Heeft Mohammed echt bestaan?

De vraag wordt de laatste jaren wel eens gesteld; ook zijn er al enkele geleerden geweest die haar negatief beantwoord hebben. Zowel de vragers als die antwoorders zijn geloof ik vooral onder islamhaters te vinden.
Zelfs als ik mij heel streng en minimalistisch opstel zeg ik echter: Ja, Mohammed moet hebben bestaan. Voor zijn bestaan zijn er teveel aanwijzingen, ook uit de vroegste tijd en uit heel verschillende omgevingen, dan dat het ontkend zou kunnen worden. Om hem helemaal vanuit het niets te verzinnen hadden meer mensen van uiteenlopende pluimage moeten samenwerken dan redelijkerwijs mogelijk is.
De hypothese van Chr. Luxenberg en geestverwanten uit de zog. *Inârah-groep dat Mohammed geen eigennaam is maar een adjectief, ‘geprezen’ of ‘prijzenswaardig’, dat op Jezus betrekking zou hebben, lijkt me absurd. Bij gelegenheid kom ik er misschien op terug; misschien ook niet, want veel aandacht is het ideetje niet waard.

Wat weten we over Mohammed?
Die vraag is interessanter en hier scheiden zich dadelijk de geesten.

– Moslims weten alles wat ze over hun profeet willen weten door de kracht van hun geloof; heel eenvoudig.

– ‘Klassiek’ georiënteerde arabisten als ik, wien zo’n geloof niet is geschonken, hebben het moeilijker. In de negentiende eeuw meenden geleerden nog veel over Mohammed te weten, veel meer dan over Jezus, en men hield het nog heel lang voor mogelijk, een wetenschappelijke biografie van de profeet te schrijven. In onze tijd daarentegen is de ‘zekere kennis’ gereduceerd tot vrijwel niets. Wel schijnt de laatste jaren die kennis de conjunctuur weer mee te hebben. U leest het goed: wat men meent te weten over de profeet kent ups en downs, is gevoelig voor de tijdgeest. Daarover hier meer.
Ik ben zelf erg kritisch met de teksten, ik ‘geloof’ niet veel. Je zou ook kunnen zeggen: ik ben wat ouderwets, want ik surf nog niet mee op de golf van het nieuwe ‘weten’. Voor mij staat het vast dat Mohammed heeft bestaan, maar ook dat er niet veel over hem te weten valt. Om mijn overtuiging dat ook grondig nader onderzoek niet tot een substantiële biografie van de profeet zal leiden, heeft een vakgenoot mij eens ‘pessimistisch’ genoemd. Hij heeft mij niet begrepen. Pessimistisch ben je, als je sombere verwachtingen hebt: in dit geval dat het behalen van veel onderzoeksresultaten helaas niet te verwachten is. Maar het is niet zo dat ik graag een dikke en betrouwbare biografie van Mohammed had gehad en nu teleurgesteld ben omdat die er niet is. Of er nu veel of weinig over hem bekend is: mij kan het niet schelen. De onderzoeksresultaten raken me niet persoonlijk. Alleen als ermee geknoeid wordt, dan word ik soms een beetje treurig.

– Niet-specialisten, arabist of niet, die zich af en toe bezighouden met Mohammed en van alles over hem ‘geloven’. Zij hebben een niet-religieus geloof in de biografie van de profeet, dat dikwijls is ingegeven door een horror vacui en moeilijk uitroeibaar is. Vaak hebben zij hun kennis gepuurd uit encyclopedieën, inleidende boekjes en samenvattende biografieën. Daar is niets op tegen, maar wel moet worden bedacht, dat deze meestal berusten op onderzoek van een stuk of vijftig jaar geleden, en ook op veel pseudo-kennis. In zulke publicaties durft men immers zelden toe te geven dat men iets niet weet. Een encyclopedie-artikel of een inleiding met veel witte plekken of vraagtekens wordt niet geaccepteerd, dus dan wordt er maar wat ingevuld.

– Tenslotte zijn er mensen die zich door allerlei media op grond van weinig en vaak tendentieuze informatie een mening over Mohammed laten aanpraten die zij, mochten ze ooit een brontekst lezen, daarin meestal bevestigd willen zien.

Maar waarom zou je überhaupt een mening moeten hebben over iemand die al zo lang dood is, over wie je zo weinig weet en over wie ook zo weinig te weten valt? Ter vergelijking: over Hitler hebben de meeste mensen nog een mening, maar over Napoleon? Over Karel de Vijfde? Die zijn gewoon te lang dood en daar weet een leek niets van.

Een klein aantal biografische teksten (sira) is met enige goede wil te traceren tot 690, misschien 680. Mohammed is volgens de meest gangbare overlevering gestorven in 632; daar gaapt dus een kloof van een halve eeuw. Een zelfde kloof van niet-weten bestaat ook tussen het sterfjaar van Jezus en de vroegste evangeliën. Toeval? Misschien is dat wel een regel bij het ontstaan van een nieuwe godsdienst. De stichterfiguur wordt postuum gereinigd van eventuele onaangename trekken. Na een halve eeuw is voldoende vergeten hoe hij echt was, zodat men met een fris opgepoetste heilige, profeet, stichter, Messias of wat dan ook de ‘markt’ op kan gaan. Dit verschijnsel moet maar door godsdienstwetenschappers worden bestudeerd, of wordt dat waarschijnlijk al lang.

Terug naar Inhoud

Koranvertalingen

Moslims zeggen dat de koran onvertaalbaar is. Immers, geen vertaling zou recht kunnen doen aan de goddelijke openbaring, waarvan niet één woord vervangbaar is door een synoniem en die in schoonheid onovertroffen is. Maar omdat de meeste moslims het oorspronkelijke Arabisch niet begrijpen zijn er vanouds toch vertalingen gemaakt. Die worden echter niet zo genoemd, maar ‘interpretation’, ‘weergave’ of iets dergelijks. Zij worden slechts beschouwd als een vorm van Koranuitleg.
Al laat het religieuze gezichtspunt mij onberoerd, op sombere ogenblikken denk ook ik dat de koran onvertaalbaar is. Ik zie in dat boek geen goddelijke woorden, maar wel immense vertaalproblemen. De koran zegt van zich zelf dat hij gesteld is ‘in een duidelijk Arabisch’. Maar het is een eigenaardig oud Arabisch, waarin geen andere teksten zijn geschreven. Naar schatting is ongeveer een kwart van het boek onbegrijpelijk. Het bestaat grotendeels uit fragmenten zonder context en bevat talloze onduidelijke toespelingen. Van heel wat woorden is de betekenis onbekend. In een eerlijke vertaling zouden dus witte plekken, vraagtekens en voetnoten moeten staan, maar daar wil natuurlijk niemand aan. Voor de moeilijke passages verlaat vrijwel iedere vertaler zich op de traditionele islamitische exegese, bij voorbeeld op de korancommentaar van al-Tabari, die een kleine drie eeuwen na de koran tot stand is gekomen. Andere korancommentaren zijn nog eeuwen jonger. In de vertalingen is dus onvermijdelijk veel traditioneel islamitisch geloofsgoed verwerkt. Een ‘islamloze’ koranvertaling bestaat (nog) niet.
Is het wel wenselijk de koran te vertalen? Voor gelovigen misschien inderdaad niet. Door een vertaling schriftelijk te fixeren wordt afbreuk gedaan aan de vrije keus van interpretatie. En wanneer een religieuze gemeenschap aan een eeuwenoude Schrift zit vastgebakken biedt juist die vrijheid een mogelijkheid om het geloof nog een beetje buigzaam te houden. De joden hadden dat het eerst begrepen. In de *midrasj-literatuur hebben rabbijnen op speelse wijze bijbelstudie beoefend, waarbij zij tot uitleggingen kwamen die niet voor altijd hoefden te gelden. Ook de islam kent een soort midrasj. Sommige uitleggingen in de korancommentaren zijn zo bizar, dat is aan te nemen dat de exegeet taalkundig wel beter wist, maar verkoos een soort spel te spelen op basis van de gewijde tekst. Een vertaling laat voor deze spelmogelijkheid geen ruimte.
Hoe dan ook, er bestaan koranvertalingen in vele talen, gemaakt door moslims met vrome doeleinden en door niet-moslims uit wetenschappelijke en menselijke nieuwsgierigheid. In modern Nederlands is de oudste die van de Pakistaanse Ahmadiyya-gemeenschap, uit 1953. Die wil ik liever negeren, omdat zij zwaar leunt op het Engelse origineel en heel wat geloofspunten door de vertaling heeft verwerkt. Zij is des te oninteressanter, omdat de Ahmadiyya door moslims als marginaal of zelfs als niet-islamitisch wordt beschouwd. Blijven over de vertaling van Kramers uit 1956, herzien door Jaber en Jansen in 1992,1 en de ‘weergave’ van Leemhuis uit 1989.2

De koranvertaling van de Leidse oriëntalist J.H. Kramers verscheen postuum. De vertaler was overleden voordat hij gelegenheid tot correctie had gehad, dus in de oorspronkelijke uitgave stonden nogal wat fouten. Deze zijn in de herziene uitgave door Jaber en Jansen verbeterd. Kramers had een neiging tot concordant vertalen. Opvallend is zijn archaïsch aandoende, zelfgeknutselde Nederlands. Hij heeft gepoogd aan zijn vertaling iets mee te geven van de klankkleur van het origineel en van het vervreemdende dat ook de eerste hoorders van de koran ervaren moeten hebben. Ook voor hen, zo meende hij, waren vele begrippen nieuw en vergden nadenken; ook voor hen was de taal van de koran onalledaags. Dat heeft woorden en vaak ook een syntaxis opgeleverd die alleen bij Kramers voorkomen en niet in enig ander Nederlands. Enkele voorbeelden: polytheïsten zijn bij Kramers ‘genotengevers’, mensen die aan de éne God (soort)genoten toekennen. ‘Oplezing’ is zijn vertaling van qur’ān (koran): ‘dat wat gereciteerd wordt’. Een on-Nederlandse syntaxis vinden we in: ‘niet weet een ziel in welk land zij zal sterven’, met de ontkenning voorop omdat dat in het Arabisch ook zo is. Kramers’ uitgangspunten zijn theoretisch nogal bedenkelijk. Anderzijds moet ik toegeven dat zijn vertaling een indringende kwaliteit heeft en bij de lezer beklijft. Zijn zinnen weergalmen in mijn hoofd; misschien juist omdat zij zo raar zijn.
Kramers heeft vertaald. Hij heeft geen moslims willen behagen en heeft alleen uit nood van hun commentaren gebruik gemaakt. Daarentegen presenteert de vertaling van Leemhuis—die ook geen moslim is—zich als ‘weergave’, en wil er dus uitzien als een islamitisch product. Dat is gelukt: moslims kopen en gebruiken haar graag, temeer omdat ook de originele Arabische tekst is afgedrukt. Er schijnt onder Nederlandse moslims geen behoefte te bestaan aan ‘weergaven’ die voortkomen uit de eigen kring.

‘De bedoeling van deze vertaling,’ zegt Leemhuis in zijn nawoord, ‘is de Nederlandse lezer de mogelijkheid te bieden de tekst te begrijpen zoals die door de meerderheid van de moslims wordt verstaan,’ en: ‘Bij de vertaling is overeenstemming met de islamitische opvattingen over de betekenis van de tekst het uitgangspunt geweest.’ Het gebruik van het woord ‘vertaling’, dat hier toch opduikt, is dus aanvechtbaar. Vertalers hebben te maken met hun tekst, niet met wat autoriteiten of klanten graag willen lezen. Die ‘meerderheid’ blijft bovendien natte-vingerwerk. Iedere moslim kan als hij wil op religieuze gronden vertalingen van Leemhuis afkeuren, en dat gebeurt soms ook.
Wat de taal betreft heeft Leemhuis, zoals hij zegt in zijn nawoord, ‘bewust gekozen voor een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in een zo toegankelijk mogelijk hedendaags Nederlands. Er is niet geprobeerd door middel van speciale woordkeus of zinsconstructie de vorm van de oorspronkelijke tekst te benaderen’. Die laatste zin is natuurlijk tegen Kramers gericht. Elders heb ik uiteengezet dat ik Leemhuis’ hedendaagse Nederlands dikwijls niet mooi vind.3 Anderzijds zal duidelijk zijn dat een ‘weergave’ niet mooi hoeft te zijn, misschien zelfs niet mág zijn. Een vertaling van Dante moet zo prachtig zijn als maar mogelijk is, want voor wie geen Italiaans kent komt zij in de plaats van het origineel. Een ‘weergave’ van de koran heeft voor moslims een heel andere status: zij vervangt nooit het origineel, dat altijd wordt gereciteerd in het Arabisch. Van meet af aan staat vast dat zij slechts een onvolkomen hulpmiddel is tot begrip van Gods boek. De schoonheid van de tekst in de doeltaal is van weinig belang.

Intussen zijn de inhoudelijke verschillen tussen de vertaling van Kramers en die van Leemhuis niet geweldig groot. Kramers heeft geput uit ongeveer dezelfde korancommentaren als Leemhuis en permitteert zich slechts af en toe een vrijheid.

In Nederland heeft zich in klein formaat nog een koranvertaler gemanifesteerd. De Nijmeegse arabist Jan Peters heeft de korte soera 90 bestudeerd en vertaald.4 Het is jammer dat het bij die ene soera gebleven is. Peters biedt een aantrekkelijke studie, een proeve van tekstkritiek en een vertaling, en neemt nog wat meer vrijheid dan Kramers. Hier volgt ter vergelijking soera 90:1–7 in drie vertalingen.
Kramers’ bewerking:5

  • 1. Zo waarlijk zweer ik bij dit oord
    2. dit oord waarin gij moogt wonen
    3. en bij een ouder en wat hij verwekt:
    4. Wij hebben de mens geschapen in bekommernis.
    5. Meent hij soms dat geen tegen hem vermag?
    6. Hij zegt: Goederen heb ik grotelijks opgebruikt.
    7. Meent hij soms dat geen hem ziet?

Kramers’ origineel:

  • 5. Meent hij soms, dat geen iets tegen hem vermag?
    6. Hij zegt: Ik heb hopen goeds opgemaakt.

Leemhuis:

  • 1. Nee toch! Ik zweer bij deze stad!
    2. Bij deze stad waarin jij woonachtig bent!
    3. Bij een vader en wat hij verwekt heeft!
    4. Wij hebben de mens toch in benardheid geschapen.
    5. Denkt hij dan dat niet één iets tegen hem vermag?
    6. Hij zegt: ‘Ik heb een aanzienlijk vermogen verbruikt.’
    7. Denkt hij dan dat niet één hem zag?

Peters:

  • 1. Laat hem niet zweren bij deze plaats,
    2. terwijl gij daarin vogelvrij bent;
    3. evenmin bij een vader en het kind dat hij heeft voortgebracht,
    4. terwijl Wij (God) de mens in zorgen hebben geschapen.
    5. Denkt hij echt dat niemand macht over hem zal hebben?
    6. Hij zegt: “Talrijke bezittingen heb ik uitgegeven.”
    7. Denkt hij echt, dat niemand hem heeft gezien?

Het ‘gij bent’ van Peters wil er bij mij niet in: het Nederlands biedt de keus tussen ‘gij zijt’ of ‘u/jij bent’. In vers 7 overtreft Peters Leemhuis in vlot Nederlands, maar elders doet hij dat niet. In vers 5 was Leemhuis vlotter geweest als hij gewoon ‘niemand’ had geschreven. Kramers’ bewerkers maken ‘vermag’ onovergankelijk, waarschijnlijk omdat het Arabische werkwoord dat ook is; Kramers zelf had dat echter niet gedaan! Hier zijn de bewerkers nog Kramerser geweest dan hij zelf.
Wie verkeert er in zorgen, bekommernis of benardheid: de Schepper of de mens? Geen van de vertalingen maakt dit duidelijk. We nemen maar aan dat het de mens is. De Duitse vertaler Paret, die veel met verklaringen tussen haakjes werkt, heeft: ‘… (zu einem Dasein) in Bedrängnis geschaffen’.6 Zijn trant van koranvertalen haalt veel rek uit de tekst, maar brengt wel duidelijkheid.
Tot zover betreffen mijn opmerkingen vooral het Nederlands. De opvallende verschillen in werkwoordstijden in vers 3 en 7 zijn te verklaren uit het sobere en nog steeds niet geheel begrepen tempussysteem van het koran-Arabisch. In de verzen 1 en 2 is het Arabisch werkelijk problematisch. De eerste twee woorden, lā uqsimu, betekenen op het eerste gezicht: ‘ik zweer niet’. Maar de spreker zweert kennelijk wél, zowel hier als op de andere vijf plaatsen waar deze woorden voorkomen, en zoals in vele vroege soera’s in de koran. Volgens de korancommentaar van al-Tabari zijn er twee mogelijkheden: 1. is overtollig, de ontkenning is te ignoreren: lā uqsimu betekent hier dus hetzelfde als uqsimu: ‘ik zweer’. 2. kan worden opgevat als ontkenning van iets wat voorafging: ‘Nee! Ik zweer ….’ De eerste mogelijkheid lijkt intellectueel onbevredigend7 en dus(?) hebben Leemhuis en bekende buitenlandse vertalers (Paret, Blachère, Fakhry) gekozen voor de tweede. Jammer alleen, dat er aan de frase niets voorafgaat dat ontkend wordt; zij vormen de eerste woorden van de soera. Leemhuis en de anderen staan echter in een oude traditie, en religieuze bezwaren zijn er tegen hun vertaling niet te verwachten.
Kramers heeft hier niet naar een korancommentaar gegrepen, maar een eigen standpunt ingenomen. Hij heeft de tekst kennelijk gelezen als laʾuqsimu, met een korte a en als één woord geschreven: ‘voorwaar, ik zweer.’ In het Arabisch scheelt dat één letter en een spatie. Spaties bestonden vroeger niet, en gezien de krakkemikkige spelling van de koran is zo’n tekstwijziging filologisch verdedigbaar, temeer omdat er voor deze variant enkele oude getuigen bestaan. Leemhuis had ook op dit idee kunnen komen; misschien is het hem inderdaad door het hoofd gegaan. Maar een tekstwijziging in de koran zou voor de meerderheid der moslims onaanvaardbaar zijn, dus met zijn doelstelling had hij nooit voor deze mogelijkheid kunnen kiezen.
Peters gaat nog verder. Hij wijzigt de tekst in lā aqsama, ‘laat hem niet zweren’, een ontkende optatief. Daarbij handhaaft hij de letters van het origineel, die consonanten of lange klinkers aanduiden, en verandert hij alleen de korte klinkers, die in de oudste handschriften niet geschreven werden. Een kleine, elegante emendatie, waarvoor echter in de islamitische traditie geen steun te vinden is, en dus ook niet bij moderne gelovigen. In vers 2 vertaalt Peters het woord ḥill niet met ‘woonachtig’, zoals Kramers en Leemhuis, maar met ‘vogelvrij’. Inderdaad kan het woord volgens de lexica deze betekenis ook hebben, en zelfs een enkele korancommentaar wijst op de mogelijkheid. Peters legt syntactische verbanden tussen de verzen, op een manier die volgens de Arabische grammatica geoorloofd is. Hij schept twee tegenstellingen: ‘niet zweren, terwijl…’, en de ‘hij’ uit vers 1 moet dezelfde zijn als die uit vers 5. De eerste verzen van de soera hebben nu tenminste een zekere onderlinge samenhang gekregen. Wat ze betekenen is nog steeds onduidelijk, en dat legt Peters uit in zijn eigen commentaar. Het is een verstandig commentaar, maar het wordt door ouderdom noch geloof geheiligd en kan dus door iedere volgende geleerde worden weggeblazen. Peters’ vertaalmethode is hoogst respectabel. Een discrete, verantwoorde tekstwijziging waar deze onvermijdelijk lijkt; het eigen vernuft in stelling brengen en niet meteen in oude commentaren duiken: zo hoort het. Wanneer korangeleerden zo te werk gaan, zal er geen definitieve vertaling ontstaan, maar een reeks tastende pogingen, waarvan de ene mettertijd zinvoller zal blijken dan de andere. Een meerderheid van moslims zal er voor zulke vertalingen niet te krijgen zijn.

Uit het voorbeeld lā uqsimu blijkt dat vertaalproblemen soms teruggaan op tekstkritische problemen. De vertaler moest de tekst vaststellen voordat hij tot vertaling over kon gaan. Een Duitse filoloog die daar revolutionair ver in gaat heeft wijselijk een pseudoniem gekozen: Cristoph Luxenberg. In zijn boek over de Syrische manier van lezen van de koran8 biedt hij van verschillende passages een vertaling (overigens niet van soera 90). De vertalingen zijn voor hem slechts bijproduct: het gaat hem om niets minder dan een nieuwe vaststelling van de korantekst. Volgens hem is de koran nog zeer sterk gebonden aan het Syrisch: de taal van de christelijke omgeving waarin het boek ontstond. Vele onbegrijpelijke en/of raar gespelde woorden leest hij eenvoudig alsof ze Syrisch waren, en daarmee komt hij hier en daar tot verbluffende resultaten. Zijn pièce de résistance is het betoog, dat de grootogige houri’s die de gelovigen verwennen in het islamitische paradijs, berusten op een verkeerd begrip van de tekst; in werkelijkheid zouden het ‘witte druiven’ zijn. Bij Luxenberg wordt de koran een heel ander boek, en daarmee roept hij de vloek van vele moslims over zich af—en niet alleen van aspirant-martelaren die zich van hun hemelse beloning beroofd zien. Op blz. 226 maakt hij van koran 44:54 het volgende:

  • Wir werden es ihnen unter weißen, kristall(klaren) (Weintrauben) behaglich machen,

terwijl we bij Leemhuis in overeenstemming met de traditie lezen:

  • En Wij geven hun gezellinnen met sprekende grote ogen ten huwelijk.

Juist die witte druiven van Luxenberg vind ik niet overtuigend: hij moet ál te veel knutselen om een hele reeks teksten naar zijn hand te zetten. Maar voor andere plaatsen doet hij zinvolle voorstellen, en de invloed van het Syrisch op zowel spelling als woordenschat van de koran heeft hij duidelijker vastgesteld dan ooit.

De spannende ontwikkelingen in verband met de koran betreffen dus niet vertalingen, maar nieuw onderzoek ter vaststelling van de grondtekst. Luxenberg heeft een knallend startschot voor een nieuwe wetenschappelijke discussie gegeven. Zijn boek, ofschoon in het Duits geschreven en alleen hanteerbaar voor semitisten, is nu al internationaal bekend. Helaas is het dit geworden dankzij een geestelijk klimaat waarin alles wordt verwelkomd wat voor Islam bashing te gebruiken is. Anderzijds, eerdere aanzetten tot tekstkritische bestudering van de koran kregen nooit een kans omdat zij werden overschreeuwd door het politiek-correcte gebod: ‘lief zijn voor moslims!’.

Luxenbergs eerste onderzoeksresultaten zullen zeker niet onaangevochten blijven, maar dat is normaal in de wetenschap. Als hij en een paar collega’s zo door gaan zijn er misschien over dertig jaar een wetenschappelijke tekstuitgave en vertaling van de koran mogelijk.

Maar wil wel iemand weten wat er in de koran staat, als deze een heel ander boek blijkt te zijn dan de huidige moslims denken? Zo’n eventuele wetenschappelijke vertaling zal een uiterst bescheiden publiek krijgen: een handjevol oudheidkundigen en godsdienstwetenschappers, meer niet. De koran als bestseller zal toch de ‘islamitische’ koran blijven: eerder een ‘weergave’ dan een vertaling, en onlosmakelijk verbonden met de islamitische traditie.

Was verschenen als ‘De weergave van de koran’ in Filter. Tijdschrift over Vertalen, 10/3 (2003), 31–38.

NOTEN
1.   De Koran. Uit het Arabisch vertaald door Prof. Dr. J. H. Kramers, bewerkt door Drs. Asad Jaber en Dr. Johannes J. G. Jansen. Amsterdam 1992. In mijn woonplaats buiten Nederland kan ik niet beschikken over de eerste druk van Kramers.
2.   De koran. Een weergave van de betekenis van de Arabische tekst in het Nederlands door Fred Leemhuis. Houten 1989.
3.   ‘De Koran, voor moslims opnieuw weergegeven,’ in: Tirade 35 (1991), 274–281. Online hier.
4.   J. R. T. M. Peters, De koran als een woord tot de mens, Nijmegen 1977.
5.   Dit is de bewerking door Jaber en Jansen. ‘Kramers origineel’, hieronder, is de oorspronkelijke tekst van Kramers zoals geciteerd door Peters. Daarvan druk ik alleen de verzen af waarin afwijkingen voorkomen.
6.   Der Koran. 1. Übersetzung von Rudi Paret. 2. Kommentar und Konkordanz von Rudi Paret, Stuttgart 1971.
7.   Noot voor arabisten: helemaal onzinnig is het ‘overtollige ’ niet, vgl. W. Wright, A Grammar of the Arabic Language, Cambridge 31896, II, 305.
8.   Chr. Luxenberg, Die syro-aramïsche Lesart des Koran. Ein Beitrag zur Entschlüsselung der Koransprache. Berlin 2000.

Terug naar Inhoud