Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptenaar door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

Oudste Arabische roman?

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Ooit had Brill een oriëntalistische boekhandel in Leiden, waar je in de kelder koopjes kon halen vanaf één gulden. Daar heb ik eens, inderdaad voor een gulden het stuk, twee Arabische boekjes gekocht van Nakhla Sālih, ‘voorheen vertaler bij de Egyptische Spoorwegen’ (gest. 1899).1 Het ene was een reisgids door Syrië en Palestina, het ander een roman, getiteld Qissat Fu’ād wa-Rifqa mahbūbatihi (Het verhaal van Fu’ād en zijn geliefde Rifqa). Het bijzondere van dit laatste werkje is dat het uit 1289 (= 1872) dateert en de oudste Egyptische, mogelijk de oudste Arabische roman überhaupt is.2 Of liever romannetje: het telt maar 48 bladzijden. Het is een liefdesverhaaltje, geïnspireerd op Abbé Prevost, Manon Lescaut. Het exemplaar heb ik aan de UB in Leiden geschonken. Een scan plaats ik hier, dan kunt U het ook eens lezen. Niet dat het een literair meesterwerk is, maar als oudste roman verdient het wel aandacht in het kader van de literatuurgeschiedenis.
Mocht U ooit Arabische boeken in een originele negentiende-eeuwse druk ontdekken, koop ze en wees er zuinig op, of zorg dat ze een goed tehuis krijgen. Ze zijn zeldzaam.

NOTEN
1. J. Brugman, An Introduction to the History of Modern Arabic Literature in Egypt, Leiden 1984, 207 (spelt ten onrechte Nakhīla).
2. C. Brockelmann, GAL ii, 491, S ii, 749; iii, 378.

Diakritische tekens: Ṣāliḥ, Qiṣṣat Fuʾād wa-Rifqa maḥbūbatihi

Terug naar Inhoud

Sayyid Qutb, Ashwak

(Voor mensen die Arabisch lezen)

Voordat de Egyptenaar Sayyid Qutb (1906–1966) het licht zag en de vorst der moslimfundamentalisten werd, hield hij zich bezig met literatuur. Niet op een bijzonder hoog niveau, maar toch: hij heeft gedichten, drie romans en een aantal literair-kritische artikelen geschreven. Hans Jansen noemt in de Encyclopaedia of Islam (art. Sayyid Kutb) het liefdesromannetje Ashwāk (1947) een ‘moving work which explains why its hero never married’. Inderdaad slaat je uit dit werkje de Sexualangst tegemoet. Ook maakt het weer eens duidelijk hoezeer het moslimfundamentalisme, dat latent natuurlijk al in Qutb aanwezig was, samenhangt met die angst voor alles wat seksueel of zelfs maar lichamelijk is.

Het boekje is in Europa vrijwel nergens in een bibliotheek aanwezig; daarom zet ik nu een scan in het oorspronkelijke Arabisch van de tweede druk (1961) hier neer. Enjoy!

Terug naar Inhoud

Sayyid Saiyid Quṭb Ḳuṭb Ashwak Ashwāk Ašwāk Asjwaak

Michael Roes, Leeg kwartier (boekbespreking)

Michael Roes, Leeg kwartier. Rub’ al-Khali. Inventie over het spel. Roman. Vertaald uit het Duits door Nelleke van Maaren. Arbeiderspers, 2001

Hoe te reizen? Beschaafde toeristen kunnen dat nalezen in reisgidsen, bij voorbeeld uit de Duitse reeks Richtig Reisen. Maar edeltoerisme kan de Duitse schrijver en cutureel antropoloog Michael Roes niet bevredigen. Met Leeg kwartier, dat zich in het Midden-Oosten en vooral in Jemen afspeelt, heeft hij een alternatief deel Richtig Reisen geschreven, en wel in de vorm van een kloeke roman. Al noemt het boek zich op de titelpagina van het origineel geen roman, maar alleen een ‘inventie’, naar analogie van de onconventionele, vaak tweestemmige muziekstukken die zo heten.
Leeg kwartier introduceert eerst kort de ik-verteller, een moderne antropoloog, die als onderzoeker naar Jemen reist. Onmiddellijk daarop volgen honderd bladzijden van een tekst die hij in zijn bagage heeft: het reisverslag van de fictieve ontdekkingsreiziger Alois Schnittke, die omstreeks 1803 naar Jemen is gereisd. Na honderd bladzijden wisselen de notities van Schnittke en die van de verteller elkaar steeds vaker af, waarbij hun lotgevallen en waarnemingen geleidelijk parallel of door elkaar gaan lopen. De verhalende gedeelten worden afgewisseld met essai-achtige bladzijden, maar ook met Arabische woordenlijsten van bij voorbeeld paarden- of kamelentermen, en met antropologische notities. De moderne teksten zijn in normale taal geschreven, die van Schnittke in een soort pseudo-archaïsch Duits. De vertaalster heeft ze gelukkig niet in soortgelijk Nederlands overgebracht. Zij is er echter in geslaagd, een register te scheppen dat die oude tijd overtuigend oproept.
Reizen volgens het recept van Roes duurt lang en is avontuurlijk. Vandaar dat zijn reizigers veel tegenslag, gevaar en lichamelijk ongerief ondervinden en beiden door een bedoeïenenstam worden gevangen genomen worden. Maar reizen moet ook een doel hebben: het verwerven van kennis. De ik-verteller voert een onderzoek uit naar kinderspelen in Jemen; zijn alter ego Schnittke maakt deel uit van een nogal zotte vierkoppige expeditie, die vlijtig Oud-Zuidarabische inscripties afschrijft en uiteindelijk op zoek is naar niets minder dan de lost ark, waarin zich de Stenen Tafelen der Wet bevinden.
Volgens hardnekkige, niet eensluidende geruchten heeft de auteur deze roman als dissertatie ingediend, of zelfs als Habilitationsschrift, een soort tweede proefschrift. Hij kent de Duitse universitaire wereld goed en kan niet werkelijk geloofd hebben dat zijn werk aanvaard zou worden. Maar hij moet er hartelijk om gegrinnikt hebben dat er een commissie over heeft gediscussieerd en sommige leden het niet wilden afwijzen. Leeg kwartier bevat inderdaad enkele teksten die op wetenschap lijken. Gelukkig voor de lezer: ze zijn het niet. Het Arabisch in de negentiende-eeuws aandoende woordenlijsten deugt van geen kant. En hoewel de antropologische beschouwingen interessant zijn, ontberen zij iedere systematiek. Maar zoals een krant die is afgebeeld op een schilderij of in een stripverhaal niet werkelijk gelezen kan worden, zo hoeft de hier geschilderde wetenschap niet echt te deugen.
Roes’ poging, het boek door de universiteit erkend te krijgen is meer dan een goede grap. Hij wilde niet alleen reis-kritiek bieden, maar ook wetenschapskritiek. Antropologisch veldwerk gaat het best wanneer de onderzoeker het vreemde volk niet met koele blik van buiten af gadeslaat, maar zich eronder mengt en het ‘participerend observeert’. Roes’ moderne held gaat veel verder: hij studeert niet langer, maar gaat óp in het volk, door met de spelers mee te spelen. Geen vieze steeg, geen erotisch avontuur gaat hij uit de weg, en hij bereikt een eenheid die soms groezelig-seksueel, maar op glansmomenten mystiek van aard is. Menig wetenschapper zal jaloers zijn op de aldus verworven kennis.
Het boeiendst in Leeg Kwartier zijn de reisbelevenissen zelf, die de lezer meevoeren tot aan de rand van de gelijknamige woestijn. Dat het boek, evenals de beide reizen zelf, letterlijk verzandt doet daar niets aan af. Veel plaats nemen de beschrijvingen van en beschouwingen over kinderspelen in. De spelen zijn wreed, als overal, maar anders dan bij ons zijn ze nog niet virtueel geworden. Het spel ligt in Jemen nog dicht bij de oorlog en is veel bloederiger dan een potje Mortal Kombat. De kinderen gooien daar nog met echte stenen.
Nog interessanter dan de spelen vind ik de homoseksualiteit, waarvan het hele boek doortrokken is. De verteller gaat mee met iedere vent die hem wenkt, maar beschrijft zijn contacten als vreugdeloze nummertjes veldwerk. Zijn waarnemingen en bespiegelingen over dit onderwerp boeien meer dan zijn verrichtingen. De vraag komt bij hem op, of homoseksualiteit wel bestaat in traditionele Arabische landen, waar lichamelijke handelingen tussen mannen alleen maar als vanzelf voorkomen, niet op grond van een afspraak tussen gelijken, hoe stilzwijgend ook, en nimmer het voorwerp van bewustzijn of gesprek zijn. Schnittkes verslag wemelt eveneens van de intimiteiten tussen mannen. Roes weet deze dikwijls heel knap te suggereren zonder ze te benoemen. Dat was nodig, want voor Schnittke waren dergelijke handelingen nog even ‘onzegbaar’ als voor de huidige Jemenieten.
De verteller heeft geen lekkere seks en is ook verder nogal een chagrijn, wat het leesplezier soms drukt. Om hem lachen wil ook al niet lukken. Hij wordt steeds wanhopiger en zieker, maar is ook vaak koppig, stom en onpraktisch. Uitgerekend tijdens een burgeroorlog begeeft hij zich naar de rand van het Lege Kwartier en jawel hoor, daar wordt hij ontvoerd. Schnittke daarentegen, gewezen directeur van een marionettentheater, is de ideale reiziger. Roes heeft van hem een modelburger van Weimar anno 1800 gemaakt: verlicht, leergierig, moedig, speels en zelfs humoristisch. Schnittke leert goed Arabisch, bestrijdt de vooroordelen van zijn medereizigers, gaat als enige diepgaande contacten met ‘inheemsen’ aan en is voor zijn tijd onwaarschijnlijk politiek correct. Zó zijn, zo reizen, dat lijkt Roes’ ideaal. Maar dat kan niet meer, en was het twee eeuwen geleden werkelijk mogelijk?
Leeg kwartier is een rijk tweestemmig experiment, maar helemaal geslaagd is het niet. Het wordt op den duur een opgave om verder te lezen, de spanning verslapt. En alle geweldige vragen die worden opgeworpen worden niet beantwoord, zelfs niet in aanzet. Tenslotte voelt de lezer zich ongeveer zoals Schnittke toen hij de Stenen Tafelen eindelijk ontdekte: ze waren leeg! Dat neemt niet weg dat dit boek prachtige verhalen bevat, heel veel over Jemen, en waardevolle essai-fragmenten over spel, oorlog, dans en sex.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 21.9.2001.

Terug naar Inhoud

al-Koni, Bloedende steen (bespreking)

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen. Roman. Vertaald door Richard van Leeuwen. Van Gennep/Novib/NCOS 1990.

Bloedende steen is een roman uit de Sahara die sterk afwijkt van ander uit het Arabisch vertaald werk. Dat heeft te maken met de uitzonderlijke levensloop van de auteur. De Libiër al-Koni (1948) schrijft weliswaar Arabisch, maar is een Touareg, opgegroeid als nomade in het diepe zuiden van de Sahara. Vandaar dat de woestijn een hoofdrol speelt in zijn werk, wat bij Arabische auteurs nooit het geval is. Hij heeft aan Russische voorbeelden geleerd wat literatuur is, toen hij in Moskou letterkunde studeerde. Daarna heeft hij als persattaché en cultureel attaché gewerkt in Warschau, Moskou en Zwitserland. Afgezien van een broddelwerkje van Ghaddafi is al-Koni’s boek de eerste Libische roman die is vertaald, en het is bijna een meesterwerk.
Je zou Bloedende steen een ecologische roman kunnen noemen. In de woestijn kan de mens alleen overleven wanneer hij het enig mogelijke evenwicht weet te vinden met zijn omgeving, inclusief de dieren. En eens te meer wanneer die mens alleen is: de hoofdpersoon Asoef leeft met zijn ouders buiten stamverband; als zijn ouders sterven leeft hij helemaal alleen, met de geiten die hij hoedt. Onder die omstandigheden is het niet vreemd dat hij zich verbonden voelt met de dieren. Reeds de voorislamitische dichters uit Arabië waren met geesten en dieren in gesprek; met wolven bij voorbeeld, die vaak net zo eenzaam waren als zij. Asoef is bezorgd voor het delicate evenwicht in de woestijn en doodt slechts zelden en met grote schroom.  Later komt hij, door zijn belevenissen en gevechten met een moeflon, zelfs tot de conclusie dat hij helemaal geen vlees meer wil eten. Eens, toen hij op de vlucht was, heeft hij zich in een moeflon veranderd; een andere keer is hem het leven gered door de moeflon die hij joeg. De grens tussen de soorten is voor hem vloeiend.
Tegenpolen zijn de bloeddorstige vleeseters uit het noorden, de Arabieren van de kust, wier verhouding tot de dieren geheel gestoord is, en die met machinegeweren vanuit jeeps en helikopters op gazellen jagen. Zij worden daarbij geholpen door een nogal bespottelijke Amerikaan van de luchtmachtbasis. Die man heeft belangstelling voor ‘het Oosten’ en bedoelt het goed; intussen is hij wel degene die het moorddadige jachttuig levert. Als de gazellen uitgeroeid zijn willen ze aan de moeflons beginnen, en Asoef moet hen daarbij helpen. Als hij niet wil wordt hij door de aan vlees verslaafde Kain Adam op een heilige steen met een prehistorische rotstekening gekruisigd en gedood, omdat ook deze, waanzinnig geworden, in hem een moeflon ziet.
In al-Koni’s woestijn heerst een soort natuurgodsdienst, die naadloos aansluit bij de afbeeldingen op de prehistorische rotstekeningen. De Islam ziet er heel anders uit dan de wetgeleerden het zouden wensen, en de auteur heeft daar zichtbaar plezier in. Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien! Asoef voltooit zijn gebed met zijn gezicht niet naar Mekka, maar naar een gewijde rots waarop een priester uit een ver verleden staat afgebeeld. Groter heiligschennis is nauwelijks denkbaar. Er zitten ook kleine blasfemische speldeprikken verstopt in het boek. In de vertaling konden die echter onmogelijk gehandhaafd blijven; bovendien zal meestal de nodige achtergrondkennis ontbreken. Voor de ‘in de schoot van het zand bewaarde steen’ waarover het bloed van de gekruisigde Asoef stroomt worden de woorden al-lawh al-mahfoez gebruikt, die gewoonlijk verwijzen naar de ‘welbewaarde tafel’ waarop God in de hemel de oer-koran bewaart. Het oneigenlijke gebruik van zo’n hoogheilige woordcombinatie zal de godgeleerden razend maken. Gelukkig voltooide de schrijver dit boek in Moskou en liet hij het uitgeven in Engeland, zodat hij de islamitische censoren kon ontlopen. Ook aan de Nederlandse censor is hij ontsnapt. Uitgeverij Novib drukt achterin haar boeken nog altijd af, dat zij arme mensen in ontwikkelingslanden wil ondersteunen en een stem wil geven. Als Libisch diplomaat is al-Koni vast niet arm of anderszins politiek correct. Het is dan ook een godswonder dat dit prachtige boek bestaat en ons heeft bereikt.
De auteur weet de lezer telkens mee te nemen uit de wereld van de normale natuurwetten naar een ander domein, waar fantasie en werkelijkheid, mythe en geschiedenis niet van elkaar te onderscheiden zijn. Een enkele keer gaat dat grondig mis: in het hoofdstuk waarin een gazelle de mythologie uitlegt aan haar jong ben ik niet bereid de sprong van de schrijver naar gene zijde te volgen. Maar voor het overige laat ik mij graag meeslepen, omdat op overtuigende wijze de woestijn wordt opgeroepen, waar de leegte immers ieder realiteitsbesef uitdaagt en waar zinderende hitte de voorstellingen vervormt. De stilte van het grote niets is hoorbaar in dit boek, en als bij een fata morgana weet je letterlijk niet wat je ziet.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad op 5 december 1997.

Terug naar Inhoud

Vrouwen van Beiroet (boekbesprekingen)

Liana Badr, Het oog van de spiegel. Vertaald door Ronald Kon. Uitg. Goossens/Manteau, 1996. ليانة بدر،عين المرآة
Hoda Barakat, De lachsteen. Vertaald door Richard van Leeuwen. Uitg. Goossens/Manteau, 1996. هدى بركات ، حجر الضحك
Vénus Khoury-Ghata, De maîtresse. Roman. Vertaald (uit het Frans) door Mirjam de Veth. Uitg. Van Gennep-Novib-NCOS, 1996.
Hanaan as-Sjaikh, Het verhaal van Zahra. Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga. De Geus/EPO, 1995.  حنان الشيخ،  حكاية زهرة

De oorlog in Libanon is voorbij, schijnt het. Er zijn heel wat naweeën: Israel houdt land bezet, de Syrische bezetting wil men liever kwijt, en de gezindheid van de Hezbollah is twijfelachtig. Toch doet iedereen alsof Libanon een normaal land is. Je kunt weer gewoon rondlopen in Beiroet, en het is niet eens onveilig om te voet te gaan door de vage terreinen, ruïnevelden en sloppen die zich uitstrekken tussen de betere wijken. Nu het grote schieten is opgehouden lijkt dit land even mercantiel en zachtaardig als voor de oorlog. Het kost enige moeite te beseffen dat die alledaagse dertiger op straat een paar jaar geleden nog partij-ideoloog was van een sinistere jongensclub, of gijzelnemer, sluipschutter op een dak of gewoon moordenaar op de grond.
De glitter en het goud zijn nog niet terug. Er zijn wel marmeren winkelcentra en dure restaurants, maar de klanten ontbreken. De hoofdstraat van Beiroet werd van de zomer wat opgefleurd door het Hamra Festival, dat veel weg had van een braderie in een Nederlandse provinciestad. De grootste attractie was het optreden van een plaatselijke grungy muziekgroep, waarbij zelfs enkele pubers, aarzelend als beginnende zwemmers, aanstalten maakten om het publiek in te diven. Mijn stijl is het niet, maar het helpt waarschijnlijk tegen godsdienst. Een middelgroot vuurwerk besloot het feest, en de ooh’s en aah’s klonken met een enthousiasme alsof het publiek nog nooit zoiets had meegemaakt. Waren de mensen al vergeten dat zij jarenlang avond aan avond knallen hadden gehoord en lichtflitsen hadden gezien?
Beiroet is nog altijd de hoofdstad van het Arabische boek. Er zijn naar verluidt meer dan honderd uitgeverijen, die de hele Arabische wereld van lectuur en literatuur voorzien. Tijdens de verbouwing is de verkoop gewoon doorgegaan, in de vorm van export, maar de plaatselijke boekwinkels zijn ronduit armzalig. Misschien hebben de mensen geen geld voor boeken, of hun hoofd staat er nog niet naar. De kastjes met literatuur in de winkels mogen klein zijn, stoffig zijn ze allerminst, want er staat explosief nieuw werk tussen, waarin voortvarend en met niets ontziende openheid het verwerkingsproces is ingezet. Zodra de Libanezen de moed hebben zich hun oorlog te herinneren zullen zij een aantal uitstekende schrijvers te hulp kunnen roepen.
Nog verbazender is dat er zo snel een goede selectie uit deze oorlogsliteratuur in Nederlandse vertaling verkrijgbaar is. Uitgevers en vertalers verdienen daarvoor een compliment. Maar liefst vier romans uit het Beiroet van de burgeroorlog zijn er dit jaar vertaald, drie Arabische en één Franstalige. Alle vier zijn zij geschreven door vrouwen, en toevallig is dat niet, want vrouwen zijn sterk in opkomst in de literaturen van de Arabische wereld.
Het is van belang, ook voor niet-Libanezen, om vrouwen over de oorlog te horen, al was het alleen al omdat oorlog geldt als een mannenzaak. Feministen beweren wel eens dat de wereld er vredelievender uit zou zien als de vrouwen het voor het zeggen hadden. Dat is baarlijke nonsens, die alleen kan opkomen in een werelddeel waar al ongelooflijk lang vrede heerst. Deze Beiroetromans tonen tot walgens toe ellende, dood en verwoesting, maar ook de kansen op bevrijding en emancipatie die de oorlog biedt, en niet in de laatste plaats de lust die zowel mannen als vrouwen eraan beleven. Dat oorlog iets met lust te maken heeft is al sinds Homerus bekend, maar het wordt in vredestijd systematisch vergeten.

Liana Badr is Palestijnse. Haar roman speelt zich af op een bijzondere plek in Beiroet. De hoofdpersoon Aisja groeit namelijk op in een Palestijns vluchtelingenkamp, dat belegerd en tenslotte vernietigd wordt. Het is een ontwikkelingsroman, waarin heel goed is getroffen hoe Aisja van tienjarig meisje opgroeit tot volwassen, zelfstandige vrouw. Door de burgeroorlog is haar kans op scholing en werk buiten het kamp verkeken. In het kamp is niets te doen en haar vader tiranniseert haar. Er rest haar aanvankelijk niets dan te dromen over knappe strijders. Later trouwt ze met zo’n jonge held, maar deze sneuvelt en ze blijft zwanger achter.
De beschrijving is traditioneel, maar heel gedetailleerd, en de opbouw is uitstekend. De kracht van dit boek ligt vooral in de minutieuze documentering van de onmenselijke toestand in het kamp, en van de eensgezindheid waarmee christelijke milities, gesteund door vrijwel de hele wereld, het vernietigen met bewoners en al. Ook dit behoort tot de allang bekende feiten die men graag vergeet. Nu Het oog van de spiegel het nog eens indringend onder de aandacht brengt kan niemand meer zeggen dat hij het niet heeft geweten.
Door de omstandigheden brokkelt het traditionele leven in het kamp af. Oudere mannen zoals Aisja’s vader, de huistiran, weten met oorlog niets aan te vangen. Hij drinkt, miskent de situatie geheel, barst in snikken uit, zit maar wat in een hoekje en verliest zijn gezag over het vrouwvolk. Aanvankelijk zijn ook de oudere vrouwen nog traditioneel. In het armzalige kamp handhaven zij de gewoonten van hun allang ontvluchte boerendorpen. Voor de jonge meisjes zijn de dappere strijders de begeerlijkste huwelijkpartners; de waarden doen er niets meer toe. Maar hun jonge echtgenoten zijn steeds van huis om te vechten en hebben geen tijd om hun vrouwen te onderdrukken. Dat geeft Aisja en haar soortgenoten een kans: ze komen nu ook buiten de deur, kunnen gaan werken en zelfs vechten, en de oudere vrouwen doen noodgedwongen mee.
Bij Badr overheersen het oorlogsleed en de emancipatie van de vrouw, maar lust en aanbidding ontbreken niet. Zelfs voor de heel jonge Aisja is een strijder al de held van haar hart, die hetzelfde in haar teweeg brengt als Christus; ‘ze voelt dat als ze zijn huid aan zou raken, er heilige olie op haar handen zou komen.’

Oorlog maakt een man van je, zeggen ze, en in het geval van Khaliel, de held-op-sokken uit Hoda Barakats De lachsteen, is het nog waar ook.
Khaliel is een gevoelige, intelligente jongeman, die voortdurend bezig is zich zelf te analyseren. Hij heeft erotische relaties met knappe jongens en fantaseert daar ook over. In normale omstandigheden zou hij waarschijnlijk hebben gestudeeerd, in café’s gediscussieerd, misschien in tijdschriften gepubliceerd, maar in een oorlog zijn dat zinloze bezigheden. Khaliel blijft dus voortaan in zijn Beiroetse flatje en wordt een huiselijke nicht met stereotiep vrouwelijke bezigheden. Na een beschieting maakt hij een lekker sopje om de keuken een beurt te geven, hij breit een trui en wast de kleren van zijn vrienden. Zijn oorlogsleed bestaat uit de dood van de ene vriend na de andere, en verder uit doffe lamlendigheid.
Een vredige enclave in de stad is het gebouw van een krant. Dat gebouw zal geen der partijen ooit kapot schieten, omdat iedereen belang heeft bij die krant. Het is een kleine wereld van dikdoenerigheid en grote woorden. Khaliel is intelligent genoeg om de voosheid daarvan te doorzien en wil er niet gaan werken. Als de eigenaar van de krant, die tevens militieleider en crimineel is, tenslotte aanbiedt, hem te mainteneren wijst hij hem kokhalzend af. Tenslotte besluit hij een man te zijn, en dat betekent meedoen met een of andere militie; voor welke partij of denominatie doet er al jaren niet meer toe. Hij plundert, sjouwt met wapens en op de laatste pagina’s verkracht hij zelfs een vrouw – is het de vertelster, die ineens opduikt nadat we de hele tijd de innerlijke monoloog van Khaliel hebben gevolgd? Nu behoort hij tot zijn broeders en kan hij het leven prijzen, ‘de algemene ellende van het leven’. De vertelster feliciteert hem: ‘Hij is een man geworden die lacht, en ik ben een vrouw gebleven die schrijft. Khaliel, mijn dierbare held…’.

In de reeds klassiek geworden roman van Hanaan as-Sjaikh, heeft de oorlog van Zahra een vrouw gemaakt, nadat zij tevoren niet meer dan een psychisch gestoorde zombie was. Dit Libanese meisje is in haar jeugd door iedereen misbruikt, zowel sexueel als anderszins. Zij leeft (evenals haar vaderland) in een web van gestoorde relaties, raakt zelf ook behoorlijk gestoord en zoekt haar toevlucht in de badkamer en in een hardnekkig zwijgen. Ten einde raad vertrekt zij naar een geliefde oom in Afrika, een soort badkamer in het groot. Ook met hem en met de Libanees die zij daar trouwt is een normale relatie niet mogelijk. Zij wordt nu echt waanzinnig, maar in haar diepste crisis ontmoet zij haar kariena, haar innerlijke demon, die het begin van haar genezing aankondigt. De badkamer, de waanzin en het zwijgen kan zij nu verlaten; zij keert terug naar Libanon, waar al spoedig de burgeroorlog uitbreekt en haar ouders hun greep op haar verliezen. Nu kan ze eindelijk alleen zijn en haar innerlijke stem achterna gaan; haar puistjes verdwijnen, en wanneer zij een relatie begint met de sluipschutter op haar dak is dat haar eigen beslissing. Dat zij zwanger is ontdekt zij pas na vier maanden. De sluipschutter heeft bij zijn levenswijze geen ruimte voor een huwelijk. Hij gelooft niet dat het te laat is voor een abortus en aborteert haar tenslotte op zijn eigen manier: vanaf zijn dak schiet hij haar dood.
Dit zijn slechts de hoofdlijnen van het zeer complexe verhaal, dat grotendeels door Zahra zelf wordt verteld, wat gezien haar geestesgesteldheid een prestatie is. In dit boek is de oorlog duidelijk de katalysator voor de bevrijding van de waanzin: zoals de stad het uitschreeuwt kan nu ook Zahra het uitschreeuwen, en het rijk van haar vader, met zijn Hitlersnorretje en zijn hard neerkomende riem, is ten onder gegaan. Dat zij zelf ook aan de oorlog ten onder gaat doet niets af aan haar groei: zij hééft geleefd!

In De maîtresse van Vénus Khoury-Ghata, een Libanese die in Parijs woont, is de oorlog al voorbij. Zij schildert vooral de waanzin die de bewoners van een flat op de demarcatielijn tussen de beide stadsdelen heeft getroffen. In de betrekkelijke rust van de nieuwbakken vrede is er weer tijd om goed gek te zijn. Dood en verderf grijpen om zich heen, met als middelpunt een christelijke vrouw die haar man en zuigeling verlaat om zich te voegen bij een moslimse militieleider in West-Beiroet. Uit de onmogelijkheid van deze relatie blijkt dat de oorlog nog niet over is.
Als Franstalige put Khoury-Ghata uit een andere literaire traditie: de strijd die ontbrandt om de vrouw kan zij duiden als een soort Trojaanse oorlog. Ook heeft zij een veel explicieter register waar het seksualiteit betreft.
De onwerkelijke, delirerende sfeer van haar boek moet veel te danken hebben aan de Europese letterkunde, al zie ik zo gauw geen voorbeeld. In het Arabisch wordt zó nog niet geschreven. Het is deze onwerkelijkheid die ons doet accepteren dat dit gewelddadige, maar schitterende boek op dagboeknotites van de twaalf- à vijftienjarige dochter des huizes zou berusten.
Een orgie van geweld, ondergang en dood, op het eerste gezicht zonder één lichtstraaltje. Maar ook hier vinden wij de lust van de oorlog. Deze flat heeft nog een eigen sluipschutter op het dak, die onweerstaanbaar is voor de oude dame, die door de jalouzieën naar hem gluurt, alsook voor het bloedjonge meisje, dat een hartstochtelijke relatie met hem begint. Een aflopende zaak, want de gouden tijd voor sluipschutters is voorbij. Frédéric, de poëtisch begaafde zoon des huizes, is even gevoelig als Barakats Khaliel, maar doet een andere keus. Hoewel hij al een vrouw heeft bemind wordt hij liever geen man, maar geeft zich aan een stevig gebouwde lijfwacht, die hem tevens de broodnodige cocaïne levert.

Zo kort na de oorlog zijn deze auteurs al bezig met de verwerking van hun ervaringen, en zij sluiten hun ogen niet voor de verwarrende en soms beschamende dubbelzinnigheid daarvan. Op zo’n onverschrokken omgang met een nog zeer recent verleden kan Europa alleen maar jaloers zijn. Natuurlijk bejubelen deze vrouwen de oorlog niet, integendeel; zij gaan niet zo ver als de Serven, of als de BBC, die Happy days are here again draaide toen de Falkland-oorlog uitbrak. Maar Khaliel is een man geworden door de oorlog; Aisja zou toch wel vrouw en moeder geworden zijn, maar is nu een vrije vrouw geworden; en de aanvankelijk totaal verknipte en zieke Zahra vindt weliswaar de dood, maar heeft daarvóór nog gedeeltelijke genezing en normaliteit gevonden. Ook zij heeft haar seksualiteit en haar vrijheid ontdekt: ‘voor het eerst sinds dertig jaar huiverde ik van genot’. Er bestaat ook zoiets als oorlogsdividend, en dat is in Beiroet voor vrouwen blijkbaar groter geweest dan voor mannen.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad 11.10.1996          

Terug naar Inhoud

ad-Da’ief, Kawabata (bespreking)

Rasjied ad-Da’ief, Geachte heer Kawabata. Roman. Vertaald door Richard van Leeuwen. Elmar, Rijswijk 1999. (رشيد الضعيف، عزيزي السيد كواباتا)

Het boek begint intrigerend: de ik-verteller loopt door de hoofdstraat van Beiroet en denkt een ogenblik dat hij zich zelf ziet lopen. Is het zijn eigen spiegelbeeld in een etalageruit? Nee, hij loopt anders, in een andere richting en draagt andere kleren. ‘Het was dus mijn spiegelbeeld niet, ik was het zelf’. De verteller heeft het gevoel uiteen te vallen, het duizelt hem, maar hij herstelt zich en ziet vervolgens de film van zijn leven aan zich voorbijtrekken
Een spannend verhaal over een dubbelganger wordt deze roman echter niet. Het wordt, inderdaad, die levensfilm. De jongen stamt uit een analfabete, christelijke familie uit een dorp niet ver van Beiroet, berucht om zijn bloedveten en zijn starre traditionalisme. Zijn vader mishandelt hem ongenadig, op school is het weinig anders en de clans voeren permanent oorlog. Een splijtzwam in het gezin is het schoolonderwijs, met name in geografie en sterrenkunde, dat het traditionele geloof ondermijnt. Brechts Leben des Galilei en foto’s van Gagarins ruimtereis zijn een krachtige steun bij de verwerving van een wetenschappelijke, althans onreligieuze wereldbeschouwing. De verteller gaat studeren, maar wordt in Beiroet al spoedig marxist. Het geweld van zijn jeugd gaat naadloos over in dat van de burgeroorlog; ook hij zelf neemt in een militie letterlijk deel aan ‘de historische strijd van de arbeidersklasse’. Door een zware verwonding en het einde van de oorlog vallen hem de schellen van de ogen.
Na honderd bladzijden zijn we terug bij de vermeende dubbelganger. Het blijkt slechts een ‘kameraad’ uit de partij te zijn, zijn voormalige ideologische en paramilitaire leidsman, die het nu, kort na de oorlog, alweer gemaakt heeft in de nieuwe orde. Hij is een brave moslim geworden met een mooi pak, een buikje en een bidsnoer in zijn handen. Het weerzien met deze man confronteert de verteller inderdaad met zich zelf, maar alleen doordat het zijn eigen herinneringen activeert en in perspectief zet. Dat is minder spectaculair dan aanvankelijk werd gesuggereerd. Het is de aloude geschiedenis van ideologische verblinding, van met revolutionair elan achter een baasje aanlopen dat even ongeloofwaardig is als de traditionele gezagsdragers, een verhaal van verlakkerij en verraad. Je zou verwachten dat kennis daarover intussen in de menselijke genen was opgeslagen, maar nee, ook deze held moet alles weer moeizaam vanaf het nulpunt ontdekken. De verteller geeft wel erg uitvoerig lucht aan zijn recente verachting voor de ‘kameraad’. Zonder twijfel is de vent perfide, maar dat zijn eigen onschuld ook een vorm van schuld is ziet hij niet.
Het verhaal wordt op een hoger plan getild doordat de verteller het schrijft aan Kawabata, de Japanse auteur die in 1972 zelfmoord heeft gepleegd. Door aan deze bewoner van een andere planeet, die christen noch moslim was, de ‘exotische’ zaken te verklaren die voor Arabieren vanzelfsprekend zijn schept hij een kritische distantie. Tegenover hem kan hij zich ook rekenschap te geven van zijn taal, waarin, of hij nu wil of niet, steeds clichés sluipen. Zonder vanzelfsprekendheden en clichés kan hij niet, maar samen met Kawabata beschouwt hij ze ironisch, sarcastisch en soms mild-meewarig. Van de geadresseerde verwacht hij bovendien, dat deze al het vreemde dat hij vertelt zal geloven en begrijpen. Dat hij zich zelf ziet lopen, dat hij zich dingen herinnert die vóór zijn geboorte hebben plaatsgehad, dat hij de kleur kent van elke dag die hij heeft meegemaakt, zulke eenvoudige zaken meent hij aan zijn Arabische medeburgers niet kwijt te kunnen. Die hebben vastomlijnde kennis van een geïdealiseerd verleden en een daarop gebaseerde, al even geïdealiseerde toekomst, terwijl zij voor werkelijke ervaringen en herinneringen geen ruimte laten – en voor een behoorlijk stuk literatuur dus evenmin, is de implicatie. Zij zijn zelfs vergeten dat hij ooit zwaargewond is geweest; daarentegen weet mijnheer Kawabata ‘tegenwoordig heel goed wat dood is’.
De kern van deze roman is dus een levensschets van een waarschijnlijk niet al te fictief personage, die tevens achtergrondkennis van de Libanese burgeroorlog oplevert. De verliteraturing ervan in het (niet volgehouden) dubbelgangermotief is minder geslaagd. Maar de introductie van Kawabata en alle mogelijkheden van dien is een vondst die ad-Da’ief prachtig heeft uitgebuit.

Geubliceerd in NRC-Handelsblad 17.9.1999

Terug naar Inhoud