen hun nek braken door op de grond naar begraven schatten te zoeken, zo vond ik mijn levensdoel door naar boven te kijken, naar mijn broeders uit de ruimte die mij zielenrust zouden brengen.” Aan de voet van de paal doen personen uit zijn verleden machteloze pogingen hem te helpen, maar gered wordt hij door “hen”, die hem meenemen de ruimte in, de nabestaanden opgelucht achterlatend. In de ruimte stelt hij zijn belevenissen op schrift en verzendt zijn tekst naar een Israëlische vriend die ze laat afdrukken in een krant en dus optreedt als onze verteller.
Of hij het nu in de catacomben zoekt of juist boven: er is een geheim in Sa’ied dat hem meer kracht geeft dan een nationale of groepsidentiteit. Of valt het toch tegen? De persoon die ons Sa’ieds brieven laat lezen, meldt uiteindelijk dat deze verzonden zijn uit Akka, waarschijnlijk vanuit het gekkenhuis. Maar de twijfel wordt in stand gehouden; de vriend zoekt verder naar Sa’ied en suggereert dat zijn lezers hem kunnen helpen. Zo’n queeste is echter niet zonder risico: je begint in de catacomben, je eindigt misschien zelf in het gekkenhuis.
De wonderlijke lotgevallen sluit aan bij traditionele Arabische prozagenres. Het wemelt van de akhbār, korte anecdotische vertellingen die kunnen variëren van een fantastisch kletsverhaal tot een stuk geschiedenis of een goeie bak. De dijenkletser is een gevaarlijk genre, maar Habiebi weet zijn moppen in te bedden in zijn verhaal en ze zó te vertellen dat je je tranen lacht. Verder herinneren de episodes aan de makame, een middeleeuws, kort schelmenverhaal met een vaak ingewikkelde en onwaarschijnlijke plot waarbij het bovennatuurlijke niet wordt geschuwd. De buitenaardse wezens kwamen de schrijver dus ook technisch goed van pas. Dat teruggrijpen op de eigen Arabische verteltechnieken uit vroeger tijd was in 1974 nog helemaal niet vanzelfsprekend. Een eeuw lang was het Arabische proza schatplichtig geweest aan Europese romans en korte verhalen.
Anderzijds heeft de auteur zich duidelijk laten inspireren door Voltaire, en heeft hij gebruik gemaakt van westerse romantechnieken om de samenhang tussen de vele korte hoofdstukjes aan te brengen die in de makamen ontbrak. Ook het sterk visuele is modern: een verfilming van dit boek is goed voorstelbaar.
De lotgevallen van Habiebi zijn na de publicatie van dit boek ook wonderlijk geweest. Hij is onlangs bekroond met zowel een Palestijnse als een Israëlische staatsprijs voor literatuur, en over beide is een rel ontstaan. Het zal de schrijver niet hebben verbaasd.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad CS 13 augustus 1993.

Terug naar Inhoud