Nagieb Mahfoez, De moskee in de steeg (bespreking)

Nagieb Mahfoez (ook gespeld als: Najib Mahfuz, Naguib Mahfouz), De moskee in de steeg. Verhalen. Samenstelling en nawoord Richard van Leeuwen. Uitg. Het Wereldvenster/Novib, 1988.

Al is deze bundel verhalen uit de jaren zestig en zeventig, die na de toekenning van de Nobelprijs aan Mahfoez snel werd samengesteld, misschien uit nood geboren: hij biedt de mogelijkheid kennis te maken met Mahfoez in al zijn veelzijdigheid, en kan de weg effenen naar het grotere werk. Een goed begin dus.
In het titelverhaal, dat speelt tijdens de tweede wereldoorlog, is de “hoofdpersoon” een moskee in oud-Cairo, op het snijpunt van twee vervallen stegen in de rosse buurt. Telkens verspringt het beeld: van de godsdienstles in de moskee, die door welgeteld één brave middenstander wordt bijgewoond, naar de bordelen in de omgeving; vandaar is het slechts één stap naar het Ministerie van Godsdienstzaken, waar de imam instructies krijgt over de gewenste inhoud van zijn preken. In de steeg wordt intussen een moord beraamd op een hoer en een verliefde klant. Terug in de moskee gaat de imam in een discussie met collega’s overstag voor de overheidsdruk. Zijn vrijdagspreek is verachtelijk: het relletje dat erom ontstaat besluit hij uit te buiten om opslag te vragen. In het bordeel om de hoek wordt eveneens met huichelarij geld verdiend. De sapverkoper, de enige fatsoenlijke mens in dit verhaal, besluit het voortaan zonder godsdienstles te doen. In een danstent wordt de vrijheid om zeep gebracht door de geplande dubbelmoord. In de nanacht klimt de moëddzzin de minaret op; de oproep tot het gebed wordt onderbroken door naderende bommenwerpers. De moskee, toch nog het stevigste gebouw in de buurt, dient nu als schuilplaats voor het tuig. De imam, die deze ontwijding niet kan aanzien, loopt weg, de straf uitroepend over de verzameling zondaren binnen. Wanneer het licht wordt is het echter zíjn lichaam dat dood gevonden wordt.
Op onnadrukkelijke wijze wordt verband gelegd tussen deze scènes in miniatuur die, als vaak bij Mahfoez, zeer filmisch zijn. Zij bevatten veel van wat ook in andere verhalen voorkomt: de oude buurt, het onderwereld-décor; de tyrannie der machthebbers voor wie men slechts te buigen heeft, of het nu een potentaat op een minsterie is, de bendeleider uit de steeg of, zoals in vele andere verhalen, de almachtige politie. De nog grotere almacht van het Lot, dat straft wie het naar zijn hand wil zetten (dit ook in De vlucht voor de dood) De onbruikbaarheid van de oude woonomgeving (=Egypte), en zelfs van het godshuis, waar ieder bij gebrek aan beter toch maar toevlucht zoekt.
Middeleeuwse mystieke dichters schreven soms gedichten met twee “sporen”, die als gewone liefdes- of wijnpoëzie te lezen waren, maar waarin tegelijkertijd vrijwel ieder woord naar een geestelijke werkelijkheid verwees. Mahfoez heeft deze kunst overgebracht naar het proza, in een grote roman en ook in Zabalawi. Dit verhaal gaat over een zieke man die zoekt naar een wonderdokter, maar is tevens te lezen als verslag van een mystieke queeste. Het zoeken is een veel voorkomend thema bij Mahfoez. In Het oog van de tijd gaat de hoofdperson niet zoals afgesproken verhuizen naar een fris nieuw huis, maar blijft in het oude achter om, aangespoord door een mystiek visioen, daar te zoeken naar een schat. Ook dit verhaal begint tweesporig, maar één spoor houdt halverwege op, en met reden: door enkele absurde voorvallen belandt de zoeker in de nachtmerrie van alledag, namelijk een verhoor door de geheime politie. Het visioen is hem echter niet voor niets onthuld: het geeft hem de kracht, “zijn vertrouwen in de tijd te stellen”.
Wanneer men eenmaal oog heeft voor dat tweede spoor is er ook in De ontmoeting iets van te ontdekken. Daarin komt een ambtenaartje door toeval in contact met de directeur van zijn dienst. Vervolgens zoekt hij weer toegang tot hem te krijgen. Na weken wachten wordt echter zijn verzoekschrift afgewezen (het lot van alle verzoekschriften). Het mannetje maakt zich onmogelijk, wordt de dienst uit gezet en leeft verder als timmerman. Ook hier is de moraal: de mens moet niet het lot tarten, niet te hoog streven. Maar hier is de schrijver ironisch: hij suggereert telkens even dat de directeur samenvalt met de Allerhoogste. Bovendien verdient een timmerman waarschijnlijk meer dan een kleine ambtenaar.

Verschenen in NRC-Handelsblad, 20.1.1989

Terug naar Inhoud

Nagieb Mahfoez, De dwaaltocht (bespreking)

Nagieb Mahfoez (ook gespeld als: Najib Mahfuz, Naguib Mahfouz), De dwaaltocht (الطريق, Al-tarīq). Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen. Uitg. Het Wereldvenster 1989.

Evenals De dief en de honden (1961) is ook De Dwaaltocht (1964) uit Mahfoez’ in zich zelf gekeerde periode. In dit wat rafelige, sardonische boek gaat Sabir, een criminele losbol uit Alexandrië, op zoek naar zijn vader, die volgens zijn moeder een rijke aristocraat is uit Cairo. Hij reist daarheen en zoekt vlijtig, maar tevergeefs; tenslotte plaatst hij een advertentie en wacht op telefoon. Intussen ontmoet hij twee vrouwen. Kariema verleidt hem en brengt hem ertoe, haar rijke echtgenoot te vermoorden. Wanneer zij hem daarna negeert verdenkt Sabir haar van ontrouw en gaat naar haar woning. In razernij doodt hij ook haar, maar de politie wacht hem op, en pas in de gevangenis bedenkt hij dat hij is gebruikt. De andere vrouw, Ilhaam, is lief en verstandig, maar niet opwindend. In haar opofferende liefde wil zij Sabir helpen zelfstandig te worden. Als hij gearresteerd is stuurt ze hem een advocaat, die ook iets over zijn vader weet. Deze blijkt hij in Alexandrië juist te zijn misgelopen.
Deze ogenschijnlijk simpele thriller heeft een dubbele bodem die doet denken aan Kafka’s Slot. De vader heeft duidelijke trekken van God. Zijn Arabische naam klinkt als Barmhartige Heer. Hij heeft een vermogen – ooit verdiend met de handel in spiritualiën -, hij is meestal buitenlands, staat boven de wet, en zijn hoofdbezigheid is de liefde. Sabirs zoeken loopt vast in zijn driften, en de gezochte blijkt noch een heer, noch barmhartig te zijn: hij heeft elke dag een ander liefje, maar zijn talrijke kinderen laat hij aantobben. Hij lijkt op een vergrote projectie van Sabir zelf: een playboy, even corrupt als almachtig, want hij zou zijn zoon zonder proces vrij kunnen krijgen. Zijn genade is grillig: wie er aanspraak op maakt krijgt zeker niets. Mahfoez critiseert hier weer het traditionele godsbeeld, maar voorzichtiger dan voorheen.
Sabir komt niet uit bij zijn vader – waarvoor heeft hij die ook nodig? – maar bij zijn eigen, ter dood veroordeelde zelf. Als hij met Ilhaam verder was gegaan had hij redelijk kunnen leven. Redelijkheid is hem echter evenmin gegeven als de inbreker Sa’ied; ook hij zit gevangen in zijn natuur, en er gebeurt ”wat gebeuren moet”. Maar hier wijst de opgewekte advocaat op één lichtpuntje: misschien wordt het doodvonnis omgezet in levenslang.
In het Arabisch heet het boek De Weg, wat staat voor de mystieke weg. Als Sabir mag blijven leven krijgt hij misschien nog kennis van wat dat leven is: het verblijf in een kerker. Dan is zijn weg toch geen dwaaltocht geweest.

Verschenen in NRC-Handelsblad 9.2.1990

Terug naar Inhoud

Nagieb Mahfoez, De dief en de honden (bespreking)

Nagieb Mahfoez (ook gespeld als: Najib Mahfuz, Naguib Mahfouz), De dief en de honden (اللص والكلاب, Al-liss wal-kilāb). Uit het Arabisch vertaald door Marcelle van de Pol en John Cremers. Nawoord door Marcelle van de Pol. Uitg. Het Wereldvenster 1989.

Het was te verwachten dat na de verhalenbundel van vorig jaar ook romans vertaald zouden worden van de Egyptenaar Mahfoez (Nobelprijs 1988). Maar welke van de drieëndertig kwamen in aanmerking? In de zogeheten Cairo-romans (geschreven vóór de revolutie van 1952) wordt telkens een tableau geboden van een familie, een wijk of een generatie. Deze werken, waartoe ook de beroemde Trilogie behoort, zijn sterk maatschappelijk betrokken: ze tonen de misère in het Cairo van koning Faroek. Het zijn ouderwetse boeken, maar dat werkt langzamerhand in hun voordeel. Sommige zouden het in vertaling goed doen, juist om de gedetailleerde beschrijving van een voorbije wereld.
Na de revolutie heeft Mahfoez zes jaar niet geschreven. Dat had te maken met een geestelijke omwenteling, die volgde op wat een mystieke ervaring moet zijn geweest. Tenslotte kwam hij met een vervelende allegorie (Kinderen van Gabalawi), waarin hij afrekende met zowel godsdienst als positivisme. Dit godslasterlijke werk veroorzaakte een rel, die onlangs weer is opgerakeld. Begin jaren zestig volgden zes korte romans, met telkens één ontredderde hoofdpersoon wiens lot van binnenuit wordt gepresenteerd. Pas omstreeks 1967 keerde de verlichte schrijver volop terug in de wereld. Hij leefde kritisch mee met zijn door oorlog en wanbestuur geteisterde vaderland en schreef nog zeer verscheiden werk, waarin hij zijn oude thema’s en technieken in elkaar liet overvloeien. Een fraai voorbeeld daarvan is al in het Engels vertaald, als Respected Sir.

De nu in het Nederlands uitgebrachte roman is uit Mahfoez’ in zich zelf gekeerde periode. De dief en de honden (1961) toont de ondergang van de inbreker Sa’ied die na de revolutie uit de gevangenis vrijkomt en de wereld veranderd vindt: zijn vrienden hebben hem verraden, zijn vrouw en dochtertje wijzen hem af. Zijn oude soefimeester accepteert hem wel, maar mompelt ondoorgrondelijke en nutteloze wijsheden. Een andere vroegere leidsman, de rechtenstudent Raoef die hem ideologisch had gemotiveerd de rijken te bestelen, is nu zelf rijk geworden en woont in een onteigende villa.
Sa’ied gaat weer stelen, maar zoekt vooral wraak: op de man die hem verraden heeft en op Raoef. Beiden probeert hij te vermoorden, maar hij treft onschuldigen. Hij schuilt in het huis van een prostituée, tegenover het kerkhof, en inderdaad, daar gaat het heen, want na de twee moorden kan hij slechts wachten tot de honden hem insluiten en vernietigen.
Hij was te redden geweest als hij een bescheiden baantje had gezocht. Maar dat is hem niet gegeven, want hij overschat zichzelf. Een belangrijke baan, dat wil hij, en zijn wraak ziet hij als de zuivering van de hele wereld. Hij is trots op alle publiciteit en waant zich een groot acteur. De “honden” zijn slechts het instrument van zijn afstraffing, want de ondergang ligt in zijn eigen persoon verankerd. Hij kan alleen maar simpele dingen willen, en bij de uitvoering daarvan blundert hij voortdurend: hij laat zich betrappen als hij inbreekt bij de eerst nog welwillende Raoef, en als hij schiet treft hij de verkeerde.
Natuurlijk staat Sa’ied voor de mens in het algemeen, die klein is, geplaatst in een onherkenbare wereld waarin hij bij voorbaat geen kans heeft. Zijn vrije wil stelt niets voor, en hij moet het niet te hoog in de bol hebben.
Dit waarlijk anti-revolutionaire boek is voorbeeldig gecomponeerd en compact geschreven, maar nogal voorspelbaar en eenvoudig.

Verschenen in NRC-Handelsblad 9.2.1990

Terug naar Inhoud

Nagieb Mahfoez, In een roes op de Nijl (bespreking)

Nagieb Mahfoez (ook gespeld als: Najib Mahfuz, Naguib Mahfouz), In een roes op de Nijl (ثرثرة فوق النيل, Tharthara fawq al-Nīl). Roman. Uit het Arabisch vertaald door Richard van Leeuwen. Uitgeverij De Geus, 1994.

De godgeleerden zijn op Nagieb Mahfoez gebeten sinds 1959, toen hij in de allegorische roman Kinderen van Gabalawi alle gevestigde religies, inclusief de islam, vaarwel zei en, alsof dat nog niet genoeg was, God in de gedaante van een zwarte bediende liet vermoorden.
Ook in In een roes op de Nijl (1966) komt een god-achtige zwarte knecht voor. Deze roman verplaatst ons in een tijd dat Egypte er beroerd aan toe was: Nassers bewind had geresulteerd in een economische ramp en repressie voor intellectuelen, en er hing een spanning in de lucht die pas opgelost werd door de juni-oorlog met Israël in het jaar daarop.
Plaats van handeling is een plezierboot in de Nijl, waarop een groep intellectuelen en kunstenaars de wereld ontvlucht. Veel handeling is er echter niet, en veel tijd evenmin: in tafereel na tafereel geeft het stel zich zachtjes wiegelend over aan hasj, sex en eindeloos geouwehoer. Nieuwe personen die van buiten komen, zoals een journaliste die de zaak wil ‘bestuderen’, worden weldra ingekapseld in de indolente sfeer. Temidden van al dat geklets zit Anies, de hoofdpersoon, die nauwelijks iets zegt, maar gehuld is in een vrijwel permanente roes. Zijn ogen ‘kijken naar binnen, niet naar buiten, zoals bij de andere schepselen Gods.’ Een knappe monologue intérieur-techniek voert de lezer rechtstreeks zijn hallucinaties binnen.
De woonboot is een microkosmos, die gedreven wordt en letterlijk drijvend gehouden wordt door een reusachtige oude, zwarte Nubiër. Deze onbewogen beweger treedt op als leverancier van hasj en vrouwen, maar ook als imam en is, zoals het een god betaamt, het enige personage dat stevig op zijn benen staat.
In het midden van In een roes komt de handeling helemaal tot stilstand. We krijgen daar een opzetje voor een toneelstuk te lezen, zoals Anies dat aantrof in de agenda van de nieuwste gast, de journaliste, die de bezoekers van de boot voor haar doel wil gebruiken en hen scherp analyseert.
In de tweede helft van het boek vindt er een omslag plaats. Niet toevallig op het feest waarop het opbreken van de Profeet uit Mekka wordt gevierd besluit het gezelschap eveneens op te breken. In een opwelling gaan ze een autotochtje maken in de woestijn en komen daar met een klap tot de werkelijkheid terug: ze overrijden een man en rijden door. Het is deze klap, tesamen met een tijdelijk gebrek aan hasj, die hen weer even doet beseffen dat er een buitenwereld bestaat, dat er dingen zijn als schuld en verantwoordelijkheid. De personages in dit boek zijn echter niet meer te redden: zelfs Anies, die het meeste inzicht heeft, zakt tenslotte toch terug in zijn roes.
Maar bij Mahfoez loont het altijd de moeite een roman (er zijn er meer dan dertig!) te bezien in het kader van het hele oeuvre. De breuk in In een roes op de Nijl valt samen met een breuk bij Mahfoez zelf. Na een mystieke ervaring was hij voor jaren van slag geraakt. Een onproductieve periode was gevolgd door een reeks van sterk introspectieve, individualistische romans (De dief en de honden; De dwaaltocht) waarin het zoeken centraal staat. In een roes is het laatste uit deze reeks, en hier heeft het introspectieve iets hangerigs gekregen. Er wordt niet meer gezocht, want het is al lang duidelijk dat er toch niets te vinden is. In zijn volgende boeken kijken de schrijver en zijn personages alweer naar buiten: daar is de mysticus afgedaald naar de aarde om zich critisch met het gedoe te bemoeien.
De zwakke plek van dit boek zit helaas in het geklets dat dient om de leegte te onderstrepen en dat veel plaats inneemt. Bij Mahfoez wordt dat geklets niet levensecht. Hij had namelijk ooit besloten te schrijven in de onnatuurlijke Arabische schrijftaal, wat tot stroeve dialogen heeft geleid. Welk zinnig mens zegt bij voorbeeld na een dodelijke aanrijding: ‘Wat een ongeluksnacht!  ’? Mahfoez’ personages zeggen zoiets, en de vertaler heeft het niet wegvertaald. Hier is dat wel terecht, want wat had het anders moeten worden? ‘Wat een rotnacht!’ zou evenmin op zijn plaats zijn. De fout ligt hier niet bij de vertaler, maar bij de auteur. Elders treft de vertaler wel enige blaam: ‘Ik heb waarlijk verbijsterend nieuws gehoord,’ of ‘Trek je van niets iets aan!’ hadden zonder schade vlotter vertaald kunnen worden.
Zoals dikwijls verlangt Mahfoez nogal wat inspanning van zijn lezers. Deze roman gaat erop vooruit wanneer men hem leest tesamen met ander werk van hem. Dan wordt het fascinerend om een zo wezenlijke omslag in het leven van de schrijver mee te kunnen beleven. Daarvoor moeten dan wel zijn eerdere en latere werken bij de hand zijn. Van het oudere werk van Mahfoez is gelukkig al heel wat in het Nederlands vertaald; van de latere romans zijn Pension Miramar in het Nederlands en Respected Sir in het Engels verkrijgbaar.

Verschenen in NRC-Handelsblad 20.1.1995

Terug naar Inhoud