De hidjra van de profeet volgens ‘Urwa ibn al-Zubayr

BEHOEFT NOG REVISIE@@

De vroege biograaf van de Profeet ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712) stelde op verzoek van kalief ‘Abd al-Malik het verhaal over de hidjra van de profeet van Mekka naar Medina op schrift:

… dat ‘Urwa aan ‘Abd al-Malik schreef: Toen hij–de profeet–zijn mensen had opgeroepen tot de leiding en het licht dat God hem geopenbaard had, gingen zij hem eerst niet uit de weg en hadden bijna naar hem geluisterd. Maar toen hij over hun afgoden begon kwamen er vermogende Qurayshieten uit Tā’if die hem dat kwalijk namen en heftig tegen hem uitvielen, omdat zij een grote afkeer hadden van wat hij had gezegd. Zij zetten degenen die hen gehoorzaamden tegen hem op en de meeste mensen wendden zich nu van hem af en lieten hem in de steek. De mensen die God daarvoor behoedde deden dat niet, maar dat waren er niet veel. Zo bleef het zolang God beschikte dat het blijven zou. Toen beraamden hun hoofdmannen dat zij hun zonen, hun broeders en stamgenoten die Mohammed volgden zouden proberen af te brengen  van Gods religie. Het was een verzoeking (fitna) die een zware schok teweeg bracht onder de mensen van de islam, die de profeet volgden. Sommigen werden verleid [tot geloofsafval] en ongehoorzaamheid jegens God. Toen dat de moslims werd aangedaan droeg de profeet hen op naar Ethiopië te vertrekken. Daar heerste een rechtschapen koning, genaamd de Negus. In zijn land werd er niemand onderdrukt en hij werd geprezen om zijn rechtschapenheid. Ethiopië was een land waar de Qurayshieten handel dreven en waar zij royaal levensonderhoud en een goede markt vonden. Dat droeg de profeet hen dus op en de meesten  die in Mekka onderdrukt werden gingen daarheen, want hij was bang dat men hen van hun geloof zou afbrengen. Hij zelf bleef in Mekka. Zo gingen enkele jaren voorbij, waarin de gelovigen het zwaar te verduren hadden.
Daarna verbreidde de islam zich in Mekka en een aantal edelen trad toe.    (Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, 1180–1.)
Toen er emigranten uit Ethiopië terugkeerden, vóór de emigratie van de profeet naar Medina, maakten [de Qurayshieten] het de mensen van de islam nog moeilijker en vielen hen vaker lastig. Veel van de Helpers (anṣār) in Medina waren moslim geworden en de islam verbreidde zich ook in Medina en er begonnen mensen vandaar naar de profeet in Mekka te komen. Toen de Qurayshieten dat zagen spoorden ze elkaar aan om hen van hun geloof af te brengen en hen hard te behandelen en dat deden ze.
Dat was de tweede verzoeking (fitna). Er waren er dus twee: de verzoeking die de aanleiding was tot de emigratie naar Ethiopië, toen de profeet hun daartoe opdracht en toestemming gaf, en een verzoeking na terugkeer van die emigranten, toen [de Qurayshieten] zagen wie er allemaal uit Medina naar hem toe kwamen.
Toen kwamen er zeventig afgevaardigden uit Medina bij de profeet, de hoofdmannen van degenen die de islam hadden aangenomen. Zij ontmoetten hem tijdens de pelgrimstocht en zwoeren hem trouw in al-‘Aqaba. In hun eed van trouw heette het: ‘Wij zijn van u en u bent van ons,’ en: ‘Als er iemand van uw gezellen bij ons komt, of u zelf komt, zullen we u verdedigen zoals we onszelf verdedigen.’
Quraysh verhoogde nu de druk op hen en de profeet beval zijn gezellen naar Medina te vetrekken. Dit was de tweede verzoeking, gedurende welke de profeet zijn gezellen opdroeg naar Medina te gaan en zelf ook ging. Dit is de verzoeking waarover God heeft geopenbaard: Strijdt tegen hen tot er geen verzoeking meer is en de gehele godsdienst alleen God toebehoort (koran 8:39).

Toen de Gezellen van de profeet naar Medina waren gegaan, maar voordat hij zelf Mekka verliet en voordat het vers was geopenbaard waarin hun werd opgedragen te vechten [koran 8:39], vroeg Abū Bakr, die geen opdracht had gekregen te gaan, Mohammeds toestemming om met de rest van de Gezellen te vertrekken. Maar de profeet hield hem tegen en zei: ‘Geef me wat tijd; ik weet het niet; misschien zal ik toestemming krijgen te vertrekken.’ Abū Bakr had twee rijkamelen gekocht en die voorbereid voor het vertrek naar Medina met de Gezellen. Toen de profeet hem vroeg te wachten en hem vertelde dat hij goede hoop had dat God hem toestemming zou geven te verrtrekken, hield hij die twee kamelen aan, in de verwachting de profeet te mogen vergezellen; hij voedde ze goed en mestte ze vet. Toen het vertrek van de profeet uitgesteld werd vroeg Abū Bakr hem: ‘Hoop je dat je toestemming zult krijgen? ‘Ja,’ antwoordde hij, ‘wacht tot die komt.’ Daarna wachtte hij geduldig.
Aisha vertelde me dat op zekere dag, terwijl zij binnen in huis waren omstreeks het middaguur, terwijl daar niemand  was behalve Abū Bakr en zijn dochters Aisha en Asmā’, de profeet plotseling verscheen, terwijl de middagzon op zijn hoogst stond. Het was zijn gewoonte iedere dag zonder mankeren naar  Abū Bakrs huis te komen aan het begin en het eind van de dag. Dus toen Abū Bakr hem ’s middags zag komen zei hij: ‘Profeet, alleen iets bijzonders kan je hierheen gevoerd hebben. Toen hij binnenkwam zei de profeet tegen Abū Bakr: ‘Vraag degenen die bij je zijn weg te gaan.’ Hij antwoorde: ‘Er zijn hier geen spionnen, dit zijn alleen mijn twee dochters. Toen zei de profeet: ‘God heeft mij toestemming gegeven naar Medina te vetrekken. Abū Bakr vroeg: ‘Profeet, mag ik je vergezellen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij. Abū Bakr zei: ‘Neem een van de rijkamelen.’ Dat waren de rijkamelen die hij bij wijze van voorbereiding had gevoederd toen de profeet toestemming kreeg. Hij gaf hem een van de twee dieren en zei: ‘Neem het, profeet, en rijd erop.’ De profeet antwoordde: ‘Ik neem het aan, voor de prijs die het waard is.’
‘Āmir ibn Fuhayra was een …@ van de stam Azd, die behoorde tot/aan al-Ṭufayl ibn ‘Abdallāh ibn Sakhbara, die dezelfde moeder had als Abū Bakrs dochter Aisha en zijn zoon ‘Abd al-Raḥmān. ‘Āmir werd moslim toen  hij hun slaaf was, en Abū Bakr kocht hem en liet hem vrij. Hij was een goede moslim. In de tijd dat de profeet en Abū Bakr zich op weg begaven had Abū Bakr de rechten@ op de melk van een kudde schapen die ’s avonds naar zijn huis placht te komen. Abū Bakr stuurde ‘Āmir met de schapen naar Thawr, en hij bracht ze ’s avonds naar de profeet in de grot daar, en dat is de grot die door God in de koran genoemd wordt [koran 9:40].
Met de rijdieren vooruit stuurden ze een man uit de stam ‘Abd ibn ‘Adī, een … van de familie van al-‘Āṣ ibn Wā’il van de stam Sahm van Quraysh. In die tijd was die man uit ‘Adī een heiden, maar zij huurden hem als gids voor de reis. De tijd dat zij in de grot doorbrachten kwam Abū Bakrs zoon ‘Abdallāh iedere avond om hun het nieuws uit Mekka te brengen; dan keerde hij ’s ochtends naar Mekka terug. ‘Āmir bracht iedere avond de schapen, zodat ze die konden melken, en bracht ze dan bij het aanbreken van de dageraad/@voor dag en dauw terug naar hun weidegrond, waar hij de ochtend doorbracht met de herders van anderen, zodat niemand in de gaten had wat hij deed. Toen de geruchten over Mohammed en Abū Bakr afzwakten en zij vernamen dat er neit meer over hen gesprokene werd bracht de gids hun de kamelen en gingen ze op weg. ’Āmir ibn Fuhayra namen ze mee, als dienaar en hulpkracht. Abū Bakr nam hem achterop en wisselde op het zadel met hem af. Er was niemand bij hen behalve ’Āmir en die man uit ‘Adī die hun als gids diende. Hij voerde hen door de laaglanden van Mekka, vervolgens over een weg parallel aan de kust, onder ‘Usfān langs, dan dwars door het land, weer op de weg komend bij Qudayd, vervolgens langs het al-Kharrār-pad, dan over de pas van al-Marah en dan langs een weg genaamd al-Mudjidja, tussenm de ‘Amq en de Rawḥā’-weg. Toen kwam hij op de ‘Ardj-weg, en bij een bron genaamd al-Ghabīr rechts van Rakūba en toen de Batḥ Ri’m omhoog, om tenslotte op een middag aan te komen bij het kwartier van de stam ‘Amr ibn ‘Awf in [het zuiden van] Medina. Mij is verteld dat de profeet slechts twee dagen bij hen vertoefde, hoewel de ‘Amr ibn ‘Awf verzekeren dat hij langer bij hen bleef. Vervolgens leidde hij zijn kameel, die hem volgde naar de kwartier van de stam Najdjdār. Daar toonde de profeet hem een droogvloer midden tussen hun woonsteden.

Bron: Al-Ṭabarī, Ta’rīkh i, i, 1224–5 en 1234–7.

BEHOEFT NOG REVISIE@

Nog doen: Het verhaal bij Ma‘mar ibn Rashåd

Ga naar De hidjra in de koran    De hidjra volgens Ibn Ishāq

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

Urwa, de vroegste biograaf van Mohammed

De bekendste arabische auteur op het gebied van de biografie van Mohammed (sira) is Ibn Ishāq (704–767), die vaak wordt gelezen in de bewerking door Ibn Hishām (gest. ± 830). Ouder en minstens zo belangrijk was echter ‘Urwa ibn al-Zubayr (± 643–712). Omdat hij geen boek heeft nagelatenhoort men minder over hem. Dit kan veranderen nu een belangrijk deel van zijn losse teksten handig in een Duitse vertaling is bijeengebracht (→Görke/Schoeler, Die ältesten Berichte).
.
‘Urwa was een zoon van al-Zubayr ibn al-‘Awwām, die tot de eerste aanhangers van Mohammed en tot de vroegste elite van diens beweging behoorde. Toen ‘Alī in 656 kalief werd keerde deze groep zich tegen hem. Al-Zubayr en nog anderen leverden in Zuid-Irak slag met ‘Alī, de zogenaamde Slag van Kameel, genoemd naar het rijdier waarop Aisha het verloop van de slag gadesloeg. ‘Alī won; al-Zubayr sneuvelde en Aisha werd gevankelijk naar Medina afgevoerd.
Een kwart eeuw later kwamen twee zonen van al-Zubayr in opstand; ditmaal tegen kalief Yazīd uit de Umayyadendynastie, die zij illegitiem vonden. Kort samengevat: ‘Abdallāh vestigde een ‘tegenkalifaat’ in Mekka (680–692) en zijn broer Mus‘ab veroverde en bestuurde in zijn naam Irak en een groot stuk van Iran. Andere provincies aarzelden nog; voor de Umayyaden bleef niet veel meer dan Syrië over. ‘Urwa was veel jonger; hij was de intellectueel van de familie en niet militair of politiek actief. Wel koos hij de kant van zijn broers in het tegenkalifaat. Hij woonde meestal in Medina en bestudeerde en onderwees daar het leven van de profeet, maar ook hadith en recht.
Twaalf jaar lang slaagden de Umayyaden er niet in het ‘tegenkalifaat’op te rollen, vooral omdat er enkele zwakke kaliefen aan de regering waren. Dit gelukte wel toen de sterke kalief ‘Abd al-Malik was aangetreden. ‘Abdallāh werd gedood; Mus‘ab was al iets eerder in Irak gevallen en dat was het einde van hun rijk.
.
Dit stukje geschiedenis was even nodig om ‘Urwa’s geschriften beter te kunnen plaatsen. Na het debakel in Mekka en Medina haastte ‘Urwa zich namelijk naar ‘Abd al-Malik in diens hoofdstad Damascus en wierp zich aan zijn voeten. De kalief liet hem niet ter dood brengen, maar gaf hem een taak: hij moest de geschiedenis van de profeet en van de vroege islam opschrijven – natuurlijk uit zijn Medinase gezichtspunt. Toen hij weer naar Medina was teruggekeerd deed hij dat door een reeks brieven (rasā’il) te schrijven.
Van ‘Abd al-Malik waren dit milde gedrag en deze eervolle opdracht wel te begrijpen. Hij stond immers voor de taak het ernstig verscheurde rijk te verenigen en probeerde dat ook met een geschiedschrijving die voor alle delen van het rijk acceptabel zou zijn. De vroegste Islam was misschien toch overwegend een Syrisch-Palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel in Jeruzalem, een heiligdom dat werd voltooid in 691–2, was daarvan eindpunt en hoogtepunt. In wezen is dat gebouw een statement tegen de christenen, waarvan de jonge islam zich distantieerde. Vaak is gedacht dat die Rotskoepel werd gebouwd omdat Mekka met zijn Ka‘ba tijdens het tegenkalifaat tijdelijk niet toegankelijk was. Maar het zou wel eens omgekeerd kunnen zijn: in 692 vond er een ommekeer plaats, waardoor Arabië in de staatsideologie een veel grotere plaats kreeg toebedeeld en die Rotskoepel, zo jong als hij was, dus minder nodig was. Met andere woorden: Mekka, Medina en de Ka‘ba werden nu pas echt belangrijk gemaakt. Arabië telde voortaan helemaal mee en daardoor werd potentiële rebellen de wind uit de zeilen genomen.
.
Bij deze arabisering van de islam hebben ‘Urwa’s brieven volgens mij een belangrijke rol gespeeld. Hij schreef ze voor het hof, maar daarnaast had hij ook nog vele andere teksten. Van zijn werk is een aanzienlijk deel bewaard en zo kunnen we vaststellen dat van de belangrijkste sira-hoofdstukken ‘Urwa de hoofdleverancier is geweest. Ze zijn voornamelijk overgeleverd via twee overleveraars: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī. Ibn Ishāq’s werk bevat veel van ‘Urwa’s materiaal, evenals dat van Ma‘mar ibn Rāshid, die nog een apart artikeltje verdient.
De brieven zijn heel beknopt. ‘Abd al-Malik hield niet van lange teksten en zeker niet van de fantasie van de zog. Vertellers, die bij Ibn Ishāq meer ruimte zouden krijgen.
Een voorbeeld van ‘Urwa’s persoonlijke bijdrage aan de vroege islamitische geschiedenis is te zien aan de rol die Abū Bakr en diens familie spelen in zijn teksten. ‘Urwa’s moeder was Asmā’, een dochter van Abū Bakr. Haar zuster Aisha, de echtgenote van de profeet, was dus zijn tante. In zijn verhalen over de Emigratie (hidjra), het sterfbed van de profeet en over de vermeende ontucht van Aisha (ifk), worden de verdiensten van Abū Bakr en zijn gezin sterk op de voorgrond geplaatst. Wat zal ‘Urwa hebben belet om ook in andere verhalen zijn eigen zware accenten te zetten door Mekka en Medina flink uit te vergroten?

NOOT
1. Anders dan U misschien dacht is het boek: ‘Urwa ibn al-Zubayr, Maghāzī rasūl Allāh, bi-riwāyat Abī l-Aswad ‘anhu, uitg. M.M. al- A‘ẓamī, al-Riyāḍ 1981, niet van ‘Urwa’s hand.

BIBLIOGRAFIE
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, inl. F.M. Donner, Princeton 1983, vooral p. 76–95.
– A. Görke, ‘The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al- Zubayr’s account,’ in H. Motzki (uitg.), The biography of Muammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– G. Schoeler , Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– G. Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, 28–32, 145–54.

Diacritische tekens: Ibn Isḥāq Muṣ‘ab, rasāʾil

Terug naar Inhoud