Het Azama-project

Ik schreef hier al eerder over het anonieme Arabische boek Kitāb al-‘Azama, waaraan ik ga werken. Het handelt over de kosmos, de Hel, het Paradijs en nog veel meer. Ik beschik over kopieën van een aantal handschriften. Lang heb ik deze tekst willen uitgeven als boek. Maar dat zou een enorm werk zijn en resulteren in een erg dikke pil, die alleen al door zijn omvang erg duur zou worden. En voor wie? Het eigenlijke publiek woont in het Nabije-Oosten; dat bereik je niet met een peperduur in Europa gedrukt werk. Bovendien is het boek nogal flodderig: een weinig precies boek van een jaar of duizend oud, waarvoor een pietluttige wetenschappelijke uitgave misschien te veel eer zou zijn.
Daarom dacht ik: ik breng het in het internet, in een semi-kritische editie. Intussen heb ik er een aparte webpagina voor geopend. Voordeel van publicatie in het net is dat ik het stukje voor stukje kan doen; het hoeft niet meteen klaar en perfect te zijn. Tijdens het ontstaan zal ik de tekstuitgaven en vertalingen verfijnen, gemaakte fouten nog herstellen en de gevolgde methode eventueel nog verbeteren. En vooral: ik blijf er ontspannen bij. Zo wordt het niet echt werken.
U kunt in mijn keuken kijken, maar hoeft dat natuurlijk niet. U zult rammelende zinnen zien in de vertalingen, maar te bedenken is, dat die er in het origineel ook bij hopen staan.
De vertaling, de inleidende tekst en de commentaren zal ik in het Engels aanbieden, zodat ik de komende halve eeuw niet slechts twee lezers vind, maar misschien wel twintig! Die twintig zou ik aanraden: als u geïnteresseerd bent, download het, copieer het, weet ik veel; want niemand weet hoe lang ik nog hier ben en hoe lang het internet nog bestaat.

Dat het boek flodderig is betekent overigens niet dat het niet interessant zou zijn. Als het maar oud genoeg is, is ook het meest vulgaire werk interessant, en de kern van dit boek is wel zo’n duizend jaar oud schat ik. Het geeft een inzicht in hoe bepaalde – ik weet nog niet welke – islamitische kringen aankeken tegen het ontstaan van de wereld, het paradijs en de hel.
Een eerste indruk van het werk verschaft een artikel dat ik er in 1993 in het Engels over schreef. Bovendien blijven er proeven van een Nederlandse vertaling in dit blog staan: een beschrijving van het islamitische Paradijs en een fragment van de Hel.

Diakritische tekens: Kitāb al-ʿAẓama

Terug naar Inhoud

Azama: het paradijs

Kitāb al-‘Azama, Beschrijving van de Paradijstuin en zijn heerlijkheid

Daarop schiep God aan de rechterkant onder de Troon de tuin, zo ver reikend als de hemel en de aarde, van rood goud en zilver, uit parels, edelstenen, parels en groene smaragd. Hij maakte er acht poorten van licht voor; de spijkers daarvan zijn van parels, de voorhangsels van de poorten zijn van groen zijdebrokaat en de sleutels van rode robijn. De muur ervan is uit afwisselend zilveren en gouden bouwstenen opgetrokken. Elke poort wordt met een welbekende naam benoemd:
De eerste poort is de tuin van de gelukzaligheid (Koran 26:85).
De tweede poort is de woning van de vrede (6:127; 10:25).
De derde poort is de woning van de eeuwigheid (41:28).
De vierde poort is de woning van het paradijs (18:107; 23:11).
De vijfde poort is de woning van de majesteit (55:27, 78).
De zesde poort is de woning van Eden (9:72).
De zevende poort is de woning van het betere (vgl. 16:30).
De achtste poort is de hoogstgelegen woning (vgl. 9:40).
Elk van deze woningen heeft een breedte van driehonderd miljoen jaren, [gemeten] naar onze jaren. In elke tuin schiep God achthonderd miljoen steden. In iedere stad zijn er achthonderdduizend paleizen van rood goud, parels, edelstenen, rode robijn en groene smaragd; in iedere stad zijn er vierduizend miljard woningen van wit zilver; de spijkers van hun poorten zijn van rood goud. In elk van de paleizen in deze steden zijn er duizend kamers boven elkaar, (honderd verdiepingen boven elkaar,) en op iedere verdieping zijn er duizend ramen, gevlochten uit tralies van licht. Voor elk van die ramen staat een bed van rood goud, met op elk bed zeventig matrassen van rode zijde en groen zijdebrokaat, versierd met parels en edelstenen, (en de matrassen zijn) over elkaar uitgespreid. Op elk van deze matrassen zit een van de grootogige gezellinnen (houris; 44:54 e.a.), gekleed in zeventig verschillende gewaden, van groen tot rood, van kamille en purper, doorweven met parels, edelstenen en koralen.
De gezichten van deze gezellinnen zijn stralender dan de zon en de maan; als een van hen een oog zou openen en zou knipogen naar de mensenkinderen op deze aarde zouden die sterven uit verlangen naar haar. Op haar voorhoofd draagt zij een diadeem als een stralende zon; aan elke onderarm heeft zij duizend armbanden van rood goud, getooid met parels en edelstenen. Het merg van haar onderbeen is zichtbaar door haar kleren, zo dun is haar huid; aan iedere voet heeft zij duizend enkelbanden van rood goud. Als de bewoners van onze aarde haar zoete stem zouden horen, zouden zij uit verlangen naar haar sterven. Om haar hals draagt zijn een halsketting van parels, koralen en zuiver goud. Elk van haar halskettingen straalt als een stralende ster (24:35). Voor iedere gezellin zitten duizend slavinnen en duizend kameniers. Op de deur van ieder paleis staat de naam van zijn eigenaar geschreven; op de hals van iedere gezellin is met stralend licht de naam van haar man geschreven: ‘Ik ben van die-en-die, de zoon van die-en-die.’ De lengte van elk van deze paleizen is dertienhonderd jaar, en de breedte is veertienhonderd jaar. In ieder paleis zijn er duizend deuren; der afstand tussen een deur en de volgende is vijftigduizend jaar. Bij iedere deur is er een fruittuin, honderd jaar breed. In iedere fruittuin stroomt een rivier van melk, een rivier van honing, een rivier van water dat niet brak is (47:15), en een rivier van wijn die aangenaam is voor de drinkers. De rivier van water dat niet brak is betekent: niet troebel, en de rivier van melk, waarvan de smaak niet verandert; de rivier van wijn is aangenaam voor de drinkers en de rivier van honing, dat is gezuiverde honing (47:15). Aan de oever van iedere rivier zijn duizend priëlen opgeslagen en duizend ronde tenten van groene smaragd en rode robijn. In ieder prieel staat een bed van rood goud, waarop matrassen van rode en groene zijde liggen. In iedere tuin is er veel fruit (43:73), wat de zielen begeren en wat aangenaam is voor de ogen (43:71). Daar is wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen.1 Als de paradijsbewoners de tuin betreden, verspreiden zij zich in hun woningen, en ze worden door de grootogige gezellinnen ontvangen. Iedere man wordt door zeventig gezellinnen ontvangen, getooid met sieraden en gewaden, opgesmukt met parels en edelstenen. Iedere gezellin draagt een kroon op haar hoofd, licht en stralen, lichter dan de zon; het diadeem op haar voorhoofd is gemaakt van het licht van de Troon. Iedere gezellin heeft duizend kameniers en duizend slavinnen bij zich; deze hebben kromstaven in hun handen, waarmee zij de sleep van de jurk van de gezellin optillen, zodat deze niet worden bevuild met muskus en saffraan. Ieder van hen heeft een beker in haar hand zoals het licht der zon, waarin water, melk, wijn en honing zijn die zich niet met elkaar vermengen. Als zij een vriend Gods ontvangen beziet deze de gelukzaligheid die God hem heeft bereid, verbaast zich over de grootogige gezellinnen en vraagt: ‘Voor wie zijn deze, Heer?’ En God zegt: ‘Voor jou, mijn knecht; alles was je ziet zijn jouw echtgenotes en jouw vrouwen. Voor jou heb ik hen geschapen, en om jouw vroomheid en jouw waken voor mijn aangezicht in het donker van de nacht, en om jou volharden in tegenspoed en rampspoed (6:42) op aarde, en om jouw vrees voor mijn bestraffing. Nu maak ik jou tot een van de in vrede geborgenen (15:46). Ik bied je geborgenheid voor mijn bestraffing, ik laat je wonen in het huis mijner grootmoedigheid, en ik laat je huwen met zeventig gezellinnen, om je lid voor ontucht te behoeden.’ Dan lopen de gezellinnen op de vriend Gods toe, met bekers in hun handen, zodat hij drinkt van de drank die de grootogige gezellinnen in de bekers bij zich hebben; en als de vriend Gods dat alles heeft opgedronken keren de gezellinnen naar de paleizen terug, in vreugd en vrolijkheid, en betreden hun woningen. Iedere gezellin heeft een woning van zuiver goud, en ronde tenten en priëlen. In elk van deze woningen staat een bed van rood goud, afgezet met parels en edelstenen en robijnen, en daarop liegen zeventig matrassen van zijde en goudbrokaat (vgl. 18:31 e.a.) over elkaar. En als de vriend Gods is gaan zitten op het bed dat God voor hem heeft klaargezet, treden de grootogige gezellinnen in haar woningen binnen en openen alle deuren van hun woningen in de richting van de vriend Gods, gaan op hun bedden zitten en wenden zich naar de vriend Gods, die zelf intussen op zijn bed in de woning zit. Als de vriend Gods zin heeft in één van hen weet zij dat zonder teken of uitnodiging. Dan opent zij de deur van haar tent en komt op hem toe, getooid met sieraden, gewaden, lieftalligheid, schoonheid, pracht en volkomenheid, zoals God zegt: die voor hun tijd door mensen noch djinn waren aangeraakt (55:56), dat wil zeggen: geen mens of djinn heeft haar voor hen aangeraakt. Als zij de vriend Gods nadert bekent hij haar; één maal met haar duurt veertig jaar, [gemeten] naar onze jaren. Dan kalmeert zijn wellust, terwijl hij op haar borst [ligt] en het zweet onder haar wegvloeit en de jongelingen bij hun hoofd staan met zakdoeken van zijdebrokaat in hun handen om hen toe te waaieren tot zij hun lust gekoeld hebben, veertig jaar lang. Dan staat de gezellin op en gaat haar woning binnen; een andere loopt naar het toe en hij heeft gemeenschap met haar, en zie, zij is maagd. In de vereniging met haar brengt hij wederom veertig jaren door, net als bij de eerste. Zo gaat het door: de ene gaat weg en de andere komt naar hem toe, allen maagden, (56:36), (tot hij langs hen allen de ronde gemaakt heeft, en hij bevindt dat zij allen maagden zijn, vurig beminnend en even oud (56:36), tot hij met zeventig gezellinnen omgang heeft gehad dan worden ze allen weer maagd als tevoren […] terwijl de vriend Gods achteroverleunt op zijn bed. En bij hen gaan er jongelingen rond, die als goedbewaarde parels zijn (52:24), met bekers en kruiken en een drinkbeker met drank uit een bron (56:18), en ooft waarvan zij het beste kunnen kiezen (vgl. 56:19, 20). Zij eten en drinken; zij ontlasten zich niet en urineren niet; zij spugen niet en snuiten hun neus niet, maar zij zweten uit hun lichamen, en in plaats van urine en drek scheiden zij een zweet uit dat zuiverder is dan welriekende muskus en grijze amber, omdat de bodem van de tuin niets onreins kan opnemen. Terwijl de vriend Gods zo met spel, gelach en vermaak met de grootogige gezellinnen bezig is, daalt er ineens een ronde tent van licht neer, waarvan het binnenste van buiten zichtbaar is. In die ronde tent staat een bed van rood goud, waarop zeventig matrassen uit zijde en goudbrokaat (vgl. 18:31 e.a.) liggen, de ene op de andere. Daar bovenop zit een gezellin wier licht nog sterker straalt dan dat van de grootogige gezellinnen, gekleed in zeventig gewaden uit licht. Als de vriend Gods naar hen kijkt verbaast hij zich over hun lieftalligheid en schoonheid, zoals ook de zeventig grootogige gezellinnen van de vriend Gods zich over haar goedheid verbazen. De vriend Gods vraagt: ‘Heer, voor wie is deze vrouw?’ en God antwoordt: ‘Als je haar aanspreekt, mijn knecht, zal ze je zelf antwoorden.’ De vriend Gods spreekt haar aan en terwijl hij dat doet opent zij de deur van haar tent, komt naar buiten naar de  vriend Gods en zegt tegen hem: ‘Mijn schat, hoe kon je mij vergeten? Weet je niet meer hoe ik met jou honger, dorst en naaktheid, ellende en ongeluk heb uitgehouden? Heb ik je niet gehoorzaamd? Heb ik je niet bediend? Heb ik je niet geëerd? Heb ik je niet verdragen in vreugde en verdriet? Weet je dat-en-dat niet meer? Ik ben je vrouw, die je in de aardse woonst heeft gehoorzaamd.’ Dan weent de vriend Gods van vreugde, loopt op haar toe en omarmt haar. Onder haar hals staat geschreven: ‘vurig beminnende even oude gezellinnen, voor hen die rechts staan (56:37–8); haar naam is Ariba (vurig beminnend).’ Aan iedere onderarm draagt zij duizend armbanden van rood goud en aan iedere voet duizend enkelbanden van goud, en op haar hoofd draagt zij een kroon van licht. Als de grootogige gezellinnen naar haar kijken en haar lieftalligheid, schoonheid en mooie juwelen zien, zeggen zij: ‘Heer, waarom hebt u ons niet zo mooi gemaakt voor de vriend Gods als zij?’ Dan zegt God: ‘Grootogige gezellinnen, ik heb mijn dienstmaagd zo mooi gemaakt omat zij in de aardse woonst veel hitte en kou, honger, dorst en angst heeft moeten verdragen, en omdat zij mij en haar man gehoorzaamd heeft, en omdat zij de kwellingen van de dood heeft doorstaan, de duisternis van het graf, de angst van de ondervraging en de verschrikkingen van de Dag der Opstanding; daarom heb ik haar mooier gemaakt dan jullie.’ En de grootogige gezellinnen zeggen: ‘Heer, dan heeft zij er recht op, ons in sieraden, lieftalligheid en schoonheid te overtreffen.’ Daarop zeggen de grootogige gezellinnen: ‘Ariba, op deze dag is er geen jaloezie tussen ons.’
En een heraut zal uitroepen: ‘Bewoners van de tuin, dit is de dag van vrolijkheid en vreugde in de veilige woonst, want hier is krankheid noch dood, ziekte noch zorg, leed noch armoede, angst, honger, dorst, vermoeidheid noch naaktheid, hitte, koude, duisternis noch ellende.’2
Dan geeft God ieder van zijn vrienden in de tuin een landgoed en kastelen (25:10) en gezellinnen en jongelingen en fruittuinen en gewaden, tot ieder van hen zegt: ‘Ik ben rijk, en niemand in deze tuin is zo rijk als ik.’ Zij die zo spreken zijn [nog] de allerarmsten, die onder de Paradijsbewoners het minste hebben aan goed en vrouwen; [toch is het] zo, dat geen van hen jaloezie koestert om wat God hem gegeven heeft. Ieder van hen heeft wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen,1 op een plek waarvan de voeding duurzaam is, en ook haar schaduw. Dat is de eindbestemming van hen die vrezen (13:35), waarvan de vruchtentrossen voor het plukken nabij zijn (69:23). Het fruit aan de bomen hangt terneer om geplukt te worden, door de almacht Gods, en komt naar de hand van degene die het begeert, zodat hij het kan eten. Telkens als er een [vrucht] is geplukt komt er dadelijk een andere voor in de plaats, die meteen net zo rijp is als die andere aan de tak. Ook als er tien vruchten geplukt zouden worden, zouden er meteen andere aangroeien,…(?) tussen de rivieren. Op de bomen zitten vogels zo groot als tweebultige kamelen, en de vriend Gods eet van hun vlees. Als hij trek krijgt valt het voor hem neer, zodat hij ervan kan eten, geroosterd of gekookt zoals hij maar wil. Het valt voor hem neer door de almacht van God, die tegen iets zegt: ‘Word! en dan wordt het (2:117; 3:59 e.a.). Als de knecht Gods er naar hartelust van gegeten heeft en wil opstaan is de vogel meteen weer levend, vet en gaar. Hij vliegt op en verheerlijkt God met de woorden: ‘Lof zij Hem, die mij geschapen heeft en gaar gemaakt heeft, en mijn vlees tot voedsel van zijn godvruchtige dienaren heeft gemaakt!’.’

NOOT:
1. Een hadith van de profeet, Bukhārī, Tawhīd 35 e.v.a.; ontleend aan Bijbel, 1 Korinthiërs 2:9. (Korancitaten en hadithen zijn cursief gedrukt.)
2. Vergelijk Bijbel, Openbaring 7:16–17; 21:4.

Diakritische tekens: Kitāb al-ʿAẓama, Tawḥīd

Naar de ‘Azama webpagina.      Terug naar Inhoud

Paradijsvogels

De christelijke hemel moet wel stomvervelend zijn, als de engelen daar de hele dag alleen maar Palestrina zingen. Er is daar vooral veel niet: geen honger en geen dorst, geen hitte, geen tranen; geen dood, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn.1 Daarom hebben de christenen, buiten hun geloofsleer om, nog een Luilekkerland moeten verzinnen.2
In het islamitische paradijs is dat volledig geïntegreerd. Behalve mooie tuinen, weelderige zalen en aantrekkelijke vrouwen is er overvloedig te eten. Als voedsel noemt de Koran fruit en gevogelte—gezonde, lichte kost dus. Te drinken is er uit rivieren van water, wijn, melk en honing; verder gaan er altijd jong blijvende jongelingen rond met ‘bekers en kruiken en een drinkbeker uit een bron, waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en niet beneveld raken’.3 De vraag van een enkele moslim, of er in het Paradijs ook kamelen zijn wordt in een zwak overgeleverde Traditie (hadith) door de profeet wat ontwijkend beantwoord: ‘Als God je in het paradijs laat binnengaan, vind je daar wat je hart begeert.’4
ولحم طير مما يشتهون  En gevogelte, waar zij maar zin in hebben, heet het in Koran 56:21. Wat voor gevogelte is dat? Dit is het soort vraag dat ook de vroegste koranuitleggers gewoon waren te stellen, én te beantwoorden. Vreemd genoeg hebben zij dat in dit geval niet gedaan, en ook de hadith zwijgt erover. De vogels waarin de zielen der martelaren zich bevinden kunnen niet bedoeld zijn, want die vliegen alleen naar het paradijs om daar zelf voedsel te zoeken; nestelen doen ze onder Gods troon. In de reusachtige boom die in het midden van het paradijs staat en waarin volgens een late Traditie gouden vlinders zitten, kan men zich goed reusachtige vogels voorstellen, maar beschreven worden die pas in het late korancommentaar van Ibn Kathīr (1300–1373): vogels ‘met nekken als slachtkamelen’, of ‘vogels zo groot als tweebultige kamelen, die voedsel zoeken in de bomen van het paradijs’.5
Bij Ibn Kathīr wordt ook de keuzemogelijkheid die het koranvers aanduidt (‘waar zij maar zin in hebben’) uitgewerkt: de vogels, die zeventigduizend veren hebben, elk van een verschillende kleur, staan op een rij; dan hoeft de gelovige er maar een uit te kiezen en hij valt al gebraden voor hem neer. ‘Op zijn bord’, voegt een tekstvariant eraan toe. Niemand hoeft zich dus voor te stellen hoe dieren in het paradijs geslacht worden, en het ongemak van gebraden duiven die in je mond vliegen blijft de moslims ook bespaard. Na te zijn opgegeten vliegt de vogel overigens ongeschonden weer weg. In Koran 2:260 wordt in een andere context over het herstellen en opwekken van dode vogels gesproken; dat op de vogels in het paradijs te betrekken was geen grote stap.
Ibn Kathīrs commentaar is een aaneenschakeling van korte teksten die formeel ook hadithen zijn, al gelden ze als zwak overgeleverd. Een vroege, samenhangende tekst over het paradijs die niet aan de profeet wordt toegeschreven staat in een boek getiteld al-‘Azama, een anoniem werk over de kosmos, de hemel en de hel:

  • Telkens als er een vrucht is geplukt komt er dadelijk een andere voor in de plaats, die meteen net zo rijp is als die andere aan de tak. Ook als er tien vruchten geplukt zouden worden, zouden er meteen andere aangroeien […].
    Op de bomen zitten vogels die zo groot zijn als tweebultige kamelen, en de vriend Gods eet van hun vlees. Als hij trek krijgt valt het voor hem neer, zodat hij ervan kan eten, geroosterd of gekookt zoals hij maar wil. Het valt voor hem neer door de almacht van God, die tegen iets zegt: ‘Word!’ en dan wordt het.’ 6 Als de dienaar Gods er naar hartelust van gegeten heeft en wil opstaan, dan is de vogel meteen weer levend, vet en gaar. Hij vliegt op en verheerlijkt God met de woorden: ‘Lof zij Hem, die mij geschapen heeft en gaar gemaakt heeft, en mijn vlees tot voedsel van zijn godvruchtige dienaren heeft gemaakt!’7

Ook dit is een soort koranuitleg, maar niet van de (naar toenmalige maatstaven) wetenschappelijke soort. De keuze tussen geroosterd of gekookt is nieuw, evenals de lofprijzing door de weer levend geworden vogels. De vier woorden die de koran besteedt aan het gevogelte in het paradijs hebben dus wel degelijk de fantasie van de mensen geprikkeld, hoewel de ‘canonieke’ Traditie en de vroegste Koranexegese die met succes buiten de deur hadden gehouden. Toch zullen de motieven zeker ouder zijn dan de veertiende eeuw, toen Ibn Kathīr zijn commentaar schreef, en dan het boek al-‘Aẓama, dat helaas niet kan worden gedateerd. De vogel werkt op onze lachlust als hij toebereid en wel op het bord valt en als hij na consumptie levend weer opvliegt en vliegend nog de Heer looft. Maar de auteurs hebben dit vast niet grappig bedoeld, en hun publiek zal er niet om hebben gelachen.

Beslist wél gelachen heeft de spotlustige Arabische dichter al-Ma‘arrī (973–1058), die over een reis door paradijs en hel heeft geschreven, zoals Dante dat later in Europa zou doen. Door het motief uit te vergroten probeert hij ook zijn publiek aan het lachen te brengen. Eerst laat hij een paradijsbewoner een gemarineerde pauw verorberen, die geserveerd wordt op een bord van goud.8 Het dier wordt na consumptie weer zijn oude zelf, wat de aanwezigen bewonderend doet uitroepen:

  • Geloofd zij Hij, die de botten weer tot leven brengt nadat ze al uit elkaar gevallen zijn. Dat is precies zoals de Schrift het zegt: ‘En toen Ibrāhīm zei: “Mijn Heer, laat mij zien hoe U de doden weer levend maakt”. […] Hij zei: “Neem dan vier stuks gevogelte en snijd ze naar jou toe in stukken. Leg er dan op elke rots een stuk van. Roep ze dan en ze zullen op je toe komen rennen”.’9
    Nu komt er een gans langs, zo groot als een tweebultige kameel. Sommige mensen willen hem gebraden hebben, en daar staat hij al, op een tafeltje van smaragd! Als de mensen er naar hartelust van genomen hebben, neemt hij met Gods toestemming zijn vroegere gevleugelde gedaante weer aan. Daarna willen sommigen van de aanwezigen hem liever aan het spit hebben, en weer anderen toebereid met sumak, of gemarineerd in melk en azijn, of nog weer anders. Steeds wordt de gans meteen zoals ze hem willen hebben en daarna wordt hij weer net als vroeger.’10

Zijn effect bereikt al-Ma‘arrī door concretisering en herhaling: de vogel is nu een pauw of een gans geworden, de receptuur wordt gepreciseerd en de gans gaat als een duikelaartje op en af.
Hoe langer over het gevogelte uit de koran wordt doorgedacht, des te grappiger wordt het. Misschien hadden de vroegste moslims wel aangevoeld dat de lach bij dit onderwerp op de loer ligt en het daarom niet willen becommentariëren?

NOTEN
1. Openbaring 7:16–17; 21:4
2. Herman Pleij, Dromen van Cocagne. Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven, Amsterdam 2000.
3. De paradijswijn; Koran 56:18–19.
4. Al-Tirmidhī, Ṣifat al-Djanna 11; Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352.
5. Waar zouden zij anders voedsel zoeken; ze wonen daar immers? De bijzin past beter bij de vogels die de zielen van de martelaren bevatten. Zulke ‘zwerfzinnen’ komen vaak voor in de Traditieliteratuur.
6. Koran 2:117, 3:59.
7. Al-ʿAẓama is zoals vele oude Arabische boeken niet uitgegeven en bestaat alleen in een tiental handschrifen, o. a. hs. Parijs 4605, Vatikaan 1480.
8. Eten van gouden borden is in onze wereld niet toegestaan, maar in het paradijs is alles anders.
9. Koran 2:260.
10. Abū al-ʿAlā’ al-Maʿarrī, Risālat al-ghufrān, Cairo 1957, blz. 281–283.

Naar Inhoud

Paradijs: wijn

Terwijl de koran volgens de gangbaar geworden interpretatie het drinken van wijn verbiedt is deze in het paradijs volop voorhanden. Er zijn daar rivieren van water, melk wijn en honing.1 Bij rivieren van wijn krijg je als sterveling even een associatie met foezel, maar nee, de vromen krijgen uit gesloten kruiken een superieure wijn met bijzondere eigenschappen aangeboden. ‘Hun wordt verzegelde, nobele wijn te drinken gegeven, waarvan het zegel muskus is […], bijgemengd uit Tasnīm, een bron waaruit degenen drinken die in [Gods] nabijheid zijn’.2 Elders wordt gesproken van een ‘zuivere drank’ en ‘[een drank] uit een bron, waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en niet beneveld raken’.3
De wijn wordt aangereikt door altijd jong blijvende jongelingen; als je hen ziet denk je dat zij rondgestrooide parels zijn.4
Hoe kan wijn op aarde verboden zijn en in het paradijs geoorloofd? Op deze vraag heeft onder andere de rechtsgeleerde Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī een antwoord: de wijn in het paradijs heeft duidelijk andere eigenschappen en is dus van een heel andere aard dan die op aarde. Of je daar een jurist voor nodig hebt? Het contrast tussen onze wereld en het paradijs is ook zo wel duidelijk, net als in de bijbel. Maar terwijl de bijbel opsomt welke narigheid daar níet is: ‘geen honger en geen dorst, geen hitte, geen tranen; geen dood, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn,’ 5 is de koran positiever en concentreert zich op wat er wél is: melk, honig, water, *houris, *fruit, gevogelte en kostbaar ingerichte *woningen. In het oude Arabië waren de meeste van deze zaken niet of alleen met veel moeite verkrijgbaar; de wijn was beroerd en zelfs aan melk en water schortte het vaak. De paradijsbewoners kunnen er volop en moeiteloos over beschikken.

NOTEN
1. Koran 47:15.
2. Koran 83:25–28.
3. Koran 56:18–19.
4. Koran 4 56:17; 76:19.
5. Openbaring 7:16–17; 21:4.

Meer lezen: Kathryn Kueny, ‘Wine,’ in EQ
J.D. MacAuliffe, ‘The Wines of Earth and Paradise. Qurʾānic proscriptions and promises,’ in: R.M. Savory and D.A. Agius (uitg.), Logos islamikos. Studia islamica in honorem Georgii Michaelis Wickens, Toronto 1984, 159–74.

Diakritische Zeichen: Muḥammad ibn Dāwūd al-Iṣbahānī

Naar Inhoud

Paradijswijn (vertaalde tekst)

Een zekere kalief,1 wiens verstand is beneveld door de dronkenschap der lusten, zal misschien zeggen: ‘Hoe kan [wijn] verboden en laakbaar zijn en tegelijk prijzenswaardig, waar toch zijn substantie (‘ayn) een en de zelfde is en de sharia hem niet verboden verklaart?’. Men zou hem kunnen antwoorden: ‘De wijn die laakbaar is in deze wereld is níet dezelfde als de wijn die prijzenswaardig is in het hiernamaals, want degenen die hem daar drinken krijgen er geen hoofdpijn van en raken niet beneveld (Koran 56:19). Die wijn leidt niet tot agressie of haat en zal niemand ervan afhouden God te gedenken of afleiden van zijn ordinantiën. Maar de wijn hier doet dat alles wel, en daarom is de wijn in deze wereld laakbaar en die in het hiernamaals prijzenswaardig.’

Bron: Muhammad ibn Dāwūd al-Isbahānī, Kitāb al-Zahra, hoofdst. 81.

فلعلّ بعض الخلفاء أن يغلب على عقله سكرة الأهواء فيقول: كيف تكون محرمة مذمومة وممدوحة، وعينها واحدة، ولم تأتِ الشريعة بتحريمها؟ فيقال له: الخمر المذمومة في هذه الدار غير الخمر المدوحة في تلك الدار، لأنّ أصحاب تلك الدار لا يُصدَّعون عنها ولا يُنزَفون منها، وتلك لا توقع العداوة والبغضاء، ولا تصدُّ عن ذكراه وعن فرضه. وهذه الخمر تفعل جميع ذلك، فلهذه العلل صارت الخمر في الدنيا مذمومة وفي الآخرة ممدوحة.

NOOT
1. Bedoeld is misschien Ibn al-Muʿtazz, een tijdgenoot van de auteur, die één dag kalief is geweest en een vrijmoedig boekje over het gebruik van wijn heeft geschreven (Fuṣūl al-tamāthīl, Cairo 1925). Of we moeten in plaats van al-khulafā’  lezen: al-khula‘ā’, maar dat betekende in die tijd bij mijn weten nog niet ‘losbol’.

MUHAMMAD IBN DAWUD AL-ISBAHANI: Startpunt:
Hadith bij Ibn Dawud: Hadith.
Graeco-Arabica bij Ibn Dawud: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Ibn Dawuds liefdestheorie: Verliefdheid als ziekte. Liefde als doodsoorzaak. Platonische liefde.
Anecdotes over zijn leven: Zijn liefdesdood.             Terug naar Inhoud