Een verborgen Schrift, of: De bekering van Umar

De apostel Paulus in het bijbelboek Handelingen van de Apostelen heeft in de ontstaansmythe van de islam een parallel in de figuur van de latere kalief ‘Umar ibn al-Khattāb in de profetenbiografie (sīra). Beide mannen hadden eerst fel de nieuwe religie bestreden, beiden werden na een onverwachte bekering haar felste verdedigers. De bekering van Paulus geschiedde heel plotseling toen hij op weg naar Damascus  een oogverblindend visioen kreeg.1 ‘Umars ommekeer gebeurde net zo bliksemend, toen hij in de woning van zijn zuster Fātima iemand de koran hoorde reciteren. De koran speelt de hoofdrol bij zijn bekering, en dat is mooi islamitisch gedacht.
De nog onbekeerde ‘Umar, kort aangebonden als altijd, stormde het vertrek van zijn zuster binnen en vroeg op hoge toon wat dat te betekenen had. Er vielen zelfs klappen. Fātima verstopte dadelijk het blad met de korantekst, en wel door er bovenop te gaan zitten. Moderne moslimse koranvereerders zouden waarschijnlijk nooit op zo’n idee durven komen, maar zo staat het in de profetenbiografie van Ibn Ishāq uit de achtste eeuw.2 In die tijd waren de mensen nog niet zo overgevoelig. ‘Umar wil het blad zien; zijn zuster weigert het hem te geven en voert als reden aan dat hij onrein is; de koran mag immers alleen door reinen worden aangeraakt. Nadat hij zich gereinigd heeft leest hij het blad alsnog en wordt hij bekeerd.

Het is duidelijk: de verteller heeft hier koran 56:77–79 in zijn hoofd gehad, een passage waarin eveneens de koran centraal staat:  انه لقرآن كريم في كتاب مكنون لا يمسّه الا المطهّرون Het is werkelijk een voortreffelijke koran, in een verborgen Schrift, die alleen rein gemaakten mogen aanraken. Over die verborgen Schrift (kitāb maknūn) is in de loop der eeuwen veel vrooms en diepzinnigs gezegd: zij zou door God in de hemel zijn bewaard, enzovoort. Maar de vroege verteller van dit verhaal over ‘Umar heeft daar niet aan gedacht. Hij heeft de beide woorden een eenvoudige, wat boertige toepassing gegeven doordat hij Fātima het blad op haar manier liet ‘verbergen’.

NOTEN
1. Bijbel, Handelingen van de apostelen 9:2.
2 Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd al-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeldt. 2 Bde., Göttingen 1858-60, blz. 224. Vertaling: A. Guillaume, The life of Muhammad. A translation of Ishaq’s (zo!) Sîrat Rasûl Allâh, Oxford 1955, blz. 155-59. Hier kunt U het hele verhaal in mijn vertaling lezen.

Diacritische tekens: ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb, Fāṭima, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

Kreupelhout in de koran

Op vier plaatsen komt in de koran het Arabische woord ayka voor, ‘kreupelbos’:

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen. (k. 15:78)
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens. (k. 26:176)
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ); dat waren de partijen  (k. 38:13)
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid (k. 50:14; vertalingen F. Leemhuis)

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-ayka te staan en twee maal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft. Hier hebben we kennelijk met een kleine inconsequentie in de spelling van het koranische Arabisch te maken, zoals die wel vaker voorkomen. In sommige versies van de koran staat zelfs layka zonder die rare apostrofe (glottisslag). Met Layka moet echter een eigennaam, waarschijnlijk een plaatsnaam bedoeld zijn, zoals hier en daar nog aan de naamvalsuitgang is te zien, en zoals bepaalde oude korancommentaren ook nog wisten of aannamen. Wat ligt er dan meer voor de hand dan een kleine emendatie, een tekstwijziging? G.R. Puin stelt voor op alle plaatsen Layka zu lesen. Hij meent zelfs te weten waar dit Layka lag: het is volgens hem het haventje Leukē Komē (Λευκή Kώμη) aan de noordwestkust van Arabië, dat al in de Oudheid bekend was. Puin vermoedt het echter wat zuidelijker dan tot nu toe was aangenomen. De raadselachtige ‘mensen van het kreupelbos’ in de koran kunnen dan door ‘de mensen van Layka’ worden vervangen, wat uitstekend past, want in de context van al die vier verzen is sprake van mensen in Noordwest-Arabië.
Knap filologisch denkwerk, dat hier natuurlijk maar heel kort is samengevat. Puin bespreekt uitvoerig waarom het zo moet zijn; ook zijn plaatsing van het haventje wat meer naar het zuiden beredeneert hij. Pikant is dat het hier een tekstwijziging in de Arabische koran betreft, wat voor vele islamitische boekvereerders een ongelooflijk taboe is, vooral als een ongelovige zich eraan schuldig maakt. Maar welbeschouwd hebben oude islamitische geleerden ook in de tekst veranderd, door stiekem de vocalen te veranderen en overal de eenheidsspelling al-ayka te willen invoeren. De moslims uit de begintijd van de islam deden niet zo moeilijk over zoiets.
Nu zal misschien iemand zeggen: die mensen van het kreupelbos kennen we, daarover wordt toch in korancommentaren en profetenverhalen verteld? Dat zegt niets. De vertellers, de vroegste koranuitleggers ‘weten’ altijd alles. Bij voorbeeld dat het een oud-Arabisch volk in de buurt van Midian was, dat niet naar zijn profeet Shu‘ayb wilde luisteren en daarom ten onder ging in een goddelijk strafgericht. Stel er stond oorspronkelijk Layka en ze hebben dat plaatsje niet (meer) gekend en vonden het woord onbegrijpelijk. Eén geleerde is toen op het idee al-ayka te lezen, een woord dat volgens hem wél zin gaf, en sindsdien bestaan die mensen van het kreupelbos. Ze zijn vrij verzonnen, zoals zo veel in de koranexegese. Als dat kreupelbos er eenmaal is, dan gaat het niet meer weg en ontstaan er natuurlijk fantastische verhalen over mensen in een kreupelbos. Volgens Nawas zijn er minstens vijf.
En toch denk ik dat Puin geen gelijk heeft. Leukē wordt in het Duits als loike uitgesproken, wat niet zover af staat van Layka. Maar in het Grieks uit de tijd van de koran klonk het als lefkí, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Natuurlijk kan men tegenwerpen dat in die plaatsnaam nog de klassiek-Griekse uitspraak van eeuwen geleden was overgeleverd, maar dat moet dan eerst hard worden gemaakt. Nee, al met al, de bewijsvoering voor dat haventje is me toch te dun zo. Ik blijf dus vastzitten in het kreupelhout.

Bibliografie
John Nawas, ‘People of the Thicket,’ in Encyclopaedia of the Qurʾān.
Gerd-R. Puin, ‘Leuke Kome / Layka, die Arser/Ashāb al-Rass und andere vorislamische Namen im Koran: Ein Weg aus dem ‘Dickicht’?’ in Karl-Heinz Ohlig en Gerd-R. Puin (uitg.), Die dunklen Anfänge, Neue Forschungen zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlijn 2005, 317–340.

Diakritische tekens en tags: Aṣhḥāb, Leuke Kome

Terug naar Inhoud

Varianten in de korantekst

Hoe vast staat de korantekst eigenlijk? Echt onderzoek is daarnaar nooit gedaan; dat komt nu pas langzamerhand op gang. Er bestaan heel wat ‘variante lezingen’ (qirā’āt), die overigens door islamitische geleerden vanouds werden erkend. Er wordt ook wel gesproken van ‘tekstwijzigingen’, maar dat is minder juist, want dat zouden afwijkingen zijn van een vooronderstelde, juiste tekstvorm, en die is er niet.

Als voorbeeld moge dienen de varianten bij koran 112:1–2: قل هو الله أحد الله الصمد Qul huwa allāhu ahadun allāhu al-samadu.
Dat is taalkundig gezien een lastig vers. ‘Zeg: hij is God, een ene; God is de toeverlaat.’ (Of Zeg: hij, God, is één, God, de toeverlaat. Of iets dergelijks. Van het woord samad is de precieze betekenis niet bekend.)
De bewaarde en in islamitische kring erkende tekstvarianten zijn:
qul ontbreekt (bij vier autoriteiten)
al-wāhidu ‘de ene’ in plaats van ahadun ‘één,’ of ‘een ene’ (bij drie autoriteiten)
– het tweede allāhu ontbreekt (bij één autoriteit).

Er bestaat een Iraakse munt uit ongeveer 685, die ouder is dan het oudste bestaande koranhandschrift. Daarop staat de hele soera 112. Van de tekst van het eerste vers ontbreken daar zelfs de eerste twee woorden uit de bekende koran. Het begin van de soera luidt dan: allāhu ahadun allāhu al-samadu ‘God is een; God is de toeverlaat,’ of eventueel: ‘… God, de toeverlaat.’ Dat leest al heel wat makkelijker weg.

Dit is natuurlijk maar een miniem voorbeeldje van de tekstverscheidenheid in de koran. Er bestaan dikke boeken over.

Is dat erg, dat de korantekst niet helemaal vaststaat? Omstreeks 900 was er een golf van vrome gestrengheid, die heel wat variante lezingen heeft geëlimineerd, zeg maar weggegooid. Maar over het algemeen was het streven in de islamitische wereld vanouds niet het verkondigen van een enkelvoudige waarheid, maar het toelaten van een zo groot mogelijke verscheidenheid. Vandaar ook de hadith volgens welke de profeet gezegd heeft: ‘De koran is geopenbaard in zeven varianten.’ 1 Pas in de laatste eeuw begon men het ‘Westen’ te imiteren in zijn streven naar ondubbelzinnige en vooral simpele waarheden. Tegenwoordig zou men dus ook de variante lezingen in de korantekst het liefst negeren. Jammer: dat flexibele was altijd wel charmant.

NOOT
1. harf, mv. ahruf. Bijv. Muslim, Sahīh, Musāfirīn 270 e.v.a. إن هذا القرآن أنزل على سبعة أحرف

Diakritische Zeichen: aḥadun, al-ṣamadu, al-wāḥidu, ḥarf, aḥruf, Ṣaḥīḥ

Terug naar Inhoud

De ‘duivelsverzen’

Heeft Mohammed echt geprobeerd verzen van eigen makelij, de zogenaamde ‘duivelsverzen’ (ook genoemd ‘satanische verzen’, Engl.: ‘Satanic Verses’) in de koran binnen te smokkelen? Nog afgezien van het feit dat we heel weinig met zekerheid over Mohammed weten, is deze vraag met een beslist nee te beantwoorden.

Eerst was er de koran. Naar aanleiding van koranteksten zijn verhalen ontstaan: interpreterende en aanvullende verhalen, speelse verhalen rondom een vers, ongeveer zoals de joodse midrasj, en ook verhalen waarin de aanleiding tot de openbaring van een bepaald vers wordt uiteengezet.
Welnu, eerst was er koran 22:52: ‘Wij hebben vóór jou geen gezant of Profeet gezonden zonder dat de Satan, als hij iets wenste, hem iets naar zijn wens in de mond legde. Maar God schaft af wat Satan ingeeft; dan stelt God Zijn verzen vast. God is wetend en wijs’. Op grond van deze tekst is een verhaal ontstaan dat er invulling aan geeft: de satanische influistering zou zijn geweest, de nog heidense Qurayshieten te paaien door hun godinnen te erkennen in twee duivelse koranverzen,1 welk idee kort daarop door goddelijk ingrijpen ongedaan werd gemaakt. Fictie op grond van een koranvers dus. De biografie van de profeet (sira) bestaat voor een aanzienlijk deel uit dit soort verhalen.

Dit is natuurlijk een ongelovige kijk op de zaak. Het verschil met de gelovige visie ligt in de omgekeerde volgorde.
De gelovige zegt: eerst deed zich, in de werkelijkheid van Mohammeds optreden, een verleiding voor die goddelijk ingrijpen nodig maakte – het uitwissen van de duivelsverzen -, en daarna volgde, ter verduidelijking van een en ander, de openbaring van vers 22:52.
De ongelovige (déze ongelovige) zegt: De ‘werkelijkheid van Mohammeds leven’ kunnen we vergeten; die is toch niet te kennen. Eerst was er nu eenmaal koran 22:52; daarna werd het verhaal eromheen bedacht dat daaraan invulling gaf. Soera 53 was heel geschikt om de tekst in te voegen. Die soera zegt immers in vers 3 met zoveel woorden dat de profeet ‘niet naar eigen lust spreekt’. Bovendien vormt de vermelding van de heidense godinnen in 53:19–20 een prachtige kapstok om de nieuwe, ‘foute’ tekst aan op te hangen.

In dit specifieke geval zijn er ook nog gelovigen die de gelovige versie van het verhaal niet accepteren. Volgens sommigen is dat omdat het niet in de meest gezaghebbende bron over Mohammeds leven is bewaard.2 Maar in wezen komt het omdat men niet een verhaal voor waar wil houden waarin de profeet zo diep valt! Toch zijn er wel meer van dat soort teksten, bij voorbeeld dat waarin de profeet, onder de indruk van de eerste openbaring, overweegt zelfmoord te plegen. Uit respect voor de profeet wil men zoiets niet accepteren. Dat is onbegrip voor hoe verhalen werken, maar ook gebrek aan geloofsfantasie. Mohammed is immers volgens de koran een gewoon mens; hij kan dus vallen, en wat is mooier dan een val, of een bijna-val, zodat daarna de goddelijke genade des te krachtiger kan werken? Bovendien biedt dit verhaal de gelovigen zekerheid: er staan geen willekeurige teksten in de koran, daarvoor heeft God gezorgd.
De oude moslims waren bekwame theologen, en helemaal niet bang voor verhalen.

[NASCHRIFT: Dit heb ik in 1996 geschreven. Evenals U zie ik de zwakheden in deze tekst. Hij staat op de lijst voor herziening.]

NOTEN
1. Na koran 53:20: ‘Ziet u al-Lāt en al-‘Uzzā, en Manāt, de derde, de andere,’ waarin de drie Mekkaanse godinnen vermeld worden zou de volgende tekst zijn ingevoegd:تلك الغرانيق العلى وإن شفاعتهنّ لَتُرتجى ‘Dit zijn de verheven kraanvogels(?), op hun voorspraak kan worden gehoopt.’ Er bestaan overigens tekstvarianten.
2. Ze bedoelen: niet in de meest gangbare editie van de sīra van Ibn Ishāq door Ibn Hishām. Dat is juist; Ibn Hishām heeft het verhaal niet opgenomen; het was hem blijkbaar te weinig godvruchtig. Maar de veel oudere Ibn Ishāq had het wél; het wordt in al-Tabarī’s geschiedwerk van hem overgeleverd (Ta’rīkh i, 1192–5). Volledige vertaling hier.

Op basis van mijn bijdrage in Maarten Asscher (uitg.), Het woordenboek van de Duivelsverzen, Amsterdam, 1996, 29–31.

Terug naar Inhoud

‘Aanleidingen tot de openbaring’

Tussen aanhalingstekens gezet duidt ‘Aanleiding tot de openbaring’ een bepaald type vertelling aan, die voorkomt bij koranuitleg (Arabisch: sabab al-­nuzūl, mv. asbāb al-­nuzūl, Engels: Occasion(s) of the revelation, Duits: Anlass/Anlässe der Offenbarung) .
Zo’n meestal kort verhaal vertelt naar welke aanleiding een koranvers of –passage geopenbaard werd. Eerst gebeurt er iets; dan reageert God daarop met een openbaring.

Een volledige ‘aanleiding’­-vertelling heeft de volgende delen (niet noodzakelijk in deze volgorde):
– een verwijzing naar een gebeurtenis of stand van zaken,
– dikwijls gecombineerd met de vermelding van personen- en/of plaatsnamen en een tijdsaanduiding;
– enkele woorden uit de koran, of woorden die daar sterk aan herinneren, die anticiperen op het te openbaren vers;
– een formule als: ‘Daarop/Daarover openbaarde God…’ of: ‘Dit vers werd geopenbaard over …’1
– en tenslotte het geopenbaarde vers zelf.

Een voorbeeld:

  • ‘Zij vragen je naar de wijn en het kansspel. Zeg: In beide is grote zonde en nut voor de mensen, maar hun zonde is groter dan het nut’ (k. 2:219). Dit vers werd geopenbaard over ‘Umar ibn al­-Khattāb en Mu‘ādh ibn Djabal en een groepje uit de Helpers, die bij de profeet kwamen en vroegen: ‘Geef ons uw oordeel over de wijn en het kansspel, want dat zijn verwoesters van het verstand en plunderaars van het bezit.’ Daarop openbaarde God het vers.2

Traditionele gelovigen vatten zo’n kleine vertelling op als bericht, als geschiedsschrijving. Moderne lezers zien haar eerder als koranexegese, als tafsīr. In de vertelling is de gebeurtenis er eerder dan het koranvers. In werkelijkheid zal er eerst het koranvers geweest zijn en zal de vertelling eromheen geweven zijn, met gebruikmaking van de woorden uit de koran. In het zojuist geciteerde vers roepen alleen al de woorden: ‘zij vragen je naar de wijn en het kansspel’ vragen op: wie was het die dat vroeg, en waarom? De vertellers ‘weten’ wie dat waren, en ook dat de genoemde personen al skeptisch stonden tegenover wijn en kansspel. Vertellers hebben altijd een antwoord paraat—en soms ook twee of meer, want er zijn verzen die meer dan één ‘aanleiding’-verhaal hebben veroorzaakt .
Dit wordt nog duidelijker als de gebruikte koranwoorden onalledaags zijn:

  • Op een dag, terwijl hij bezig was met zijn voorbereidingen, vroeg hij aan Djadd ibn Qays uit de stam Salima: ‘Heb je zin om dit jaar tegen de geelhuiden te gaan vechten, Djadd?’ Deze antwoordde echter: ‘Ach, Profeet, geef mij verlof en breng mij niet in verzoeking, want het is bekend dat niemand zo gek is op vrouwen als ik, en ik ben bang dat ik me niet kan inhouden als ik de vrouwen van de geelhuiden zie.’ De Profeet zei dat het goed was en wendde zich van hem af. Het was over Djadd ibn Qays dat dit koranvers werd geopenbaard: ‘En onder hen zijn er die zeggen: ‘Geef mij verlof en breng mij niet in verzoeking.’ Maar zij zijn al voor de verzoeking gevallen! De hel zal de ongelovigen omsluiten.’ (k. 9:49)—dat wil zeggen: het was niet zo zeer de verleiding van de vrouwen der geelhuiden die hij te duchten had; nee, de verleiding waarvoor hij viel was groter, namelijk dat hij achterbleef en niet meeging met de Profeet, en dat hij, in plaats van te doen wat deze wilde, liever deed waar hij zelf zin in had.3

Het is onwaarschijnlijk dat God in zijn openbaring de woordkeus van Djadd ibn Qays heeft overgenomen. Het koranvers was er eerst en daarna het verhaaltje, waarin de verteller kans zag bij het woord ‘verzoeking’ een pikant detail te plaatsen.

Ook wanneer de beschreven gebeurtenis onwaarschijnlijk is, zoals in:

  • De profeet heeft gezegd: Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die opgehangen zijn in de schaduw van Gods troon. Toen zij de geur van hun spijs en drank en de plek van hun middagrust roken zeiden zij: ‘Wie zal onze broeders berichten dat wij leven en dat wij levensonderhoud krijgen in het paradijs, zodat zij de djihād niet opgeven en niet terugschrikken voor de oorlog?’ Toen zei God: ‘Ik zal hun over jullie berichten,’ en daarop openbaarde hij: ‘Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hen geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn’

is het duidelijk dat het koranvers aan de vertelling voorafging.

‘Aanleiding’-verhalen komen voor in korancommentaren (tafsīr), maar ook in de sira en in gespecialiseerde werken over het genre, zoals dat van al­-Wāhidī (gest. 1076). Zie voor verdere voorbeelden: Duivelsverzen, Afzondering van de vrouw,

Waarom een ‘aanleiding tot de openbaring’?
– Om een vers te verklaren: wie was dat, hoezo, waarom? Het is een vorm van koranexegese (tafsīr).
– Uit een algemeen-menselijk verlangen naar historiseren werden bepaalde koranverzen aan gebeurtenissen uit het leven van de profeet gekoppeld.
– Om een Koranvers te dateren. De chronologie van de koran was van belang voor de rechtswetenschap, omdat een jonger vers een ouder vers kan afschaffen (naskh). Daarom wilde men weten welk verzen vroeger en welke later zijn. → Burton, Abrogation).

Noten:
1. Het zou aanmatigend zijn, Gods beweeggronden te willen weten. De koranexegeet Muqātil ibn Sulaymān (Tafsīr i, 458, bij k. 5:11) zegt weliswaar nog naïef: ‘Dit vers werd geopenbaard omdat … (li-anna), maar meestal staat er alleen: ‘… werd geopenbaard over.’ Ook dan ontstaat echter de indruk dat men weet waarom.
2. Al­-Wāhidī, Asbāb al-nuzūl, geciteerd bij Rippin, Occasions 570.
3. Ibn Ishāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894.
4. Abū Dāwūd, Djihād 25, maar reeds in Ibn Ishāq, o.c., 604–5 en bij Muqātil ibn Sulaymān (gest. 767), Tafsīr, uitg. A.M. Shahāta, Cairo 1979, i, 314, en in al-Ṭabarī, Tafsīr op de betreffende koranpassage, 3:169.

Meer lezen:
– Andrew Rippin, ‘Occasions of revelation,’ in EQ.
– Andrew Rippin, ‘The function of asbāb al-nuzūl in qurʾānic exegesis,’ in BSOAS 51 (1988), 1–20.
– Hans-Thomas Tillschneider, Typen historisch-exegetischer Überlieferung. Formen, Funktionen und Genese des asbāb an-nuzūl-Materials, Würzburg (Ergon), 2011. (580 blz.) Dit moeilijke boek heb ik nog maar pas; als ik het uitheb moet ik het bovenstaande herzien, dat is me wel duidelijk.
– John Burton, ‘Abrogation,’ in EQ.
– Marco Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie. Eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 1998, 128–33.

Diakritische tekens: ʿUmar ibn al­-Khaṭṭāb, Uḥud, al­-Wāḥidī, Ibn Isḥāq, A.M. Shaḥāta

Terug naar Inhoud

De ‘afzondering van de vrouw’ (hidjab)

De gewoonte om vrouwen een aparte ruimte in tent of huis te geven, waar vreemde mannen niet binnen mogen, bestond in Arabië al voor de Islam. Wanneer een dame haar eigen ruimte verliet deed zij dat idealiter in een van gordijntjes voorziene draagstoel op een kameel of met een alles bedekkend gewaad om zich heen. Deze laatste twee uitvindingen zou je kunnen zien als beweegbare vrouwenvertrekken. Voor vrouwen van lagere stand en slavinnen luisterde het minder nauw.
In de Islam is het afzonderen van de vrouw een instituut geworden. Behalve op de hadith is het gebaseerd op een klein aantal koranverzen, waarvan verschillende interpretaties mogelijk zijn. Eén van die verzen is het “Vers van de Afzondering (ḥidjāb)” (Koran 33:53), dat de gedragsregels bij een bezoek aan de woningen van de profeet regelt. De relevante woorden zijn:

  • Als jullie hen [de vrouwen van de profeet] iets vraagt, vraagt dat dan van achter een afscheiding, dat is reiner voor jullie harten en voor hun harten.

Geen direct contact met de vrouwen van de profeet dus; over andere vrouwen wordt niet gesproken. Hoe die afscheiding eruit zag wordt ook niet uitgelegd; voor de eerste hoorders van het vers zal het duidelijk geweest zijn.

De eeuwenoude islamitische koranuitlegging vertelt vaak met welke aanleiding, bij welke gelegenheid een bepaald koranvers geopenbaard is (sabab al-nuzūl, ‘aanleiding tot de openbaring’). Bij sommige verzen bestaat er meer dan één verhaal over de aanleiding.
Het bekendste verhaal bij Koran 33:53 vertelt hoe feestgangers bij een van de bruiloften van de profeet wat hinderlijk aanwezig waren in zijn privésfeer en na de feestmaaltijd niet weg wilden gaan toen hij aan zijn huwelijksnacht wilde beginnen. Dat heeft vooral betrekking op het hierboven niet geciteerde deel van het koranvers.
Maar er zijn van dit vers nog drie andere “aanleidingen” in omloop, alle uit de negende eeuw. Eén zo’n verhaaltje luidt:

  • De profeet was aan het eten met een paar van zijn gezellen. De hand van één van hen raakte die van [zijn vrouw] Aisha aan. Dat vond de profeet niet prettig en daarop werd het “Vers van de Afzondering ” geopenbaard.1

In een ander verhaal neemt de latere kalief ‘Umar het initiatief:

  • ‘Umar vertelde: Ik zei: “Profeet, jan en alleman loopt maar bij uw vrouwen in en uit; als u hen eens opdroeg, zich af te zonderen?” En daarop werd het “Vers van de Afzondering” geopenbaard.2

In een derde verhaal, dat door Aisha wordt verteld, speelt ‘Umar ook de hoofdrol:

  • De vrouwen van de profeet waren gewoon ’s avonds hun behoefte te gaan doen op rustige plekken met veel frisse lucht. ʿUmar had al tegen de profeet gezegd dat hij zijn vrouwen moest afzonderen, maar die had dat niet gedaan. Dus op een avond ging Sawda, de vrouw van de profeet, naar buiten—het was een lange vrouw—en ʿUmar riep haar toe zo hard hij kon: “We hebben je wel herkend hoor Sawda!” uit verlangen dat God [het Vers van] de Afzondering zou openbaren. Toen openbaarde God [het Vers van] de Afzondering.3

ʿUmar liep daar buiten dus op provocerende wijze opdringerig te doen. Hij was behoorlijk trots op zijn initatief:

  • God en ik waren het eens op drie punten, …4

en dan worden er drie koranverzen genoemd die op ʿUmars instigatie zouden zijn geopenbaard, waaronder dat van de Afzondering.

Secundair is een verhaal dat het motief van Sawda’s gang naar het privaat nogmaals gebruikt.

  • Van Aisha: Sawda ging eens naar buiten om haar behoefte te doen, toen de afzondering al verplicht was gesteld. Sawda was een grote vrouw die een stuk boven de andere vrouwen uitstak. ‘Umar kreeg haar in de gaten en riep: “Hé Sawda, we hebben je heus wel gezien hoor! Kijk toch eens hoe je daar loopt!”
    Zij liep gauw weg en ging terug naar de profeet, die net aan het avondeten zat. Ze vertelde hem wat er gebeurd was en wat ʿUmar tegen haar gezegd had. Toen kwam het zweet in zijn handen en ontving hij een ingeving, met het zweet in zijn handen, namelijk: “Het is jullie toegestaan naar buiten te gaan om je behoefte te doen.” 5

Blijkbaar waren er moslims die vonden dat vrouwen helemaal niet uit mochten gaan; niet om hun behoefte te doen en niet naar de moskee (daarover bestaan vele andere teksten). De laatste tekst hierboven, met het wat onhandig vertelde slot, probeert met profetisch, ja bijna goddelijk gezag door te drukken dat vrouwen wél naar buiten mogen om hun behoefte te doen. De profeet raakt bezweet, zoals dikwijls wanneer hij een openbaring krijgt. Er komt ook iets, alleen is het geen openbaring, geen koranvers maar een ‘ingeving’, die hier brutaalweg wordt voorgesteld als net zo bindend als een koranvers.

Over het verschil in houding tussen de Profeet en ‘Umar, zie de aparte bijdrage.

Noten:
1. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij het vers:

حدثني يعقوب، قال ثنا هشيم، عن ليث، عن مجاهد: أن رسول الله ص كان يطعم ومعه بعض أصحابه، فأصابت يد رجل منهم يد عائشة، فكره ذلك رسول الله ص، فنزلت آية الحجاب.

2. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij het vers:

حدثنا ابن بشار، قال ثنا ابن أبي عدي، عن حميد، عن أنس بن مالك، قال: فال عمر بن الخطاب: ” قلت لرسول الله ص: لو حجبت عن أمهات المؤمنين، فإنه يدخل عليك البرّ والفاجر، فنرلت آية الحجاب.”

3. Muslim, Salām 18:

حدثنا عبد الملك بن شعيب بن الليث حدثني أبي عن جدي حدثني عقيل بن خالد عن ابن شهاب عنعروة بن الزبير عن عائشة أن أزواج رسول الله ص كن يخرجن بالليل إذا تبرزن إلى المناصع وهو صعيد أفيح وكان عمر بن الخطاب يقول لرسول الله ص احجب نساءك فلم يكن رسول الله ص يفعل فخرجت سودة بنت زمعة زوج النبي ص ليلة من الليالي عشاء وكانت امرأة طويلة فناداها عمر ألا قد عرفناك يا سودة حرصا على أن ينزل الحجاب قالت عائشة فأنزل الله عز وجل الحجاب.

4. Al-Bukhārī, Tafsīr al-qurʾān 2, 9:  وافقت الله في ثلاث أو: وافقني ربّي في ثلاث باب واتخذوا من مقام إبراهيم مصلى …/ مثابة K. 2:125

يثوبون يرجعون
حدثنا مسدد عن يحيى بن سعيد عن حميد عن أنس قال قال عمر: وافقت الله في ثلاث أو وافقني ربي في ثلاث. قلت يا رسول الله لو اتخذت مقام إبراهيم مصلى. وقلت يا رسول الله يدخل عليك البر والفاجر فلو أمرت أمهات المؤمنين بالحجاب فأنزل الله آية الحجاب. قال وبلغني معاتبة النبي ص بعض نسائه فدخلت عليهن قلت إن انتهيتن أو ليبدلن الله رسوله ص خيرا منكن حتى أتيت إحدى نسائه قالت يا عمر أما في رسول الله ص ما يعظ نساءه حتى تعظهن أنت فأنزل الله عسى ربه إن طلقكن أن يبدله أزواجا خيرا منكن مسلمات K. 66:5 الآية وقال ابن أبي مريم أخبرنا يحيى بن أيوب حدثني حميد سمعت أنسا عن عمر.

5. Al-Ṭabarī, Tafsīr bij het vers:

… عن آبن وكيع بن نمير، عن هشام بن عروة عن عروة عن عائشة أم المؤمنين: خرجت سودة لحاجتها بعد ما ضرب علينا الحجاب وكانت امرأة تفرع النساء طولاً فأبصرها عمر فناداها: يا سودة إنك واﷲ ما تخفين علينا فانظري كيف تخرجين أو كيف تصنعين فانكفأت فرجعت الى رسول اﷲ ص وإنّه ليتعشّى فأخبرته بما كانوما قال لها وان في يده لعرقا فأوحى إليه، ثم رفع عنه وان العرق لفي يده. فقال: لقد أذن لكن أن تخرجن لحاجتكن.

Terug naar Inhoud

De duivelsverzen (vertaalde tekst)

(Hoort bij het artikel Duivelsverzen)

De profeet hield het welzijn van zijn stam voor ogen en wilde toenadering tot hen op elke mogelijke manier.
Yazīd ibn Ziyād al-Madanī levert over van Muhammad ibn Ka‘b de Qurayziet: Toen de profeet zag dat zijn stamgenoten zich van hem afwendden en het moeilijk vond om aan te zien hoe zij afstand namen van de boodschap die hij hun van God overbracht, wenste hij dat er van God iets zou komen wat toenadering teweeg zou brengen. Met al zijn liefde en zorg voor zijn stam had het hem plezier gedaan als hij de hardheid die hij van hen ondervond wat had kunnen matigen; daarover dacht hij na en hij wenste het vurig. En toen God openbaarde: وَالنَّجْمِ إِذَا هَوَى مَا ضَلَّ صَاحِبُكُمْ وَمَا غَوَى وَمَا يَنْطِقُ عَنِ الْهَوَى Bij de ster als hij ondergaat: uw gezel dwaalt niet en is niet misleid, en hij spreekt niet naar eigen lust, [53:1–3] en hij bij de woorden kwam: أَفَرَأَيْتُمُ اللَّاتَ وَالْعُزَّى وَمَنَاةَ الثَّالِثَةَ الْأُخْرَى Ziet u al-Lāt en al-‘Uzzā, en Manāt, de derde, de andere? [53:19–20] legde de Satan hem, op grond van zijn eigen gedachten en wens, de volgende woorden in de mond: تلك الغرانيق العلى وإن شفاعتهنّ لَتُرتجى ‘Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt.’.
Toen de Qurayshieten dit hoorden waren zij blij en het beviel hun zeer dat hun godinnen erin vermeld werden. Zij luisterden naar hem, terwijl de gelovigen, die geloof hechtten aan de boodschap die hun profeet bracht van hun Heer, hem niet van fouten, waanideeën, of misstappen verdachten. Toen hij bij de teraardewerping kwam, aan het eind van de soera, wierp hij zich ter aarde en de moslims deden het hem na, omdat zij geloof hechtten aan de boodschap van hun profeet en hem volgden. De heidenen uit Quraysh en anderen die in het bedeoord waren deden dat ook, omdat zij hun godinnen hadden horen noemen. Er bleef niemand in de moskee, gelovige of ongelovige, die zich niet ter aarde wierp, behalve Walīd ibn Mughīra, die zo oud was dat hij het niet meer kon, maar die nam een handvol grind en boog zich daarover. Daarop verlieten de mensen het bedeoord en gingen uiteen. Ook de Qurayshieten gingen weg, blij dat zij hun godinnen hadden horen noemen, en zeiden: ‘Mohammed heeft onze goden op de best mogelijke manier vermeld en hij heeft in zijn reciet gezegd: “Dit zijn de verheven kraanvogels, op hun voorspraak kan worden gehoopt.”.’
Het nieuws van deze teraardewerping bereikte de gezellen van de profeet die in Ethiopië waren, en er werd al gezegd dat Quraysh tot de islam was overgegaan. Sommigen van hen maakten aanstalten om terug te keren, anderen wilden nog blijven.
Toen kwam Djibrīl bij de profeet en zei: ‘Mohammed, wat heb je gedaan? Je hebt de mensen iets gereciteerd wat ik je niet heb overgebracht van God, en je hebt iets gezegd wat hij niet tegen jou gezegd heeft!’ Toen werd de profeet zeer bedroefd en vreesde God zeer, maar God zond een openbaring neer, want hij had erbarmen met hem, om hem te troosten en de zaak te vergemakkelijken. Daarin liet hij hem weten dat er vóór hem geen profeet of gezant was geweest die iets wenste of begeerde zonder dat de Satan hem iets naar zijn wens in de mond had gelegd, zoals hij dat nu bij de profeet had gedaan, en zonder dat God daarna had afgeschaft wat de Satan hem had ingegeven en zijn verzen had vastgesteld; met andere woorden: dat het hem net zo verging als sommige andere profeten en gezanten, en hij openbaarde: وَمَا أَرْسَلْنَا مِنْ قَبْلِكَ مِنْ رَسُولٍ وَلَا نَبِيٍّ إِلَّا إِذَا تَمَنَّى أَلْقَى الشَّيْطَانُ فِي أُمْنِيَّتِهِ فَيَنْسَخُ اللَّهُ مَا يُلْقِي الشَّيْطَانُ ثُمَّ يُحْكِمُ اللَّهُ آيَاتِهِ وَاللَّهُ عَلِيمٌ حَكِيمٌ Wij hebben vóór jou geen gezant of profeet gezonden zonder dat de Satan, als hij iets wenste, hem iets naar zijn wens in de mond legde. Maar God schaft af wat Satan ingeeft; dan stelt God Zijn verzen vast. God is wetend en wijs. (koran 22:52)
Zo nam God de droefheid van zijn profeet weg, stelde hem gerust over wat hij had gevreesd en schafte af wat de Satan hem in de mond had gelegd, namelijk dat van hun godinnen, die verheven kraanvogels op welker voorspraak werd gehoopt. Hij liet nu op Lāt en ‘Uzzā en Manāt, de derde, de andere de woorden volgen: أَلَكُمُ الذَّكَرُ وَلَهُ الْأُنْثَى تِلْكَ إِذًا قِسْمَةٌ ضِيزَى إِنْ هِيَ إِلَّا أَسْمَاءٌ سَمَّيْتُمُوهَا أَنْتُمْ وَآبَاؤُكُمْ Hebt u dan de mannelijke en Hij de vrouwelijke [kinderen]? Dat is een onrechtvaardige verdeling! Het zijn slechts namen, die u en uw vaderen gegeven hebt, tot aan: […] لِمَنْ يَشَاءُ وَيَرْضَى aan wie Hij wil en met wie Hij tevreden is. (k. 53:21–26)—dat wil zeggen: hoe kan de voorspraak van jullie godinnen bij Hem dan ergens goed voor zijn?
Toen de openbaring kwam die de influistering van de Satan aan de profeet afschafte zei Quraysh: ‘Mohammed heeft spijt gekregen van wat hij heeft gezegd over de positie van onze godinnen bij God; hij heeft het veranderd en is met iets anders gekomen.’ De twee zinnen die Satan de profeet in de mond had gelegd waren op ieders lip, en nu werden de heidenen nog kwaadaardiger en gewelddadiger tegen de moslims en volgelingen van de profeet.
De gezellen van de profeet, die Ethiopië hadden verlaten op het gerucht dat de Mekkanen tot de islam waren overgegaan door zich samen met de profeet ter aarde te werpen, waren al dicht bij Mekka toen zij hoorden dat het bericht onjuist was. Geen van hen kwam Mekka binnen dan hetzij met hulp van een beschermer, hetzij heimelijk. Onder degenen die naar Mekka kwamen en daar bleven tot zij emigreerden naar Medina waren uit de stam ‘Abd Shams: ‘Uthmān ibn ‘Affān met zijn vrouw Ruqayya, de dochter van de profeet, Abū Ḥudhayfa ibn ‘Utba met zijn vrouw Sahla bint Suhayl, en een aantal anderen, in totaal drieëndertig personen.

Bron: al-Ṭabarī, Taʾrīkh al-mulūk wal-rusul, uitg. M.J. de Goeje e.a., Leiden 1890 ff, i, 1192–5; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 71–74.

Diacritische tekens: Muḥammad ibn Ka‘b de Qurayẓiet, al-ʿUzzā

Hoort bij het artikel Duivelsverzen         Terug  naar Inhoud