Broodjes aap. Sterke verhalen uit de Arabische Oostindische Compagnie

Sinds ongeveer 800 na Christus, zeg maar sinds Hārūn al-Rashīd bestond er een georganiseerde scheepvaart vanuit het Abbasiedenrijk naar de Oost, vanuit de Iraakse haven Basra, maar ook vanuit het Perzische Siraf. Die scheepvaart was privé ondernemerschap: iemand met geld kon dat beleggen in een schip en koopwaar; hij zette er een kapitein op en hoopte maar dat het schip behouden en overladen met kostbare spullen uit India, Indonesië of China zou terugkeren. De schepen waren klein, de risico’s waren enorm en de winsten waren superwinsten. Een overkoepelende organisatie was er niet, maar de schippers kenden onder elkaar wel solidariteit en hielpen elkaar onderweg naar mogelijkheid op informele wijze.
Eén zo’n zeevaarder is Sindbad uit Duizendeneen Nacht. Al is hij een fictief persoon, de verhalen over hem geven toch een zeker beeld van die zeevaart, en zeker van de sterke verhalen waarmee de zeelui terugkwamen. Niet fictief bedoelde verhalen en berichten zijn nauwelijks realistischer. De vertellende kapiteins en matrozen zijn voorlopers van de latere Nederlandse en Engelse scheepskapiteins.

Hieronder wat zeemansverhalen uit de negende en tiende eeuw, waaruit blijkt dat tussen mensen en apen niet altijd scherp onderscheiden werd.1 Het was blijkbaar voor veel mensen niet eenvoudig om de soorten uit elkaar te houden. De Arabieren dachten dat de zwarten uit Afrika en de primitieve volkeren uit Centraal-Azië geen ziel hadden. Europeanen zouden later hetzelfde denken van de zwarten in Afrika, wat de slavenhandel zeer vergemakkelijkte. Ik herinner eraan dat nog in het midden van de negentiende eeuw een Belgische scheepskapitein in West-Afrika een tienjarig negerslaafje cadeau kreeg, dat hij schonk aan …. de Zoo van Antwerpen, waar het sindsdien de vogels verzorgde maar tegelijk zelf als bezienswaardigheid gold. In de negentiende en twintigste eeuw stelde men in Europa graag exotische volkeren ten toon in dierentuinen, circussen en op koloniale tentoonstellingen, ook op die te Amsterdam in 1883. En menig Nederlander in Indië zag na een paitje of twee, drie ook niet meer zo goed en sprak over de inlanders als monyet, ‘apen’. De roodbedonsde ‘mensen’ in het eerste fragment hieronder moeten wel orang oetans zijn.

  • Daar [nl. op het eiland Rami, dat is Sumatra] leven in de wouden naakte mensen wier taal onverstaanbaar is, want het is alleen maar gefluit. Zij zijn klein en mensenschuw; hun lengte bedraagt vier span, mannen en vrouwen hebben kleine geslachtsdelen. Hun hoofdhaar is een rood dons. Zij klauteren in bomen alleen met hun handen, zonder hun voeten neer te zetten.
    In de zee heb je daar witte mensen, die zwemmend schepen inhalen met de snelheid van de wind. Zij verkopen amber voor ijzer, dat zij dan in hun mond vervoeren.
  • Er is ook een eiland waar zwarte mensen met kroeshaar wonen, die mensen levend in plakken snijden en opeten.2
  • Muḥammad ibn Bābishad vertelde mij dat in de buurt van Sanfīn, in de dalen Lameri en Qaqula reusachtige apen leven. Iedere groep daarvan heeft een leider die nog groter is dan de andere. Soms komen zij uit de bossen naar de doorgaande wegen toe, slaan de reizigers en versperren hun de weg, tenzij die hun een beest geven, een schaap of een koe, of iets anders eetbaars. Naar hij vertelt was het meer dan eens voorgekomen dat die apen hun de weg versperden, hun kleren scheurden, hen van alle kanten overvielen en hun waterzakken kapotsneden, hoewel zij zich in een woestenij bevonden ver van ieder water. Dan gaven zij die apen iets en dan werden ze met rust gelaten, maar dan zaten ze wel zonder water. Het merendeel van hen stierf van dorst en slechts weinigen wisten de volgende drinkplaats te bereiken.3
  • Een man vertelt mij op gezag van een matroos op een schip van hem, dat hij in het jaar 309 [dat is 912 AD] op een schip van een van zijn kapiteins naar Qaqula was gevaren. Ze kwamen behouden aan, brachten hun waar aan land en vervoerden een deel naar een stad op zeven dagreizen van zee. Ze trokken de boot aan land in een kleine baai op drie, vier parasangen van Qaqula, wierpen een dam op tussen het schip en de zee, dekten het af en zetten er palen omheen waarmee ze het stutten. Dan vertelt de matroos: ‘Ze lieten mij achter met de nodige leeftocht en gingen allemaal op weg naar die stad, waar ze zouden blijven om handel te drijven. Toen ze weg waren verscheen er een stel apen die om het schip heenliepen en aan boord probeerden te klauteren, maar ik gooide ze met stenen. Eén behoorlijk grote apin liet zich niet wegjagen en zag kans via een zijkant van de boot aan boord te komen. Ik zat net te eten en gooide haar een stuk brood toe, dat zij opat. Ze bleef een poosje bij me en ging toen weer van boord. Ze bleef weg tot de avond, toen verscheen zij opnieuw met in haar bek een tros van ongeveer twintig bananen. Ze gaf een schreeuw, ik ging kijken en ze klom aan boord. De bananen legde ze voor mij neer en ik at er een paar op. Daarna bleef ze bij me, en ze liep af en aan met bananen en fruit uit dat groene dal. De nacht bracht ze door op het schip, vlak naast mij. Zo wekte ze mijn begeerte en ik sliep met haar. Nauwelijks waren er drie maanden voorbij of ze werd dikker en begon te lopen als een zwangere vrouw. Ze wees op haar buik en zo begreep ik dat ze zwanger van mij was. Ik kreeg het erg te kwaad en was bang voor de schande als de mannen terug zouden komen en zouden zien wat er aan de hand was. Uit schaamte nam ik de sloep van het schip en bevestigde er een mast, zeilen en een anker aan. Ik zorgde voor waterzakken en proviand, pakte mijn kleren en wat ik verder nog had en bracht het aan boord. Ik wachtte een ogenblik af dat de apin er niet was, ging aan boord van de sloep en voer uit, het grote risico op de koop toe nemend. Het schip liet ik onbemand achter. Na meer dan twintig zām landde ik op een van de Andamanen, nadat ik bijna omgekomen was van ellende, en ik verbleef enige dagen op dat eiland om tot mezelf te komen. Ik dronk van het zoete water dat daar was, at vruchten en bananen en herstelde. Op dat eiland heb ik niemand gezien behalve een paar vissers in bootjes die tussen de bomen aan land gingen. Toen ging ik de zee weer op, zonder te weten waar ik terecht zou komen, en voer ongeveer 70 zām tot ik belandde ik op een eiland dat Badfār Kalah (?) heette. Daar bleef ik tot ik weg kon komen naar Kalah. Na enige tijd ontmoette ik de eigenaar en de opvarenden van mijn schip en vroeg wat hun was wedervaren. Ze zeiden dat ze naar die plek waren teruggekeerd en aan boord van het schip een apin hadden aangetroffen die een paar aapjes ter wereld had gebracht, met gezichten die op mensengezichten leken, met onbehaarde borst en met staarten die veel korter waren dan apenstaarten. Ze hadden al gedacht dat die apin zwanger was geworden van mij en dat ik gevlucht was in de sloep, omdat zij niets misten behalve de sloep en mijn spullen. Sommigen dachten dat de apin mij had gedood en dat de sloep was gestolen door een passant of een visser; ze lieten het in het midden. De apin en haar kroost hadden ze met stenen weggejaagd.
    Mijn zegsman vertelde nog dat die matroos erg slecht zag en dat hij desgevraagd had gezegd: ‘Ik zag zo slecht dat ik niet merkte dat ik met een apin sliep. Tijdens mijn verblijf op zee was mijn gezichtsvermogen steeds slechter geworden.’4
  • In een van de dorpen te …. zag iemand een aap in het huis van een koopman, die zijn bediende was. Hij veegde het huis aan, opende en sloot de deur voor bezoekers, stak het vuur aan onder de kookpot, blies het aan tot het goed brandde, voedde het met brandhout, joeg de vliegen weg van tafel en wuifde zijn meester koelte toe met een waaier.5
  • In Zafār, een stad in Jemen, was er een smid die een aap had die de hele dag de blaasbalg bediende. Die aap bleef ongeveer vijf jaar bij hem. Ik ben verscheidene malen in die stad geweest en telkens zag ik dat dier bij hem.6
  • Iemand heeft mij verteld over een aap die verbleef in het huis van een man in een stad ergens in Jemen. Die man kocht vlees en bracht dat mee naar huis en gaf de aap een teken dat hij erop moest passen. Toen kwam er een zwarte wouw aangevlogen die voor de ogen van de verblufte aap het vlees wegpikte. Op de binnenplaats van het huis stond een boom. De aap klom helemaal naar boven en wendde zijn kont naar de lucht, met zijn voorpoten ernaast, terwijl hij zijn kop naar beneden liet hangen. De wouw hield dat achterwerk voor een stuk van de hoeveelheid vlees die hij had weggepikt. Hij stortte zich erop, maar toen greep de aap hem vast en bracht hem naar beneden in het huis. Hij legde hem onder een schaal die hij toedekte met een zwaar voorwerp. Toen de huisheer terugkwam zag hij het vlees niet en ging op de aap af om hem een paar klappen te geven. De aap liep naar die schaal en haalde de wouw tevoorschijn. Toen begreep de man wat er gebeurd was. Hij nam de vogel, plukte hem kaal en kruisigde hem aan de boom.7

NOTEN
1. Remke Kruk, Traditional Islamic Views of Apes and Monkeys, in, Ape, Man, Apeman. Changing Views since 1600, ed. R. Corbey & B. Theunissen, Department of Prehistory, Leiden University 1995, 29–38. Hier te downloaden.
2. De eerste drie fragmenten zijn uit Ibn Khurdhādhbeh, Kitāb al-masālik wal-mamālik, uitg. M.J. de Goeje, Leiden 1889, 65. De wezens in de twee laatste fragmenten zijn inderdaad mensen. Hadden die ‘witte’ mensen zich misschien wit geschilderd? Zoiets zie je wel eens op foto’s.

وبها ناس عراة في غياض لا يفهم كلامهم لأنه صفير وهم صغار يستوحشون من الناس طول الإنسان منهم أربعة أشبار للرجل ذَكر صغير وللمرأة فرج صغير شعر رؤوسهم زَغَب أحمر يتسلقّون على الأشجار بأيديهم من غير أن يضعوا أرجلهم عليها.
وفي البحر ناس بيض يلحقون المراكب سباحةً والمركب في سرعة الريح يبيعون العنبر بالحديد يحملوته في أفواههم.
وجزيرة فيها ناس سود مفلفلون يأكلون الناس أحياءً يشرّحونهم تشريحًا.

3. Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjāʾib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling), 66-67. Deze booswichten lijken mij wat te groot, te onvegetarisch, te slim en te onhebbelijk om apen te kunnen zijn.

وذاكرت محمد بن بابشاد في حديث القردة وما يحكي عنها فحدثني بصفات كثيرة من أحاديثهم. فمما حدثني به أن بنواحي صنفين وبوادي لامري وبوادي قاقلة قردة في نهاية الكبر وأنّ لكل فرقة منها أمير خلقته أعظم من خلق باقيها وأنّهم ربّما خرجوا من الغياض الى الطرق والمسالك فتضرب السفّارة فتمنعهم السبيل دون أن يعطوهم شيئًا من الحيوان مثل الغنم والبقر وغير ذلك من المأكولات. وذكر محمد بن بابشاد أنه حدثه غير واحد أنه اجتاز على قطعة منهم مع جماعة معه فمنعوهم من المشي فحاربوهم فمزّقوا ثيابهم وتواثبوا عليهم من كل مكان وقطعوا قربهم وهو في مفازات بعيدة عن الماء فأعطوهم شيئًا فتركوهم ولا ماء لهم. فمات أكثر القوم عطشًا ولم يصل منهم الى الماء الثاني الاّ القليل.

4. ibidem, 67-70. Mensen kunnen geen kinderen krijgen bij apen; als dat wel het geval was hadden we het allang gemerkt. De jonge moeder moet dus echt een inlandse vrouw zijn geweest … .

وحدثني أن رجلاً من بانانيّة مركب كان له حدثه أنه خرج في سنة تسع وثلثمائة في مركب لبعض النواخذة إلى قاقلة فانهم وصلوا بالسلامة ونجلوا أمتعتهم إلى البرّ وحملوا بعض الأمتعة إلى بلد بينه وبين البحر مسيرة سبعة أيّام ونحوها. فلما حملوا تلك الأمتعة إلى ذلك البلد رفعوا المركب في خَور صغير على ثلثة فراسخ من قاقلة أو أربعة وسدّوا بينه وبين البحر وجلّلوه وأقاموا الخشب حولها وسنّدوه. قال هذا البناني وتركوا معي من الزاد حاحتي ومضوا بأسرهم إلى تلك المدينة فأقاموا في بيعهم وشرايهم فلمّا بعدوا عني جاءني عدة من القِرَدة فطافوا حول المركب وراموا الصعود اليّ فرميتهم بالحجارة ولاحقتْ المركب قردة لها خلق وجثة فطردتها فلم تبرح فسارقتني من بعض جوانب المركب فصعدتْ اليّ فلما حصلت معي في المركب وكنت آكل فطرحت لها كسرة من خبز فأكلته وأقامت عندي ساعةً ثم نزلت فغابت عن عيني إلى العَشيّ ثم وافت وفي فمها قنو صغير فيه نحو من عشرين موزة فصاحت فتطلّعت اليها فصعدت الى المركب فوضعت الموز بين يديّ فأكلت وأقامت عندي بعد ذلك قكانت تغيب وتجيء بالموز والفاكهة التي في تلك الغَوطة وصارت تبيت معي في المركب والى جانبي فشاقت نفسي اليها فوطيتها فما مضت ثلثة أشهر في مقامي في الموضع حتى ثقلت وجعلت تمشي متحاملة وأومت الى بطنها فعلمت أنها قد حملت منّي. فورد عليّ من ذلك أمر عظيم فخفت الفضيحة متا جاء القوم وشاهدوا الأمر. فحملني الحياء الى أن أخذت دونيج المركب وحملت لها دقلا وشراعا وأنجرا وجعلت فيه قرب ماء وزادا وأخذت ثيابي وما كان معي وحملته فيه. وتعمدت وقتا تغيب فيه القردة فنزلت الى الدونيج ودخلت البحر على غرر عظيم وخطر شديد. وتركت المركب ليس معه أحد فسرت نيفا وعشرين زاما ووقعت الى جزيرة من جزائر أندمان بعد أن كدت الى أن أتلف لعظيم ما مرّ بي من الشدّة. فأقمت في تلك الجزيرة أياما حتى استرحت وأخذت من ماء عذب كان فيها ملؤ قربة ومن ثمار فيها وموز وأصلحت أمري. ولم أكن رأيت بالجزيرة أحدا الاّ الصيادين في قوارب ينزلون بين الشجر. فسرت في البحر لا أدري أين آخذ ولا أهتدي نحو سبعين زاما، فوقعت في جزيرة يقال لها بدفاركله فأقمت بها الى أن خرجت منها الى كله فخرجت منها فلقيت بعد ذلك بزمان صاحب ذلك المركب وقوم راكبون فيها، فقلت: ما شأنكم؟ فقالوا إنهم وردوا الموضع فوجدوا في المركب قردة قد وضعت قردا أو قردين وجوههم تشبه وجوه بني آدم سواء وصدورهم لا شعر عليها وأذنابهم فيها قصر عن أذناب القرود، وظنّوا أن القردة حملت من ذاك الباناني وأنه هرب في الدونيج، لأنهم ما فقدوا شيئا غير الدونيج وآلته وأنّ بعضهم ظنّ أنّ القردة قتلته وأنّ الدونيج سرقه مجتاز أو صيّاد ورجموا الظنون ورموا بالقردة وأولادها. قال لي محمد بن بابشاد: وكان هذا الباناني الذي حدّثني ضعيف البصر جدّا، فسألته عن ذلك، فقال: ضعف بصري لمّا كنت أجامع القردة، وزاد في ضعفه طول مكثي في البحر.

5. ibidem, 77. @Arab.tekst ontbreekt nog.@
6. ibidem, 77–78. @Arab.tekst ontbreekt nog.@
7. ibidem, 78. @Arab.tekst ontbreekt nog.@

Diakritische tekens:  Ṣanfīn, Ẓafār

Terug naar Inhoud

Sindbad de Zeevaarder

De cyclus over Sindbad de Zeevaarder is één van mijn favorieten uit De Duizend-en-één-nacht.1
Zeven maal vertrekt Sindbad vanuit Irak per schip naar het oosten. Zevenmaal heeft hij te lijden onder schipbreuken, onbekende zeeën, gevaarlijke dieren en monsters, en inheemse bevolkingen met bizarre of wrede gewoonten. En alle zeven maal is hij flinker dan zijn  reisgenoten en weet hij zich weer te redden – zij het uiteraard met goddelijke bijstand. Na zeven reizen heeft hij er genoeg van en leeft hij nog lang en gelukkig, met de echtgenote en de enorme rijkdom die hij op zijn tochten en passant heeft opgedaan, en met een goede vriend.
Sindbad is een voorafschaduwing van de latere Europese zeevaarders. Hij trekt oostwaarts in het kader van de Indiëvaart die vanuit Baghdad en de zeehaven Basra sinds de negende eeuw werd bedreven. India, Indonesië en China werden regelmatig bevaren door Arabische schepen, die beladen met specerijen, edelgesteenten en allerlei exotica terugkeerden. De scheepskapiteins vormden, althans in deze verhalen, een soort informele Oostindische Compagnie, waarin het idyllisch toegaat. Waar Sindbad ook maar aanspoelt of vastloopt, altijd komt er wel een Arabisch schip langs met een behulpzame bemanning. Soms blijkt aan boord nog koopwaar van hem te liggen. Zodra hij heeft aangetoond dat die van hem is worden de zorgvuldig bewaarde goederen hem teruggegeven en krijgt hij passage naar huis.
Tot de kostbaarheden die de Indiëvaart opleverde behoorden ook verhalen. De notie van het ‘mysterieuze oosten’ is niet uitgevonden door Europese oriëntalisten, zij bestond al eeuwen onder Arabische vertellers en werd gekoesterd door een publiek dat zich door hun verhalen zowel liet onderwijzen als amuseren. Verhalen als die van Sindbad, over avonturen en over de ‘wonderen van India’, hebben de Arabieren eeuwenlang geboeid. Het blijken de voorlopers te zijn van wat bij voorbeeld Hollandse reisschrijvers in de zeventiende eeuw te vertellen hadden over hun ‘wonderbaerlijcke voyagiën’.
Zeer herkenbaar is Sindbads motivering voor zijn reizen. De eerste reis onderneemt hij omdat hij bijna blut is; later, als hij allang binnen is, gaat hij uit verlangen ‘om handel te drijven en winst te maken,’ maar ook ‘om de wereld te zien, de zee te bevaren, onder kooplieden te verkeren en de wederwaardigheden van de mensen te vernemen.’ Hij is te ongedurig om thuis te zitten; zijn weelde verveelt hem. Eenmaal voert hij zelfs aan dat hij reist omdat het hem zo leuk lijkt, na terugkeer zijn vrienden en geliefden en zijn land weer te zien. Een welhaast modern mens.
Afkeurenswaardig vindt hij deze verlangens wel. Als directe drijfveer tot zijn reizen verwijst hij meermalen naar ‘de ziel die aanzet tot het kwaad’, een begrip uit de koran. Het is de zonde die hem in beweging zet, en de zee waarop hij zich moedwillig begeeft is op te vatten als de chaos, de verblijfplaats van het boze. Nog negatiever wordt geoordeeld over zijn korte excursie in de ruimte. Sindbad klimt niet op tot God, en naar het islamitische paradijs streeft hij evenmin. Hij spartelt en dobbert maar wat totdat hij tenslotte rust vindt bij zich zelf.
Is het maken van superwinsten ook afkeurenswaardig? Bij deze vroege Indiëvaart was er gelijkwaardigheid tussen de handelspartners, dus uitbuiting van inlanders was niet aan de orde. Maar die domme luitjes weten meestal niet eens over wat voor kostbaarheden ze beschikken, en Sindbad behandelt ze vaak wreed. Hij blijft toch wat vaag over zijn inkomsten, wat misschien op een zeker schuldgevoel wijst. Een vlot dat hij eens bouwt om zich te redden blijkt onverwacht van kostbaar sandelhout te zijn; ook diamanten en andere kostbaarheden vallen hem zomaar toe. Als we hem moeten geloven is hij alleen door Gods genade rijk geworden; hij kan er zelf niets aan doen. Verdiend heeft hij het echter toch, volgens hemzelf: als je zoveel ellende hebt doorstaan is het billijk dat je er iets aan overhoudt.
Gelukkig geldt dat ook voor het andere personage uit deze verhalen: Sindbad de Landman, een sjouwer die een hoop ellende meemaakt – en wel, anders dan zijn naamgenoot, buiten zijn schuld. De zeven verhalen die de Zeevaarder vertelt zijn gevat in een raamvertelling, die begint met het tafereel van deze arme sjouwer die enigszins verbitterd, maar uiteindelijk berustend in het standsverschil, staat uit te blazen voor het prachtige huis van de Zeevaarder. Deze haalt hem binnen, gebruikt hem als publiek voor zijn verhalen, en laat hem delen in zijn weelde: hij trakteert hem, geeft hem flinke uitkeringen en wordt zijn vriend. Zo ontlast hij zich van wat goud en wat schuldgevoel, en daar schuilt blijkbaar de moraal. Rijkdom is goed, maar die moet wel gedeeld worden, en via de Zeevaarder verlost de barmhartige God ook de Landman uit zijn ellende.
Er is ook een lijn te trekken van Sindbads verhalen naar moderne geweld- en horrorfilms. De grot vol beenderen en rottende lijken waarin Sindbad na de dood van zijn Indische vrouw wordt gesmeten, en waar hij zich in leven weet te houden met de leeftocht van de nieuw aangekomen weduwen en weduwnaars, die hij doodslaat met een bot, zou overtuigend werken op het witte doek, evenals de episode met de cycloop.

NOTEN:
1. De vertellingen van duizend-en-één-nacht. Vert. Richard van Leeuwen, ill. Jean-Paul Franssens, Amsterdam (Uitg. Bulaaq) 1995, deel 7/8, blz. 425–498. Welke Arabische uitgave moet je hebben? Er komt er maar één in aanmerking: die van Bulaaq 1252, dat is 1835 in de christelijke jaartelling! Niet dat die zo goed is, maar hij is beter dan nieuwere, vooral omdat er tegenwoordig vaak gecensureerd wordt. Die oude uitgave is meermalen heruitgegeven, als fotocopie van het origineel.

Terug naar Inhoud

De arabisering van de bijbel

JezusverjaagthandelaarsIn kinderbijbels en bijbelfilms uit Hollywood lopen de Palestijnen uit de tijd van Jezus vaak in kleding die Arabisch aandoet. De arabisering van de bijbel was een proces dat eeuwen heeft geduurd. Toen er sinds de kruistochten superieure stoffen uit het Nabije Oosten werden geïmporteerd trok men de bijbelse figuren oosterse kleren aan in plaats van de Europese, die op oudere schilderijen nog voorkwamen. Ook Rembrandt moet een kist met Turkse kleren bij de hand gehad hebben. Natuurlijk was men zich ervan bewust dat de bijbelse verhalen zich in Palestina, dus in de zogenaamde Oriënt hadden afgespeeld, al wordt de ambiance van de bijbel nooit zo ‘oosters’ als de echte Arabische wereld. De Oriënt was gewoon te wuft voor christelijke doeleinden.
In de 19e eeuw, toen de tot op heden beeldbepalende illustraties bij de bijbel ontstonden, heeft men naar de kleding gekeken die de Palestijnse boeren en vissers op dat moment droegen en deze naar vrije fantasie vermaakt. Overwegend nuchtere, bescheiden kleding is het geworden. Typisch Arabische hoofdbedekkingen worden toegepast; bij Jezus zelf niet altijd, omdat die zijn charismatische golvende haar zouden verhullen. In de nieuwtestamentische omgeving zien we een matte Oriënt: goedkope gewaden en brave gezichten; geen nobele wilden of fiere strijders; veel ruige, maar aandachtig luisterende boerenkoppen.
Alleen bij de drie koningen mag de schilderachtige Oriënt even doorbreken; en bij het verhaal van Herodes en Salomé natuurlijk. Daar is plaats voor een oosterse despoot en voor een danseres in kostbare, haast doorschijnende stof.
Misschien kwamen de lange, Arabisch-achtige gewaden de bijbeltekenaars vroeger ook goed gelegen omdat er zoveel stof in ging. In de Grieks-Romeinse kleding was veel naakte huid te zien en de tunieken gingen makkelijk uit. Zo kon men Jezus en zijn discipelen er moeilijk bij laten lopen. Jezus topless, dat gaat alleen maar als hij aan het kruis hangt; dat heeft een eigen erotiek. Maar de Bergrede met blote borst? Liever niet.

Naar rubriek KLEDING:
Dames: sluier, boerka & co, tsjador, hot pants.
Heren: lang gewaad, lendendoek, boerka.

Terug naar Inhoud

Oriënt

Met fiets en tent naar de Oriënt heet het boek van G. Monnink, waarin hij de fietstocht beschrijft, die hij in 1936 gemaakt heeft naar Palestina en Egypte. Dat gebied heet tegenwoordig niet meer Oriënt, maar Midden-Oosten. Enig googelen maakt echter duidelijk dat de Oriënt nog niet weg is uit de geesten. De NOS vroeg zich nog in februari 2011 af: ‘Heeft de opstand in de Oriënt kans van slagen?’

Waar ligt de Oriënt, waar begint hij?
De Oriënt (adjectief: oriëntaals of oosters) schijnt dat deel van de wereld te zijn of geweest te zijn dat zich uitstrekt van de Turkse grens tot en met Japan. Zuidelijke grenzen vormen Zwart-Afrika en de Indische Oceaan. In het Russische rijk behoorden de islamitische gebieden tot de Oriënt; de Russische niet. Tibet hoort erbij; Mongolië is misschien een twijfelgeval.
U merkt het zelf al: hier klopt iets niet. Om te beginnen is de Turkse grens voor de definitie kennelijk belangrijk, maar die is in de laatste eeuwen nogal opgeschoven. Omstreeks 1800 hoorden ook het huidige Griekenland, Cyprus, Bosnië, Servië, Montenegro, Albanië, Macedonië, Bulgarije en delen van Roemenië nog tot het Ottomaanse Rijk en dus tot de Oriënt. Tegenwoordig liggen ze in Europa en horen voor een deel zelfs tot de EU. En het moderne Turkije, hoort dat dan bij de Oriënt? Als je het land binnenrijdt heb je sterk het gevoel van niet. En daar blijkt reeds de ware aard van het woord Oriënt: het is geen geografisch begrip, maar eerder een gevoelsding, of iets van vroeger.

Oriënt heeft iets met de islam te maken: Israël ligt toch niet in de Oriënt? En met oud en ouderwets: Singapore, Hongkong of Tokyo kun je moeilijk Oriënt noemen. En met exotisch: kamelen, tulbanden, waterpijpen, vreemde geuren, muziek, en kleding, nauwe steegjes in binnensteden waar een Europeaan zonder gids de weg niet vindt. Wrede despoten heersen daar naar hun gril van het ogenblik. De Oriënt is onbegrijpelijk, of zo U wilt: mysterieus.
In de 19e eeuw stelde men zich in het destijds zeer preutse Europa de Oriënt ook graag zinnelijk en erotisch voor. In de 20e eeuw is de stemming omgeslagen: tegenwoordig ziet Europa de islamitische wereld als preuts en zichzelf als geweldig libertijns. De Oriënt kan ieder zo invullen als hij wil; het voornaamste is: in de Oriënt is het anders dan bij ons.

Zomaar wat citaten:

  • Oh, East is East, and West is West, and never the twain shall meet. (Rudyard Kipling)
  • In de Oriënt is vriendschap een zeldzaamheid, en onbaatzuchtigheid het allermeest. (Karl Baedeker, Ägypten, 1928)
  • In de Oriënt is de maag de zetel van de ziel. Daarom zijn kruiden in Arabië al eeuwenlang geliefde ingrediënten in de fijne keuken en bij dranken. De theeinfusie zorgt genotvol voor het lichamelijk welzijn door een stimulerende compositie van oriëntaalse specerijen en kruiden. (Bad Heilbrunner, Arabischer Gewürztee, reclametekst eind 20e eeuw)
  • RITUAL ORIËNT – Ontgiftend – Behandeltijd circa 2 uur
    Deze reis naar het Oosten laat de zintuigen ontwaken in het land van de zon, waar de tijd langzaam voorbij gaat als druipende honing, waar de woestijnwind een delicate geur met zich meedraagt . . . . .
Tijdens deze ontgiftende reis worden afvalstoffen uit het lichaam verwijderd, wordt de huid mooi en zacht en herstelt het gevoel van welzijn dat past bij de Oosterse traditie van reinigen.
  • Toverlamp Oriënt neemt je helemaal mee naar Oosterse sferen. Met deze lamp tover je je kamer om tot een paradijs uit 1001-nacht. Het silhouet heeft de uitsnede van Oosterse paleizen met palmbomen en doorkijkjes in de steegjes van de Kashbah. En de sterren stralen in de nacht….
  • Hip Hotels Oriënt. Mysterieuze hotels in het Verre en Nabije Oosten
    – HIP Hotels: een must voor coole globetrotters en trendy wereldburgers
    – Ypma gaat op zoek naar de opvallendste en gezelligste design-hotels in het mysterieuze Oosten.
  • De inspiratie voor dit unieke project ligt in de wijk Transvaal en de vele Oosterse culturen die de wijk rijk is. Dat uit zich vooral in de vrolijke architectuur met Oriëntaalse ornamentiek waardoor De Oriënt een heel eigen en herkenbare identiteit krijgt.

De Oriënt is dus blijkbaar een groot, maar vaag gebied, waarover alle denkbare onzin beweerd kan worden. In academische omgevingen is het woord in onbruik geraakt.

Soms duidt het woord alleen een vage herkomst ergens in het Oosten aan. Veel Chinese, Indonesische en Thaise restaurant hebben iets van Oriënt in hun naam, evenals shoarmazaken, toko’s en tapijtwinkels. De Oriënt Express reed naar Constantinopel, het huidige İstanbul. Het kookboek Rick Stein ontdekt de Oriënt beschrijft de keukens van Cambodja, Vietnam, Thailand, Maleisië, Bali, Sri Lanka en Bangladesh – toe maar!
Vechtsporten heten meestal oosters en stammen uit het Verre Oosten: Japan, China, Korea, Thailand, Indonesië. Wie daarbij gewond raakt kan de oosterse geneeskunst te baat nemen. Buikdansen heten oriëntaals en stammen uit het Midden-Oosten of India. Er wordt ook oriëntaals houtsnijwerk aangeboden.
De oosterse filosofie en wijsheid zijn thuis in het gebied tussen Japan en India, met een uitloper naar Gibran Kahlil Gibran (1883–1931, Libanon/USA), die in De profeet en andere geschriften in zijn eentje heel wat zogenaamd ‘oosterse’ wijsheid heeft uitgedragen.

Terug naar Inhoud