Koptische Maria, slavin van de profeet

Het Koptische meisje Māriya was volgens de overlevering een slavin, die de Muqawqis van Alexandrië in 629 samen met haar zuster Sīrīn cadeau deed aan de profeet Mohammed. De geschenkzending bevatte verder nog goud en kostbare doeken, het muildier Duldul en een ezel die ‘Ufayr of Ya‘fūr heette.Māriya werd de moeder van Ibrāhīm, een zoon van de profeet. Het kind stierf terwijl het nog bij zijn voedster aan de borst was.

Maar deze Koptische slavin was geen historische figuur, en haar zoontje dus ook niet. Op minstens drie plaatsen duikt een christelijk vrouwenduo Māriya-Shirin op in Perzië, niet in Egypte:
1. In de Kroniek van Khuzistan, geschreven omstreeks 660 door een Syrisch-Aramese christen uit het Zuidperzische Khūzistān heet het:

  • Īshō‘yahb werd respectvol behandeld door de koning [Khosro II] zelf en door zijn beide christelijke vrouwen, de Aramese Shīrīn en de Romeinse Maria.2

2. In de Kroniek van Siirt (10e eeuw) is hoofdstuk 18 aan Khosro II gewijd. Daar staat te lezen:

  • […] uit dankbaarheid jegens Mauricius beval Khosro de kerken weer op te bouwen en de christenen te respecteren. Hij bouwde zelf twee kerken voor Maria (Maryam) en een grote kerk en een kasteel in het land van Beth Lashpar voor zijn Aramese vrouw Shīrīn.3

3. De Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) heeft volgens een bericht bij al-Tabarī zijn Perzische collega Khosro II Parwīz (reg. 590–628) ‘een geliefde dochter van hem, die Maryam [=Maria] heette,’ tot vrouw gegeven.4 Dat deze al een christelijke vrouw had, die Shīrīn heette, is uit de literatuur bekend.

Met deze Maria schijnt dus een christelijke Romeinse bedoeld te zijn, die in Perzië was beland. Een islamitische verteller heeft haar samen met Shīrīn naar Egypte en van daaruit weer naar Medina versleept. Ook bij hem wordt een zekere Maria door een hooggeplaatste persoon aan een andere, namelijk Mohammed, ‘geschonken’. De naam Shīrīn hoort overigens duidelijk in Perzië thuis, niet in Egypte.
.
Māriya en de sharia
Al heeft Māriya niet bestaan, ze heeft wel haar sporen in de sharia achtergelaten. De profeet heeft haar aangenomen en liet zo zien dat moslims een geschenk van christenen mogen aannemen. Hij had legale seks met haar als slavin. Haar zuster Shīrīn gaf hij dadelijk door aan een ander: het is niet geoorloofd met twee zusters in dezelfde tijd omgang te hebben. Door Ibrāhīm ter wereld te brengen werd Māriya een voorbeeld van een umm walad. De dood van haar zoontje bood de profeet gelegenheid te laten zien hoe moslims bij de dood zelfs van een innig geliefd wezen zeer bescheiden dienen te rouwen.
.
Geschenk
Volgens de overlevering ontving Mohammed geschenken van verscheidene christelijke heersers: van de negus van Ethiopië, de Muqawqis van Alexandrië en de Romeinse keizer. Daarenboven nog van Dihya al-Kalbī, een moslim die meermaals met een diplomatieke missie het Romeinse Rijk bereisd zou hebben. In de teksten word de volgende formule gebruikt: ahdā fulān lin-nabī, of passief: uhdiya lin-nabī. Waarom wordt ons over deze schenkingen verteld? De berichten willen laten zien dat Mohammed zo zeer op een zelfde niveau verkeerde als de heersers van de wereld, dat zij hem geschenken stuurden.5
.
Christelijke herkomst
Blijkbaar mogen moslims geschenken van christenen aannemen, want de profeet heeft het ook gedaan. Maar mogen zij ze ook gebruiken? Volgens hadithen kreeg de profeet o.a. het volgende cadeau: schoenen, een zegelring, slavinnen, rijdieren, textiel en een kostbare bontjas. Het meeste nam hij zonder problemen in gebruik, en dankzij zijn voorbeeld is dat ook de moslims toegestaan. Alleen als een geschenk te extravagant was, of het gebruik ervan anderszins in strijd was met islamitische regels, gaf de profeet een geringschattend commentaar, schonk hij het aan iemand anders, gaf hij het een andere bestemming of liet hij het stuksnijden. De bontjas met brokaat uit Constantinopel was voor islamitisch gebruik beslist te extravagant; het prachtstuk werd dus doorgegeven aan de negus van Ethiopië.6 Gewaden van zijdebrokaat werden veracht; zelfs de servetten in het paradijs zijn nog mooier dan zij.7 Ze konden worden verscheurd en als hoofddoek8 of als onderhemd hergebruikt worden.9 Koptische doeken met afbeeldingen van levende wezens konden als overtrek voor zitkussens worden gebruikt – zodat de verachting voor die afbeeldingen met het achterwerk kon worden uitgedrukt.10 Maar een paar eenvoudige zwarte11 schoenen trok de profeet wel aan, en hij liet tegelijkertijd zien dat het verplichte wassen van de voeten bij de rituele reiniging ook over die gesloten schoenen kon plaatsvinden.12 Christelijke slavinnen aannemen of bezitten en voor zich laten werken leverde blijkbaar geen problemen op.
.
Slavin
Māriya is bekend geworden als slavin. Sommige moderne moslims schamen zich met terugwerkende kracht voor de slavernij en doen alsof Mohammed met haar getrouwd was. Maar op een of twee uitzonderingen na zeggen alle bronnen dat zij een slavin was. Māriya komt niet voor in de lijsten van de vrouwen van de profeet, maar wel in een lijst van Mohammeds concubines.13 Ze zou niet bij de andere vrouwen gewoond hebben en kreeg niet de titel ‘Moeder der Gelovigen’ zoals de officiële echtgenotes.
.
Seks met slavinnen
In de Oudheid sprak het vanzelf dat een man seks kon hebben met zijn slavinnen als hij daar zin in had. Ook in de koran wordt dat als normaal beschouwd; de koranische uitdrukking voor slavin is: ‘wat uw rechterhand bezit’. Volgens islamitisch recht mag een man vier echtgenotes hebben—als hij ze kan onderhouden. Daarenboven mag hij met een onbegrensd aantal slavinnen (bijvrouwen, Arab. surrīya, mv. sarārīy) geslachtsverkeer hebben—als hij ze kan betalen.14 Ook bij de omgang met slavinnen moest Mohammed het voorbeeld gegeven hebben, en hier kwam Māriya goed van pas. Alleen al de aankomst van een waardevolle slavin als geschenk uit het buitenland vooronderstelt geslachtsverkeer. Om te melken, hout te sprokkelen of te weven waren er genoeg andere. Maar blijkbaar werd de behoefte gevoeld, de omgang van de profeet met een slavin uitdrukkelijk ter sprake te brengen, en dat gebeurde o.a. in een sabab al nuzūl-verhaal bij koran 66:1:

  • […] Zayd ibn Aslam vertelde mij dat de profeet seks had met [Māriya,] de moeder van Ibrāhīm, in de woning van een van zijn vrouwen. Die reageerde: ‘Wat, profeet! In mijn woning en op mijn bed?’ Daarop verklaarde hij [Māriya] voor zich zelf verboden [harām]. Ze zei: Hoe kun je iets wat geoorloofd is voor je zelf verboden verklaren? Maar hij zwoer bij God dat hij geen seks meer met haar zou hebben. Daarop openbaarde God: „Profeet! Waarom verklaar jij om je vrouwen tevreden te stellen verboden wat God je heeft toegestaan?“
    Zayd zei nog: Zijn woorden ‘Jij bent voor mij verboden’ waren dus zonder inhoud.15

.
Als een slavin een kind krijgt
Volgens islamitisch recht wordt een umm walad, een slavin die haar meester een kind schenkt, na diens dood vrij, zoals wordt verwoord in een uitspraak die aan kalief ‘Umar is toegeschreven:

  • Haar kind maakt haar [een umm walad] vrij – zelfs als zij een miskraam had. 16

en ook in een hadith van de profeet:

  • De profeet zei over een umm walad: ‘Haar kind maakt haar vrij. Haar wachttijd is even lang als die van een vrije vrouw.’ 17

Ter concretisering verscheen iets later Māriya in de teksten:

  • […] van Ibn ‘Abbās: In het bijzijn van de profeet werd over de moeder van Ibrāhīm gesproken. Toen zei hij: ‘Haar zoon heeft haar vrij gemaakt.’ 18

In de islamitische rechtspraktijk wordt zo’n slavin pas vrij als haar meester sterft, maar in de hadithen klinkt het alsof haar vrijlating nog bij diens leven plaatsvindt—al is het na een wachttijd.19 Dat is het onderwerp van hevige discussies geweest, die hier echter niet besproken hoeven te worden.
.
Geen seks met twee zusters
Māriya en haar zuster Sīrīn konden als precedent dienen voor de regel dat een man in dezelfde tijdspanne niet met twee zusters seks mag hebben. De profeet zou dus de aantrekkelijke Māriya zelf tot concubine hebben genomen (tasarrā bihā) en Sīrīn aan Hassān ibn Thābit hebben doorgegeven: een normale manier van doen bij niet passende geschenken (zie hierboven). Sīrīn zou Hassān zijn zoon ‘Abd al-Rahmān hebben geschonken.20
.
Normen voor de rouw
Door de dood van Māriya’s zoon Ibrāhīm konden enige rouwgebruiken tot sunna van de profeet worden. Over de rouw voor Ibrāhīm staat hier al een apart stuk.
.
Wie mijn manier van kijken deelt heeft intussen allang gemerkt dat in de teksten de rechtsgeleerdheid de overhand heeft, niet het biografische en historische. Māriya dankt haar papieren bestaan en haar status als slavin aan het feit dat zij zo bruikbaar was als precedent bij shariakwesties. Natuurlijk zijn er ook mensen die precies haar woonplaats kennen, haar sterfdatum en die van haar zoon, en de juiste ligging van zijn graf. Zelfs het origineel van de bedankbrief van de profeet aan de muqawqis is bewaard gebleven. Alles voor degenen die aan zulke dingen geloven.

LITERATUUR
– Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia Orientalia (Helsinki) 14 (1984), 297–303.
– N.N., ‘Maria al-Qibtiyya,’ in de Duitse Wikipedia. Een goed geïnformeerd artikel, dat echter in het geloof aan de historiciteit gevangen blijft zitten.
– F. Buhl, ‘Māriya,’ in EI2. Idem.

NOTEN
1. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. بعث المقوقس صاحب الاسكندرية الى رسول الله ص في سنة سبع من الهجرة بمارية وبأختها سيرين وألف مثقال ذهبًا وعشرين ثوبًا لينًا وبغلته الدلدل وحماره عفير ويقال يعقور […] De Muqawqis is een fantasieheerser uit Egypte. In werkelijkheid was dat land toen een deel van het Romeinse Rijk. De beide meisjes werden begeleid door een oude eunuch, die Mābūr heette. Over de dieren zie hier en H. Eisenstein, ‘Die Maultiere und Esel des Propheten,’ Der Islam, 62 (1985), 98–131. Van Duldul bestaat er zelfs zoiets als een biografie. Eisenstein schijnt te menen dat die dieren werkelijk hebben bestaan.
2. ‘Die von Guidi herausgegebene syrische Chronik, übersetzt und commentiert von Prof. Dr. Th. Nöldeke,’ in Sitzungsberichte der kaiserlichen Akademie der Wissenschaften, phil.-hist. Kl. 128, 9, Wien 1893, 1–48; hier S. 10; Sebastian P. Brock, ‘Guidi’s Chronicle,’ in Encyclopaedia Iranica, online hier; Robert G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw it. A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997, 182–89.
3. Histoire nestorienneChronique de Séert, II, 1, uitg. & vert. Addai Scher, Paris 1911, repr. 1950@check@, 467. (Patrologia Orientalis, vii, 2); Robert Hoyland, o.c., 443–6. Is in deze tekst met Maria niet eenvoudig de moeder Gods bedoeld?
4. Al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 994, 999: v وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم ; Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral S. 298.
5. Van zijn kant had de profeet hun alleen brieven gestuurd, waarin hij hen tot de islam opriep.
6. Abū Dāwūd, Libās 8.
7. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad iii, 229; vgl. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 903.
8. Muslim, Libās 18; Abū Dāwūd, Libās 8.
9. Abū Dāwūd, Libās 35.
10. Bukhārī, Libās 91. […] وعن عائشة وقالت: قدم رسول الله ص من سفر وقد سترت بقرام لي على سهوة لي فيه تماثيل فلما رآه رسول الله ص هتكه وقال: أشد الناس عذابًا يوم القيامة الذين يضاهئون بخلق الله. قالت فجعلناه وسادة أو وسادتين.
11. Rode schoenen zouden bijv. te extravagant zijn geweest; Lane, Arabic Lexicon 770.
12. Koran 5:6; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf 1, 117; Abū Dāwūd, Ṭahāra 60, Tirmidhī, Adab 55, Ibn Mādja, Ṭahāra 84, Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352. Het wassen, resp het afwissen van de geschoeide voeten (al-masḥ ʿalā al-khuffain) is het onderwerp geweest van ongelooflijk uitvoerige discussies; zie R. Strothmann, Der Kultus der Zaiditen, Straatsburg 1912, 21–46; vgl. Ch. Pellat, ‘al-Masḥ ‘alā ’l-khuffayn,’ in EI2 en J. Schacht, The Origins of Muhammadan Jurisprudence, Oxford 1950, 263f.; Wim Raven, ‘Some early Islamic Texts on the Negus of Abyssinia,’ JSS 33 (1988), 197–218. Online hier.
13. Aṭ-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 1778. Bij de vermelding van haar dood noemt al-Ṭabarī, Taʾrīkh i, 2480 haar een umm walad.
14. Tegenwoordig is de slavernij weliswaar afgeschaft, maar streng-islamitisch beschouwd kan zij niet afgeschaft worden, omdat zij in koran en hadith als vanzelfsprekend geldt. In landen die de slavernij pas laat hebben afgeschaft (o.a. Saoedi-Arabië in 1962, de Emiraten in 1963, Mauritanië laatstelijk in 2007) bestaat zij in de praktijk vaak nog voort.
15. Deze versie komt uit al-Ṭabarī, Tafsīr bij koran 66:1. Er zijn verscheidene, ook langere versies van het verhaal, met en zonder vermelding van Māriya’s naam, met en zonder specificering van de vrouw van de profeet. De pijnlijk verraste vrouw van de profeet zou Ḥafṣa bint ‘Umar zijn geweest.

حدثني محمد بن عبد الرحيم البرقي، قال: ثني ابن أبي مريم، قال: ثنا أبو غسان، قال: ثني زيد بن أسلم أن رسول الله ص أصاب أمَّ إبراهيم في بيت بعض نسائه قال: فقالت: أي رسول الله في بيتي وعلى فراشي؟، فجعلها عليه حراماً فقالت: يا رسول الله كيف تحرّم عليك الحلال؟، فحلف لها بالله لا يصيبها، فأنزل الله عزّ وجلّ: { يا أيُّها النَّبِيُّ لِمَ تُحَرّمُ ما أحَلَّ اللَّهُ لَكَ تَبْتَغِي مَرْضَاةَ أزْوَاجِكَ } قال زيد: فقوله أنت عليّ حرام لغو.

16. Ibn Abī Shayba (gest. 849), Muṣannaf, xi, 184/21894.@check@
17. ʿAbd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī (gest. 826), Muṣannaf, vii, 12937: v عبد الرزاق عن الن عيينة عن أبي أنعم عن راشد بن الحارث عن ابن المسيّب أن النبي ص قال في أم الولد: أعتقها ولدها، فتعتدّ عدة الحرة.
18. Ibn Mādja (gest. 887),ʿItq, 2:‎ ‎حدثنا أحمد بن يوسف حدثنا أبو عاصم حدثنا أبو بكر يعني النهشلي عن الحسين بن عبد الله عن عكرمة عن ابن عباس قال: ذكرت أم إبراهيم عند رسول الله ص فقال: أعتقها ولدها.
19. Om te zien of zij niet zwanger is. Eenzelfde wachttijd is vereist wanneer een vrouw verstoten wordt.
20. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1528, 1591, 1781.

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud

Ibrahim, de zoon van de profeet

Had Mohammed een zoon? Behalve mensen met ‘geloofskennis’ weet niemand dat; er staat zo weinig vast over de profeet dat zulke vragen niet te beantwoorden zijn. Er wordt van hem gezegd dat hij verscheidene vrouwen heeft gehad. Als dat klopt zal hij allicht ook kinderen gehad hebben, waaronder zonen. Over drie van hen berichten hadithen: Qāsim, ‘Abdallāh en Ibrāhīm. Alle drie zouden ze al als zuigeling gestorven zijn. De laatstgenoemde zou vernoemd zijn naar de profeet Ibrāhīm (Abraham). Enkele  hadithen over hem volgen hier:   

  • [… van Anas:] De profeet zei: ‘Vannacht heb ik een zoon gekregen; ik noem hem naar mijn vader Ibrāhīm.’ Hij gaf hem over aan de [voedster] Umm Sayf, de vrouw van een smid die Abū Sayf heette. Op een dag ging hij hem bezoeken; ik kwam mee en toen we bij Abū Sayf aankwamen was die met de blaasblag in het smidsvuur aan het blazen; het hele huis was vol rook. Ik snelde vooruit en zei: Hou op, Abū Sayf, de profeet is er! Hij hield op en de profeet riep om Ibrāhīm, knuffelde hem en praatte van alles tegen hem. Anas zei: Ik heb hem ook gezien toen [het kind] in zijn bijzijn op sterven lag. Hij huilde een zei: ‘De ogen wenen en het hart is bedroefd, maar wij zeggen alleen wat God tevreden stelt. Bij God, Ibrāhīm, we zijn wél bedroefd om je.’ 1
  • Ten tijde van de profeet was er een zonsverduistering op de dag dat Ibrāhīm stierf. De profeet zei: ‘De zon en de maan zijn [niet meer dan] twee van Gods tekenen; zij worden niet verduisterd vanwege iemands dood en evenmin vanwege zijn leven. Als jullie een [zons- of maansverduistering] zien, bidt dan tot God en verricht gebeden tot zij voorbij is.’ 2
  • Toen Ibrāhīm, de zoon van de profeet stierf, zei deze tegen de mensen: ‘Wikkel hem niet in het doodskleed voordat ik hem nog heb gezien.’ Toen liep hij op hem toe, boog zich over hem heen en huilde.3

Oude Arabische geschiedschrijvers weten nog te vertellen dat hij in het jaar 7 (= 629) werd geboren, dat zijn moeder de Koptische slavin Māriya was, en dat hij binnen twee jaar is gestorven. Wie hadith als geschiedbron serieus neemt zou op grond van de eerste tekst hierboven aan rookvergiftiging als doodsoorzaak kunnen denken. Veel is het niet, wat we over het ventje te horen krijgen. Dat is niet verbazend: over een zuigeling is nu eenmaal niet veel te vertellen. Maar ook de weinige harde feiten die we lijken te hebben zijn niet hard. Zijn moeder alleen al, de Koptische Māriya, is rijkelijk fictief. Zij zou deel uitgemaakt hebben van een geschenkzending die de Muqawqis, een raadselachtige heerser in Alexandrië, in het jaar 7 na de hidjra aan de profeet zou hebben gestuurd. De zending behelsde twee prachtige, zonder twijfel maagdelijke slavinnen: Māriya en haar zuster Sīrīn, een hoop goud en textiel, de muilezelin Duldul en de ezel ‘Ufayr of Ya‘fūr.4 Maar de beide vrouwennamen zijn uit een heel ander verhaal komen aanwaaien. Reeds de Romeinse keizer Mauricius (reg. 582–602) zou zijn Perzische collega Khosro (Chosroës) II Parwīz (reg. 590–628) zijn geliefde dochter Maryam (Maria) tot vrouw hebben gegeven.5 En deze Khosro had al een christelijke vrouw, die Shīrīn heette; zij is in de literatuur tamelijk bekend geworden. De naam Shirin past beter in Perzië dan in Egypte. (Over  de Koptische Māriya staat hier een apart artikeltje.)

De drie hadithen hierboven gaan bij nader inzien niet over Ibrāhīm, maar willen de genegenheid van de profeet jegens hem en vooral zijn gedrag bij diens overlijden laten zien, dat als voorbeeld diende voor het gedrag van de moslims bij sterfgevallen. Rouw, tranen, natuurlijk; maar met mate! Ook een zonsverduistering moet niet te belangrijk worden gevonden; nuchterheid is geboden. In geen geval wordt zo’n natuurverschijnsel, zoals sommige mensen meenden, veroorzaakt door het heengaan van een persoon, hoe belangrijk deze ook was. In deze op het eerste gezicht biografische teksten domineren dus zoals dikwijls de doelstellingen van shariageleerden; niet de biografische impuls. Het ging erom, paal en perk te stellen aan de overdreven rouwgebruiken van moslims van Perzische afkomst.6 Voor moslims volstaat een gepaste, maar niet overdreven rouw; van begrafenissen moet niet te veel werk gemaakt worden. Zoals altijd moest ook bij het onderwerp rouwbeklag (al-niyāha ‘alā al-mayyit) de profeet het voorbeeld gegeven hebben, en daartoe kon de verteller goed iemand gebruiken, die de profeet heel erg zou missen: een gestorven zoontje. Naar mijn overtuiging is Ibrāhīm vooral in het leven geroepen met het doel hem snel te laten sterven, zodat de profeet hem voorbeeldig en met mate kon bewenen. Daarenboven maakte zijn geboorte de slavin die zijn moeder was tot een umm walad, dat is een slavin die haar meester een kind schenkt en daarom na diens dood van rechtswege vrij wordt. Twee maal dient Ibrāhīm als precedent voor sharia-regels.

Of Mohammed in het werkelijke leven een zoon had of niet, in zijn vita zou er geen passen. Godsdienststichters hebben doorgaans geen afstammeling. Mozes, Jezus en de Boeddha hadden er ook geen. Tenminste niet een, die in de verhalen een rol speelt, of die na hun dood als opvolger had kunnen optreden; dat zou de mythen van oorsprong ernstig hebben verstoord. De hadithliteratuur schijnt zich daarvan enigszins bewust te zijn:

  • [Ibrāhīm] stierf als klein kind. Had God beschikt, dat er na Mohammed nog een profeet zou komen, dan was zijn zoon in leven gebleven. Maar na hem is er geen profeet.7

Veel interessanter is eigenlijk het verhaal van Zayd (ibn Hāritha), die als volwassene vijftien à twintig jaar Mohammeds aangenomen zoon is geweest. Die adoptie was via de koran ongedaan gemaakt; bovendien was Zayd al vóór de profeet gestorven. Gelukkig maar, want aldus het korancommentaar van Muqātil: ‘Was Zayd Mohammeds zoon geweest, dan was hij een profeet geweest.’ 8

NOTEN
1. Muslim, Fadā’il 62 (hieronder); ook Bukhārī, Djanā’iz 44, Ibn Mādja, Djanā’iz 53 e.v.a.

حدثنا هداب بن خالد وشيبان بن فروخ كلاهما عن سليمان واللفظ لشيبان حدثنا سليمان بن المغيرة حدثنا ثابت البناني عن أنس بن مالك قال: قال رسول الله ص ولد لي الليلة غلام فسميته باسم أبي إبراهيم. ثم دفعه إلى أم سيف امرأة قين يقال له أبو سيف. فانطلق يأتيه واتبعته فانتهينا إلى أبي سيف وهو ينفخ بكيره قد امتلأ البيت دخانا. فأسرعت المشي بين يدي رسول الله ص فقلت يا أبا سيف أمسك جاء رسول الله ص. فأمسك فدعا النبي ص بالصبي فضمه إليه وقال ما شاء الله أن يقول. فقال أنس لقد رأيته وهو يَكيد بنفسه بين يدي رسول الله ص فدمعت عينا رسول الله ص فقال تدمع العين ويحزن القلب ولا نقول إلا ما يرضى ربنا والله يا إبراهيم إنا بك لمحزونون.

2. Muslim, Kusūf, 29  (langere versie Muslim, Kusūf 10 e.v.a.):

وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة ومحمد بن عبد الله بن نمير قالا حدثنا مصعب وهو ابن المقدام حدثنا زائدة حدثنا زياد بن علاقة وفي رواية أبي بكر قال قال زياد بن علاقة سمعت المغيرة بن شعبة يقول انكسفت الشمس على عهد رسول الله ص يوم مات إبراهيم فقال رسول الله ص إن الشمس والقمر آيتان من آيات الله لا ينكسفان لموت أحد ولا لحياته فإذا رأيتموهما فادعوا الله وصلوا حتى تنكشف.

3. Ibn Mādja, Djanā’iz 13:

حدثنا محمد بن إسمعيل بن سمرة حدثنا محمد بن الحسن حدثنا أبو شيبة عن أنس بن مالك قال لما قبض إبراهيم ابن النبي ص قال لهم النبي ص لا تُدرِجوه في أكفانه حتى أنظر إليه فأتاه فانكبّ عليه وبكى.

4. Ibn Saʿd, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg.. Iḥsān ʿAbbās, Beiroet z.j., viii, 212. Zie nu over de muildieren van de profeet hier, en over zijn ezels hier.
5. Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 994, 999: وزوّجه ابنة له كانت عزيزة عليه يقال لها مريم. Ook dit is pure fantasie. Kaj Öhrnberg, ‘Māriya al-qibṭiyya unveiled,’ Studia orientalia (Helsinki), xi/14 (1984), 297–303, vooral. S. 298. Zie ook C. Cannuyer, „Māriya, la concubine copte de Muhammad, réalité ou mythe?“ in Acta Orientalia Belgica 21 (2008), 251–64. Uri Rubin houdt Māriya en Ibrāḥīm voor historische personen: U. Rubin, ‘The Seal of the Prophets and the Finality of Prophecy,’ ZDMG 164 (2014), 65–96, vooral p. 76vv.
6. T. Fahd, ‘Niyāha,’ in EI2; G.H.A. Juynboll, Muslim Tradition, Cambridge 1982, 99–108.
7. Ibn Mādja, Djanā’iz 27:

حدثنا محمد بن عبد الله بن نمير حدثنا محمد بن بشر حدثنا إسمعيل بن أبي خالد قال قلت لعبد الله بن أبي أوفى رأيت إبراهيم ابن رسول الله ص  قال مات وهو صغير ولو قضي أن يكون بعد محمد ص نبي لعاش ابنه ولكن لا نبي بعده.

8. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, iii, 498–9 bij Koran 33:40:

يقول لو كان زيد ابن محمد لكان نبيا فلما نرلت ((ما كان محمد أبا أحد من رجالكم)) قال النبي ص لزيد: لست لك بأب. فقال زيد: يا رسول الله، أنا زيد بن حارثة معروف نسبي.

Diakritische tekens: niyāḥa, Ḥāritha, Faḍāʾil, Al-Ṭabarī, Māriya al-qibṭiyya, Muḥammad

Terug naar Hadith: startpunt     Terug naar Inhoud