Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptische geleerde door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

Oudste Arabische roman?

(Doelgroep: mensen die geïnteresseerd zijn in Arabische literatuur uit de negentiende eeuw)

Ooit had de uitgeverij Brill een oriëntalistische boekhandel in Leiden, waar je in de kelder koopjes kon halen vanaf één gulden. Daar heb ik eens, inderdaad voor een gulden het stuk, twee Arabische boekjes gekocht van Nakhla Sālih, ‘voorheen vertaler bij de Egyptische Spoorwegen’ (gest. 1899), kennelijk een christen.1 Het ene was een reisgids door Syrië en Palestina, het andere een roman, getiteld Qissat Fu’ād wa-Rifqa mahbūbatihi (Het verhaal van Fu’ād en zijn geliefde Rifqa), gedrukt in Cairo bij al-Maṭba‘a al-‘Āmirīya in 1289 [dat is 1872 in onze jaartelling].
Mocht U ooit Arabische literaire werken in een originele negentiende-eeuwse druk ontdekken, koop ze en wees er zuinig op, of zorg dat ze een goed tehuis krijgen. Ze zijn zeldzaam.

Fu’ād en Rifqa is allebehalve een literair meesterwerk, maar het verdient enige aandacht in het kader van de literatuurgeschiedenis, omdat het de oudste nog bewaarde Arabische roman is uit Egypte.2 Of liever gezegd romannetje: het heeft maar 48 bladzijden. Het exemplaar heb ik aan de UB in Leiden geschonken, waar het de signatuur 8241 F 30 heeft gekregen. Een pdf van de tekst plaats ik hier, een foto van het omslag met de titelpagina hier.

‘Zoals ook Manon bekend is in Eypte’; bedoeld is Abbé Prevost, Histoire du Chevalier Des Grieux et de Manon Lescaut (1731), een beroemde roman uit Frankrijk, die ook in de negentiende eeuw zeer populair was. Maar Ṣāliḥ kan ook een verkorte, Reader’s Digest-achtige versie daarvan ter beschikking gehad hebben, zoals die verschenen in dunne boekjes voor in de stationskiosk.

NOTEN
1. C. Brockelmann, GAL ii, 491, S ii, 749; iii, 378.
2. J. Brugman, An Introduction to the History of Modern Arabic Literature in Egypt, Leiden 1984, 207 (spelt ten onrechte Nakhīla).

Diakritische tekens: Ṣāliḥ, Qiṣṣat Fuʾād wa-Rifqa maḥbūbatihi

Terug naar Inhoud

Sayyid Qutb, Ashwak

(Voor mensen die Arabisch lezen)

Voordat de Egyptenaar Sayyid Qutb (1906–1966) het licht zag en de vorst der moslimfundamentalisten werd, hield hij zich bezig met literatuur. Niet op een bijzonder hoog niveau, maar toch: hij heeft gedichten, drie romans en een aantal literair-kritische artikelen geschreven. Hans Jansen noemt in de Encyclopaedia of Islam (art. Sayyid Kutb) het liefdesromannetje Ashwāk (1947) een ‘moving work which explains why its hero never married’. Inderdaad slaat je uit dit werkje de Sexualangst tegemoet. Ook maakt het weer eens duidelijk hoezeer het moslimfundamentalisme, dat latent natuurlijk al in Qutb aanwezig was, samenhangt met die angst voor alles wat seksueel of zelfs maar lichamelijk is.

Het boekje is in Europa vrijwel nergens in een bibliotheek aanwezig; daarom zet ik nu een scan in het oorspronkelijke Arabisch van de tweede druk (1961) hier neer. Enjoy!

Terug naar Inhoud

Sayyid Saiyid Quṭb Ḳuṭb Ashwak Ashwāk Ašwāk Asjwaak

Michael Roes, Leeg kwartier (boekbespreking)

Michael Roes, Leeg kwartier. Rub’ al-Khali. Inventie over het spel. Roman. Vertaald uit het Duits door Nelleke van Maaren. Arbeiderspers, 2001

Hoe te reizen? Beschaafde toeristen kunnen dat nalezen in reisgidsen, bij voorbeeld uit de Duitse reeks Richtig Reisen. Maar edeltoerisme kan de Duitse schrijver en cutureel antropoloog Michael Roes niet bevredigen. Met Leeg kwartier, dat zich in het Midden-Oosten en vooral in Jemen afspeelt, heeft hij een alternatief deel Richtig Reisen geschreven, en wel in de vorm van een kloeke roman. Al noemt het boek zich op de titelpagina van het origineel geen roman, maar alleen een ‘inventie’, naar analogie van de onconventionele, vaak tweestemmige muziekstukken die zo heten.
Leeg kwartier introduceert eerst kort de ik-verteller, een moderne antropoloog, die als onderzoeker naar Jemen reist. Onmiddellijk daarop volgen honderd bladzijden van een tekst die hij in zijn bagage heeft: het reisverslag van de fictieve ontdekkingsreiziger Alois Schnittke, die omstreeks 1803 naar Jemen is gereisd. Na honderd bladzijden wisselen de notities van Schnittke en die van de verteller elkaar steeds vaker af, waarbij hun lotgevallen en waarnemingen geleidelijk parallel of door elkaar gaan lopen. De verhalende gedeelten worden afgewisseld met essai-achtige bladzijden, maar ook met Arabische woordenlijsten van bij voorbeeld paarden- of kamelentermen, en met antropologische notities. De moderne teksten zijn in normale taal geschreven, die van Schnittke in een soort pseudo-archaïsch Duits. De vertaalster heeft ze gelukkig niet in soortgelijk Nederlands overgebracht. Zij is er echter in geslaagd, een register te scheppen dat die oude tijd overtuigend oproept.
Reizen volgens het recept van Roes duurt lang en is avontuurlijk. Vandaar dat zijn reizigers veel tegenslag, gevaar en lichamelijk ongerief ondervinden en beiden door een bedoeïenenstam worden gevangen genomen worden. Maar reizen moet ook een doel hebben: het verwerven van kennis. De ik-verteller voert een onderzoek uit naar kinderspelen in Jemen; zijn alter ego Schnittke maakt deel uit van een nogal zotte vierkoppige expeditie, die vlijtig Oud-Zuidarabische inscripties afschrijft en uiteindelijk op zoek is naar niets minder dan de lost ark, waarin zich de Stenen Tafelen der Wet bevinden.
Volgens hardnekkige, niet eensluidende geruchten heeft de auteur deze roman als dissertatie ingediend, of zelfs als Habilitationsschrift, een soort tweede proefschrift. Hij kent de Duitse universitaire wereld goed en kan niet werkelijk geloofd hebben dat zijn werk aanvaard zou worden. Maar hij moet er hartelijk om gegrinnikt hebben dat er een commissie over heeft gediscussieerd en sommige leden het niet wilden afwijzen. Leeg kwartier bevat inderdaad enkele teksten die op wetenschap lijken. Gelukkig voor de lezer: ze zijn het niet. Het Arabisch in de negentiende-eeuws aandoende woordenlijsten deugt van geen kant. En hoewel de antropologische beschouwingen interessant zijn, ontberen zij iedere systematiek. Maar zoals een krant die is afgebeeld op een schilderij of in een stripverhaal niet werkelijk gelezen kan worden, zo hoeft de hier geschilderde wetenschap niet echt te deugen.
Roes’ poging, het boek door de universiteit erkend te krijgen is meer dan een goede grap. Hij wilde niet alleen reis-kritiek bieden, maar ook wetenschapskritiek. Antropologisch veldwerk gaat het best wanneer de onderzoeker het vreemde volk niet met koele blik van buiten af gadeslaat, maar zich eronder mengt en het ‘participerend observeert’. Roes’ moderne held gaat veel verder: hij studeert niet langer, maar gaat óp in het volk, door met de spelers mee te spelen. Geen vieze steeg, geen erotisch avontuur gaat hij uit de weg, en hij bereikt een eenheid die soms groezelig-seksueel, maar op glansmomenten mystiek van aard is. Menig wetenschapper zal jaloers zijn op de aldus verworven kennis.
Het boeiendst in Leeg Kwartier zijn de reisbelevenissen zelf, die de lezer meevoeren tot aan de rand van de gelijknamige woestijn. Dat het boek, evenals de beide reizen zelf, letterlijk verzandt doet daar niets aan af. Veel plaats nemen de beschrijvingen van en beschouwingen over kinderspelen in. De spelen zijn wreed, als overal, maar anders dan bij ons zijn ze nog niet virtueel geworden. Het spel ligt in Jemen nog dicht bij de oorlog en is veel bloederiger dan een potje Mortal Kombat. De kinderen gooien daar nog met echte stenen.
Nog interessanter dan de spelen vind ik de homoseksualiteit, waarvan het hele boek doortrokken is. De verteller gaat mee met iedere vent die hem wenkt, maar beschrijft zijn contacten als vreugdeloze nummertjes veldwerk. Zijn waarnemingen en bespiegelingen over dit onderwerp boeien meer dan zijn verrichtingen. De vraag komt bij hem op, of homoseksualiteit wel bestaat in traditionele Arabische landen, waar lichamelijke handelingen tussen mannen alleen maar als vanzelf voorkomen, niet op grond van een afspraak tussen gelijken, hoe stilzwijgend ook, en nimmer het voorwerp van bewustzijn of gesprek zijn. Schnittkes verslag wemelt eveneens van de intimiteiten tussen mannen. Roes weet deze dikwijls heel knap te suggereren zonder ze te benoemen. Dat was nodig, want voor Schnittke waren dergelijke handelingen nog even ‘onzegbaar’ als voor de huidige Jemenieten.
De verteller heeft geen lekkere seks en is ook verder nogal een chagrijn, wat het leesplezier soms drukt. Om hem lachen wil ook al niet lukken. Hij wordt steeds wanhopiger en zieker, maar is ook vaak koppig, stom en onpraktisch. Uitgerekend tijdens een burgeroorlog begeeft hij zich naar de rand van het Lege Kwartier en jawel hoor, daar wordt hij ontvoerd. Schnittke daarentegen, gewezen directeur van een marionettentheater, is de ideale reiziger. Roes heeft van hem een modelburger van Weimar anno 1800 gemaakt: verlicht, leergierig, moedig, speels en zelfs humoristisch. Schnittke leert goed Arabisch, bestrijdt de vooroordelen van zijn medereizigers, gaat als enige diepgaande contacten met ‘inheemsen’ aan en is voor zijn tijd onwaarschijnlijk politiek correct. Zó zijn, zo reizen, dat lijkt Roes’ ideaal. Maar dat kan niet meer, en was het twee eeuwen geleden werkelijk mogelijk?
Leeg kwartier is een rijk tweestemmig experiment, maar helemaal geslaagd is het niet. Het wordt op den duur een opgave om verder te lezen, de spanning verslapt. En alle geweldige vragen die worden opgeworpen worden niet beantwoord, zelfs niet in aanzet. Tenslotte voelt de lezer zich ongeveer zoals Schnittke toen hij de Stenen Tafelen eindelijk ontdekte: ze waren leeg! Dat neemt niet weg dat dit boek prachtige verhalen bevat, heel veel over Jemen, en waardevolle essai-fragmenten over spel, oorlog, dans en sex.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 21.9.2001.

Terug naar Inhoud

al-Koni, Bloedende steen (bespreking)

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen. Roman. Vertaald door Richard van Leeuwen. Van Gennep/Novib/NCOS 1990.

Bloedende steen is een roman uit de Sahara die sterk afwijkt van ander uit het Arabisch vertaald werk. Dat heeft te maken met de uitzonderlijke levensloop van de auteur. De Libiër al-Koni (1948) schrijft weliswaar Arabisch, maar is een Touareg, opgegroeid als nomade in het diepe zuiden van de Sahara. Vandaar dat de woestijn een hoofdrol speelt in zijn werk, wat bij Arabische auteurs nooit het geval is. Hij heeft aan Russische voorbeelden geleerd wat literatuur is, toen hij in Moskou letterkunde studeerde. Daarna heeft hij als persattaché en cultureel attaché gewerkt in Warschau, Moskou en Zwitserland. Afgezien van een broddelwerkje van Ghaddafi is al-Koni’s boek de eerste Libische roman die is vertaald, en het is bijna een meesterwerk.
Je zou Bloedende steen een ecologische roman kunnen noemen. In de woestijn kan de mens alleen overleven wanneer hij het enig mogelijke evenwicht weet te vinden met zijn omgeving, inclusief de dieren. En eens te meer wanneer die mens alleen is: de hoofdpersoon Asoef leeft met zijn ouders buiten stamverband; als zijn ouders sterven leeft hij helemaal alleen, met de geiten die hij hoedt. Onder die omstandigheden is het niet vreemd dat hij zich verbonden voelt met de dieren. Reeds de voorislamitische dichters uit Arabië waren met geesten en dieren in gesprek; met wolven bij voorbeeld, die vaak net zo eenzaam waren als zij. Asoef is bezorgd voor het delicate evenwicht in de woestijn en doodt slechts zelden en met grote schroom.  Later komt hij, door zijn belevenissen en gevechten met een moeflon, zelfs tot de conclusie dat hij helemaal geen vlees meer wil eten. Eens, toen hij op de vlucht was, heeft hij zich in een moeflon veranderd; een andere keer is hem het leven gered door de moeflon die hij joeg. De grens tussen de soorten is voor hem vloeiend.
Tegenpolen zijn de bloeddorstige vleeseters uit het noorden, de Arabieren van de kust, wier verhouding tot de dieren geheel gestoord is, en die met machinegeweren vanuit jeeps en helikopters op gazellen jagen. Zij worden daarbij geholpen door een nogal bespottelijke Amerikaan van de luchtmachtbasis. Die man heeft belangstelling voor ‘het Oosten’ en bedoelt het goed; intussen is hij wel degene die het moorddadige jachttuig levert. Als de gazellen uitgeroeid zijn willen ze aan de moeflons beginnen, en Asoef moet hen daarbij helpen. Als hij niet wil wordt hij door de aan vlees verslaafde Kain Adam op een heilige steen met een prehistorische rotstekening gekruisigd en gedood, omdat ook deze, waanzinnig geworden, in hem een moeflon ziet.
In al-Koni’s woestijn heerst een soort natuurgodsdienst, die naadloos aansluit bij de afbeeldingen op de prehistorische rotstekeningen. De Islam ziet er heel anders uit dan de wetgeleerden het zouden wensen, en de auteur heeft daar zichtbaar plezier in. Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien! Asoef voltooit zijn gebed met zijn gezicht niet naar Mekka, maar naar een gewijde rots waarop een priester uit een ver verleden staat afgebeeld. Groter heiligschennis is nauwelijks denkbaar. Er zitten ook kleine blasfemische speldeprikken verstopt in het boek. In de vertaling konden die echter onmogelijk gehandhaafd blijven; bovendien zal meestal de nodige achtergrondkennis ontbreken. Voor de ‘in de schoot van het zand bewaarde steen’ waarover het bloed van de gekruisigde Asoef stroomt worden de woorden al-lawh al-mahfoez gebruikt, die gewoonlijk verwijzen naar de ‘welbewaarde tafel’ waarop God in de hemel de oer-koran bewaart. Het oneigenlijke gebruik van zo’n hoogheilige woordcombinatie zal de godgeleerden razend maken. Gelukkig voltooide de schrijver dit boek in Moskou en liet hij het uitgeven in Engeland, zodat hij de islamitische censoren kon ontlopen. Ook aan de Nederlandse censor is hij ontsnapt. Uitgeverij Novib drukt achterin haar boeken nog altijd af, dat zij arme mensen in ontwikkelingslanden wil ondersteunen en een stem wil geven. Als Libisch diplomaat is al-Koni vast niet arm of anderszins politiek correct. Het is dan ook een godswonder dat dit prachtige boek bestaat en ons heeft bereikt.
De auteur weet de lezer telkens mee te nemen uit de wereld van de normale natuurwetten naar een ander domein, waar fantasie en werkelijkheid, mythe en geschiedenis niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een enkele keer gaat dat grondig mis: in het hoofdstuk waarin een gazelle de mythologie uitlegt aan haar jong ben ik niet bereid de sprong van de schrijver naar gene zijde te volgen. Maar voor het overige laat ik mij graag meeslepen, omdat op overtuigende wijze de woestijn wordt opgeroepen, waar de leegte immers ieder realiteitsbesef uitdaagt en waar zinderende hitte de voorstellingen vervormt. De stilte van het grote niets is hoorbaar in dit boek, en als bij een fata morgana weet je letterlijk niet wat je ziet.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 5 december 1997.

Terug naar Inhoud