Abd al-Malik: As over Medina?

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

Als ik over ‘Abd al-Malik ga schrijven moet er ook een stuk over Medina in, waar hij is opgegroeid en jaren heeft gewoond. Medina was een oase van 50 km2 , dus half zo groot als de gemeente Utrecht. (Cijfer erg onzeker; natrekken!@) In de oudheid stond het vol dadelpalmen. Oases konden altijd een maximaal aantal inwoners voeden. Werden het er meer, dan moesten de boventalligen vertrekken, of er moesten levensmiddelen van buiten worden ingevoerd. Viel de oogst tegen dan werd er honger geleden.
.
Het was niet zo dat de inwoners van Medina alleen de dadels aten die er groeiden. Ze ruilden een deel daarvan tegen kamelen- en schapenvlees dat de halfnomaden rond de oase leverden. Zelf hadden ze ook schapen, die melk gaven, en ze gingen vast ook wel op jacht. Uit Syrië importeerden ze graan, dat ze betaalden met goederen of met stukjes goud.
.
Toen de profeet Mohammed na de hidjra in 622 met naar verluidt achtentachtig mannen en hun gezinnen in Medina kwam wonen oefende dat druk uit op de beschikbare levensmiddelen van de oasebewoners. Ze compenseerden dat door rooftochten naar buiten te ondernemen. De armere Emigranten, de ahl al-suffa,1 mochten in de moskee wonen en werden gevoed uit de grote pot.
.
Tijdens de Arabische veroveringen na Mohammeds dood behaalden de soldaten rijke buit. Er kwamen veel mannen naar Medina om daar, na gedane militaire dienst, van hun rust te genieten. De oase werd steeds rijker. Er werd ook geïnvesteerd in irrigatiewerken, o.a. door kalief Mu‘āwiya. Importen deden de rest. Later in de zevende eeuw was Medina een luxe plaats. De bon vivant Hasan ibn Ali woonde er, en de grande dame Sukayna, maar ook Aisha en veel intellectuelen. Daarover een andere keer.
.
Het liep echter niet dadelijk zo fantastisch. Het jaar 18 van de islamitische jaartelling, dat is 639,2 was een jaar van rampspoed en hongersnood. ‘Ām al-ramāda, werd het genoemd, het ‘Jaar van …’ ja, van wat eigenlijk? Het woord ramāda laat ik nog maar even onvertaald; zie daarover onder.
.
De eerste bron die ik daarover lees is het geschiedwerk van al-Tabarī (gest. 923; inderdaad bijna drie eeuwen later!).3
.
‘De mensen,’ zo begint hij, ‘werden in dat jaar getroffen door een grote hongersnood, uitblijvende oogst en droogte; het was het jaar dat ‘ām al-ramāda genoemd wordt.’ Welke mensen; die van Medina? Maar hij heeft het vervolgens over ‘Amwās in Palestina, waar de pest uitbrak (25.000 doden).4 Dat kwam, zo wordt gesuggereerd, omdat de mensen daar aan het wijndrinken waren geslagen. De boosdoeners werden gegeseld en kalief ‘Umar slaakte de vervloeking: ‘“Volk van Syrië, moge jullie iets ongehoords overkomen!”, waarop de ramāda uitbrak.’ Vreemd dat een staatshoofd zoiets zijn eigen onderdanen toewenst; maar goed, hij zal het wel niet werkelijk gezegd hebben. Al deze verhalen bevatten veel fictie.
.
De ramāda was echter in Medina, en daarover gaat al-Ṭabarī’s verdere tekst. Het zou natuurlijk kunnen zijn dat er ook in Syrië werd gehongerd, maar dan is het onwaarschijnlijk dat er vandaar maar liefst 40004 kameelladingen graan als voedselhulp naar Medina zijn overgebracht, zoals we nog zullen zien.
.
‘Tijdens de regering van ‘Umar werden de inwoners van Medina en het ommeland geteisterd door een onvruchtbaar jaar (sana), waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende. Daarom wordt dat jaar het Jaar van de ramāda genoemd.’
.
‘De ramāda was een hongersnood, die de inwoners van Medina en het ommeland trof en zoveel dood met zich bracht dat de wilde dieren in de woonplaatsen van de mensen toevlucht zochten. De mensen gingen er zelfs toe over hun schapen te slachten, maar zij walgden ervan, zo afschuwelijk als het eruit zag, en dat voor mensen die honger hadden.’ In een andere tekst wordt een verklaring gegeven: omdat de dieren vel over been waren en er nauwelijks vlees aan te zien was.’
.
De kalief aarzelde lang voordat hij besloot de garnizoenssteden in Syrië om hulp te vragen. Uiteindelijk kwam er een karavaan van 40004 kamelen, beladen met graan. Dat was een grote opluchting, maar het was aan de late kant: eerst aarzelen, dan een koerier uitsturen, dan moest het voedsel bij elkaar gezocht en opgeladen worden en die karavaan deed er ook nog weken over; kortom, er zullen nog heel wat mensen verhongerd zijn. Een paar jaar later zou er regelmatig graan per schip uit het pas veroverde Egypte komen, maar daar had men in 639 nog niets aan.
.
119005VOLCANIC_11_57415Nog even over deze woorden: ‘…waarin het stof opwoei, als er wind stond, alsof het as (ramād) regende.’ Die stofdeeltjes in de lucht werden dus niet door regen of vocht vastgehouden; maar was dat iets bijzonders? Kijkt U even naar het (moderne) weeroverzicht van Medina. Maandenlang geen regen, zeer geringe luchtvochtigheid; allicht dat daar stofdeeltjes in de lucht zijn. Dit waren echter stofdeeltjes ‘als as’, volgens de bron. En als het nu eens werkelijk as was? De omgeving van Medina is zeer vulkanisch. Meermalen hebben erupties in de naaste omgeving de oase bedreigd; aan de rand van de moderne stad zijn al lavavelden te zien. De Harrat ‘Uwayrid, 300 km ten noordwesten van Medina, had een eruptie ‘omstreeks 640’; de veel nabijere Harrat Khaybar in 650. Zeggen vulkanologen, en hun kennis berust niet op teksten. Daar vlakbij is al-Djabal al-Baydā’, de ‘witberg’, die zo heet omdat hij de askrater is van een vulkaan. Zou een vulkaaneruptie soms de oorzaak van het rampjaar 639 geweest zijn? Hier ben ik aan het eind van mijn Latijn. Regent het (nog) minder dan anders, als er een eind verderop een vulkaan uitbarst? Had de ondergrondse watervoorraad van de oase zich onder invloed van het natuurgeweld tijdelijk teruggetrokken? Sterven schapen als er allerlei troep op hen valt, of als hun voer met as is bedekt? Was de handelsroute naar Syrië een tijd versperd? Dat alles moet maar door geo-, bio- en vulkanologen uitgezocht worden.

‘Het jaar van de ramāda’: nu nog dat lastige woord. ‘Year of Drought’, schrijft G.H.A. Juynboll in zijn vertaling van al-Tabarī. Maar ‘droogte’ betekent het woord van huis uit niet. Wat kan een arabist doen om een woordbetekenis na te gaan? Hij kan in de eeuwenoude Arabische woordenboeken duiken, die veel interessants te melden hebben, maar geen moderne lexicografie. Hij kan ook het eveneens zeer oude woordenboek van Lane4 ter hand nemen. Lane nam al die oude Arabische woordenboeken en schreef af wat daarin stond, vandaar dat bij hem vaak tegenstrijdige en ‘middeleeuws’ aandoende omschrijvingen staan opgesomd. Ook een treurig hulpmiddel, maar we hebben niet veel anders. Ik ga nu eerst Lane gebruiken, dan kunt U dadelijk meelezen. Als er kleuraanduidende woorden langskomen is het altijd goed, nog even bij Fischer5 te kijken. Zijn Duits gooi ik er even tussendoor. Het onderstaande is dus alleen voor die enkele arabist die misschien nog klassiek Arabisch studeert. Het ‘algemene publiek’ (komt dat hier ooit?) kan dan de laatste alinea weer lezen.

Lane heeft ruim een bladzijde, tesamen vier kolommen over de wortel r-m-d.
ramada – perished by becoming old and worn-out, and had no goodness and lastingness; the sheep or goats perished by reason of cold or of hoar frost or rhyme. Of overgankelijk: destroyed or destroyed like ashes.
rammada – he put ashes into it; he put a thing into ashes en verwante betekenissen. Als zo vaak is de werkwoordvorm met verdubbelde middenconsonant afgeleid van een naamwoord, in dit geval ramād, ‘as’.
armada – he was, or became, poor, needy or indigent.
armada al-qawm – the people were, or became, afflicted with drought, barrenness, or dearth, and their cattle perished in consequence thereof.
irmadda – it became like the colour of ashes. Dit werkwoordsmodel is altijd in gebruik voor kleuren.
irmadda – (said of a camel) he ran vehemently or heedlessly, headling, random and quickly; niet relevant.
irma’adda: the going, or acting, vigourouly or with energy; ook niet relevant.
ramad – applied to water, turbid or altered for the worse in taste and colour, though still drinkable; applied to a garment, or piece of cloth, faded; ophtalmia, dat kan natuurlijk oorspronkelijk met turbid te maken hebben.
rumda – a colour like wurqa, inclining to blackness; a colour inclining to that of dust.
ramād – ashes, i.e. charcoal reduced to particles by being burnt … en nog zowat, betekenis duidelijk.
ramād rimdid – ashes perishing or coming to nought; or much in quantity and very fine or minute; or reduced to the finest, or most minute, state.
ramāda – perdition, destruction, or state of destruction. Hence, ‘ām al-ramāda, the year of perdition or destruction, or of drought in the days of  ‘Omar, the seventeenth or eighteenth year of the Flight, in which men perished in great numbers, and cattle also, in consequence of drought long continuing, wherefore it was thus called, because the earth became like ashes by reason of the drought, or, as some say, because the drought continued so as to render the earth and the trees like the colour of ashes: but the first reason assigned above, for its being thus called, is preferable.
rāmid – [participium van ramada] perishing: or becoming like ashes, or perishing by becoming old and worn-out, and having no goodness and lastingness.
armad – [typisch kleuren-adjectief:] of the colour of ashes; ash coloured, ashy, of a dusty colour in which is duskiness or dinginess. Said of ostriches, gnats, garments or pieces of cloth. Aschgrau. Gewöhnlich wird armad vom Auge gebraucht und bezeichnet dann ein krankhaftes Grau werden, eine krankhafte Trübung der Augen (grauer Star). Sekundär bedeutet armad dann ‘krank (und schmerzend)’ (vom Auge), bzw. augenkrank’, en dat gaat nog een bladzij zo door.

  • murmid – A she-camel, and a cow, and a ewe, or she-goat, secreting milk in her udder a little before her bringing forth, or both signify a she-camel having her udder shining, and infused with milk. Troebele drupjes melk misschien? Dit heeft gegarandeerd niets met onze teksten te maken; ik citeer het even ter bevestiging van de regel dat ieder oud Arabisch woord óók iets met een kameel of ander vee betekent.

Tot zover het lexicon, of wat ik daarvan momenteel wil zien. Nu zegt U misschien: onder ramāda staat toch precies wat het is, dat slaat toch op onze tekst? Ja, dat is juist de ellende: die verklaring is geheel afhankelijk van onze tekst, heeft onze tekst nagenoeg overgeschreven en maakt ons daarom niet wijzer.

De wortel r-m-d heeft dus twee voor de Tabarī-teksten relevante basisbetekenissen:

  1. ‘ondergaan, eraan gaan’, door verschillende ooorzaken: slijtage, kou, nachtvorst, droogte, onvruchtbaarheid of schaarste. Dat ‘ondergaan’ is primair; de oorzaak ervan, dus ook die droogte, is secundair. ramāda moet hiervan de infinitief zijn: ‘het ondergaan, de ondergang’.
  2. het kleurwoord: niet effen gekleurd, wit-en-zwart, grauw, grijs. Vandaar ‘as’, troebel’, ‘grauwe staar’.  Ook ramād ‘as’ is volgens Fischer afgeleid van het kleurwoord, maar dat hoeft ons niet bezig te houden; de bron van al-Tabarī heeft natuurlijk alleen aan ‘as’ gedacht.

Die beide basisbetekenissen hebben denk ik niets met elkaar te maken, al laten zich zowel de tekst als de oude woordenboekenmakers zich soms meeslepen door de bijna-gelijkluidendheid van ramāda en ramād. Volksetymologie; wij hoeven hen daar niet in na te volgen.
.
Dus ramāda = ‘ondergang’. Het Jaar van de Ondergang, niet het jaar van de droogte en ook niet dat van de as, zoals ik even dacht. Een eventuele vulkaanuitbarsting is met behulp van het lexicon niet hard te maken.
.
Blijft over mijn verwondering over de melding van opwaaiend stof ‘als as’ in de tekst. In het grootste deel van het Nabije Oosten regent het toch altijd stof?

 

NOTEN
1. Zeker, dat is ons woord sofa, rustbank.
2. Volgens anderen was het eind 17 tot begin 18. Voor de vroege periode kloppen die jaartallen nooit helemaal.
3. al-Tabarī, Ta’rīkh i, 2570–8.
4. Bij grote getallen in de Oudheid helpt vaak deze vuistregel: deel het eerst maar eens door tien.
5. Edward William Lane, Al-madd al-qamoos. An Arabic-Eglish Lexicon, 8 vols. London/Edinburgh 1863.
6. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

Diacritische tekens: ṣuffa, Ḥarrat, al-Bayḍāʾ, al-Ṭabarī

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. De Umayyaden uit Medina verjaagd. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik: de Umayyaden uit Medina verjaagd

(Fragment. Ter verduidelijking kunt U eerst dit lezen)

De meerderheid van de bevolking van Medina stond in 683 aan de kant van de nieuwbakken kalief ‘Abdallāh en bracht de vertegenwoordigers van het Umayyadische gezag zo zeer in het nauw dat ze zich allemaal samen moesten terugtrekken op een buitengoed van Marwān, waar ze min of meer belegerd werden. Marwān besloot een brief om hulp naar de kalief in Damascus te sturen. Ḥabīb ibn Qurra trad op als koerier. Hij vertelt:

  • ‘Abd al-Malik nam de brief en reed met me op naar Thanīyat al-Wadā‘. Daar overhandigde hij me de brief en zei: ‘Ik geef je twaalf dagen heen en twaalf dagen terug. Kom over vierentwintig dagen terug naar deze plek. Als God het wil zit ik dan hier op je te wachten omstreeks dezelfde tijd.’ In de brief stond: ‘In de naam van God, de barmhartige, de erbarmer. We worden belegerd in het huis van Marwān ibn al-Ḥakam. Goed drinkwater krijgen we niet meer en we worden met kluiten aarde beschoten. Help, help!’
    Ik nam de brief en reed door tot ik bij kalief Yazīd kwam. Hij zat op een stoel met zijn voeten in een teil water, omdat hij er pijn in had. Men zei dat hij aan jicht leed. Hij las de brief en naar verluidt reciteerde hij toen de verzen:

    • ‘Mijn natuurlijke mildheid hebben ze veranderd
      Nu ben ik grof voor de mensen in plaats van zachtaardig.’
  • Daarop vroeg hij: ‘Zouden de Umayyaden en hun cliënten in Medina niet duizend man sterk zijn?’
    ‘O zeker,’ zei ik, ‘en wel meer dan dat.’
    ‘En kunnen ze niet eens een keer een uurtje vechten?’
    ‘Vorst der Gelovigen, alle mensen hebben zich tegen hen verenigd en tegen zo’n grote menigte kunnen ze niet op.’

Misschien hebben ze in Damascus wel even gelachen om die brief. Toch begreep Yazīd dat het een serieus geval van insubordinatie was en hij besloot er een flink leger op af te sturen, natuurlijk vooral met de bedoeling in het verderop gelegen Mekka, waar ‘Abdallāh zat, eens orde op zaken te stellen.
‘Amr ibn Sa‘īd weigerde dat leger aan te voeren. [Meer over hem later@].
Vervolgens vroeg hij Muslim ibn ‘Uqba, een competente, maar intussen zeer oud geworden commandant. Deze vond dat ze in Medina hun eigen boontjes maar moesten doppen. Toen maakte Yazīd zich kwaad en gaf hem domweg bevel op te trekken. Er werd een leger samengesteld van volgens één bron twaalfduizend, volgens een andere vierduizend man. Zulke getallen zijn over het algemeen onbetrouwbaar. Maar het feit dat legerleider Muslim zo gebrekkig was dat hij in een draagstoel moest reizen, en dat iedere soldaat naast zijn normale soldij honderd dinar kreeg aangeboden voor deze veldtocht laat wel zien hoe beroerd het met Yazīds krijgsmacht gesteld was.
Het voorbereiden van het leger zal tijd gekost hebben; de tocht naar Medina zal ook langer geduurd hebben dan de twee maal twaalf dagen die de koerier er over had gedaan. Toen het leger bij Medina kwam was het al te laat: Marwān, ‘Abd al-Malik en al wat Umayyadisch was hadden de stad al verlaten en zich op weg naar Syrië begeven. Niet erg geloofwaardig klinkt het bericht dat men hen had hen laten gaan op voorwaarde dat ze zwoeren niemand strategische inlichtingen te geven.
In de Wādī al-Qurā kwamen ze het leger tegen dat hun te hulp had zullen schieten.

NOOT
Al-Ṭabarī, Ta’rīkh ii, 406–7.

فأخذ الكتاب عبد الملك بن مروان حتى خرج معي إلى ثنية الوداع، فدفع إلي الكتاب وقال: قد أجلتك اثنتي عشرة ليلةً ذهبًا واثنتي عشرة ليلةً مقبلًا، فوافني لأربع وعشرين ليلة في هذا المكان تجدني إن شاء الله في هذه الساعة جالسًا أنتظرك. وكان الكتاب: بسم الله الرحمن الرحيم: أما بعد، فإنه قد حصرنا في دار مروان بن الحكم، ومنعنا العذاب، ورمينا بالجيوب، فيا غوثاه يا غوثاه! قال: فأخذت الكتاب ومضيت به حتى قدمت على يزيد وهو جالس على كرسي، واضع قدميه في ماء طست من وجع كان يجده فيهما – ويقال: كان به النقرس – فقرأه ثم قال فيما بلغنا متمثلًا:
لقد بدلوا الحلم الذي من سجيتي ** فبدلت قومي غلظةً بليان
ثم قال: أما يكون بنو أمية ومواليهم ألف رجل بالمدينة؟ قال: قلت: بلى، والله وأكثر؛ قال: فما استطاعوا أن يقاتلوا ساعةً من نهار! قال: فقلت: يا أمير المؤمنين، أجمع الناس كلهم عليهم، فلم يكن لهم بجمع الناس طاقةٌ.

ABD AL-MALIK IBN MARWAN: startpagina. De eerste kaliefen. Mu‘awiya’s opvolgers. Abd al-Malik geeft strategisch advies. Abd al-Malik oefent zich in wreedheid en moord. As over Medina? Graanschepen voor Medina. Arbeidsloos inkomen. De Rotskoepel in Jeruzalem.

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Het document van Medina (vertaling)

Inleiding
De overeenkomst tussen de Emigranten en de stammen van Medina, die ten onrechte wel de ‘grondwet’ (constitution) en Gemeindeordnung van Medina is genoemd, wordt meestal als zeer oud beschouwd. Geen latere verteller zou immers op het idee gekomen zijn, joden en andere niet-moslims in te sluiten in de umma, de ‘gemeenschap’, waartoe zij volgens de latere definitie van dat begrip beslist niet behoorden. De stijl is archaïsch, zo zeer zelfs, dat het geven van een geheel bevredigende vertaling niet mogelijk is. Het document is kennelijk samengesteld uit heterogeen materiaal, misschien zelfs uit verscheidene andere documenten. Bevreemdend is dat de drie grote joodse stammen van Medina er niet in worden genoemd.
Zie ook het artikel Mohammed en de joden.

Vertaalde tekst1
Betreffende de verhouding tussen de Emigranten en de Helpers stelde de profeet een document op, waarin hij met de joden een verbond sloot en hen bevestigde in hun godsdienst en hun bezittingen en hun rechten en plichten vastlegde:
In naam van God, de barmhartige, de genaderijke.
Dit is een document van de profeet Mohammed aangaande de betrekkingen tussen de gelovigen en moslims van Quraysh en Yathrib en degenen die hen volgen, zich bij hen hebben aangesloten en zich tesamen met hen inspannen.
Zij zijn één gemeenschap, met uitsluiting van andere mensen.
De Emigranten uit Quraysh doen zoals zij gewoon waren: zij brengen onder elkaar het bloedgeld op en kopen hun gevangenen los, naar recht en billijkheid onder de gelovigen.
De stam ‘Awf doet zoals hij gewoon was: zij betalen gezamenlijk hun vroegere bloedschulden; iedere groep ervan koopt haar gevangenen los, naar recht en billijkheid onder de gelovigen.
De stam Sā‘ida evenzo.
De stam Hārith evenzo.
De stam Djusham evenzo.
De stam Nadjdjār evenzo.
De stam ‘Amr ibn ‘Awf evenzo.
De stam Nābit evenzo.
De stam Aws evenzo.
De gelovigen laten een moslim zonder verwanten onder hen niet in de steek, maar helpen hem naar billijkheid, een loskoopsom of bloedgeld te betalen.
Een gelovige sluit geen verbond met de cliënt van een andere gelovige buiten deze om.
De godvrezende gelovigen treden op tegen ieder die in overtreding is of die onderdrukking, onrecht, verrraad, vijandschap of verdorvenheid tracht te verspreiden onder de gelovigen.
Zij treden gezamenlijk tegen hem op, al was het de zoon van een hunner.
Een gelovige doodt geen gelovige om een ongelovige en helpt geen ongelovige tegen een gelovige.
De bescherming van God is één: de geringste onder hen kan een vreemde bescherming verlenen.
De gelovigen zijn elkaars beschermheren en cliënten, met uitsluiting van andere mensen.
De joden die ons volgen genieten dezelfde hulp en ondersteuning als de gelovigen. Hun mag geen onrecht aangedaan worden en [geen vijand] mag tegen hen geholpen worden.
De vrede van de gelovigen is één. In een strijd voor Gods zaak sluit een gelovige geen vrede buiten een andere gelovige om, tenzij op basis van billijkheid en rechtvaardigheid.
Bij iedere expeditie die met ons uittrekt wisselt men elkaar af.
De gelovigen wreken het bloed van andere gelovigen dat is vergoten voor de zaak Gods.
De godvrezende gelovigen staan onder de beste en meest juiste leiding.
Een heiden verleent geen bescherming aan een bezitting of persoon van Quraysh en neemt geen Qurayshiet in bescherming tegen een gelovige.
Als iemand een gelovige onrechtmatig doodt, en dat is bewezen, dan is hij onderworpen aan de bloedwraak, tenzij de bloedwreker genoegen neemt met bloedgeld. De gelovigen staan als één man tegenover hem; zij zijn verplicht, tegen hem op te treden.
Als een gelovige heeft ingestemd met hetgeen in dit geschrift is neergelegd en gelooft in God en aan de jongste dag, is het hem niet geoorloofd, iemand die er inbreuk op maakt te helpen of toevlucht te verschaffen. Op wie dat doet rusten de vloek en de toorn Gods op de dag der opstanding. Geen berouw of zoengave zal van hem worden aangenomen.
Al hetgeen waarover u onenigheid hebt wordt voor God en voor Mohammed gebracht.
De joden delen in de uitgaven der gelovigen zolang zij in oorlog zijn.
De joden van de stam ‘Awf zijn één gemeenschap met de gelovigen. De joden hebben hun godsdienst en de moslims de hunne. Dit geldt zowel voor hun cliënten als voor hen zelf, met uitzondering van degene die onrechtvaardig of verraderlijk handelt, want hij brengt slechts verderf over zich en zijn familie.
De joden van de stam Nadjdjār: als die van de stam ‘Awf.
De joden van de stam Hārith: evenzo.
De joden van de stam Sā‘ida: evenzo.
De joden van de stam Djusham: evenzo.
De joden van de stam Aws: evenzo.
De joden van de stam Tha‘laba: evenzo.
Djafna, een clan van de stam Tha‘laba: als dezen.
De stam Shutayba: als de joden van de stam ‘Awf.
Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
De cliënten van de stam Tha‘laba: als dezen zelf.
De met de joden verbonden sibben: als dezen zelf.
Niemand treedt uit zonder toestemming van Mohammed.
Een verwonding wordt niet beperkt tot weerwraak.
Wie onverhoeds iemand doodt, doodt zich zelf en zijn familie, behalve als het een onrechtdoener is.
God [staat garant?] voor wie dit trouw vervult.
De joden en de moslims dragen elk hun eigen uitgaven.
Zij helpen elkaar tegen ieder die oorlog voert met de partijen van dit geschrift.
Tussen hen heersen goede wil en oprechte bedoelingen.
Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
Niemand is aansprakelijk voor een misdaad van zijn bondgenoot.
Wie onrecht wordt aangedaan, krijgt hulp.
De joden delen in de uitgaven der gelovigen zolang zij in oorlog zijn.
De kom van Yathrib is gewijde grond voor de partijen van dit document.
De beschermeling is als zijn beschermer, behalve als hij schade toebrengt of verraderlijk handelt.
Aan een vrouw wordt slechts bescherming verleend met toestemming van haar familie.
Wanneer tussen de partijen van dit geschrift iets voorvalt of een twist ontstaat waarvan onheil is te vrezen, dan wordt het voor God en Zijn gezant Mohammed gebracht.
God [staat garant?] voor de meest godvruchtige en trouwe vervuller van dit geschrift[?].
Geen bescherming wordt verleend aan Quraysh of wie hen helpt.
De partijen helpen elkaar tegen ieder die in Yathrib een inval doet.
Wanneer zij tot vrede worden opgeroepen, dan sluiten zij die en houden zich eraan.
Wanneer zij oproepen tot hetzelfde, dan moeten de gelovigen zich daaraan houden, behalve wanneer zij strijden voor de godsdienst.
Iedere groep is verantwoordelijk voor hun deel aan de kant die zij voor zich hebben.2
De joden van de stam Aws, zowel hun cliënten als zij zelf, hebben dezelfde rechten en plichten als de partijen van dit document, bij volkomen plichtsvervulling van de kant van de partijen van dit document.
Plichtsvervulling beschermt tegen trouwbreuk.
Ieder die zich iets op de hals haalt[?], brengt dat over zichzelf.
God [staat garant?] voor de meest oprechte en trouwe vervuller van dit geschrift[?].
Dit document beschermt niet wie onrecht doet of een misdaad begaat.
Zowel degenen die uittrekken als degenen die thuis blijven zijn veilig in de stad, behalve wie onrecht doet of een misdaad begaat.
God is de beschermer van degene die zijn plichten vervult en godvrezend is, en Mohammed is de gezant van God.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 341–44; vert. A. Guillaume, The Life of Muhammad, Oxford 1955, 231–33; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 109–113.
2. De tekst is onduidelijk. Misschien is de verdedigingsgracht bij Medina bedoeld.

Diakritische tekens: Ḥārith, Shuṭayba, Isḥāq

Terug naar Inhoud

Mohammed onderhandelt met Medina (vertaalde tekst)

De eerste ‘Aqaba

Toen God zijn godsdienst wijd en zijd bekend wilde maken, zijn profeet wilde sterken en zijn belofte aan hem wilde vervullen, geviel het dat de Profeet op de jaarmarkt een aantal helpers vond. Ieder jaar zette hij tijdens de jaarmarkt zijn zaak uiteen aan de Arabische stammen, en ditmaal ontmoette hij bij ‘Aqaba een aantal mannen uit de stam Khazradj, met wie God het beste voor had.
‘Āṣim ibn ‘Umar heeft gehoord van enkele oude mannen uit zijn stam: Toen de Profeet deze mannen ontmoette, vroeg hij wie zij waren, en vernam dat zij tot de stam Khazradj behoorden, bondgenoten van de joden. Hij nodigde hen uit te gaan zitten en riep hen op zich te bekeren tot God; hij legde hun de islam uit en reciteerde de koran. Nu had God hen al voorbereid op de islam, want in Medina woonden zij tesamen met de joden, die Schriften en kennis bezaten, terwijl zij zelf heidenen waren, die beelden dienden. Zij hadden in hun gebied de overhand op de joden, maar als er vijandigheid oplaaide zeiden de joden: ‘Weldra zal er een profeet gezonden worden. Zijn tijd is nabij; wij zullen hem volgen en jullie doden met zijn hulp, zoals ‘Ād en Iram zijn gedood.’
Toen zij dan de Profeet hadden aangehoord zeiden zij onder elkaar: ‘Dit is vast de profeet waarmee de joden ons hebben gedreigd. Laten wij zorgen dat zij niet het eerst bij hem zijn!’ Zij gaven dus gehoor aan zijn oproep, zij geloofden hem en werden moslim en zeiden: ‘Wij hebben onze stam verlaten, want geen stam is zo door haat en nijd verdeeld als de onze. Misschien zal God door uw toedoen de eenheid herstellen. Wij zullen teruggaan, onze mensen opwekken tot uw zaak en hun deze godsdienst voorleggen. Als God ons in deze godsdienst verenigt, zal niemand zo machtig zijn als u.’
Hierop verlieten zij de Profeet en keerden als gelovigen naar Medina terug. Daar aangekomen spraken zij met hun stamgenoten over de Profeet en riepen hen op de islam aan te nemen. Weldra breidde die zich uit en werd er in alle huizen van deze ‘Helpers’ (ansār) gesproken over de Profeet.

Het jaar daarop verschenen er twaalf ‘Helpers’ uit Medina op de jaarmarkt te Mekka en ontmoetten de Profeet bij ‘Aqaba. Deze ontmoeting heet ‘de eerste ‘Aqaba’.
Yazīd ibn abī Habīb heeft vernomen van Abū Marthad ibn ‘Abdallāh, en deze weer van ‘Abd al-Rahmān ibn ‘Usayla as-Sanabuhī, die zich beriep op ‘Ubāda ibn Sāmit, die heeft verteld: Ik ben aanwezig geweest bij de eerste ‘Aqaba. Wij waren met ons twaalven en wij zwoeren trouw aan de Profeet op de wijze der vrouwen; dat was voordat het oorlog voeren ons was opgelegd. Wij verplichtten ons, slechts de ene God te aanbidden, niet te stelen, geen ontucht te bedrijven, onze kinderen niet te doden, niet met zelf verzonnen laster aan te komen en de Profeet niet ongehoorzaam te zijn in wat redelijk is. (1) ‘Als jullie je daaraan houden,’ zei de Profeet, ‘valt jullie het paradijs ten deel, maar als jullie een van die dingen begaan is het oordeel aan God: als hij wil straft hij, en als hij wil vergeeft hij.’
Toen deze mannen de Profeet verlieten, stuurde hij Mus‘ab ibn ‘Umayr met hen mee, met de opdracht voor hen de koran te reciteren, de islam te onderrichten en de godsdienst te onderwijzen. Mus‘ab werd in Medina ‘de lezer’ genoemd. Hij woonde bij As‘ad ibn Zurāra.
‘Āsim ibn ʿUmar heeft mij verteld dat Mus‘ab in Medina ook voorging in het gebed, omdat de stammen Aws en Khazradj het niet konden hebben dat iemand uit de andere stam het zou doen.

De tweede ʿAqaba

Toen keerde Mus‘ab naar Mekka terug. In het volgende jaar trokken de Helpers, tesamen met de pelgrims uit hun stam die nog heiden waren, naar Mekka naar de jaarmarkt. Zij spraken af de Profeet in ‘Aqaba te ontmoeten op de middelste van de tashrīq-dagen.
Ma‘bad ibn Ka‘b ibn Mālik heeft mij verteld dat zijn broer ‘Abdallāh, een van de best geïnformeerde mannen onder de Helpers, hem het volgende verhaal heeft gedaan van hun vader, die aanwezig was geweest in ‘Aqaba, bij de eed van trouw aan de Profeet:
Wij gingen ter bedevaart met onze heidense stamgenoten. Wij verrichtten toen al de salaat en hadden onderwijs in het geloof ontvangen. Barā’ ibn Ma‘rūr, onze leider en oudste, ging met ons mee. Toen wij Medina hadden verlaten en aan de tocht waren begonnen, zei Barā’: ‘Ik ben tot een overtuiging gekomen waarvan ik niet weet of jullie het ermee eens zijn. Ik vind, dat ik dat gebouw (hij bedoelde de Ka‘ba) niet mijn rug moet toekeren tijdens het gebed, maar mij er naar toe moet wenden.’ Wij brachten daartegen in dat de Profeet, voor zover wij wisten, zich altijd naar Syrië richtte bij het gebed, en dat wij daarvan niet wilden afwijken. Maar hij hield vol dat hij zich naar de Ka‘ba zou richten. En voortaan, als het tijd was voor het gebed, richtten wij ons naar Syrië, terwijl hij zich inderdaad op de Ka‘ba oriënteerde. Zo ging het tot wij in Mekka aankwamen. Wij hadden er wel bezwaar tegen gemaakt, maar hij was bij zijn standpunt gebleven. In Mekka zei hij tegen mij: ‘Beste neef, laten we naar de Profeet gaan en zijn oordeel vragen over wat ik onderweg heb gedaan, want het hindert mij dat jullie het niet met mij eens zijn.’ Dat deden wij; maar omdat wij Mohammed niet kenden en hem nog nooit hadden gezien, vroegen wij aan een Mekkaan die wij tegenkwamen, waar hij te vinden was. Deze man zei: ‘Kennen jullie hem niet? Maar misschien kennen jullie zijn oom ‘Abbās wel?’ Dat was inderdaad zo, want ‘Abbās kwam altijd bij ons als koopman, en de man vervolgde: ‘Als jullie de moskee binnenkomen is het de man die naast ‘Abbās zit.’ In de moskee troffen wij inderdaad ‘Abbās aan, en de Profeet zat naast hem. Wij groetten en gingen erbij zitten, en de Profeet vroeg aan zijn oom:
‘Kent u deze twee mannen?’
‘Ja zeker,’ antwoordde hij, ‘de ene is Barā’ ibn Ma‘rūr, de leider van zijn stam, en de andere is Ka‘b ibn Mālik.’
Nooit zal ik vergeten hoe de Profeet daarop uitriep: ‘De dichter?’
Nu wendde Barā’ zich tot de Profeet en zei: ‘Profeet Gods, ik heb deze tocht ondernomen toen God mij al tot de islam had geleid, en ik meende dat ik dit gebouw niet mijn rug kon toekeren bij het gebed, maar mij ernaar toe moest wenden. Mijn metgezellen waren het daarmee echter niet eens, en dat hindert mij. Wat denkt u ervan?’ De Profeet antwoordde: ‘Als u daarbij bleef had u een gebedsrichting gehad.’ Barā’ nam daarop de gebedsrichting van de Profeet weer aan en richtte zich weer naar Syrië, net als wij. Weliswaar beweert zijn familie dat hij zich tot zijn dood op de Ka‘ba bleef oriënteren, maar dat is niet zo; wij weten daar meer van dan zij.

Toen wij de bedevaart volbracht hadden en de avond aanbrak die wij met de Profeet hadden afgesproken, ging ‘Abdallāh ibn ‘Amr Abū Djābir, een van onze edelen en leiders, met ons mee. Hij was aanvankelijk nog geen moslim geweest en wij hadden onze zaak voor onze heidense stamgenoten geheim gehouden, maar hem hadden wij overreed: ‘Abū Djābir, jij bent een van onze leiders en edelen, en wij willen je afhelpen van je ongeloof, want anders ben je morgen brandhout voor het hellevuur.’ Toen hadden wij hem opgeroepen, zich tot de islam te bekeren en hem op de hoogte gebracht van onze afspraak. Hij werd moslim, nam met ons deel aan de ‘Aqaba en werd een van de ‘Hoofdmannen’.
Het eerste derde deel van die nacht sliepen wij bij onze stamgenoten en de bagage. Toen slopen wij heimelijk en onhoorbaar als zandhoenders naar onze afspraak met de Profeet, bij het ravijn van ‘Aqaba. Wij waren met drieënzeventig man en twee vrouwen. In dat ravijn wachtten wij tot de Profeet eraan kwam, tesamen met zijn oom ‘Abbās. Die was toen nog heiden, maar hij wilde erbij zijn om erop toe te zien dat zijn neef behoorlijke garanties kreeg. Nadat hij was gaan zitten nam ‘Abbās als eerste het woord: ‘Mannen van Khazradj,’—want de Arabieren gebruikten die naam om de beide stammen uit Medina aan te duiden, Aus én Khazradj—‘jullie weten, welke plaats Mohammed bij ons inneemt. Wij hebben hem beschermd tegen onze stamgenoten, die net zo over hem denken als wij. Hij leeft hier in aanzien en goed beschermd bij zijn stam. Maar nu wil hij zich beslist bij u aansluiten. Als u denkt dat u kunt nakomen wat u hem hebt beloofd en hem kunt beschermen tegen zijn tegenstanders, neemt het dan op u. Maar als u denkt dat u hem gaat uitleveren en in de steek laten als hij eenmaal bij u is, laat hem dan liever dadelijk met rust, want hier is hij in aanzienen goed beschermd.’ Wij antwoordden: ‘Wij hebben gehoord wat u hebt gezegd. Profeet, spreek nu zelf en kies voor u zelf en voor uw Heer wat u wilt.’
De Profeet nam het woord, reciteerde de koran, riep de mensen op, zich tot God te bekeren en wekte in hen het verlangen naar de islam. Daarop zei hij: ‘Ik zweer u trouw, op voorwaarde dat u mij beschermt zoals u het uw vrouwen en kinderen zou doen.’ Toen nam Barā’ ibn Ma‘rūr zijn hand en zei: ‘Ja, bij Hem die u als profeet heeft gezonden met de waarheid: wij zullen u beschermen als onze vrouwen. Wij zweren u trouw, Profeet, en in een oorlog staan wij onze man: wij hebben wapens die wij van vader op zoon hebben overgeërfd.’ Terwijl Barā’ nog sprak, viel Abū Haytham ibn Tayyihān hem in de rede en zei: ‘Profeet, wij hebben banden met die mannen daar’—hij bedoelde de joden in Medina—‘en als wij die breken, dan gaat u misschien, als God u de overwinning heeft gegeven, terug naar uw stam en laat ons achter?’ De Profeet glimlachte en zei: ‘Nee, bloed is bloed, en ongestraft vergoten bloed is ongestraft vergoten bloed. Ik hoor bij u en hoort bij mij. Ik beoorloog wie u beoorlogen, ik leef in vrede met degenen met wie u in vrede leeft. Brengt mij twaalf hoofdmannen uit uw midden, die de leiding kunnen nemen in uw aangelegenheden.’ Dat deden zij; ze kozen negen hoofdmannen uit de stam Khazradj en drie uit de stam Aws.
Tot deze Hoofdmannen zei de Profeet, volgens de overlevering van ‘Abdallāh ibn abī Bakr: ‘Jullie staan borg voor jullie stam, net als de discipelen voor Jezus, de zoon van Maryam. En ik sta borg voor mijn volk,’ waarmee hij de moslims bedoelde. Zij stemden toe.
‘Āsim ibn ‘Umar heeft mij het volgende verteld: Toen zij dan allen bijeen waren om de Profeet trouw te zweren, zei ‘Abbās ibn ‘Ubāda, een van de Helpers: ‘Mannen van Khazradj! Beseffen jullie wel waarin jullie deze man trouw zweren? Jullie beloven hem oorlog te voeren tegen de hele wereld! Als jullie denken dat je hem in de steek zult laten als jullie geen bezit meer over hebben en al je edelen zijn gedood, dan kun je het beter nu al doen, want anders lijd je verlies, zowel in deze wereld als in het hiernamaals. Maar als jullie hem bij al die tegenslagen trouw denken te blijven in deze zaak, neem het dan op je, want dat is het beste in zowel deze wereld als het hiernamaals!’
‘Wij nemen het aan,’ zeiden zij, ‘zelfs in tegenspoed. Maar wat krijgen wij ervoor, Profeet, als wij trouw blijven?’
‘Het paradijs,’ zei de Profeet.
‘Strek dan uw hand uit,’ en daarop zwoeren zij hem trouw.
‘Āsim voegde eraan toe: Dat zei ‘Abbās ibn ‘Ubāda alleen om het verbond met de Profeet bindender te maken. Maar ʿAbdallāh ibn abī Bakr meent dat hij dat zei om de mensen die nacht wat langer bijeen te houden, want hij hoopte dat ‘Abdallāh ibn Ubayy ibn Salūl nog zou komen en wat meer gewicht in de schaal zou leggen. Maar God weet het best wat het geval was.

Voorwaarden van de Tweede ‘Aqaba. Het bevel tot de strijd

Toen God de Profeet toestemming gaf om te strijden bevatte de tweede ‘Aqaba andere voorwaarden dan de eerste ‘Aqaba. De eerste ‘Aqaba was een eed van trouw op de wijze der vrouwen, omdat God zijn Profeet toen nog niet had toegestaan oorlog te voeren. Maar nu, bij de laatste ‘Aqaba, zwoeren zij hem, tegen iedereen oorlog te zullen voeren voor God en Zijn gezant, terwijl hij hun als beloning voor hun trouw het Paradijs beloofde.
‘Ubāda ibn Walīd levert over van zijn vader, dat zijn grootvader ‘Ubāda ibn Sāmit, een van de Hoofdmannen, die ook bij de eerste ‘Aqaba aanwezig was geweest, heeft verteld: Wij zwoeren de Profeet oorlog te zullen voeren en onvoorwaardelijk te zullen gehoorzamen, in voorspoed en tegenspoed, willens of onwillens, dat wij zijn huis de macht niet zouden betwisten, dat wij altijd en overal de waarheid zouden spreken en dat wij niemands kritiek zouden vrezen.
Vóór de eed van trouw in ‘Aqaba was het de Profeet niet toegestaan, oorlog te voeren en bloed te vergieten. Hij had alleen de opdracht gekregen de mensen op te roepen tot God, beledigingen te verdragen en onwetenden te vergeven. Quraysh had zijn volgelingen onder druk gezet tot zij van hun geloof afvielen of het land ontvluchtten. Zij hadden voor de keus gestaan: hun geloof op te geven, mishandeld te worden of te vluchten, naar Ethiopië, naar Medina of nog ergens anders heen.
Toen de Qurayshieten hovaardig werden tegen God, de eer die Hij hun wilde verlenen afwezen, Zijn profeet voor leugenaar verklaarden en mishandelden, en verjoegen wie Hem dienden, Zijn eenheid beleden en Zijn profeet geloofden en aan diens godsdienst vasthielden, toen gaf God Zijn gezant toestemming, te strijden en zich te wreken op degenen die hem en de zijnen onrecht deden en hard vielen. Het eerste koranvers dat hierover werd geopenbaard was, volgens ‘Urwa en andere geleerden: Aan hen die bestreden worden, wordt toestemming gegeven [te strijden], omdat hun onrecht is aangedaan—God heeft de macht, hen te helpen—hen, die onrechtmatig uit hun woningen verdreven zijn, alleen omdat zij zeggen: ‘Onze Heer is God’. Als God de mensen niet elkaar had laten weerhouden zouden kluizenarijen, kerken, synagogen en bedeoorden waarin Gods naam veel genoemd wordt zijn verwoest. Maar God zal zeker helpen wie Hem helpen—God is sterk en machtig—: diegenen die, als Wij hun macht geven op aarde, de salaat verrichten, de zakaat opbrengen, gebieden wat behoorlijk is en verbieden wat verwerpelijk is. God komt de uiteindelijke beslissing toe. [koran 22:39-41]
Daarna openbaarde God: Bestrijdt hen tot er geen verzoeking meer is en de godsdienst aan God behoort. [k. 2:193]
Toen God Zijn profeet toestemming had gegeven om te strijden en de Helpers hem trouw hadden gezworen in de islam en hadden beloofd hem, zijn volgelingen en de moslims die toevlucht bij hem zochten te helpen, toen beval de Profeet zijn gezellen uit Mekka, zowel zijn stamgenoten als de anderen, naar Medina te trekken, de hidjra daarheen te maken en zich aan te sluiten bij de Helpers, hun broeders. Hij zei: ‘God heeft jullie broeders geschonken en een woonplaats waar jullie veilig kunnen wonen.’ Zij vertrokken in groepen na elkaar. De Profeet bleef nog in Mekka, in afwachting van Gods toestemming om eveneens uit Mekka te vertrekken en de hidjra naar Medina te ondernemen.

Bron: Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 290–300 (verkort); Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 93–98.

NOOT
1. Vgl. koran 60:12.

Diacritische tekens: ʿAqaba, ʿĀṣim ibn ʿUmar, ʿĀd, anṣār, Ḥabīb, ʿAbd al-Raḥmān ibn ʿUsayla as-Ṣanabuḥī, ʿUbāda ibn Ṣāmit, Muṣʿab, Ṭayyihān

Terug naar Inhoud