Wat niet in de koran staat

Veel ongeschoolde1 moslims beweren iets en zeggen dan ten onrechte dat het zo in de koran staat. Ik krijg ook veel vragen die beginnen met de woorden: ‘Wat zegt de koran over….?’ Dikwijls moet ik als antwoord geven dat de koran over het betreffende onderwerp niets zegt; dan oogst ik ongelovige blikken. De koran is maar een dun boek. In lengte is het vier vijfde van het Nieuwe Testament, zegt men, maar ik heb het niet nagerekend.

Veel misverstanden over de koran zou men kunnen vermijden door het boek te lezen, maar dat is niet iedereen gegeven: het is een oude en moeilijke Arabische tekst. De stelligste beweringen over de inhoud van de koran komen van mensen die hem niet of nauwelijks hebben gelezen.
.
Niets
Over de volgende onderwerpen ‘zegt’ de koran niets:

Sharia. De koran bevat een aantal rechtsregels, niet eens zo veel, die een grondslag vormen van de latere sharia. Het woord sharia (sharī‘a) komt in de koran éénmaal voor (K. 45:18), maar niet in de huidige betekenis van ‘rechtsstelsel’; in de hadith overigens ook niet. Hoe zou het ook? Het stelsel bereikte pas vanaf ± 800 zijn volle rijpheid; dat het sharia genoemd werd duurde nog wat langer.

Kalifaat. Het Arabische woord khalīfa, mv. khulafā’, ‘plaatsvervanger, opvolger’, komt in de koran enige malen voor, maar nergens in de betekenis van ‘opvolger van Mohammed’ of ‘staatshoofd van een islamitische staat’. Van twee profeten wordt gezegd dat God ze tot kalief maakte: van Adam en van David. K. 2:30:

  • Toen uw Heer tot de engelen zei: Ik ga een kalief op aarde aanstellen, zeiden zij: Gaat U daar iemand aanstellen die er verderf brengt en bloed vergiet, terwijl wij U loven en heiligen?

Blijkens de context is met die ‘iemand’ Adam bedoeld. In K. 38:26 heet het:

  • Dāwūd, Wij hebben jou tot kalief op aarde aangesteld.

Wat het woord in deze verzen ook mag betekenen: van de profeet Mohammed wordt niet gezegd dat God hem kalief heeft gemaakt; laat staan van enige mens na hem. Later hebben eeuwenlang kaliefen over zich zelf beweerd of laten beweren, dat zij plaatsvervangers van God op aarde zijn.

– De bestraffing in het graf: de ondervraging door de engelen Munkar en Nakir, een slang in je graf, dat alles wordt in de koran met geen woord vermeld; wel in de hadith.

Martelaren: gaan direct na hun dood naar het paradijs; 72 maagden wachten hen daar als beloning. Dat staat niet in de koran. De beloften over het paradijs, inclusief een onbekend aantal maagden, gelden voor álle gelovigen. De enige verzen die uitsluitend over martelaren gaan zijn K. 3:169-70: 

  • Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hun geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn. 

Het martelaarschap is typisch een onderwerp van de hadith; dat met die maagden valt trouwens geweldig tegen. Zie verder hier.

Katten en honden, mag je die houden als moslim? Geen woord staat erover in de koran; zie hier.

Dit was natuurlijk maar een selectie. Ook het verbod de profeet of andere levende wezens af te beelden staat niet in de koran. Het vijfmaal daagse bidden evenmin.

 

Niet duidelijk
Er zijn ook onderwerpen waarover de koran mogelijkerwijze wel iets zegt, maar niet erg duidelijk. Zo bij voorbeeld:

Sluierplicht voor vrouwen. Deze wordt behandeld in het nogal volgepakte vers K. 24:31. 

  • En zeg tot de gelovige vrouwen dat zij hun ogen neerslaan en hun schaamdelen (furūdj) kuis bedekt houden en dat zij hun sieraad (zīna) niet openlijk tonen, behalve wat gewoon al zichtbaar is.
    En zij moeten sluiers over hun boezem dragen en hun sieraad niet openlijk tonen,
    behalve aan hun echtgenoten of hun vaders of de vaders van hun echtgenoten of hun zonen of de zonen van hun echtgenoten of hun broers of de zonen van hun broers of de zonen van hun zusters of hun vrouwen of slavinnen over wie zij beschikken of mannelijke volgelingen die geen geslachtsdrift meer hebben of de kinderen die nog niet op de schaamdelen (ʿawrāt) van de vrouwen letten. En zij moeten niet met hun benen  slaan zodat men weet wat zij voor verborgen sieraad dragen.2

Op het eerste gezicht ziet de hier aanbevolen vrouw er ongeveer uit als mijn moeder en zuster: die kijken ook niet brutaal de wereld in en houden hun schaamdelen en borst altijd bedekt. Nogal wiedes eigenlijk. Alleen hun bescheiden sieraden laten zij wel zien.
Ook mannen moeten hun ogen neerslaan en hun furūdj bedekken (K. 24:30). Daaruit begrijpen we dat furūdj inderdaad de genitaliën zijn. Wat ‘awrāt betekent is al heel wat minder duidelijk, maar het lijkt hier synoniem te zijn met furūdj. Nog onduidelijker is wat er bedoeld wordt met zīna, ‘sieraad’. En hoezo wordt het verborgen sieraad bekend wanneer een vrouw met haar benen (tegen elkaar?) slaat? Gaat het daar om rinkelende enkelringen? Hier heerst voor de argeloze lezer onduidelijkheid. Voor de uitleggers natuurlijk niet; zie verderop onder Interpretatie

Afzondering van de vrouw: het enige expliciete vers (K. 33:53) heeft het over de vrouwen van de profeet, niet over vrouwen in het algemeen.
.
Interpretatie
In mijn onderwijspraktijk bleek het onverwacht moeilijk, moslim-studenten het verschil bij te brengen tussen wat er in de koran staat en wat er in een of meer korancommentaren staat. Meestal was het maar één commentaar, dat ze thuis in de kast hadden staan, of waaruit de imam had gepreekt. En vaak was het dat van de domme Ibn Kathīr (± 1300–73) — alsof veertien eeuwen islam niets beters hebben voortgebracht!
Terwijl het zo eenvoudig is en eigenlijk niets met geloof te maken heeft. Een uitspraak staat in ofwel in boek A (dat groene boek hier rechts, waar ‘Koran’ op staat), ofwel in bij voorbeeld boek B (daar links, meerdelig met bruine kaften, waar ‘Commentaar’ op staat). De beide soorten tekst zijn zelfs fysiek gemakkelijk uit elkaar te houden.

Bij de koranexegeet al-Tabarī (gest. 923) vinden we bij voorbeeld zeven bladzijden over het boven aangehaalde vers 24:31; het werd kennelijk belangrijk geacht. Er staat echt commentaar in, bijv. over het woord hun sieraad: ‘dat zijn enkelringen, armbanden, oorringen en halssnoeren’. Dat is nuchtere wetenschap. Als ik een vrouw was zou ik die dingen op straat dus helemaal niet aantrekken maar ze wegstoppen in een jaszak en me verder losjes kleden. Maar dat was blijkbaar niet de bedoeling.
Er staan ook zaken in dat commentaar die niets met het vers te maken hebben, bij voorbeeld: ‘De consensus van allen is dat ieder die het gebed verricht zijn schaamdelen moet bedekken en dat de vrouw haar gezicht en haar armen moet bedekken bij het gebed en dat zij bovendien haar lichaam moet versluieren  behalve wat de profeet heeft toegestaan, namelijk haar onderarmen tot de helft.’ Is dit werkelijk koranuitleg? Het verband met het gecommenteerde vers is ver te zoeken. Als de koran voor iemand een heilige tekst is, moet dan het commentaar van een latere moslim, die noch profeet noch heilige was en al ruim duizend jaar dood is, dat ook zijn? Moeilijk ligt het met de uitspraak van de profeet waarop de tekst zich beroept; die is immers voor moslims bindend. Maar die stamt uit een hadith en is geen uitleg van het geciteerde koranvers.

.
Met de haren erbij gesleept
Er zijn onderwerpen waarover moslims graag iets in de koran gelezen hadden, hoewel er echt niets over in staat. In zo’n geval wordt er vaak een vers genomen en zo geïnterpreteerd dat het net is alsof het er toch in staat. De bovengenoemde Bestraffing in het Graf bij voorbeeld wordt graag herkend in Koran 40:11: ‘Onze Heer, U hebt ons tweemaal laten sterven en twee maal tot leven gebracht.’ De exegeet al-Tabarī (gest. 923) heeft de volgende uitleg bewaard: ‘Ze stierven in deze wereld en werden tot leven gewekt in hun graf, toen werden ze ondervraagd of toegesproken, toen stierven ze in hun graf en werden zij opgewekt in het hiernamaals.’). Of de auteur van het koranvers daar al dan niet aan gedacht heeft is niet aantoonbaar. Ook AIsha staat niet in de koran.

Of er worden andere trucs aangewend, waarvan de bekendste is die met het vers over de steniging.

– Over Steniging staat niets in de Koran. Het heet echter dat er wel degelijk een vers over had bestaan:

  • Wilt niet iets anders dan uw vaderen, want dat is ongeloof voor u. [Zelfs] als een oude man en een oude vrouw ontucht plegen, stenigt hen dan in elk geval, als een straf van God. God is machtig en wijs.4 

Maar dat vers geldt als afgeschaft (mansūkh). In dit geval is de woordelijke tekst afgeschaft, zodat het niet in de koran staat, maar de erin vervatte rechtsregel is geldig, want de steniging komt wel in de Hadith voor. Die *afschaffing is een lastige zaak, die een apart artikeltje behoeft.

Let wel: als iets niet in de koran staat, is het daarom niet onislamitisch. Maar het zou prettig zijn als mensen tenminste de tekstsoorten uit elkaar konden houden: koran, koranuitlegging (tafsīr) en hadith.

 

NOTEN
1. Ik bedoel natuurlijk ongeschoold op het gebied der taal- en letterkunde. Iemand kan installateur zijn, bakker of verpleegkundige, ingenieur of zelfs arts, maar tegelijk ongemeen naïef, ja vrijwel analfabeet zijn wanneer het op het lezen van teksten aankomt, en zeker van oude teksten. Zulke mensen zijn vaak willige slachtoffers van de eveneens vrijwel ongeschoolde islamitische religieuze leiders.
2. Vertaling Leemhuis. Ik heb de lange opsomming van de verwanten hier klein gedrukt om niet van de kleding af te leiden.
3. Je zou denken: ook de polsen moeten bedekt zijn, om de armbanden onzichtbaar te maken. Maar nee, daar is de consensus heel pragmatisch: om huishoudelijk werk nog mogelijk te maken, zoals bij voorbeeld deeg kneden, mogen de onderarmen tot halverwege zichtbaar zijn.
4. لا ترغبوا عن آبائكم فانه كفر بكم. والشيخ والشيخة إذا زينا فارجموهما البتة نكالا من الله والله عزيز حكيم . Ibn Isḥāq, Sīra 1015, al-Ṭabarī, Tarīkh i, 1821, Mālik ibn Anas, Muwaṭṭaʾ, Ḥudūd 10, Ibn Saʿd, Ṭabaqāt, uitg. Sachau iii, i blz. 242 e.a.

Terug naar Inhoud

Heilige oorlog

‘Een heilige oorlog is een oorlog die wegens een religieuze opvatting, een vermeende goddelijke verplichting of ter verdediging van ‘heilige’ gebieden gevoerd wordt,’ zegt de Wikipedia, en daar sluit ik mij graag bij aan.
Heilige oorlogen zijn in alle drie de westerse godsdiensten ingebouwd. De oude Israëlieten hebben zich op het bevechten van concurrerende volkjes gestort – volgens sommige profeten nog te weinig. In het Oude Testament wordt verwezen naar het (niet bewaard gebleven) Boek van de oorlogen des HEREN. Jezus kwam ‘niet om vrede te brengen, maar het zwaard’ en hij komt nog eens terug ‘met een ijzeren herdersstaf’.1 Zijn volgelingen hebben diverse heilige oorlogen gevoerd, bij voorbeeld de Kruistochten (Deus lo vult – ‘God wil het!’). Ook moslims kennen de heilige oorlog; zij noemen hem meestal djihād. Dit woord heb ik echter niet als titel voor dit artikel gebruikt, omdat 1. het woord ook nog een andere betekenis heeft: ‘zich inspannen’ 2. voor kennelijk heilig bedoelde oorlogen ook het woord qitāl ‘vechten’ veel wordt gebruikt.

  •      djāhada, infinitief djihād‚ ‘zich inspannen’
         al-djihād fī sabīl Allāh‚ ‘zich inspannen voor Gods zaak, strijden’
         mudjāhid, iemand die dat doet; inz. ‘strijder voor het geloof’

Er is een innerlijke djihad: het strijden tegen het ik en de ziel die geneigd is tot alle kwaad, en een uiterlijke djihad: zich inspannen voor Gods zaak. Dat laatste hoeft niet militair te zijn. Toch wordt in het moderne spraakgebruik de inspanning voor bij voorbeeld een studie of de bouw van een kinderziekenhuis zelden met djihad geassocieerd.

De eerste arabische veroveringen
De eerste arabische veroveringen (632-750) waren zeer militant, maar aanvankelijk nog nauwelijks islamitisch of djihad, omdat deze begrippen zich nog niet hadden uitgekristalliseerd. Met terugwerkende kracht heeft men de veroveringen wél djihad genoemd.
Teksten, al dan niet heilig, al dan niet geschreven, spelen bij oorlogvoering altijd een belangrijke rol. Een enkeling heeft misschien wel eens gewoon zin in vechten, maar zodra er groepen mannen aan het vechten moeten worden gebracht of gehouden zijn er woorden nodig: motiverende, bezwerende, buit belovende, tot volhouden aansporende en rechtvaardigende woorden, en eventueel dreigingen aan het adres van degenen die niet mee willen doen of verraad willen plegen. Zulke teksten kunnen door gemeenschappen, priesters of leiders bewust worden ingezet. Zonder twijfel behoorden tot de drijvende krachten achter de vroege Arabische veroveringen ook teksten, die later hun neerslag hebben gevonden in de koran. Hoe precies is de historici niet duidelijk. Tijdens de turbo-fase van de veroveringen (632–661) was de koran nog niet ‘klaar’ en zeker niet in boekvorm wijd verbreid.

De heilige oorlog in de koran
Wie wil nagaan wat er in de koran staat over heilige oorlog vindt meer dan honderd verzen, voornamelijk met djihād en qitāl en aanverwante woorden. Omdat er over dit onderwerp zoveel verzen zijn heeft het geen zin om er een of twee uit te pikken en die dan als het standpunt van de koran te presenteren.
Een duidelijke, ondubbelzinnige koranische opvatting over oorlog voeren is er niet: ‘The qurʾānic rulings and attitudes regarding warfare are often ambiguous and contradictory so that there is no one coherent doctrine of warfare in the Qurʾān, especially when the text is read without reference to its exegetical tradition.’ 2 Dus of iemand in de koran een aansporing tot oorlogvoeren leest of juist tot vredelievendheid hangt erg af van zijn keuze van de verzen en hun uitleg.
Een traditionele, zowel islamitische als oriëntalistische manier om wat orde te scheppen in de koranteksten over de heilige oorlog is de chronologische volgorde van de verzen erbij te betrekken.

Dan zegt men bij voorbeeld: in de vroege periode, toen de profeet nog in Mekka was, waren de koranteksten defensief. Toen hij later in Medina een eigen staat gesticht had, die ten dele afhankelijk was van de buit van rooftochten, werden de teksten agressiever. Vroege koranverzen kunnen door latere worden afgeschaft (*naskh). Welnu, soera 9, de jongste van de koran, schaft volgens dit denkmodel de oudere af. Deze soera is agressief, maar behandelt tegelijkertijd ook het probleem van de dienstweigering. Blijkbaar wilden niet alle mannen zo graag vechten.

Hier volgen enkele willekeurig gekozen koranteksten over het onderwerp oorlog.

  • K. 22:39–40 ‘Degenen tegen wie gestreden wordt is [de strijd] toegestaan, omdat hun onrecht is geschied.’
    K. 2:190–93, ‘En strijdt voor Gods zaak tegen degenen die tegen u strijden! Maar begaat geen overtredingen; God houdt niet van mensen die overtredingen begaan. Doodt hen waar u hen aantreft, en verdrijft hen vanwaar zij u verdreven hebben. … enz..’
    K. 2: 216 ‘U is voorgeschreven te strijden, al staat het u ook tegen …’
    K. 9:5 ‘Als de heilige maanden voorbij zijn, doodt dan de heidenen waar u hen vindt; grijpt hen, omsingelt hen en wacht hen op in iedere hinderlaag. Maar als zij berouw hebben, het gebed verrichten en de armenbelasting opbrengen, laat hen dan! …’
    K. 9:39 ‘Als u niet uitrukt zal Hij u bestraffen met een pijnlijke straf en andere mensen uw plaatsen laten innemen. …’

Wie niet zo veel ziet in het chronologische model komt niet veel verder dan het inventariseren van onderwerpen, zoals → Landau-Tasseron en → Crone dat hebben gedaan. Enkele hoofdonderwerpen zijn:

  • – De tegenstanders: de ongelovigen
    – Zich verdedigen bij een aanval
    – Zelf aanvallen
    – Aansporing tot deelname aan de strijd
    – Beloning voor de inzet: Buit in deze wereld, het paradijs in de latere.
    – Bestraffing voor lafheid en dienstweigering, vooral voor de Huichelaars (munāfiqūn), die beweren dat ze meedoen maar geen vinger uitsteken. Zij gaan naar de hel.
    – Naast deelname in persoon is ook materiële ondersteuning van de oorlogsvoering mogelijk, door een rijdier of een uitrusting te schenken o.i.d..

Ribāt: de praktijk
Een moeilijk begrip.3 Soms lijkt het vrijwel synoniem met djihād of qitāl; dan weer verstaat men er een vesting onder, dan weer een groep religieus geïnspireerde strijders.
Toen na 750 de grote golf veroveringen tot stilstand gekomen was werd de djihad ‘geritualiseerd’. Aan de pijngrens tussen het Oostromeinse Rijk en het Abbasidenrijk, die ongeveer overeenkomt met de huidige grens tussen Turkije en Syrië, verzamelden zich groepen soms diep religieus geïnspireerde strijders om eens per jaar een veldslag tegen de Romeinen ten beste te geven. Soms werd er een vesting of een stadje veroverd, soms ging dat weer verloren. De grens bleef door de eeuwen heen tamelijk stabiel. Terwijl in Medina of Kufa de geleerden zich over de theorie van de djihad bogen was hier de praktijk te vinden. De strijders kwamen soms uit de verste uithoeken van het rijk aangereisd.
Een bekende hadithverzameling uit de ribāt-sfeer is het Kitāb al-djihād door ‘Abdallāh ibn Mubārak (gest. 797), dat tegenwoordig onder militante moslims weer populair is.4 De verzamelaar stamde uit Centraal-Azië en was speciaal voor de djihad naar het Westen gekomen. Hij was krijger en asceet tegelijk; hij heeft ook een hadith-verzameling met de titel Ontzegging van de Wereld (Kitāb al-Zuhd) vervaardigd. Het Kitāb al-djihād documenteert de geestelijke dimensie van de djihad in deze groepen, die hier gedetailleerder aan de orde komt dan in de koran. Het zijn 262 hadithen; daarvan hier één:

  • […] dat hij van ‘Utba ibn ‘Abd al-Sulami, een van de gezellen van de profeet, had gehoord dat de profeet gezegd heeft:
    De in de djihad gevallen mannen zijn er in drie soorten:
    – Een gelovige man, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Dat is een martelaar die op de proef wordt gesteld [en verblijft] in een tent van God, onder zijn troon. De profeten hebben niet meer verdienste dan zij, behalve dat zij het niveau van het profeetschap bezitten.
    – Een gelovige man, die zich misdaden en zonden te verwijten heeft maar met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die reiniging wist zijn misdaden en zonden weg – ja, het zwaard wist de zonden weg – en hij wordt binnengelaten in het Paradijs door welke poort hij maar wil, en dat heeft acht poorten, en de hel zeven, de ene nog lager dan de andere.
    – Een huichelaar, die met zijn lijf en zijn vermogen zo voor Gods zaak vecht dat hij, als hij de vijand ontmoet, hij tegen hen vecht tot hij wordt gedood. Die komt in de hel, want het zwaard wist de huichelarij niet uit.

Hier wordt de djihad als geestelijke strijd voorgesteld, in dezelfde geest als in koran 9:111, waar de oorlogsinspanning met het Paradijs wordt beloond:

  • God heeft van de gelovigen hun leven en hun have en goed gekocht voordat zij het Paradijs verwerven. Nu moeten zij voor Gods zaak strijden en doden of [zelf] gedood worden. […] Verheugt u over de koop die u gesloten hebt! Dat is dan het grote succes.

Bovendien verzoent de inspanning de begane zonden (m.u.v. huichelarij, in overeenstemming met koran 63:3 en 4:145).
Strijders werd aanbevolen witte kleren te dragen, zodat het bloed van hun offer duidelijk zichtbaar was.

Martelaren
In kringen van de ribāt-strijders, maar later ook steeds weer elders, is het idee van het martelarendom gecultiveerd, zelfs als er geen oorlog was. Ook in onze tijd hoort men er weer over. De martelaren zijn niet dood, maar dicht bij God (koran 3:169–70). Of zij zich daar amuseren met tweeënzeventig maagden, zoals vaak wordt gezegd, is zeer de vraag. Daarover heb ik een apart artikel hier.

De djihad in de hadith
Het boek van ‘Abdallāh ibn al-Mubārak bestaat uit hadithen, maar vele daarvan zijn niet van de ‘correcte’ soort die ongeveer een halve eeuw later in de gezaghebbende verzamelingen is opgenomen. In zulke verzamelingen zijn, naast een algemene lof van de djihad, ook de ‘kleine lettertjes’ te vinden: Hoe staat het met de verdeling van de buit, met de details van de oorlogvoering, de krijgsgevangenen enzovoort. En ook de ethiek van de oorlog is er te vinden: geen vrouwen en kinderen doden, geen bomen omhakken (pace Koran 59:5), en dergelijke.
Makkelijk toegankelijk zijn de betreffende hoofdstukken van Mālik ibn Anas (gest. 797), Muwatta’ en Muslim (gest. 875), Sahīh in Engelse vertalingen.5 Omdat het geen oorlog is hebben de teksten momenteel weinig relevantie.

De Kruistochten en de reacties daarop
In 1096 riep Paus Urbanus II de Europese christenheid op tot een kruistocht: Palestina, het heilige land, moest terugveroverd worden. Een heilige oorlog was dat: Deus lo vult! ‘God wil het’. In 1099 wordt dan na een enorm bloedbad Jeruzalem veroverd en ontstaan er een paar christelijke vorstendommen in Palestina en Syrië, waarvan sommige het 200 jaar hebben volgehouden.
De islamitische wereld leek eerst verlamd. Hier was toch djihad nodig geweest, verdediging? Maar een prediker als al-Sulamī, die in een moskee in Damascus in deze zin een preek hield, kreeg nauwelijks gehoor.6 In de volgende halve eeuw sieren de krijgsheren (atabeks) van de Seldsjoeken zich weliswaar met de titel mudjāhid, ‘strijder voor het geloof’, maar dat betekende weinig. Ze vochten graag en dat hadden ze zonder djihad ook wel gedaan. De kruisvaarder Rogier van Antiochië werd bij voorbeeld in 1119 gedood door Īlghāzī, die zijn overwinning vierde met een drinkgelag dat een week duurde. Voor djihad kon dat moeilijk doorgaan.
Toch werd sindsdien de strijd tegen de kruisvaarders steeds vaker djihad genoemd. En toen Saladin (Salāh al-Dīn al-­Ayyūbī) in 1187 Jerusalem terug veroverde, was dat zeker een resultaat van djihad.

Ibn Taymīya
Deze eigenaardige dwarskop is via Muḥammad ibn ‘Abd al-Wahhāb (1703–92), Rashīd Ridā (1865–1935) en Sayyid Qutb naar voren gehaald in de publiciteit en tot peetvader van de moderne militante islam gemaakt.
Ibn Taymīya (1263-1328) stamt uit een Syrisch geslacht van *Hanbalitische rechtgeleerden en werd er zelf ook een. Hij beheerste alle islamitische vakken, maar ook bij voorbeeld wiskunde. Een zelfverzekerd man was het, die zei wat hij bedoelde, wat hem meer dan eens in de gevangenis bracht. Hij was fel gekant tegen Sjiïeten, Sufi’s en theologen.
Ibn Taymīya is bekend geworden om zijn energieke oproepen tot djihad. Op grond van zijn levensloop is dat wel te begrijpen. Als vijfjarig kind had hij met zijn familie voor de Mongolen uit het Noord-Syrische Harrān7 naar Damascus moeten vluchten. In zijn tijd hielden de Mongolen Irak en Noord-Syrië bezet; meermalen vielen zij echter ook Zuid-Syrië binnen. De Mamelukkensultan, die in het verre Cairo resideerde, had niet altijd zin om militair tegen hen in actie te komen, maar Ibn Taymīya drong daar luidkeels op aan.
Een complicatie was dat de Mongolen zich tot de islam hadden bekeerd, omdat zij zich overal aan de cultuur van de veroverden aanpasten. Maar tegelijkertijd hadden zij ook nog ettelijke Mongoolse gewoontes en zelfs wetten aangehouden. In een fatwā verklaarde Ibn Taymīya daarom dat de Mongolen geen moslims waren en dus bestreden moesten worden. ‘Iedere groep moslims die de sharia overtreedt … moet bestreden worden, ook als zij verder wel de geloofsbelijdenis uitspreken.’ Deze opvatting werd in de twintigste eeuw door Sayyid Qutb overgenomen en heeft moderne djihadisten sterk geïnspireerd.
Zat er aan Ibn Taymīya een steekje los? Dat beweerde de reiziger Ibn Battūta, die ± 1300 Damascus bezocht, maar Ibn Taymīya niet persoonlijk ontmoette.8 Al te geestelijk gestoord kan hij niet geweest zijn: hij heeft een groot œuvre nagelaten, gevangenissen overleefd en succesvol allerlei ambten bekleed. Monomaan was hij wel, en inderdaad, verblijven in een gevangenis maken een mens ook niet geestelijk gezonder. Ibn Battūta’s uitspraak drukt misschien uit hoe zeer Ibn Taymīya destijds als buitenstaander en excentriek werd beschouwd. Na zijn dood had hij in het Mamelukkenrijk een bescheiden maar bestendig publiek.

De heilige oorlog later
Omstreeks 1500 veroverde de Ottomaanse Turken de Arabische wereld. Delen van Zuidoost-Europa hadden zij al eerder veroverd. Na eeuwen van rust vonden er nu weer veroveringen door moslims plaats. Die in de Arabische wereld konden de Ottomanen niet religieus rechtvaardigen; dat betrof immers medemoslims. Die in Europa liepen slechts ten dele onder de naam djihad. Een belangrijkere term bij de Turken was gaza, arabisch ghazwa, ‘krijgstocht, raid’; een strijder heet dan gazi. De krijgstochten vormden een voortzetting van de ribāt-activiteiten, die sinds eeuwen aan de Syrisch-Romeinse grens hadden plaats gehad en waren dus wel religieus geïnspireerd.9 Het woord djihad werd in die tijd eerder als verdedigingsoorlog opgevat. Vanaf 1700 werd het Ottomaanse Rijk geleidelijk zwakker en vormde geen militaire bedreiging meer voor Midden- en West-Europa.

In de negentiende eeuw zijn de opstanden tegen de koloniale machten duidelijk als djihad gevoerd (Minangkabau 1821–37, Java 1825–30, Algerië 1839–47, India 1857, Sudan 1884, Aceh (Atjeh) 1873-1903 e. a.).10

Volgens de geallieerde propaganda heeft Duitsland in 1914 zijn Ottomaanse bondgenoot ertoe aangespoord, de Eerste Wereldoorlog tot djihad te verklaren, zodat de Turkse soldaten beter zouden vechten. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje sprak smalend van Heilige Oorlog, Made in Germany. Het werd van Duitse kant verontwaardigd ontkend. Hoe het echt was is geloof ik nog steeds niet helemaal opgehelderd. Hoe dan ook, de Eerste Wereldoorlog was de laatste officiële djihad. Daarna was er geen islamitisch staatshoofd meer dat er een had kunnen uitroepen.

Over het algemeen kan worden gezegd, dat de djihad eeuwen lang niet aan de orde was. Hij leefde weer op in de negentiende eeuw en kwam in de tweede helft van de twintigste eeuw vooral als gespreksonderwerp en in propaganda in de mode. Terroristische groeperingen noemen hun aanvallen ook djihad; bij ontbreken van een islamitische staat echter met geringe legitimiteit. De Sjiieten in Iran, die vroeger bij gebrek aan een aanwezig staatshoofd geen djihad kenden, hebben hem kort voor de Islamitische Revolutie voor mogelijk verklaard; Khomeini heeft hem in de Eerste Golfoorlog ook uitgevoerd.

Is de islam een oorlogszuchtige godsdienst?
De vraag is onzinnig, want ‘de’ islam bestaat niet; bovendien voeren godsdiensten geen oorlogen. Maar omdat ze tegenwoordig toch vaak zó gesteld wordt laat ik hier een kort overzicht volgen van de voornaamste van het Arabische resp. islamitische gebied uitgaande agressie, heilig of niet. Oorlogen en conflicten van moslims onder elkaar worden hier niet genoemd.

  • Offensief:
    – Arabische veroveringen ± 630–750
    – Ottomaanse veroveringen in Europa  ± 1385–1700
    – Moorse zeerovers in Noord-Afrika plunderden of gijzelden in opdracht van hun regeringen Europese handelsschepen. Hoogtepunt 17e eeuw.
    – De Eerste Wereldoorlog, tot djihad uitgeroepen door Turkije, dat aan Duits-Oostenrijkse zijde meevocht.
    – Islamistisch terrorisme ± 1990 —
  • Defensief:
    – Verzet tegen de kruisvaarders  ± 1150–1300
    – Verzet tegen koloniale veroveringen  ± 1820–1962
    – Verzet tegen de Sovjet-Unie in Afghanistan  ± 1979–1992
    – Verzet van de Palestijnen tegen Israel, intifāda  ± 1970—

Van India weet ik niets. Ik herinner eraan dat de islam in grote delen van Indonesië door handelaren is verbreid, niet door soldaten. Vergroting van de markten en globalisering moeten voor de Indonesische volkeren destijds aantrekkelijk zijn geweest.
Misschien ben ik nog iets vergeten, maar het lijkt met de oorlogszucht in deze delen van de wereld niet erger gesteld dan ergens anders.

Sayyid Qutb (1906–1966)
Sayyid Qutb was de ster van het Egyptische Salafisme en het grote voorbeeld voor vele militante moslims in onze tijd. Hij studeerde aan het Dār al-‘ulūm, een pedagogische academie waar onderwijzers werden opgeleid. Hij werd ambtenaar in het Ministerie van Onderwijs, was actief als literair criticus en schreef ook Ashwāk, een liefdesroman vol seksuele frustratie. Aanvankelijk was Qutb helemaal niet antiwesters; hij probeerde juist elementen uit het christendom en het marxisme met de islam te verzoenen. Een hem opgedrongen verblijf in de Verenigde Staten11 heeft hem angst aangejaagd en de doorbraak van ‘anti-westerse’ gevoelens bij hem bewerkstelligd. Hij werd Moslim Broeder en pleitte voortaan voor een islamitische staat, waarin de Sharia het enige rechtssysteem zou zijn en de soevereiniteit niet bij het volk lag, maar bij God. Dat leverde hem onder Nasser vervolging en gevangenisstraf op.
Met Ibn Taymīya had hij gemeen dat ook hij in de gevangenis een dertigdelig korankommentaar12 schreef; met Hasan al-Bannā, de oprichter van Moslim Broeders dat ook hij tot onderwijzer was opgeleid en, dank zij de Egyptische geheime politie, als martelaar stierf. Hij nam Ibn Taymīya’s opvatting over djihad over.

NOTEN
1. Matteüs 10:34 resp. Openbaring 2:27.
2. Landau­-Tasseron, ‘Jihad’ 38b (cursivering van mij).
3. Chabbi, Ribāṭ, vooral blz. 493–4.
4. Jarrar, ‘Martyrdom’. Een vertaling van het Kitāb al-Djihād heb ik niet gevonden. De geciteerde hadith is nr. 6:

حدثنا محمد بن سفيان قال حدثنا سعيد بن رحمة قال سمعت بن المبارك عن صفوان بن عمرو أن أبا المثنى الأملوكي حدثه أنه سمع عتبة بن عبد السلمي وكان من أصحاب النبي ص أن رسول الله ص قال القتلى ثلاثة رجال رجل مؤمن جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتلهم حتى يقتل ذلك الشهيد الممتحن في خيمة الله تحت عرشه لا يفضله النبيون إلا بدرجة النبوة ورجل مؤمن قرف على نفسه من الذنوب والخطايا جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فتلك مصمصة محت ذنوبه وخطاياه إن السيف محاء للخطايا وأدخل من أي أبواب الجنة شاء فإن لها ثمانية أبواب ولجهنم سبعة أبواب وبعضها أسفل من بعض ورجل منافق جاهد بنفسه وماله في سبيل الله حتى إذا لقي العدو قاتل حتى يقتل فذلك في النار إن السيف لا يمحو النفاق.

5. Muslim heeft meer; Mālik is beter vertaald.
6. Hillenbrand, Crusades 105–8.
7. Carrhæ; tegenwoordig in Şanlıurfa, Turkije.
8. Shayʾ fī ʿaqlihi; Little, ‘Screw loose’.
9. Kafadar, Construction 79–80.
10. Peters, Islam and Colonialism
11. J. Calvert, Sayyid Qutb in America,’ in ISIM Newsletter, 7/2001, online hier. Damir-Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft.
12. Fī ẓilāl al-­qurʾān; Engelse vertaling: In the Shade of the Qur’an, translated by M.A. Salahi and A. A. Shamis, Leicester & Nairobi 1999.

BIBLIOGRAFIE
Algemeen
Émile Tyan, ‘Djihād,’ in EI2.
[versch. auteurs], ‘Ḥarb,’ in EI2.
Patricia Crone, ‘War,’ in EQ.
Ella Landau-­Tasseron, ‘Jihad,’ in EQ.
Chase F. Robinson, ‘Conquest’ in EQ.
Rizwi Faizer, ‘Expeditions and battles,’ in EQ.
Ruven Firestone, Jihād. The Origin of Holy War in Islam, New York 1999.
David Cook, Understanding Jihad, Berkeley/Los Angeles/London 2005.

Ribāṭ-strijders en martelaren
ʿAbdallāh ibn al-Mubārak, Kitāb al-djihād, Tunis 1972 e.a. [ook in het Internet te vinden. Niet vertaald.]
J. Chabbi, „Ribāṭ,“ in EI2.
Etan Kohlberg, „Shahīd,“ in EI2.
Wim Raven, „Martyrs,“  in EQ.
Maher Jarrar, „The martyrdom of passionate lovers. Holy war as a sacred wedding,“ in A. Neuwirth et al. (hrsg.), Myths, historical archetypes and symbolic figures in Arabic literature. Towards a new hermeneutic approach, Beirut 1999, 87–107.
D. Talmon-Heller, „Muslim martyrdom and quest for martyrdom in the crusading period,“ in Al-Masaq. Islam and the Medieval Mediterranean, 14 (2002), 131–139.

Kruistochten
Peter Thorau, Die Kreuzzüge, München 20042.
Caroline Hillenbrand, The Crusades. Islamic Perspectives, Edinburgh 1999.
[Usāma ibn Munqidh, Kitāb al-iʿtibār:] Usama ibn Munqidh, Wat anders dan vechten en jagen? Memoires van een Syrisch edelman. Vertaald uit het Arabisch door J. J. Witkam, Amsterdam 1986.

Ibn Taymīya
H. Laoust, ‘Ibn Taymīya,’ in EI2.
D. P. Little, ‘Did Ibn Taimyya have a screw loose?’ in Studia Islamica 41 (1975), 93–111.

Ottomaanse Rijk/Latere tijd
Cemal Kafadar, Between two worlds. The construction of the Ottoman State, Berkeley/Los Angeles 1996.
R. Peters, Islam and Colonialism. The doctrine of Jihad in Modern History, Amsterdam 1979.

Eerste Wereldoorlog
C. Snouck Hurgronje, “Heilige Oorlog Made in Germany,” De Gids, 79 (1915), 115–147; Engels: The Holy War, Made in Germany, London/New York 1915. Hier te downloaden.
Peter Heine, ‘C. Snouck Hurgronje versus C. H. Becker. Ein Beitrag zur Geschichte der angewandten Orientalistik,’ Die Welt des Islams 23/24 (1984), 378–387.
Wolfgang Schwanitz, „Djihad ‘Made in Germany’: Der Streit um den Heiligen Krieg 1914–1915,“ in Sozial. Geschichte. Zeitschrift für historische Analyse des 20. und 21. Jahrhunderts, 18 (2003), S. 7–34.   [De auteur lijkt wat eenzijdig.]
Wolfgang Schwanitz, ‘Die Berliner Djihadisierung des Islam
Stefan Buchen, Kaiser Wilhelms Heiliger Krieg

Sayyid Quṭb en later
Johannes J. G. Jansen, ‘Sayyid Ḳuṭb,’ in EI2.
Sabine Damir Geilsdorf, Herrschaft und Gesellschaft. Der islamistische Wegbereiter Saiyyd Quṭb und seine Rezeption, Würzburg 2003.
John Calvert, Sayyid Qutb and the Origins of Radical Islamism, New York 2010.
Gilles Kepel, Jihad. The Trail of Political Islam, London 2004,

Diakritische tekens: ribāṭ, Muwaṭṭaʾ, ṣaḥīḥ, Ṣalāḥ ad-Dīn, Rashīd Riḍā, Sayyid Quṭb, Ḥarrān, Ibn Baṭṭūṭa, intifāḍa, Ḥasan al-Bannā

Terug naar Inhoud

Het loon der martelaren

Een tegenwoordig wijd verbreide overtuiging is dat iedere martelaar dadelijk na zijn dood naar het paradijs gaat, waar tweeënzeventig hoeri’s hem opwachten. Maher Jarrar1 heeft het verband tussen martelaarsdood en hoeri’s laten zien in Tradities van de profeet (hadith) die verzameld zijn in het Kitāb al-Djihād van ‘Abdallāh ibn al-Mubārak (736–797). Deze gaan grotendeels niet met een correcte overleveringsketen (isnād) terug tot de profeet en hebben dus voor moslims geen groot gezag. Toch hebben deze en dergelijke teksten door de eeuwen heen mannen aan het dromen gezet over hemelse bruiden voor dappere strijders, zelfs in tijden dat er geen oorlog in de buurt was. Soms lonken de hoeri’s zelfs al op het slagveld.
Maar het is niet uitgesloten dat de strijders na hun dood van een koude kermis thuis zullen komen. De Koran blijft vaag over de beloning, zeker over het hoe en wanneer, en de koranuitleg en de hadithen die door moslims algemeen als correct aanvaard worden zijn er niet eenstemmig over.
De gedachte dat martelaren na hun dood regelrecht naar het paradijs gaan is zeker oud, zoals blijkt uit een passage bij Ibn Ishāq. Daarin bewonderen de moslims het goudbrokaten gewaad van een verslagen koninkje, waarop de Profeet zegt:

  • “Vinden jullie dat zo mooi? Bij Hem, in wiens hand mijn leven is, de servetten van Sa‘d ibn Mu‘ādh in het paradijs zijn veel mooier!”2

Saʿd was een martelaar, want hij was kort tevoren aan een oorlogsverwonding gestorven. Van hoeri’s is in deze tekst geen sprake; Saʿd wordt voorgesteld als iemand die op dat ogenblik van een feestmaal geniet.
Zayd ibn Hāritha, de adoptiefzoon van de profeet, sneuvelde in 629 in de slag bij Mu’ta, en voor hem werd er in het paradijs wel een mooi meisje gereed gehouden. Volgens het verhaal over de hemelreis verkreeg de profeet daarvan namelijk voorkennis bij zijn bezoek aldaar. Of Zayd dat meisje dadelijk na zijn dood zou krijgen vermeldt de historie niet.

  • Toen voerde hij mij het paradijs binnen, en daar zag ik een meisje met donkerrode lippen. Ik vroeg haar voor wie zij was, want zij beviel mij zeer, en ze antwoordde: ‘Voor Zayd ibn Hāritha.’
    Dat goede nieuws bracht de profeet aan Zayd over.3

In de bij moslims meest gezaghebbende Hadithliteratuur komen bij mijn weten die tweeënzeventig hoeri’s alleen voor in de volgende tekst:

  • De profeet heeft gezegd: “Een martelaar heeft zes verdiensten bij God: hem wordt vergiffenis geschonken bij de eerste gulp bloed, hem wordt zijn plek in het paradijs getoond,4 hij wordt beschermd voor de kwelling in het graf, hij is veilig voor de allergrootste schrik,5 op zijn hoofd wordt de kroon der waardigheid geplaatst waarvan de robijn beter is dan deze wereld en wat daarin is, hem worden 72 echtgenotes uit de grootogige hoeri’s gegeven en hij wordt tot voorspraak gemaakt voor zeventig familieleden.”6

Het tijdstip waarop de martelaren met deze hoeri’s zullen worden verenigd blijft onduidelijk. De tekst is een zogenaamde verzameltraditie: er wordt een aantal verdiensten van martelaren opgesomd, zó beknopt dat het vermoeden rijst dat elk van de thema’s ergens anders al uitvoeriger was besproken. Maar in de canonieke hadithverzamelingen zijn die tweeënzeventig hoeri’s verder niet terug te vinden. Wel bestaat er een andere hadith, die omstreeks 800 met een onvolledige isnād, en een halve eeuw later ook met een volledige werd overgeleverd:

  • Toen er eens bij de profeet over martelaren werd gesproken zei hij: “De grond is nog niet droog van het bloed van een martelaar of daar komen zijn beide echtgenotes al aangesneld; het lijken wel kamelinnen die hun jong in een kale vlakte waren kwijtgeraakt. Elk van beide verschijnt in een gewaad dat beter is dan heel deze wereld en wat daarin is.”7

Hier is slechts sprake van twee vrouwen, wier verlangen naar de martelaren wordt vergeleken met het moederinstinct(!) van kamelinnen, maar die in ieder geval onmiddellijk na de martelaarsdood ter beschikking staan.
.
Maar minstens zo verbreid als de Tradities over de onmiddellijke opneming in het paradijs is de opvatting dat martelaren na hun dood daar niet dadelijk heen gaan. “De martelaren zijn in een groene ronde tent aan de Bāriq,” heet het al bij Ibn Ishāq, “een rivier bij de poort van het paradijs, en hun levensonderhoud krijgen ze ’s ochtends en ’s avonds uit het paradijs.”8 Het lijkt een soort tussenstation, een plek om te wachten tot het jongste gericht. In deze voorstelling bestaat het paradijs al wel, maar het is nog niet toegankelijk. De koranexegeet al-Tabarī weet het precies: “Zij zijn bij hun Heer, zij worden gevoed met de vruchten uit het paradijs en de wind daarvandaan worden zij gewaar, maar ze zijn er niet in.” Wat zuinigjes merkt hij nog op: “Hun privilege in de ‘tussentoestand’ (barzakh) is, dat zij met paradijsvoedsel worden gevoed, dat vóór de opstanding aan niemand anders te eten zal worden gegeven dan aan hen.”9
Al-Tabarī’s opvatting wordt ondersteund door de “vogel-hadith”. Deze is in talloze versies met en zonder erkende isnād overgeleverd. Een korte versie luidt:

  • De zielen van de martelaren zijn in de gedaante van witte vogels, die eten van de paradijsvruchten.”10

en een langere, die waarschijnlijk ouder is:

  • Toen jullie broeders in Uhud gesneuveld waren deed God hun zielen in de buiken van groene vogels, die drinken uit de rivieren van het paradijs, eten van de vruchten daarvan en nestelen in gouden lampen die opgehangen zijn in de schaduw van Gods troon. Als zij de geur van hun spijs en drank en de plek van hun middagrust ruiken zeggen zij: ‘Wie zal onze broeders berichten dat wij leven en dat wij levensonderhoud krijgen in het paradijs, zodat zij de djihād niet opgeven en niet terugschrikken voor de oorlog?’ Toen zei God: ‘Ik zal hun over jullie berichten,’ en daarop openbaarde Hij: “Denk niet dat degenen die sneuvelden voor Gods zaak dood zijn! Nee, zij zijn in leven, en bij hun Heer wordt in hun levensonderhoud voorzien. Zij verheugen zich over wat God hen geeft vanuit zijn goedheid en zijn blij dat er voor degenen die zich nog niet bij hen gevoegd hebben niets te vrezen is en dat zij niet bedroefd zullen zijn.”11

Volgens deze tekst gaan de martelaren dus in of via die vogels wel voedsel zoeken in het paradijs en als ik het goed begrepen heb houden zij er zelfs siësta, maar wonen doen zij er niet. Hun woonplaats is heel dicht bij God; misschien is het daar zelfs beter dan in het paradijs. Hoeri’s vinden ze er niet, en in hun toestand zouden ze daar ook niet naar verlangen.
.
Hoe vergaat het overigens de martelaressen? De Tsjetsjeense terroriste die in 2002 in dat Moskouse theater door de Russische politie is omgebracht kan eventueel daarboven worden verenigd met haar echtgenoot, die ook was gedood. Maar ongetrouwde Palestijnse meisjes, die zich zelf en enkele medemensen opblazen ‘voor Gods zaak’, waarop kunnen die zich verheugen? In een meervoudig bekroonde documentaire film van Dan Setton en Helmar Büchel: In the Name of God. Recruits of the Holy War, wordt kleine Pakistaanse meisjes op school verteld dat martelaressen in het paradijs komen. Er wordt echter niet bij verteld wanneer, en evenmin dat ze daar als gewone gelovigen toch ook terecht zouden komen. Een oudere vrouw in die film verwacht iets specifiekers: zij gelooft dat die 72 hoeri’s haar zullen helpen in het huishouden.
De hadith-literatuur heeft in het geval van vrouwelijke martelaren domweg niet voorzien. Bij een veldslag werden vrouwen geacht water rond te delen en de gewonden op het slagveld te verzorgen. Van de krijgsbuit krijgen zij ook niets; hoogstens een kleine attentie, net als de slaven.12
.
Het loon van de martelaren is dus in de oudste gezaghebbende teksten van de islam niet duidelijk vastgelegd, en dat van de martelaressen nog minder. Vrouwen kunnen hun hoop misschien het best op de ‘vogel­-hadith’ vestigen; die biedt in ieder geval rechtsgelijkheid van man en vrouw.

NOTEN:
1. M. Jarrar, “The martyrdom of passionate lovers. Holy war as a sacred wedding,” in A. Neuwirth et al. (eds.), Myths, historical archetypes and symbolic figures in Arabic literature. Towards a new hermeneutic approach, Beirut 1999, 87–107.
2. Ibn Ishāq (704-767) in: Das Leben Muhammed’s nach Muhammad Ibn Ishâk, bearbeitet von Abd el-­Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858-60, blz. 903. In de vertaling van A. Guillaume, The Life of Muammad, Oxford 1955, staan de paginacijfers van deze editio princeps in de marge afgedrukt.
3. Ibn Ishāq, o.c., 270; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 86.
4.  Vgl. Koran 47:6, “… de tuin, die Hij hun bekend heeft gemaakt”.
5.  De jongste dag.
6.  Al­-Tirmidhī (825–892), Faḍāʾil al­-Djihād 25; vgl. Aḥmad ibn Ḥanbal (780–855), Musnad iv, 131; Ibn Mādja (824–887), Djihād 16/2799.
7.  ‘Abd al­-Razzāq al­-San‘ānī, Musannaf, Beiroet 1972, 19832, no. 9561.  ‘Abd al-­Razzāq leefde van 744–827; zijn Traditieverzameling is lang onopgemerkt gebleven); Ahmad ibn Hanbal, Musnad ii, 297, 427; Ibn Mādja (824–887), Djihād 16/2798.
8.  Ibn Ishāq, o. c. 605; bij Ahmad ibn Hanbal, Musnad i, 266 is dit een Traditie van de profeet.
9.  Al-Tabarī (839-923), Tafsīr bij Koran 2:154.
10.  ‘Abd al­-Razzāq al­-San‘ānī, Muṣannaf, no. 9553.
11. Abū Dāwūd, Djihād 25, maar reeds in Ibn Ishāq, o. c. 604–5 en Muqātil ibn Sulaymān (gest. 767), Tafsīr, Cairo 1979, i, 314 en in al-Tabarī, Tafsīr bij Koran 3:169–70. De lange versie biedt de aanleiding tot de openbaring van het genoemde koranvers.
12. Muslim, al­-Djihād wal­-siyar, 134–142.

Diacritische tekens: Isḥāq, Ḥāritha, al-Ṭabarī, Uḥud, al­-Ṣanʿānī, Muṣannaf, Aḥmad ibn Ḥanbal

Was ooit afgedrukt in het tijdschrift Zemzem                 Terug naar Inhoud

De bestraffing in het graf    

(DEUTSCH hier)    De koran kent bestraffing door God in het hiernamaals en op aarde, maar niet de bestraffing van de doden in hun graf. Dat is vooral een onderwerp van hadith. Tot de Jongste Dag liggen de lichamen van moslims, zo geloven velen, gescheiden van hun ziel in hun graf. In die tussentoestand bestaan zij op een of andere schimmige manier voort en kunnen ze druk, pijn of plezier voelen. Twee hadithen over de bestraffing in het graf:

  • Qatāda levert over van Anas ibn Malik: De profeet heeft gezegd: Als een dode in zijn graf is gelegd en de begrafenisgangers zich verwijderen hoort hij het gedreun van hun sandalen. Dan komen er twee engelen bij hem, die hem overeind laten zitten en hem vragen: ‘Wat heb je altijd over die man, over Mohammed gezegd?’ Als de dode een gelovige was zegt hij: Ik getuig dat hij de knecht en de gezant van God is.’ Dan wordt er tegen hem gezegd: Kijk, daar is je plaats in de hel; maar voor jou heeft God die verruild voor een plaats in het paradijs,’ en hij zal beide plaatsen kunnen zien.1
  • Van Ibn ‘Abbās: De profeet kwam een langs een van de muren in Medina of Mekka en hoorde daar de stemmen van twee mensen die werden gestraft in hun graf. De profeet zei: ‘Zij worden gestraft, maar niet voor een grote zonde. Nee, de ene heeft zijn geslachtsdeel niet gereinigd van de laatste urinedruppels; de andere is met lasterpraatjes rondgegaan.’ Daarop riep hij om een palmtak, brak die in tweeën en legde op elk van beide graven een stuk. Toen de mensen vroegen waarom hij dat deed zei hij: ‘Misschien wordt hun lot wat verlicht zolang deze takken niet verdord zijn.’2

Bepaalde doden krijgen direct na hun dood een bijzondere behandeling. De martelaren die zijn gevallen voor Gods zaak, ‘denk niet […] dat zij dood zijn; zij zijn juist levend bij hun Heer, waar in hun onderhoud wordt voorzien’ (Koran 3:169). Volgens een hadith3 gaan profeten, martelaren en onschuldige kinderen direct na hun dood naar het paradijs. Een andere hadith4 noemt tien personen bij naam, o.a. de profeet en de eerste vier kaliefen, ‘die reeds in het paradijs zijn’. De meeste stervelingen worden echter in hun graf onderworpen aan een ondervraging, die een pijnlijk gevolg kan krijgen. De dode wordt gevraagd rechtop te gaan zitten in zijn graf en moet dan rekenschap afleggen van zijn geloof en zijn daden. Als hij goede daden heeft gedaan zullen die voor hem antwoorden. Als de ondervraging positief uitvalt zal het graf worden verbreed, zodat zijn lichaam opluchting voelt. In het andere geval wordt hij gemarteld doordat het graf wordt samengedrukt, en hij kan worden geslagen, gegeseld of gebeten door een vurige slang. Tot zijn schande wordt zijn ongeloof publiek bekend. Over wie de pijniging uitvoert zijn de bronnen niet eenstemmig. Het kan een onbekende zijn, of één engel, die Rūmān wordt genoemd, of twee engelen, die naamloos kunnen blijven of in een aantal teksten Munkar and Nakīr heten.

Al heeft de koran het nergens over de bestraffing in het graf, de exegeten hebben er toch in ettelijke verzen over menen te lezen. Zo wordt er bij voorbeeld in Koran 9:101 over de huichelaars gezegd: ‘Wij zullen hen tweemaal bestraffen.’ Dat zou eenmaal in deze wereld kunnen zijn en eenmaal in het graf. De vroege koranexegeet Muqātil ibn Sulaymān (gest. 767) beschouwt de eerste bestraffing als de dood en ziet de tweede in het graf: ‘op het ogenblik van sterven slaan de engelen hun in het gezicht en op de rug, en Munkar en Nakīr doen dat in het graf. Van Koran 40:11: ‘Onze Heer, U hebt ons tweemaal laten sterven en twee maal tot leven gebracht,’ heeft al-Tabarī (gest. 923) de volgende uitleg bewaard: ‘Ze stierven in deze wereld en werden tot leven gewekt in hun graf, toen werden ze ondervraagd of toegesproken, toen stierven ze in hun graf en werden zij opgewekt in het hiernamaals.’ En er is nog veel meer koranuitleg, die laat zien dat de bestraffing in het graf in de vroege islam een belangrijk onderwerp was.

Ook in de theologie was het ooit een belangrijk geloofspunt. Al-Ash‘arī, de Khāridjieten en de Mu‘tazilieten ontkenden het bestaan van de bestraffing in het graf. Een zekere Dirār ibn ‘Amr (± 728-96) deed dat zeer nadrukkelijk, omdat hij weinig waarde hechtte aan hadith. De meeste oude moslims meenden echter dat deze bestraffing werkelijk een realiteit was. Verscheidene ‘orthodoxe’ geloofsbelijdenissen5 dringen daar uitdrukkelijk op aan. Dit was belangrijk in een omgeving waarin het letterlijk nemen van álle geloofsteksten over het leven na de dood noodzakelijk werd geacht. Het is goed te begrijpen: als bij voorbeeld paradijs en hel niet werkelijk zouden bestaan maar slechts beeldspraak waren, waarom zou men dan nog de goddelijke geboden gehoorzamen?

Noten
1. Muslim, Ṣaḥīḥ, Djanna 70.

حدثنا عبد بن حميد. حدثنا يونس بن محمد. حدثنا شيبان بن عبدالرحمن عن قتادة. حدثنا أنس بن مالك قال: قال نبي الله ص: “إن العبد إذا وضع في قبره، وتولى عنه أصحابه، إنه ليسمع قرع نعالهم” قال “يأتيه ملكان فيقعدانه فيقولان له: ما كنت تقول في هذا الرجل؟” قال “فأما المؤمن فيقول: أشهد أنه عبد الله ورسوله” قال “فيقال له: انظر إلى مقعدك من النار. قد أبدلك الله به مقعدا من الجنة” قال نبي الله ص “فيراهما جميعا”.

2. Bukhārī, Ṣaḥīḥ, Wuḍūʾ 55. @tekst komt niet geheel overeen!@

حدثنا محمد بن المثنى قال: حدثنا محمد بن خازم قال: حدثنا الأعمش، عن مجاهد، عن طاوس، عن ابن عباس قال: مر النبي ص بقبرين، فقال: “إنهما ليعذبان، وما يعذبان في كبير، أما أحدهما فكان لا يستتر من البول، وأما الآخر فكان يمشي بالنميمة”. ثم أخذ جريدة رطبة، فشقها نصفين، فغرز في كل قبر واحدة. قالوا: يا رسول الله، لم فعلت هذا؟ قال: “لعله يخفف عنهما ما لم ييبسا”.

3. Abū Dāwūd, Sunan, Djihād 25/2521 e.a.
Ik vroeg aan de profeet: Wie zijn er in het paradijs? Hij antwoordde: Profeten zijn in het paradijs, martelaren zijn in het paradijs, [gestorven] zuigelingen zijn in het paradijs en levend begraven meisjes zijn in het paradijs.

مسدد، ثنا يزيد بن زريع، ثنا عوف، قال: حدثتنا حسناء بنت معاوية الصريمية قالت: ثنا عمي قال: قلت للنبي ص: من في الجنة؟ قال: “النبي في الجنة، والشهيد في الجنة، والمولود في الجنة، والوئيد في الجنة”.

4. De profeet, Abū Bakr, ‘Umar, ‘Uthmān, ʿAlī, Ṭalḥa, al-Zubayr, Sa‘d ibn Mālik, ‘Abd al-Raḥmān ibn ‘Awf, Sa‘īd ibn Zayd. Abū Dāwūd, Sunan, Sunna 8/4649 e.a.

حدثنا حفص بن عمر النمري، ثنا شعبة، عن الحر بن الصيَّاح، عن عبد الرحمن بن الأخنسأنه كان في المسجد فذكر رجلٌ عليّاً عليه السلام، فقام سعيد بن زيد فقال: أشهد على رسول الله ص أني سمعته وهو يقول: “عشرة في الجنة: النبي في الجنة، وأبو بكر في الجنة، وعمر في الجنة، وعثمان في الجنة، وعلي في الجنة، وطلحة في الجنة، والزبير بن العوام في الجنة، وسعد بن مالك في الجنة، وعبد الرحمن بن عوفٍ في الجنة” ولو شئت لسميت العاشر، قال: فقالوا: من هو؟ فسكت، قال: فقالوا: من هو؟ فقال: هو سعيد بن زيد.

5. In de wat moeilijk dateerbare geloofsbelijdenis Fiqh akbar, die wel ten onrechte aan Abū Ḥanīfa is toegeschreven, luidt het tiende artikel: Wie zegt: ‘Ik erken de bestraffing in het graf niet,’ behoort tot de sekte der Djahmieten, die ten verderve gaat,’ en dit is lang niet de enige tekst.

Meer lezen:
– R. Eklund, Life between death and resurrection according to Islam, Uppsala 1941.
– Joseph van Ess, Theologie und Gesellschaft im 2.und 3. Jahrhundert Hidschra, 6 dln., Berlijn 1991–95, iv, 521–34.
– W. Raven, ‘Reward and punishment,in EQ.
– J. Smith and Y. Haddad, The Islamic Understanding of Death and Resurrection, Albany 1981, 31–61.
– A.J. Wensinck,.‘Munkar wa-Nakīr’ in EI2.
– A.J. Wensinck,The Muslim Creed, Cambridge 1932, index.
– A.J. Wensinck en A. S. Tritton, art .‘ ‘Adhāb al-kabr’ in EI2.

Diakritische tekens: Ḍirār ibn ʿAmr, al-ḳabr, al-Ṭabarī

Terug naar Inhoud