Jam en kaas: voedsel voor moslims?

Een verheugend verhaal op televisie: een oude arts, een weduwnaar misschien, had een jonge, al langer geleden uit Syrië gevluchte tandarts in zijn huis opgenomen en hielp hem bij de dagelijkse dingen, bij zijn studie om zijn diploma’s erkend te krijgen, en met de taal. Zo hoort het. De oudere man vertelde over hoe probleemloos het samenwonen verliep. Wel was de inhoud van de ijskast veranderd: geen varkensvlees, wel lam en gevogelte, maar dat vond hij prima. Daarmee zou ik zelf ook geen moeite hebben; eens wat vaker parelhoen eten misschien. Enigszins geamuseerd vertelde de oude arts nog dat zijn medebewoner geen aardbeienjam wilde eten, omdat daarin gelatine zat die mogelijk van varkensbotten was gemaakt.
.
Anders dan die gastheer vond ik dat laatste niet amusant, maar een beetje zot. Wat een zeikertje zeg. Een scherpslijper. Ja, die heb je: in alle godsdiensten en levensbeschouwingen, dus ook onder moslims. Er bestaat zelfs een markt voor halal kattenvoer.1
.
Bij de bestudering van de tandenstoker van de profeet kwam ik zulke types ook tegen. Een vraag die aan het begin van de achtste eeuw leefde was of het gebruik van een tandenstokje (siwāk) in de vastentijd geoorloofd was of niet. Bij het kauwen daarop—denkt U aan zoiets als zoethout—kwam er immers water in de mond, en als je dat inslikte, was dat dan geen drinken, wat in de vasten niet was toegestaan? En de vaste stof die dat houtje bevatte, was dat geen voedsel? Men bedacht dat het gebruik van een droog takje toch geen kwaad kon, en daar kon men behoorlijk fanatiek in zijn:

  • Abū Hurayra zei: Ik maakte vandaag mijn mond twee maal aan het bloeden met een siwāk, terwijl ik vastte.2

Met andere woorden; hij gebruikte een droog takje. Van een van nature vochtig of een ingeweekt takje was zijn tandvlees niet gaan bloeden. Volgens de vromen was het echter niet de bedoeling een droog takje tijdens de vasten eerst in water te weken om het zachter te maken; dat bracht water van buitenaf in de mond, zoals ettelijke hadithen waarschuwen. Maar er was ook iemand die blijkbaar genoeg had van de hele kwestie:

  • Ibn ‘Umar zei: Voor een vastende kan het geen kwaad een vochtige of een droge siwāk te gebruiken.3

Verder kon je nog zeuren over hoe vaak het gebruik van de siwāk tijdens de vasten per dag was toegestaan. Twee maal, vindt men meestal, en het kan geen kwaad dat vlak voor het breken van de vasten te doen. En moest het dan voor het gebed of juist erna? Ook deze vraag was weer goed voor een aantal hadithen.
Maar er was ook een tegenrichting, die geen zin had in al dat gezeur:

  • ‘Abdallāh ibn ‘Āmir levert over van zijn vader: Ik heb de profeet ontelbare malen de siwāk zien gebruiken terwijl hij vastte.4

En een vrouw van de profeet wordt een heel ontspannen houding toegeschreven:

  • Maymūna bint al-Ḥārith, de vrouw van de profeet, liet haar tandhoutje  in het water staan om te weken. Als zij werd afgeleid door werk of gebed [vergat zij het]; anders nam zij het en gebruikte het.5

Er waren dus al heel vroeg scherpslijpers, maar andere moslims gaven weerwerk—eveneens middels hadithen.

Vervolgens herinnerde ik me het artikel van Michael Cook over Perzische kaas. Daarin stond een grappige hadith over een gebeurtenisje op de dag dat Mekka door Mohammed werd veroverd. Zonder twijfel een drukke dag; toch zou de profeet nog gelegenheid hebben gevonden een uitspraak te doen over een kaas:

  • Van Abū Dāwūd al-Ṭayālisī […] van Ibn ‘Abbās: Toen de profeet Mekka veroverde zag hij een kaas. Hij vroeg wat het was; ze antwoordden hem dat het een voedingsmiddel was dat in het land der Perzen (arḍ al-‘adjam) werd gemaakt. De profeet zei: ‘Zet het mes erin, roep de naam van God aan en eet!6

Was er in het oude Mekka dan een delicatessenwinkel die Perzische kaas verkocht? Ach welnee toch; die hele hadith is een verzinsel zoals de meeste, en in dit geval een erg onhandig verzinsel, omdat aan de waarschijnlijkheid geen recht is gedaan. Moslims werden natuurlijk niet in Mekka met Perzische kaas geconfronteerd, maar in Irak en Iran, toen zij die landen hadden veroverd. Maar de strekking is sympathiek: niet zeuren over buitenlands voedsel, gewoon opeten.
Wat had er dan mis kunnen zijn met die kaas? Wel, om de melk te doen stremmen is leb (minfaḥa) van een kalf nodig. Die kon alleen uit een dood dier gehaald worden en dat was misschien niet ritueel geslacht! Hierover hadden joodse rabbijnen kort voor al-Ṭayālisī al uitvoerig gediscussieerd, eveneens in Irak. Voor hen was ongelovige kaas inderdaad onacceptabel. De Babylonische Talmud bericht daarover. Vanuit islamitisch gezichtspunt konden zoroastriërs niet ritueel slachten; hun Perzische kaas had dus theoretisch voor moslims ook verboden moeten zijn. Maar dat probeert deze hadith dus te ontkrachten: de profeet vond niets verkeerds aan die kaas. Dat past in de hele gedachtenwereld van de islam: de islamitische spijswetten zijn over het algemeen een stuk losser dan de joodse, dat is in de koran al zo. De profeet deed die uitspraak laat in zijn leven, zodat hij hem nauwelijks nog had kunnen herroepen— inderdaad, hadithschrijvers hielden daar rekening mee.
.
Bovengenoemde tandarts zou over die kaas-problematiek ook kunnen tobben. Misschien zou hij zelfs in een tijdschrift als Islamic Medicine ‘wetenschappelijk’ onderbouwd kunnen schrijven dat niet-islamitische jam en kaas schadelijk zijn voor het gebit. Zulke artikelen bestaan werkelijk. Maar gelukkig is er altijd die veel bredere tegenstroom: niet zeuren, geen gekeutel, de profeet zag het ruimer en God is geen kruidenier die op de kleintjes let.

Om het met de woorden van een andere, breed overgeleverde hadith te zeggen:

  • De profeet zei: ‘Maak het makkelijk en niet moeilijk; maak [de mensen] blij en schrik ze niet af.’7

.

BIBLIO
– Michael Cook, ‘Magian Cheese: An Archaic Problem in Islamic Law,’ BSOAS 47/3 (1984), 449–467.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online.

NOTEN
1. De profeet heeft nooit gezegd dat kattenvoer halal moet zijn; in zijn tijd vraten katten nog gewoon zelf gejaagde kleine dieren en keukenafval. Katten zijn geen moslims en dus niet in staat tot het juiste gedrag. Het probleem is blijkbaar dat het baasje of vrouwtje bij het openen van een blikje kattenvoer in beroering zou kunnen komen met niet-ritueel geslacht vlees. The horror! The horror!

2. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7486:

عبد الرزاق – معمر – قتادة – أبو هريرة: قال لقد أدميْتُ فمي اليوم [وأنا] صائم بالسواك مرّتين.

3. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 37/3:

علي بن الحسن بن شقيق – أبو حمزة – ابراهيم الصائغ – نافع – ابن عمر: قال لا بأس ان يستاك الصائم بالسواك الرطب واليابس.

4. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iv, 7484; Ibn Abī Shayba, Muṣannaf xxx, 35/1:

عبد الرزاق – الثوري – عاصم بن عبد الله بن عبيد الله بن عاصم – عبد الله بن عامر بن ربيعة – أبيه: رأيت رسول الله ص يستاك وهو صائم ما لا أُحصي.

5. Ibn Abī Shayba, Muṣannaf i, 170/20:

ابن أبي شيبة – كثير بن هشام – جعفر بن برقان – يزيد بن الأصم: كان سواك ميمونة ابنة الحارث زوج النبي صلعم منقعًا في ماء فإن شغلها عنه عملٌ أو صلاةٌ والاّ فأخذته واستاكت.

6. Al-Bayhaqī, Sunan 10:6.6; al-Ṭayālisī, Musnad no. 2684:

… النبي ص لما كان فتح مكة رأى جبنة فقال: ما هذا؟ قالوا: طعام يصنع بارض العجم. قال فقال رسول الله ص: ضعوا فيه السكبن واذكروا اسم الله وكلوا !

Volgens andere bronnen zou de profeet de kaas in Ṭā’if of Tabūk gezien hebben; het bleef echter een Perzische kaas (min arḍ Fāris, min ahl Fāris). ‘Abd al-Razzāq, Muṣannaf, iv, 8795 vermeldt de vrees van de vragensteller dat de kaas mayta, iets van een niet ritueel geslacht dier, zou bevatten.
7. Bukhārī, ‘Ilm 11 e.v.a.:      النبي ص قال يسروا ولا تعسروا وبشروا ولا تنفروا.

Terug naar Inhoud

Vasten in ramadan

Vasten in ramadan is niets voor mij, gewoon omdat ik geen moslim ben. Als arabist heb ik wel het vasten van anderen meebeleefd, zowel in de Arabische landen als in Europa.

Toen ik in 1971 voor het eerst in Egypte kwam, met een stipendium voor Cairo University, was het juist ramadan, en ik was erop voorbereid: er zou overdag niets te eten en te drinken zijn en het openbare leven zou maar langzaam en slechtgehumeurd voortgang vinden. Maar tot mijn verbazing aten en dronken mijn nieuwe vrienden in Cairo ongeremd. Toen ik een keer vroeg: ‘Vasten jullie niet?’ kreeg ik een schaterlachend antwoord: ‘Hahaha, nee, wij toch niet!?’ Men legde mij uit dat vasten eerder iets voor onderontwikkelde en arme mensen was; niet voor intellectuelen. Inderdaad zag ik op mijn lange wandelingen door de stad in de armere wijken veel vastende mensen. In Bulaq bij voorbeeld, waar de altijd zeer drukke 26-Julistraat tegen de avond bijna leeg was. Op de stoep zaten mensen met iets te eten in de hand, dat zij echter pas na het kanonschot tot zich zouden nemen. Was het een kanon? ik weet het niet meer; in ieder geval geen echt kanon, het signaal kwam via de radio. Dan werd het plotseling heel stil; de mensen concentreerden zich op hun spijs en drank, en even later werd de stad wakker en steeds vrolijker. Natuurlijk heb ik wel mee gedaan  met de feeststemming ’s avonds en van de lekkernijen gegeten. De oude stad van Cairo was destijds nog niet helemaal kapot; bij het feestelijke kunstlicht zag zij er zelfs sprookjesachtig en verleidelijk uit. Vooral in straten als al-Darb al-Ahmar was het op ramadanavonden goed toeven.

Aan de universiteit was de sfeer erg ontspannen, hoewel er ook toen al vrome studenten waren. Dat merkte ik pas na ramadan, toen ik een keer niet kon slapen en in de ochtendschemering over de campus wandelde. Toen ontdekte ik inderdaad een gebedsruimte, waar studenten zich aan het morgengebed wijdden. Die kwamen van het platteland, werd mij uitgelegd. De studenten uit de stad die ik had leren kennen waren helemaal niet religieus; velen wisten niet eens hoe ze het gebed moesten verrichten. De Saoedisch geïnspireerde vroomheid kwam pas na 1976 in Egypte aan, tegelijk met de Sony-luidsprekers die de vrome teksten zeer luid rondbazuinden.

Jaren later was ik eens in Marokko tijdens de ramadan. In Tetuan was het terras van het grote café bijna leeg. Slechts enkele mensen zaten daar te kletsen of de krant te lezen; gedronken werd er niets. Ook ik ging daar zitten, niet omdat ik iets te drinken verwachtte, maar omdat je daar prettig kon zitten. Er verscheen echter toch een kelner om mijn bestelling op te nemen; blijkbaar werden niet-moslims wel bediend. Maar het leek me geen goed idee om te midden van die dorstige mensen iets te drinken. Voor hen was het immers een kwelling geweest dat mee aan te zien. Ik zag dus van een bestelling af. Moeilijk viel me dat niet; de waterleiding in het hotel was immers niet  afgesloten. Tot mijn verrassing werd dit kleine gebaar zeer gewaardeerd: men kwam mij de hand schudden, ja zelfs omarmen.

Maar ook in Marokko nam niet iedereen dat vasten zo serieus. In het frivole Rabat leerde ik iemand kennen die in ramadan als kleine tegemoetkoming in plaats van whisky alleen nog maar bier dronk. Zoals alle handelingen wordt hopelijk ook deze ‘naar de intentie’ beoordeeld. Aan het strand vroeg een jongeman mij een pakje sigaretten voor hem te gaan kopen; hij zelf mocht het niet. In Fez logeerde ik in een luxe hotel met zwembad. Na de middag ging ik vaak zwemmen en had dan het hele bassin voor mij alleen; waarom begrijp ik tot heden niet. De kelner daar had dus niets te doen. We raakten in gesprek en hij vertelde dat hij tegen vieren weer in actie moest komen, want dan moesten de iftar-maaltijden op de kamers worden gebracht. Om vier uur ging de zon nog lang niet onder, maar vooral de Saoedische gasten drongen aan op tijdige levering van de iftar, dat die maar vast klaarstond. Wee hem, die er kwaad van denkt!

Veel meer ramadan heb ik in de Arabsiche landen niet meegemaakt. Ik ben er nog vaak genoeg geweest, maar plande mijn bezoeken toch altijd zo, dat ze niet in ramadan vielen.

Sinds enkele jaren horen we steeds, dat tegenwoordig het gevaar bestaat van vasten te dik te worden. Of dat in Europa ook het geval is? Mijn indruk van de moslims die ik hier ken is dat zij óf helemaal niet vasten, óf de zaak zeer serieus nemen. Ze hebben het vaak zwaarder dan in de Arabische wereld, omdat de zomerdagen hier langer duren en ze de ogen van de niet-moslimse meerderheid op zich gericht voelen. Wie het voor elkaar krijgt, zowel het langere vasten vol te houden als andersdenkenden niet te laten merken hoe zwaar dat valt, zal ook na zonsondergang wel de zelfbeheersing hebben om zijn bord niet te vol te laden.

Terug naar Inhoud