Jam en kaas: voedsel voor moslims?

Een verheugend verhaal op televisie: een oude arts, een weduwnaar misschien, had een jonge, al langer geleden uit Syrië gevluchte tandarts in zijn huis opgenomen en hielp hem bij de dagelijkse dingen, bij zijn studie om zijn diploma’s erkend te krijgen, en met de taal. Zo hoort het. De oudere man vertelde over hoe probleemloos het samenwonen verliep. Wel was de inhoud van de ijskast veranderd: geen varkensvlees, wel lam en gevogelte, maar dat vond hij prima. Daarmee zou ik zelf ook geen moeite hebben; eens wat vaker parelhoen eten misschien. Enigszins geamuseerd vertelde de oude arts nog dat zijn medebewoner geen aardbeienjam wilde eten, omdat daarin gelatine zat die mogelijk van varkensbotten was gemaakt.
.
Anders dan die gastheer vond ik dat laatste niet amusant, maar een beetje zot. Wat een zeikertje zeg. Een scherpslijper. Ja, die heb je: in alle godsdiensten en levensbeschouwingen, dus ook onder moslims. Er bestaat zelfs een markt voor halal kattenvoer.1
.
Bij de bestudering van de tandenstoker van de profeet kwam ik zulke types ook tegen. Een vraag die aan het begin van de achtste eeuw leefde was of het gebruik van een tandenstokje (siwāk) in de vastentijd geoorloofd was of niet. Bij het kauwen daarop—denkt U aan zoiets als zoethout—kwam er immers water in de mond, en als je dat inslikte, was dat dan geen drinken, wat in de vasten niet was toegestaan? En de vaste stof die dat houtje bevatte, was dat geen voedsel? Men bedacht dat het gebruik van een droog takje toch geen kwaad kon, en daar kon men behoorlijk fanatiek in zijn:

  • Abū Hurayra zei: Ik maakte vandaag mijn mond twee maal aan het bloeden met een siwāk, terwijl ik vastte.2

Met andere woorden; hij gebruikte een droog takje. Van een van nature vochtig of een ingeweekt takje was zijn tandvlees niet gaan bloeden. Volgens de vromen was het echter niet de bedoeling een droog takje tijdens de vasten eerst in water te weken om het zachter te maken; dat bracht water van buitenaf in de mond, zoals ettelijke hadithen waarschuwen. Maar er was ook iemand die blijkbaar genoeg had van de hele kwestie:

  • Ibn ‘Umar zei: Voor een vastende kan het geen kwaad een vochtige of een droge siwāk te gebruiken.3

Verder kon je nog zeuren over hoe vaak het gebruik van de siwāk tijdens de vasten per dag was toegestaan. Twee maal, vindt men meestal, en het kan geen kwaad dat vlak voor het breken van de vasten te doen. En moest het dan voor het gebed of juist erna? Ook deze vraag was weer goed voor een aantal hadithen.
Maar er was ook een tegenrichting, die geen zin had in al dat gezeur:

  • ‘Abdallāh ibn ‘Āmir levert over van zijn vader: Ik heb de profeet ontelbare malen de siwāk zien gebruiken terwijl hij vastte.4

En een vrouw van de profeet wordt een heel ontspannen houding toegeschreven:

  • Maymūna bint al-Ḥārith, de vrouw van de profeet, liet haar tandhoutje  in het water staan om te weken. Als zij werd afgeleid door werk of gebed [vergat zij het]; anders nam zij het en gebruikte het.5

Er waren dus al heel vroeg scherpslijpers, maar andere moslims gaven weerwerk—eveneens middels hadithen.

Vervolgens herinnerde ik me het artikel van Michael Cook over Perzische kaas. Daarin stond een grappige hadith over een gebeurtenisje op de dag dat Mekka door Mohammed werd veroverd. Zonder twijfel een drukke dag; toch zou de profeet nog gelegenheid hebben gevonden een uitspraak te doen over een kaas:

  • Van Abū Dāwūd al-Ṭayālisī […] van Ibn ‘Abbās: Toen de profeet Mekka veroverde zag hij een kaas. Hij vroeg wat het was; ze antwoordden hem dat het een voedingsmiddel was dat in het land der Perzen (arḍ al-‘adjam) werd gemaakt. De profeet zei: ‘Zet het mes erin, roep de naam van God aan en eet!6

Was er in het oude Mekka dan een delicatessenwinkel die Perzische kaas verkocht? Ach welnee toch; die hele hadith is een verzinsel zoals de meeste, en in dit geval een erg onhandig verzinsel, omdat aan de waarschijnlijkheid geen recht is gedaan. Moslims werden natuurlijk niet in Mekka met Perzische kaas geconfronteerd, maar in Irak en Iran, toen zij die landen hadden veroverd. Maar de strekking is sympathiek: niet zeuren over buitenlands voedsel, gewoon opeten.
Wat had er dan mis kunnen zijn met die kaas? Wel, om de melk te doen stremmen is leb (minfaḥa) van een kalf nodig. Die kon alleen uit een dood dier gehaald worden en dat was misschien niet ritueel geslacht! Hierover hadden joodse rabbijnen kort voor al-Ṭayālisī al uitvoerig gediscussieerd, eveneens in Irak. Voor hen was ongelovige kaas inderdaad onacceptabel. De Babylonische Talmud bericht daarover. Vanuit islamitisch gezichtspunt konden zoroastriërs niet ritueel slachten; hun Perzische kaas had dus theoretisch voor moslims ook verboden moeten zijn. Maar dat probeert deze hadith dus te ontkrachten: de profeet vond niets verkeerds aan die kaas. Dat past in de hele gedachtenwereld van de islam: de islamitische spijswetten zijn over het algemeen een stuk losser dan de joodse, dat is in de koran al zo. De profeet deed die uitspraak laat in zijn leven, zodat hij hem nauwelijks nog had kunnen herroepen— inderdaad, hadithschrijvers hielden daar rekening mee.
.
Bovengenoemde tandarts zou over die kaas-problematiek ook kunnen tobben. Misschien zou hij zelfs in een tijdschrift als Islamic Medicine ‘wetenschappelijk’ onderbouwd kunnen schrijven dat niet-islamitische jam en kaas schadelijk zijn voor het gebit. Zulke artikelen bestaan werkelijk. Maar gelukkig is er altijd die veel bredere tegenstroom: niet zeuren, geen gekeutel, de profeet zag het ruimer en God is geen kruidenier die op de kleintjes let.

Om het met de woorden van een andere, breed overgeleverde hadith te zeggen:

  • De profeet zei: ‘Maak het makkelijk en niet moeilijk; maak [de mensen] blij en schrik ze niet af.’7

.

BIBLIO
– Michael Cook, ‘Magian Cheese: An Archaic Problem in Islamic Law,’ BSOAS 47/3 (1984), 449–467.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

NOTEN
1. De profeet heeft nooit gezegd dat kattenvoer halal moet zijn; in zijn tijd vraten katten nog gewoon zelf gejaagde kleine dieren en keukenafval. Katten zijn geen moslims en dus niet in staat tot het juiste gedrag. Het probleem is blijkbaar dat het baasje of vrouwtje bij het openen van een blikje kattenvoer in beroering zou kunnen komen met niet-ritueel geslacht vlees. The horror! The horror!

2. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7486:

عبد الرزاق – معمر – قتادة – أبو هريرة: قال لقد أدميْتُ فمي اليوم [وأنا] صائم بالسواك مرّتين.

3. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 37/3:

علي بن الحسن بن شقيق – أبو حمزة – ابراهيم الصائغ – نافع – ابن عمر: قال لا بأس ان يستاك الصائم بالسواك الرطب واليابس.

4. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7484; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 35/1:

عبد الرزاق – الثوري – عاصم بن عبد الله بن عبيد الله بن عاصم – عبد الله بن عامر بن ربيعة – أبيه: رأيت رسول الله ص يستاك وهو صائم ما لا أُحصي.

5. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf i, 170/20:

ابن أبي شيبة – كثير بن هشام – جعفر بن برقان – يزيد بن الأصم: كان سواك ميمونة ابنة الحارث زوج النبي صلعم منقعًا في ماء فإن شغلها عنه عملٌ أو صلاةٌ والاّ فأخذته واستاكت.

6. Al-Bayhaqī, Sunan 10:6.6; al-Ṭayālisī, Musnad no. 2684:

… النبي ص لما كان فتح مكة رأى جبنة فقال: ما هذا؟ قالوا: طعام يصنع بارض العجم. قال فقال رسول الله ص: ضعوا فيه السكبن واذكروا اسم الله وكلوا !

Volgens andere bronnen zou de profeet de kaas in Ṭā’if of Tabūk gezien hebben; het bleef echter een Perzische kaas (min arḍ Fāris, min ahl Fāris). ‘Abd al-Razzāq, Muṣannaf, iv, 8795 vermeldt de vrees van de vragensteller dat de kaas mayta, iets van een niet ritueel geslacht dier, zou bevatten.
7. Bukhārī, ‘Ilm 11 e.v.a.:      النبي ص قال يسروا ولا تعسروا وبشروا ولا تنفروا.

Terug naar Inhoud

Verdiensten van de Gezellen: Abu Bakr vs. Umar en Ali

In mijn inleidende stuk over de Verdiensten der Gezellen had ik er al op gewezen hoe de reputatie en de status van de ‘gezellen van de profeet’ in sira-verhalen worden gemaakt of gebroken. De personen uit zijn omgeving over wie het meest werd gebakkeleid waren de eerste kaliefen. Daarom ben ik eens nagegaan hoe bij voorbeeld Abū Bakr, de eerste kalief (reg. 632–34) eraf komt in de teksten omtrent het sterfbed en de hidjra van de profeet. Zijn verdiensten blijken te contrasteren met die van twee latere kaliefen: ‘Umar en ‘Alī.
.
Het sterfbed van de profeet: Abū Bakr en ‘Umar
De laatste dagen van de profeet vormen een spannend hoofdstuk uit de biografie.1 De brandende vraag was: heeft de profeet een opvolger aangewezen of toch niet? Abū Bakr wás de opvolger van de profeet als staatshoofd, en het is dus interessant te kijken of daar in de teksten iets van te merken is. We zien zijn ‘koers’ op en neer gaan.
.
De profeet gaf tijdens zijn laatste ziekte opdracht dat Abū Bakr hem moest vervangen als imam die voorging in het gebed.2 Daaruit zou men eventueel kunnen concluderen dat ook een opvolging als imam in de zin van staatshoofd, kalief, was bedoeld.
.
Volgens twee berichten nam ‘Umar (de tweede kalief, reg. 632–34) de leiding van het gebed over, omdat Abū Bakr afwezig was. Kort daarop bleek echter dat dit niet de bedoeling was van de profeet en nam Abū Bakr de leiding alsnog over.3
Volgens een ander bericht was Abū Bakr zelfs op het moment dat de profeet stierf afwezig.4 Was hij ver weg, of had hij een belangrijke missie te vervullen zoals bij voorbeeld Usāma ibn Zayd, die een eind buiten de oase een veldtocht naar het noorden voorbereidde, maar op het kritieke ogenblik ijlings naar Medina kwam? Nee, Abū Bakr wilde slechts wat quality time met zijn vrouw doorbrengen in zijn huis aan de rand van Medina. Hij had daarvoor toestemming gevraagd en gekregen; toch maakt zijn afwezigheid geen fraaie indruk. Kan iemand die op kritieke ogenblikken niet aanwezig is de gemeenschap leiden? Het detail was blijkbaar niet te loochenen of weg te krijgen uit de overlevering. Maar nog niet alles was verloren op dit punt:
.
Al was Abū Bakr zelf niet bij het overlijden aanwezig, zijn familie was dat in sterke mate.5 Zijn dochter Aisha is zelfs de heldin van het sterfbed. Zij maakt grapjes met de profeet en zij is het die hem in zijn laatste dagen in huis neemt en verpleegt. In zijn laatste ogenblikken ziet de profeet een man in haar huis lopen met in zijn hand een twijgje van de soort die als tandenborstel (siwāk) werd gebruikt. Dat was natuurlijk een familielid, want vreemde mannen zijn in Aisha’s huis niet te verwachten. Eén overlevering noemt die man bij name: het was Aisha’s broer ‘Abd al-Rahmān. De profeet wenkt dat hij die tandenstoker wil hebben; Aisha kauwt hem voor en overhandigt hem aan de profeet. Daarna sterft deze aan Aisha’s borst. Meer intimiteit is niet mogelijk! Zo werd Abū Bakrs afwezigheid in dit verhaal door zijn familieleden enigszins gecompenseerd.
.
Na het overlijden van de profeet maakt Abū Bakr volgens de overlevering een goede beurt. Terwijl ‘Umar de kluts kwijt raakt en beweert dat de profeet niet echt dood is, bewaart Abū Bakr zijn kalmte en brengt de gemeente met behulp van een koranvers weer op het rechte spoor.6 Een geschikte leidersfiguur dus.
.
Abū Bakr en ‘Alī in de verhalen omtrent de hidjra
Hier wordt de werking van het principe ‘Verdiensten der Gezellen’ nog duidelijker. Van de bekendste sunnitische verhaalstof van Ibn Isḥāq over de hidjra, dat is de emigratie van de profeet naar Medina, en de voorbereidingen daartoe heb ik hier een deel vertaald.7 Het gedeelte over Abū Bakr stamt van ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 635–712), wiens moeder Asmāʾ was, een dochter van Abū Bakr. De beroemdste dochter van Abū Bakr, Aisha, was dus zijn tante. Het zal dus niet verbazen dat Abū Bakr en diens kinderen schitterende rollen spelen in zijn verhaal.
Vrijwel alle Moslims zijn al weg naar Medina, maar de profeet wacht nog in Mekka tot hij de toestemming van God krijgt om ook te gaan. Alleen Abū Bakr en ‘Alī8 zijn bij hem gebleven. Abū Bakr hoopt de profeet te mogen vergezellen op zijn gevaarlijke reis. Hij koopt alvast de kamelen waarop de profeet en hij de tocht kunnen volbrengen. De profeet verschijnt onverwacht in het huis van Abū Bakr om hem te zeggen dat hij samen met hem mag reizen. Asmā’ en Aisha zijn daarbij nadrukkelijk aanwezig. Intussen beramen de tegenstanders van de profeet een aanslag op hem. Als deze mislukt is en de profeet en Abū Bakr eenmaal de stad zijn ontvlucht verbergen zij zich enige dagen in een grot. Hiermee wordt soms het koranvers 9:40 in verband gebracht: فقد نصره الله إذ أخرجه الذين كفروا ثاني اثنين إذ هما في الغار […] God heeft hem al geholpen toen de ongelovigen hem samen met een tweede eruit zetten, toen zij beiden in de grot waren […].
Abū Bakr maakt zich wederom onmisbaar doordat hij met gevaar voor eigen leven de grot zuivert van ongedierte en schorpioenen. Zijn dochter Asmāʾ brengt proviand, zijn zoon ‘Abdallāh luistert af wat de mensen in Mekka zeggen en brengt dat ‘s avonds over aan de profeet in de grot. Kortom, het hele gezin van Abū Bakr wordt ingeschakeld en maakt zich buitengewoon verdienstelijk. Allen lopen daarbij aanzienlijke risico’s. Alleen Aisha is nog te jong om actief te worden, maar zij is wel bij het overleg aanwezig geweest en vertelt later het hele verhaal.
‘Alī was eveneens in Mekka achtergebleven, maar zijn rol bij de vlucht is een ondergeschikte: hij moet in het bed van de profeet overnachten om aldus de mannen te misleiden die de profeet in dat bed willen vermoorden. Na vertrek van de profeet en Abū Bakr bleef ‘Alī nog enkele dagen in Mekka achter om mensen de goederen terug te geven die ze bij de profeet in bewaring hadden gegeven. Twee eerzame, maar ondergeschikte karweitjes. Zo maakte hij de eigenlijke hidjra dus niet mee, en de intocht van de profeet in Medina evenmin.
Zonder Abū Bakr en zijn gezin had de hele hidjra niet kunnen plaatsvinden, lijkt ons dit verhaal over te willen brengen. Zonder ‘Urwa en zijn bron, zijn tante Aisha, was de geschiedenis heel anders uitgevallen.
.
Er bestaan echter ook versies van de hidjra-verhalen waarin Abū Bakr minder fraai optreedt, te laat komt of zelfs in de weg loopt, terwijl ‘Alī een glansrol speelt. Een korte, anonieme, kennelijk sjiïetisch geïnspireerde versie, die o.a. bewaard is bij al-Tabarī, vertelt het als volgt:
Abū Bakr wist blijkbaar niet dat de profeet al vertrokken was en ging ‘Alī vragen waar hij was. ‘Alī vertelde hem dat de profeet de stad had verlaten en in een bepaalde grot zijn toevlucht ging zoeken, en dat hij zich daar maar bij hem moest voegen. Abū Bakr begaf zich haastig daarheen, de profeet achterna. De profeet hoorde hem achter zich aan komen en was bang dat het een vijand was. Hij zette de pas erin, maar kreeg last van een kapotte sandaal en verwondde zijn grote teen. Abū Bakr was bang dat hij de profeet overlast zou geven en maakte zich kenbaar. Pas vanaf dat moment gingen ze samen verder, terwijl de voet van de profeet hevig bloedde.
‘Alī daarentegen gedroeg zich heldhaftig in de confrontatie met de vijanden die de profeet wilden doden. Zij gaven hem ter plaatse een pak slaag en zetten hem een tijdje gevangen, wat hij dapper doorstond.9
Een sjiïtisch verhaal, kortom. Het is ook bewaard in een papyrus uit de negende eeuw, dat echter teruggaat op de verteller → Wahb in Munabbih (± 654–730).10 Diens veel uitvoerigere verhaal bevat de volgende elementen:
.
Mohammed begeeft zich naar Abū Bakrs huis en vertelt over de samenzwering van Quraysh. Abū Bakr moet buiten gaan afluisteren wat de vijanden beramen. Hij volgt er twee, waarvan er een zelfs de duivel in persoon is. Abū Bakr brengt verslag uit van zijn gevaarlijke missie en vraagt toestemming mee te reizen. Die krijgt hij, waarop hij zich voorbereidt voor vertrek die avond.
De profeet laat intussen ‘Alī halen en hem zeggen dat hij in het bed van de profeet moet gaan slapen, om de samenzweerders te misleiden. Quasi terloops wordt hem ook gezegd dat hij Abū Bakr moet opdragen zich in een bepaalde grot bij hem te voegen. Ze gaan dus toch niet samen; dat is een vreemde breuk in het verhaal. De profeet weet te ontkomen; Abū Bakr gaat hem achterna, maar laat hem schrikken, zodat hij struikelt en zijn voet bloedt. Nu maakt Abū Bakr zich kenbaar. Samen gaan ze de grot binnen. Abū Bakr maakt met gevaar voor eigen leven de grot een beetje schoon en wordt door een schorpioen gestoken. De profeet moet nu zijn toverkracht (ruqya) aanwenden om hem te genezen. Kortom, Abū Bakr slooft zich uit, maar hij loopt het vertrek van de profeet mis, en deze heeft onderweg nogal wat met hem te stellen.
‘Alī had intussen in het bed van de profeet geslapen en treedt heldhaftig op tegen de samenzweerders. Zowel Abū Bakrs dochter Asmāʾ als ‘Alī brengen dagelijks levensmiddelen naar de grot; er is zelfs enige competitie tussen die beiden.
‘Alī krijgt de opdracht drie kamelen en een gids te gaan huren voor de verdere tocht. Bij de intocht in Medina wordt Abū Bakr helemaal niet vermeld; wel ‘Alī, die enkele dagen later aankomt.
.
Europese oriëntalisten voelen zich meestal verwant met de sunnitische islam; vandaar dat zij ook in dit geval al gauw zeggen dat ‘Urwa’s verhaal het oudste is en het andere een sjiïetische bewerking. Het kan zijn, maar het zou eventueel ook omgekeerd kunnen zijn. Men maakt zich er wat makkelijk van af.
De Shia, de ‘Partij van ‘Alī’, bestond al tijdens diens leven. Zijn recht op het kalifaat was van meet af aan en vooral na zijn dood in 661 voortdurend een hot issue, terwijl het gedachtengoed van ‘Urwa pas goed doorbrak na 690. Wahb stierf ± 728, maar zijn versie is er één die al een hele geschiedenis achter zich heeft. Er zitten duidelijk elementen van secundaire ‘Alī-pushing in, zoals het opzichtig ertussen proppen van ‘Alī’s rol bij de verwerving van kamelen en de voedselvoorziening in de grot, maar het is niet alléén ‘Alī wat de klok slaat. Er zitten ook wat ‘verdiensten van Abū Bakr’ in, die waarschijnlijk tot de kern van het verhaal behoorden. Wahbs verhaal is inderdaad een gemengde versie. De ongedateerde versie van al-Tabarī is veel eenzijdiger sjiïetisch. Het sjiïetische basisverhaal kán ouder dan ‘Urwa’s verhaal zijn geweest. Alleen een zorgvuldige vergelijking van alle versies zou hier verder kunnen brengen.
.
In ieder geval zal het duidelijk geworden zijn dat de ‘verdiensten’ van een bepaalde gezel van de profeet op en af gaan naar gelang van de politieke overtuiging van de verteller.

NOTEN
1. Onvolledige vertaling in Ibn Ishaak, Leven, 243–251, en ook hier. Arabische tekst: Ibn Isḥāq (Wüstenfeld), 999–1013; complete Engelse vertaling Guillaume, 678–683.
2. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1008; vert. Guillaume, 680, vert. Raven 247.
3. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1009 en 1010; vert. Guillaume, 681, vert. Raven 247 en 248.
4. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1010; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 249.
5. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1011; vert. Guillaume, 682, vert. Raven 250 ; Raven, Chew stick, 593–598.)
6. Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 1012–13; vert. Guillaume, 682–3, vert. Raven 250–251. Zie ook Mohammeds bijzondere dood.
7. Onvolledige vert. in Ibn Ishaak, Leven, 100–109; Arabische tekst: Ibn Ishāq (Wüstenfeld), 323–334; complete Engelse vertaling Guillaume, 221–227 .
8. ‘Alī ibn Abī Tālib, de latere vierde kalief, reg. 656–661; het uithangbord van de Sjiieten, die de eerste drie kaliefen illegitiem achten. Daarom is hij in de verhalen met terugwerkende kracht de verklaarde tegenspeler van Abū Bakr en ‘Umar. Hoe de mannen tegenover elkaar stonden tijdens hun werkelijke leven is uiteraard onbekend.
9. Al-Tabarī, Ta’rīkh i, 1233-4.
10. Khoury, Wahb i, 136–151.

LITERATUUR
Ibn Ishāq: 
Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, ed. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 (Arabische tekst, editio princeps).
– A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– R. G. Khoury, Wahb b. Munabbih. Teil 1. Der Heidelberger Papyrus PSR Heid Arab 23. Leben und Werk des Dichters. Teil 2. Faksimiletafeln, Wiesbaden 1972.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih,“ BSOAS 37 (1974), 547–71.
– M. J. Kister, „On the Papyrus of Wahb B. Munabbih: An Addendum,“ BSOAS 40 (1977), 125–27.
– W. Raven, ‘The chew stick of the prophet in Sira and Hadith,’ in Anna Akasoy en Wim Raven (uitg.), Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation in Honour of Hans Daiber, Leiden 2008, 593–611. Online hier.

Diakritische tekens en tags: ʿĀʾisha, Aisja, Aicha, Umar, Omar, ʿUmar, ʿAlī ibn Abī Ṭālib, Abu Bakr ʿAbd al-Raḥmān, aṭ-Ṭabarī

Terug naar Inhoud