Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 2

Een bijdrage van Pieter Elbers, Harlingen:

‘Umar b. Abī Rabī‘a (644-712) , Gedicht: ‘Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid?’
Over zijn verovering van een jong meisje dat met haar familie op pelgrimstocht is naar Mekka voor de religieuze bedevaart.

Vooraf: De familiekaravaan met kamelen en knechten met het mooie meisje zijn ter bedevaart op weg naar de religieuze feesten in Mekka. De dichter ‘Umar, afkomstig uit Mekka, is op zoek naar weer een verovering van een meisje dat hij bij een karavaan op het oog heeft. Op een dag vertrekt die kleine karavaan met dat meisje voor dag en dauw. Het voorgevoel van de veroveraar ‘Umar (in het gedicht gepersonifieerd door de Raaf) waarschuwt hem. Hij wil het eigenlijk niet, maar er is niets meer aan te doen. Zijn gevoelens zijn onbeheersbaar en stuiven alle kanten op (de Zee van Samhadj). Vertaling:

Vertaling van Pieter Elbers:

De Raaf kraste over het vertrek van dat vrouwtje met die armband,
“Hou toch op, Raaf, met onrust stoken over haar vertrek!”
De Raaf kraste, klapperend met de volle wijdte van zijn vleugels
En de winden stoven ermee ‘de Zee van Samhadj’  op.

Ik bleef ze volgen door naar geluiden van de kamelen te luisteren,
Tot ik stootte op een mooi vrouwtje in kamelenzit
Ze taxeerde met koolzwarte ogen van een witte gazelle, mij en mijn bedoeling,
En wees me, lonkend op lange benen, gedecideerd af.

Maar mooi dat ze was, met parels op haar lijfje, versiering op haar ceintuur, met een
fonkelend snoer, en kleurige ringen hoog om haar arm gebonden
Zo bleef ik verliefd én totaal van slag,
Met het oplaaiende hete vuur in mijn lijf.

Wie zal de spot met mij drijven als ik huil van verliefdheid
of jammer als een verliefde met een verloren hart?
Ze roepen: ‘Accepteer nooit en te nimmer de afwijzing van haar liefde!
Verliefdheid kan je niet afbreken of terugnemen.’

Hoe kan ik de afwijzing van een meisje accepteren?
met haar opsmuk van kleurig witgoud.
Zij is natter in de mond dan een vochtige dadel,
schijnt mooier dan de halvemaan bij het ochtendgloren.

Toen mijn liefde oversloeg in nog sterkere passie
verlangde ik obsessief naar die zwarte ogen van die witte gazelle,
Dus ging ik op pad in het diep donkere holst van de nacht,
Een kromme sabel in aanslag in mijn riem

Zo stond ik op de uitkijk, haar tent in het vizier,
tot ik me ongezien naar binnen wurmde
en stootte op het meisje, en zij …,
Zij slaakte kreetjes in haar slaap, een slaap vol jubel.

Kijk eens, haar vader, slapend, met zijn knechten om haar heen als clowneske kamelen.
Ik plaatste mijn hand om haar taille,
maar zij ademde rustig door, hield zich slapend.

Ik legde me bij haar neer, kuste haar, maar ze schrok
van me, riep: ‘Wie?’ maar ik gaf geen kik.
Ze riep: ‘Bij het leven van mijn vader!’ en ‘Bij de eer van mijn broeders!
Ik roep de stam te hoop als je niet weggaat.’

Dus ging ik weg, uit angst voor haar eed.
Maar ze glimlachte, zo wist ik dat ze haar eed niet gestand zou doen.
Zij nam mijn hoofd om ‘t op de tast te verkennen,
met hennageverfde handen, zo ontspannen….

Ik kuste haar toen op de mond, terwijl ik haar lokken beetpakte:
de dronk van koel water uit de rotsholte van iemand die uitgedroogd is.

Bron: Sharḥ dīwān Umar ibn ‘Abdallāh ibn Abī Rabī‘a, uitg. en commt. ‘Abdallāh ‘Alī Mahna, Beiroet 1992, p. 83. Gedicht: man dhā yalumnī in bakaytu ṣabābatan.

Terug naar Inhoud

Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ver voor de islam, zou hebben geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.
Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

  • 1. De overleveraars vertellen dat hij eens een ram zag in de woestijn. Hij pakte hem op en droeg hem onder zijn arm, maar het dier piste hem de hele weg onder. Toen hij dicht bij de stam gekomen was werd het hem te zwaar.1 Hij kon het niet meer dragen en wierp het van zich af, en toen bleek het ineens een ghoul te zijn. Zijn mensen vroegen hem:
    ‘Wat heb jij onder je arm gehad?’
    ‘Een ghoul,’ antwoordde hij.
    ‘Dan heb je wel iets kwaads onder je arm gedragen!’
    En daarnaar werd hij genoemd.2

Een andere, nogal gekunstelde anekdote, laat het moeder-zoon-conflict van het ongelikte rotjoch zien. Niet te handhaven, inderdaad.

  • 2. Er wordt ook gezegd: Nee, zijn moeder zei tegen hem: ‘Al je broers brengen mij ’s avonds iets voor mij mee, maar jij niet!’ Toen zei hij: ‘Vanavond zal ik iets voor je meebrengen.’ Hij ging weg en ving een groot aantal adders, de grootste die hij te pakken kon krijgen. Toen hij ‘s avonds naar huis ging deed hij die in een zak, die hij onder zijn arm droeg en die gooide hij voor haar neer. Zij maakte hem open en daar schoten de adders weg in haar tent. Ze sprong op en rende naar buiten.
    ‘Wat heeft Thābit voor je meegebracht? vroegen de vrouwen van de stam:
    ‘Adders in een zak!’
    ‘Maar hoe heeft hij die dan gedragen?’
    ‘Onder zijn arm.
    ‘Dan heeft hij wel iets kwaads onder zijn arm gedragen!’
    En zo bleef de naam Ta’abbata Sharran aan hem hangen.3

En een derde anekdote voor een deel:

  • 3. […] en hij werd Ta’abbata Sharran genoemd omdat hij, naar verluidt, een ghoul ontmoette in een donkere nacht, op een plek genaamd Rahā Bitān, in het stamgebied van Hudhayl. Zij versperde hem de weg maar hij vocht zo lang met haar tot hij haar gedood had. Hij bleef de nacht op haar liggen en de volgende ochtend droeg hij haar onder zijn arm naar zijn kameraden. Die zeiden tegen hem: ‘Jij hebt wel iets kwaads onder je arm gedragen!’4

Een ghoul is een demon die zich in de woestijn ophoudt en eenzame reizigers lastig valt. Een van zijn eigenschappen is dat hij van vorm kan veranderen. Vaak doet hij zich als een vrouwelijk wezen voor.5
Taʾabbata Sharran heeft verzen geschreven over een ontmoeting met een ghoul. (Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.)

  • 4. Toen hield de ghoul mij gezelschap als buurvouw.
    O buurvrouw, wat een griezel ben jij!
    Ik wilde seks van haar. Zij draaide zich weg,
    maar ik probeerde het toch.
    Als iemand mij naar mijn buurvrouw vraagt:
    ze woont bij de bocht van de zandheuvel.6

‘Buurvrouw’ was een benaming die bedoeïenen voor hun echtgenote gebruikten. De dichter is helemaal niet onder de indruk van het gevaarlijke wezen; integendeel. Hij drijft de spot met het angstige geloof van het brave stamvolkje. Voor hem bestaan er geen woestijndemonen; fuck the ghoul! En mocht iemand anders dat ook eens willen proberen, ze woont om de hoek bij de zandheuvel, je weet wel. Dan vind je haar beslist, in Arabië.
De ghoul komt nog voor in een langer gedicht van Ta’abbata Sharran, waar ik hier enkele regels uitlicht:

  • 5. Kom op, wie vertelt de kerels van Fahm,
    wat mij bij Rahā Bitān overkwam?
    Ik kwam de ghoul tegen, toen ze voortjoeg
    door een woestijn zo plat als een vel papier.
    Ik zei tegen haar: ‘We zijn beiden bekaf. Jij bent
    op reis, net als ik, dus laat mij mijn plek!’
    Maar zij viel mij aan. Toen schoot mijn hand uit
    met een goed geveegd Jemenitisch zwaard.
    Ik sloeg haar onversaagd en zij ging neer,
    op haar voorpoten en haar hals.
    […]
    Ik liet haar niet los en leunde op haar
    om ’s morgens te zien wat het was.7

Ook hier schept de dichter lekker op over hoe hij de ghoul klein gekregen heeft; ook hier ligt hij bovenop haar, al is er van seks geen sprake. De poging tot een gesprek voor het gevecht herinnert aan ‘het gesprek met de wolf’, een motief uit de wat latere poëzie. Als een eenzame reiziger in de woestijn een al even eenzame, uitgeputte wolf tegenkomt hebben beiden veel gemeen: hun honger, hun eenzaamheid, hun uitzichtloosheid. Maar zulke ontmoetingen zijn gevaarlijk; daarom spreekt de dichter het dier vaak bezwerend toe.8 Dat doet deze dichter hier met de ghoul, maar zij gaat er niet op in.
Anekdote nr. 3. wil de vreemde bijnaam van de dichter verklaren, net als de andere. Maar zij is ook geënt op gedichtfragment nr. 5 en wil daar wat meer geschiedenis van maken. Het verhaaltje verhoudt zich tot het gedicht als een sabab al-nuzūl-verhaal tot een koranvers.

NOTEN
1. Hoeveel meter kunt U lopen met een ram onder uw arm?
2 Abū al-Faradj al-Isfahānī, Kitāb al-Aghānī, uitg. Cairo 1927, xxi, 127.

ذكر الروة أنّه كان رأى كبشًا في الصحراء فاحتمله تحت إبطه فجعل يبول عليه طول طريقه. فلما قرب من الحيّ ثقل عليه الكبش فلم يُقِلّه فرمى به فإذا هو الغول. فقال له قومه: ما تأبّطَّ يا ثابت؟ قال: الغول. قالوا: لقد تأبّطَّ شرا! فسُمّي بذلك.

3. Aghānī xxi,127

وقيل بل قالت أمّه له كل إحوتك يأتيني بشيء إذا راح غيرَك. فقال لها: سآتيك الليلة بشيء. ومضى فصاد أفاعيَ كثيرة من أكبر ما قدر عليه. فلمّا راح أتى يهنّ في جِراب متأبّطًا به فألقاهه بين يديها ففتحته فتساعين في بيتها. فوثب وخرجت. فقال لها نساء الحيّ: ما ذا أتاك به ثابت؟ فقالت: أتاني بإفاعٍ في جراب. وقلن: وكيف حملها؟ قالت: تأبّها. قلن: تأبّط شرّاً، فلزمه تأبّطا شرّاً.

4. Aghānī xxi,128–29.

[…] وإنّما سمّي تأبّط شرّاً لأنهه فيما حُكي لنا٬ لقي الغول في ليلة ظلماء في موضع رَحَى بِطَانٍ في بلاد هذيل فأخذت عليه الطريقَ فلم يزل بها حتى قتلها وبات عليها فلمّا أصبح حملها تحت إبطه وجاء بها الى أصحابه فقالوا له: لقد تأبّطّ شرّاً.

5. Ghouls bestaan nog steeds; zie wat hier gezegd wordt over Soraya Qadir, alias Dust.
6. Aghānī xxi, 128:

فَأَصْبَحَتِ‎ الغُولُ‏ لِي‏ جَارَةً  *  فَيَا جَارَتَا لَكِ‎ مَا أَهْوَلاَ
فَطَالَبْتُهَا بُضْعَهَا فَالْتَوَتْ  *  عَلََيَّ‏ وَحَاوَلْتُ‏ أَنْ‏ أَفْعَلاَ
فَمَنْ‎ كَانَ‎ يَسْأَلُ‏ عَنْ‏ جَارَتِي  *  فَإنَّ‏ لَهَا باللِّوَى مَنْزِلاَ

7. Aghānī xxi, 129:

أَلاَ‎ مَنْ‏ مُبْلِغٌ‏ فِتْيَانَ‏ فَهْمٍ  *  بِمَا لَقِيتُ‏ عِنْدَ‏ رَحَى بِطَانِ
وَأَنِّي‏ قَدْ‎ لَقِيتُ‏ الغُولَ‏ تَهْوَى  *  بِسَهْبٍ‏ كَالصَّحِيفَةِ‏ صَحْصَحَانِ
فَقُلْتُ‏ لَهَا‏: كِلاَنَا نِضْوَأَيْنِ  *  أَخُو سَفَرٍ‏ فَخَلِّي‏ لِي‏ مَكَانِي
فَشَدَّتْ‏ شَدَّةً‏ نَحْوِي‏ فَأَهْوَى  *  لَهَا كَفِّي‏ بِمَصْقُولٍ‏ يَمَانِي
فَأَضْرِبُهَا بِلاَ‎ دَهَشٍ‏ فَخَرَّتْ  *  صَرِيعًا لِلْيَدَيْنِ‏ وَلِلْجِرَانِ
[‏…]
فَلَمْ‏ أَنْفَكَّ‏ مُتَّكِئًا عَلَيْهَا  *  لأَنْظُرَ‏ مُصْبِحًا مَاذَا أَتَانِي

8. Manfred Ullman, Das Gespräch mit dem Wolf, München 1981.

Diakritische tekens: Taʾabbaṭa Sharran, ṣuʿlūk, ṣaʿālīk, Raḥā Biṭān, al-Iṣfahānī

Terug naar Inhoud

Umar ibn abi Rabi‘a, gedicht 1

Wat oude Arabische poëzie wil ik hier ook kwijt. Het Arabisch heeft een bijzonder rijke poëzie die voor mij niet de reden was om met Arabisch te beginnen, maar vanaf zeker moment wel om ermee door te gaan.
Mijn probleem is dat ik wel proza kan vertalen, maar geen poëzie. Ik ga het dus ook maar niet proberen en geef alleen nuchtere zinnen die de betekenis van het gelezene moeten weergeven, plus een commentaar die ze nog moeten verduidelijken. Er kan zo geen poëtische leeservaring tot stand komen, maar misschien heeft toch iemand er iets aan, om een indruk te krijgen.
Er bestaan Nederlandse vertalingen van Arabisch poëzie door twee personen: Geert Jan van Gelder en Hafez Bouazza.1 Daar vindt U iets  beters te lezen.

Een gedicht van ‘Umar ibn abī Rabī‘a,2 die omstreeks 700 leefde. Hij behoorde tot een voorname familie uit de stam Quraysh. In Mekka boomde in die tijd het pelgrimswezen. Na jaren waarin de stad door het kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr was afgesneden van Syrië, toenmaals het centrum van het rijk, was nu de eenheid hersteld en sjokten de karavanen uit Damascus af en aan. Als zovele bedevaartsoorden was Mekka een ontmoetingsplaats waar je kon flirten en een partner kon vinden. ‘Umars poëzie heeft vaak Mekka als locatie; we zien de voorname dames uit het noorden uit hun draagstoelen stappen. Het lyrische ik geeft zijn ogen goed de kost, flirt en laat het allicht niet bij kijken alleen. In hoeverre de gedichten pure fantasie zijn blijft onduidelijk.

  • Ach, had Hind haar belofte maar vervuld, en onze ziel van haar lijden genezen!
    Had ze maar één maal haar eigen zin gedaan! (Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen)
    Ze zeggen dat ze onze buurvrouwen vroeg, toen zij zich eens ontbloot had om zich te verfrissen:
    ‘Zien jullie mij zoals hij me beschreven heeft, toe zeg het me! Of overdrijft hij?’
    Toen lachten ze onder elkaar en zeiden tegen haar: ‘Schoonheid in elk oog is wat het bemint.’
    Zo spraken zij uit jaloezie op haar, waarvan zij vol waren. (Vanouds was er onder de mensen nijd.)
    ‘Een rank jong ding is het; als zij haar tanden bloot lacht zie je kamille of hagelstenen.
    In haar ogen wisselt diep zwart zich af met wit; rankheid is haar hals.
    Zacht is zij: koel in de zomer, als de hittegloed al ’s morgens oplaait,
    en warm in de winter: een deken voor de jongeling in de nacht, wanneer de bittere kou hem bedekt.’
    Ik weet nog goed dat ik tegen haar zei, terwijl de tranen over mijn wangen stroomden:
    ‘Wie ben jij?’ vroeg ik. ‘O,’ zei ze, ‘iemand verteerd door passie, uitgeteerd door kommer.
    Wij als mensen uit al-Khayf, behorend tot het volk van Mina — voor wie wij doden is er geen vergelding.’
    Ik zei: ‘Welkom, jij bent wat wij begeren; zeg nu hoe je heet!’ ‘Ik ben Hind,’ zei ze,
    ‘mijn hart is tot waanzin gebracht, want het is vol van een fijn geklede jongeman, kaarsrecht als een lans.
    Jouw mensen zijn inderdaad onze buren; wij en zij zijn één en hetzelfde.’
    Ze hebben me verteld dat zij me behekst heeft – maar wat een heerlijke hekserij!
    Telkens als ik vroeg: ‘Wanneer is onze afspraak?’ lachte Hind en zei: ‘Overmorgen!’

haar eigen zin: een fatsoenlijke vrouw kan zich natuurlijk niet van haar begeleiders losmaken voor een afspraakje met zomaar een jongeman. De naieve dichterpersona gaat ervan uit, dat Hind natuurlijk wel zin gehád had in een afspraakje met hem.
onze ziel genezen van haar lijden: de ik spreekt hier in het dichterlijke bescheidenheidsmeervoud; verderop niet meer. In Arabische poëzie kunnen ‘wij’ en ‘ik’ elkaar snel af wisselen.
De verliefde man lijdt: dat is standaard in de liefdespoëzie van na de opkomst van de islam. De geliefde is daarentegen koud en wreed en speelt spelletjes met hem.
Het is een zwakkeling die niet zijn eigen zin kan doen, en Vanouds was er onder de mensen nijd: in Arabische gedichten komen dikwijls zulke algemene ‘wijsheden’ voor; ook wel in de vorm van spreekwoorden. Het gedicht wordt ter afwisseling als het ware even stil gezet voor een algemene beschouwing waarmee de hoorders kunnen instemmen.
Schoonheid in elk oog is wat het bemint is ook zo’n wijsheid; hier elegant in de mond van de buurvrouwen gelegd.
Een rank jong ding ]…] kou hem bedekt. De suggestie wordt gewekt dat dit de verzen zijn die de dichter op de mooie vrouw had gecomponeerd.3 Maar er is niets individueels aan de beschrijving van haar schoonheid; het zijn precies de cliché’s die werden verwacht. Cliché’s horen thuis in deze poëzie; de dichter toont zijn kunnen door daarop knap te variëren.
In de volgende dialoog betoont het lyrische ik zich nogal een sul, terwijl Hind geraffineerd en wreed is. Zij beweert verteerd door passie, uitgeteerd door kommer te zijn. Dat is een brutale rolwisseling! Zij zou verliefd zijn? Normaal worden dit soort woorden door de verliefde man in het gedicht gesproken. Hind is natuurlijk helemaal niet verliefd maar gaat hem om haar vinger winden.
al-Khayf […] Mina; voor wie wij doden is er geen vergelding. Mina, waar de pelgrims verblijven, behoort tot het heiligdom van Mekka. Daar is bloedvergieten niet geoorloofd, en bloedwraak dus ook niet. Vandaar dat Hind ongestraft haar prooi zal kunnen doden; ze waarschuwt maar vast. Het doden is in overdrachtelijke zin: de vrouw wordt vaak voorgesteld als iemand die pijlen afschiet uit haar ogen en daarmee de smachtende minnaar doodt. Een ‘liefde op het eerste gezicht’ leidt vaak tot de liefdesdood, althans in de literatuur. Al die sluiers zijn er niet voor niets: ze voorkomen dodelijke ongelukken.
Mijn hart […] als een lans: Nogmaals doet Hind alsof zíj degene is die door liefde tot waanzin wordt gedreven. De fijn geklede, kaarsrechte jongeman, eveneens een vleiend cliché, is natuurlijk het lyrische ik.
Ze hebben me verteld : vrienden van de ikfiguur, personen die traditioneel de lijdende minnaar proberen te redden, wat hier wel niet zal lukken.
behekst: de vrouw is hoe dan ook schuld aan de jammerlijke toestand waarin de ik zich bevindt.
Met het woord overmorgen laat Hind tenslotte nog weten dat er nooit een rendez-vous met het lyrische ik plaats zal hebben. Dat hadden alle hoorders van het gedicht al begrepen; alleen hij zelf niet. Na het laatste vers begint zijn verzuchting als het ware weer van voren af aan.

NOTEN
1. Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie. Ingeleid, gekozen, uit het Arabisch vertaald en geannoteerd door Geert Jan van Gelder, Amsterdam/Leuven, z.j.
Hafez Bouazza, Schoon in elk oog is wat het bemint (herziene, uitgebreide versie), Prometheus 2005. Bouazza heeft ook elders nog poëzie vertaald. De titel van zijn bundel doet vermoeden dat hij ook het bovenstaande gedicht vertaald en misschien besproken heeft. Ik kan dat nu niet nagaan; in mijn buitenlandse woonomgeving heb ik zijn boek niet ter beschikking.
2.

لَيْتَ هِنْدًا أَنْجَزَتْنَا مَا تَعِدْ * وَشَفَتْ أَنْفُسَنَا مِمَّا تَجِدْ
وَاسْتَبَدَّتْ مَرَّةَ وَاحِدَةً * إنَّمَا العَاجِزُ مَنْ لاَ يَسْتَبِدْ
زَعَمُوهَا سَأَلَتْ جَارَاتِنَا * وَتَعَرَّتْ ذَاتَ يَوْمٍ تَبْتَرِدْ
أَكَمَا يَنْعَتُنِي تُبْصِرْنَنِي * عَمْرَكُنَّ اللهَ أَم لاَ يقْتَصِدْ
فَتَضَاحَكْنَ وَقَدْ قُلْنَ لَهَا * حَسَنٌ فِي كُلِّ عَيْنٍ مَنْ تَوَدْ
حَسَدًا حُمِّلْنَه مِنْ أَجْلِهَا * وَقَدِيمًا كَانَ فِي النَّاسِِ الحَسَدْ
غَادَةٌ يَفْتَرُّ عَنْ أَشْنَبِهَا * حِينَ تَجْلُوهُ إَقَاحٍ أَوْ بَرَدْ
وَلَهَا عَيْنَانِ فِي طَرْفَيْهِمَا * حَوَرٌ مِنْهَا وَفِي الجِيدِ غَيَدْ
طَفْلَةٍ بَارِدَةُ القَيْظِ إذَا * مَعْمَعَان الصَيْفِ أَضْحَى يَتَْقِدْ
سُخْنَةُ المَشْتَى لِحَافٌ لِلْفَتَى * تَحْتَ لَيْلٍ حِينَ يَغْشَاهُ الصَّرَدْ
وَلَقَدْ أَذْكُرُ إذْ قُلْتُ لَهَا * وَدُمُوعي فَوْقَ خَدِّي تَطَّرِدْ
قُلْتُ مَنْ أَنْتَ فَقَالَتْ أَنَا مَنْ * شَفَّهُ الوَجْدُ وَأبْلاَهُ الكَمَدْ
نَحْنُ أَهْلَ الخَيْفِ مِنْ أَهْلُ مِنًى * مَا لِمَقْتُولٍ قَتَلْنَاهُ قَوَدْ
قُلْتُ أَهْلاً أَنْتُمُ بُغْيَتُنَا * فَتَسَمَّيْنَ فَقَالَتْ أَنَا هِنْدْ
إنَّمَا خُبِّلَ قَلْبِي فَاحْتَوَى * صَعْدَةً فِي سَابِرِيٍّ تَطَّرِدْ
إنَّمَا أَهْلُكَ جِيرَانٌ لَنَا * إنَّمَا نَحْنُ وَهُمْ شَيْءٌ أَحَدْ
حَدَّثُونِي أَنَّهَا لِي نَفَثَتْ * عُقَدًا يَا حَبَّذَا تِلْكَ العُقَدْ
كُلَّمَا قُلْتُ مَتَى مِيعَادُنَا * ضَحِكَتْ هِنْدٌ وَقَالَتْ بَعْدَ غَدْ

3. Te vergelijken misschien met de piropos in Spanje.

Terug naar Inhoud

Het voorislamitische Arabië

Het religieus gekleurde begrip Djāhilīya  en de invulling daarvan vertekenen het beeld het pre-islamitische Arabië. Hoe ontdekt men nu hoe het ‘echt’ was? Daartoe krijgen we hulp, zoals altijd bij geschiedvorsing, van twee soorten getuigen:

1. ­ Het bodemarchief:
Restanten van gebouwen, graven, inscripties, munten, vaatwerk enzovoort. Er bestaan tijdschriften waarin de resultaten van archeologisch werk zijn gedocumenteerd, bijv. Atlal. Veel opgravingen zijn er op het Arabisch Schiereiland niet geweest. Opgravingen in Mekka en Medina zijn volstrekt taboe; voor het overige lijkt men vooral gedreven te worden door de angst dat er iets christelijks gevonden zou kunnen worden, vooral in Nadjrān. Er zijn tienduizenden inscripties van nomaden gevonden. De nomaden in het preïslamitische Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel. Zij deden dat echter niet in het klassiek Arabisch. Die inscripties kunnen ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.

Pre-islamitische wandschildering uit Qaryat al-Fāw, Saudi-Arabië (1e eeuw na Chr.). Om technische redenen was het niet mogelijk hier de hele schildering te laten zien. Boven de man zijn nog meer druiven; van de vrouw die hem de druiven aanreikt is meer te zien en de hand met de druiven links behoort eveneens toe aan een vrouw. Rechts is in Oudzuidarabisch schrift het woord ZKY te lezen. De stijl van de schildering is Romeins. Zij herinnert aan een (weliswaar wat ‘goedkoop’ uitgevallen) zog. Fayyūm-Portret uit Egypte.
(Bron van de foto: A.R. al-Ansary, Qaryat al-Fau, A portrait of Pre-Islamic Civilisation in Saudi Arabia, Riad 1957–1982, S. 127, 135–7.)


Thamūd, 1e (?) eeuw na Chr. Vgl. koran 7:74; ‘… om op haar vlakten jullie kastelen in te nemen en om de bergen tot huizen te behouwen.’ Twee onder één kap dus? Het zullen wel graven wezen.
.
2) ­ Islamitische en andere teksten:
zoals die van Ibn Isḥāq, Sīra, Ibn Hishām, Kitāb al-Tīdjān of *Ibn al­-Kalbī, Kitāb al-aṣnām dateren van meer dan een eeuw na de periode die ze beschrijven en zijn bovendien religieus gekleurd, omdat ze juist het contrast tussen islam en Djahilīya willen uitwerken. Latere geschriften zijn ook niet beter. Genealogische teksten zijn vaak te wantrouwen, omdat zij met terugwerkende kracht de reputatie van voorouders en daardoor de eigen roem willen onderstrepen. Zijn er ook, behalve de bovengenoemde inscripties, oudere of neutralere teksten?

  • Er zijn enkele berichten en getuigenissen van niet­-Arabische auteurs. Die vertekenen het beeld ook, maar weer anders. Een welkome aanvulling.
  • En er is een zeer rijke pre-islamitische Arabische poëzie, die een kijkje in de Oudarabische maatschappij mogelijk maakt. Probleem daarbij: deze poëzie werd eerst mondeling overgeleverd en pas in de islamitische tijd schriftelijk opgetekend. Is zij  werkelijk zo oud? Deze kwestie is wetenschappelijk nog omstreden. Meestal houdt men een kern van de poëzie voor oud.

Een proefje van pre-islamitische Arabische poëzie, Imru’ al-Qays, hier in een vertaling van Geert-Jan van Gelder.1

  • Heerlijke dagen die ik had met hen!
    Vooral de dag bij Dárat Djóeldjoel:
    En ook die dag dat ik mijn rijdier slachtte voor
    De  meisjes, met het o zo fraai beladen zadel:
    De meisjes gooiden speels elkaar de brokken vlees toe,
    Gesierd met randen vet als van gevlochten zijde.
    O, en de dag dat ik de draagstoel van Onáiza binnenklom;
    Zij riep: Eruit jij! Wil je dat ik te voet moet gaan?
    Dat zei ze, toen het zadel met ons beiden bijna kantelde:
    Moet mijn kameel soms dood? Imra’ al-Qais, stijg af!

 

De oude Arabische poëzie is in het origineel buitengewoon mooi; zij is zelfs een reden om klassiek Arabisch te leren.

En hoe was dat oude Arabië dan? Veel mensen denken bij het woord meteen aan woestijn. Die is er ook volop, maar in de woestijn wonen geen mensen. De meeste Arabieren woonden wijselijk in de bewoonbare delen van het land. De woestijn kwamen zij vooral tegen als zij op reis gingen.

Op het schiereiland is geregelde landbouw mogelijk op vele plekken van iets ten zuiden van Mekka tot en met Jemen, en verder natuurlijk in de vele en aanzienlijke oases. De zuidkust van Oman heeft een vochtig tropisch klimaat met moessonregens. In het binnenland ligt de 3000 meter hoge berg Jebel Akhdar, die regenwolken aantrekt.

Landbouw en/of extensieve veeteelt was ook mogelijk in de gebieden ten Westen van Iraq en aan de oostkant van Syrië en in Jordanië, gebieden die eveneens tot *Arabië werden gerekend. De droge stukken van het schiereiland werden bewoond door nomaden (bedoeïenen) die zich veelal met het fokken van kamelen bezig hielden en ook het transport over het schiereiland verzorgden.

Een veel voorkomend misverstand is dat de islam een woestijnreligie zou zijn. Dat is niet juist: Mekka was een stad, Medina een grote oase. Het Arabisch was vaak niet de moedertaal van de woestijnbewoners (bedoeïenen). Mocht de islam bij nader inzien toch uit Syrië of Jordanië stammen: ook dat zijn geen woestijnen. Bedoeïenen worden in de koran erg negatief beschreven. Voor religie hadden zij blijkbaar weinig aanleg.

Volgens de overlevering zou er in de zevende eeuw er midden in Arabië onverwacht een staat zijn ontstaan met de hoofdstad Medina, onder invloed van de geestelijke beweging die later bekend zou worden als ‘de islam’.2 Dat was daarvoor nooit mogelijk geweest. Vóór de islam waren er drie staten waar Arabië mee te maken had: het Romeinse Rijk, het Perzische rijk en als derde Jemen, waar koninkrijken met verschillende namen elkaar hadden opgevolgd, maar dat op het laatst onder Ethiopische en daarna onder Perzische heerschappij had gestaan. Alle drie deze staten hadden Arabische vazalstaten (gehad) die zich dieper naar binnen op het schiereiland uitstrekten. De truc was de nomaden aan het betreffende rijk te binden, om te voorkomen dat zij steeds kwamen plunderen. Ze kregen een koninkrijkje, een paleisje, een mooie koningsmantel en een hoop geld. Daarmee moesten ze ook een geregeld leger organiseren, dat als een buffer tegen het andere rijk moest dienen. Konstantinopel en Perzië waren immers al sinds eeuwen met elkaar in oorlogen verwikkeld.

De drie vazalstaten waren die van:
– de Ghassāniden (500–630), in het huidige Oostsyrië en Jordanië
– de Lakhmiden im Irak (266–640), ten Westen van het Tweestromenland.
– Kinda (425–528), ten Noorden van Jemen. De dichter Imruʾ al-Qays, van wie hierboven een poëziefragment werd geciteerd, behoorde tot het koningshuis van Kinda.

Op het bijgaande kaartje ziet U duidelijk het Romeinse en het Perzische rijk en de bijbehorende vazalstaten. Het staatje Kinda vond ik niet op een bestaande landkaart; daarom heb ik het er zelf in donkergeel in getekend, maar het is niet zo mooi geworden. De grenzen zijn natuurlijk maar een vaag vermoeden.
Zodra de grote rijken niet meer geneigd of in staat waren ze te onderhouden verdwenen de vazalstaatjes weer. Geheel onafhankelijke staten waren in de drogere delen van Arabië om geografische en logistieke redenen blijkbaar niet mogelijk. Medina (622–656) dan wel?
Al waren de vazalstaatjes niet sterk, zij boden de Arabieren eeuwen lang de mogelijkheid kennis te nemen van de grote culturen in de toenmalige wereld.

NOTEN
1. Een Arabische tuin. Klassieke Arabische poëzie, ingeleid, gekozen en uit het Arabisch vertaald en geannoteerd door Geert Jan van Gelder, Amsterdam (Bulaaq), z.j., 86.
2. Elders bespreek ik de vraag of de vroeg-islamitische staat met de hoofdstad Medina die op het schiereiland gevestigd geweest zou zijn, überhaupt mogelijk was.

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.

Terug naar Inhoud

Nep-fatwa

Wanneer een moslim een rechtsgeleerd advies (fatwa) nodig heeft kan hij zich tot een mufti wenden. Van bekende rechtsgeleerden worden de fatwa’s bewaard. Er zijn van hen echter ook als grap bedoelde nep-fatwa’s in dichtvorm overgeleverd, vaak over de liefde.
Een minnaar wordt soms voorgesteld als jager, maar het ‘wild,’ de geliefde, kon hem ook doden door pijlen af te schieten uit haar/zijn ogen: door blikken namelijk, die zoals bekend kunnen doden. Wanneer zo’n ‘liefde op het eerste gezicht’ tot de dood leidt, en dat is in de Arabische literatuur nooit uit te sluiten, zou je kunnen denken dat het eigenlijk doodslag is, of zelfs moord. Een mufti te vragen of er straf staat op zo’n dodelijke blik ligt dan voor de hand.
Dat heeft de dichter Ibn al-Rūmī (836–896) volgens een anecdote inderdaad gedaan. In dichtvorm zou hij aan Muhammed ibn Dāwūd (± 868–910) een fatwa over dit onderwerp hebben gevraagd:

  • Geef, Ibn Dāwūd, geleerde van Irak,
    een fatwa over dodende ogen:
    Wacht hen voor minnaarsmoord ooit wraak,
    of is hun bloeddorst te gedogen?

De rechtsgeleerde antwoordde per omgaande en eveneens in dichtvorm:

  • Een wrede vraag! Ik weet er antwoord op,
    maar geef het met betraande wangen:
    Op liefdeswurgmoord staat de strop
    waar dader en dode al in hangen!

Noot: Al-Daylamī, Kitāb ‘Atf al-alif al-ma’lūf ‘alā al-lām al-ma‘tūf, uitg. J.C. Vadet, Cairo 1962, 60–61. Uitgebreider in Al-Khatīb al-Baghdādī, Ta’rīkh Baghdād 14 dln., Cairo 1931, v, 257; al-Sarrāj, Masāri‘ al-‘ushshāq, Beirut 1958, ii, 119=213–14   komt nog

Diakritische tekens: Muḥammed ibn Dāwūd, Kitāb ʿAṭf al-alif al-maʾlūf ʿalā al-lām al-maʿṭūf, Al-Khaṭīb al-Baghdādī, Taʾrīkh Baghdād, Maṣāriʿ al-ʿushshāq

Terug naar Inhoud