Islam

Wat is (de) islam?
Die vraag is mij een paar maten te groot; zeker een theologisch of een religieus antwoord vanuit eigen ervaring kan ik niet geven. Ik kan hoogstens een beetje krabbelen aan de buitenkant. Mijn mini-definitie: het is een monotheïstische godsdienst van het westerse type, verwant met christendom en jodendom, waarin als heilige schrift de Koran centraal staat, die volgens de aanhangers door de ene God aan zijn profeet Mohammed is geopenbaard.

Wat betekent het woord ‘islam’?
Islām is de onbepaalde wijs van het werkwoord aslama, dat vanouds ‘zich onderwerpen, overgeven’ betekent. Islām is dan ‘overgave,’ d.w.z. aan God; zich voegen naar Gods wil’. Muslim is het tegenwoordig deelwoord van hetzelfde werkwoord. Het betekent dus: ‘zich overgevend’. Zoals ieder adjectief kan het gesubstantiveerd worden: ‘iemand, die zich overgeeft …’ enz.
Uiteraard betekent aslama tegenwoordig ook en vooral: ‘moslim worden’. ‘Islam’ duidt ook de welbekende welbekende godsdienst aan, en ‘muslim’, of in de vernederlandste vorm: ‘moslim’ is een belijder of aanhanger daarvan.

  • Islām betekent niet ‘vrede’, zoals soms wordt gezegd. Silm en salām, van dezelfde Arabische wortel, betekenen ‘vrede’. Maar istilām betekent ‘ontvangst’, taslīm ‘overhandiging’, sullam ‘ladder, trap’ en sulāmā ‘vingerkootje’. Al die woorden hebben ook niets met islām te maken. Vrij spelen met de drie wortelmedeklinkers van een Arabisch woord is niet altijd zinvol.

 

Is de islam een godsdienst?
Ja, natuurlijk. Voor de Nederlanders nog even: Enkele mensen, zoals de fundamentalist Sayyid Quṭb (1906–1966), allerlei marxisten-leninisten vroeger en nu weer het Nederlandse kamerlid G. Wilders (1963–) hebben de islam een ideologie of zelfs een filosofie genoemd. Maar een zingevingssysteem waarin de hoofdrol wordt gespeeld door een almachtige god die de wereld geschapen heeft en aan de gang houdt, die vanuit de eeuwigheid een heilige schrift heeft geopenbaard, en nog vele bovennatuurlijke zaken meer, kun je met het volste recht een godsdienst noemen. Als dát geen godsdienst is, wat dan?

Islām in de koran KOMT NOG

Vanaf wanneer is er islām? KOMT NOG    Zie alvast Abd al-Malik  en De Rotskoepel in Jeruzalem


Islam as we know it?
Wat de Arabische veroveraars waren voordat zij moslim waren blijft nog onduidelijk.  De islam had aanvankelijk veel gemeen met het christendom en/of jodendom, maar op een dag kwam er die breuk. Hoe en wat precies weet nog niemand. Er is maar weinig serieus onderzoek naar. Met de resultaten zou je ook niemand blij kunnen maken.

De Umayyaden-kaliefen (661–750) hebben een islam ontworpen. Hun model heeft hen echter niet overleefd. In oppositiekringen, vooral in Iraq, in de studeerkamers van de ahl ­al­-hadīth of ahl as-­sunna wal-djamā‘a enz., later kortweg de ‘ulamā’ (enkelv. ‘ālim), ‘geleerden’ genoemd, werd er aan een nieuw islam-model gewerkt, waarin de sunna van de profeet een veel grotere rol zou spelen dan tevoren. Deze geleerden hebben in de achtste eeuw de quṣṣāṣ (‘vertellers’), de eerste soort islamitische intellectuelen, opgevolgd.

Onder de Abbasiden veroverden de ‘ulamā’ hun definitieve plaats in de maatschappelijke orde pas omstreeks 850. Ze waren daarvoor nog bijna terzijde geschoven tijdens de inquisitie, de miḥna. Het eerdere islam-model van de Umayyaden hebben zij sterk gekritiseerd en de geschiedschrijving daarover vertekend.

Dan ontstaat ‘de islam, zoals wij die kennen,’ zoals men vaak zegt: de mainstream soennitsiche islam die door ʿulamāʾ wordt gedomineerd, die naast de wereldlijke heersers een tweede macht vormden. Deze heeft het tot ver in de twintigste eeuw uitgehouden.
Een groteske oriëntalistische uitdrukking, ‘de islam, zoals wij die kennen,’ die dan ongeveer duizend jaar heeft beslagen. Alsof de islam al die eeuwen hetzelfde bleef; alsof wij hem kennen!

Vanaf ± 900 komt het Sufisme, de islamitische mystiek, erbij, dat tot ± 1900 sterk aanwezig is gebleven. Sindsdien aanzienlijk minder.

Vervolgens is er de ‘moderne islam’, die onder de invloed van het westen is ontstaan: van ± 1850 tot heden.  Het woord ‘modern’ lijkt misschien misplaatst, wanneer men denkt aan de strenge regels, de bedekkende kleding enzovoort, maar het is inderdaad een modernisering. Vooral het letterlijk nemen van oude teksten en het streng uitleggen van allerlei regels die door de eeuwen heen eerder speels werden gehanteerd is toe te schrijven aan de drang van vele moslims in de 19e en 20e eeuw, het toen oppermachtige ‘Westen’ te imiteren, dat immers gesteld was op werkbare en ondubbelzinnige waarheden. Daarbij hebben de moslims hun dubbele moraal verruild voor een simpele moraal met rechtlijnige waarheden. Het ‘Westen’ is achteraf niet gelukkig met deze geslaagde nabootsing, maar het moet niet zeuren. Voor de moslims is het veel erger.

Pas sinds kort lijkt het interpretatie-monopolie van de ‘ulamā’ te wankelen. Tegenwoordig luistert men ook naar figuren als Sayyid Qutb, Usāma ibn Lādin of allerlei anonieme internetmuftis, die nooit tot ‘ālim  (mv. ‘ulamā’) zijn opgeleid.

  • Wie is er ‘ālim  (mv. ‘ulamā’)? Theoretisch bestaat er in de islam geen instantie die bepaalt wie geleerd is en de schrift kan uitleggen en het recht zoeken. In de praktijk bestonden en bestaan er toch hoog aangeschreven inrichtingen die ‘erkende’ geleerden opleiden, bij voorbeeld de islamitische al-­Azhar universiteit in Cairo.

Hierboven zijn enige varianten van islam genoemd die na en naast elkaar bestaan hebben. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de regionale varianten, de shia en de andere richtingen.

De islam is overigens noch een mens, noch een rechtspersoon. Uitspraken die beginnen met: ‘De islam zegt…’ zijn dus niet zinvol, want de islam heeft geen mond. Er zijn moslims, die hebben monden en kunnen praten, maar die zeggen uiteraard niet allemaal hetzelfde.
‘De islam is …’ gaat ook niet. Maar al te vaak voeren dat soort zinnen in doodlopende sloppen als deze: Een aanvaller zegt: ‘De islam is een gewelddadige (vrouwvijandige, of wat dan ook) godsdienst.’ Een verdediger zegt: ‘Niet waar! De islam is juist heel vredelievend (goed voor vrouwen, of wat dan ook). Vaak slaan beide partijen elkaar met koranverzen om de oren, alsof daar te lezen zou staan wat de islam ‘is’. Aan zulk gepraat hebt U niets; dat kunt U beter aan de straat en de televisie overlaten.

Er is geen onveranderlijk ‘wezen van de islam’, laat staan dat het in de koran zou zijn vastgelegd. In verschillende perioden en uiteenlopende landen wordt door personen en groepen personen telkens opnieuw aan een islam vorm gegeven.

Diacritische tekens: Quṭb, quṣṣāṣ, miḥna

Zie ook Islamisering van de islam.      Terug naar Inhoud.

De ‘Vertellers’, de eerste koranuitleggers

De behoefte aan koranuitleg werd aanvankelijk bevredigd door de ‘Vertellers’ (Arabisch: qāss, mv. qussās). Dat waren de eerste ‘islamitische’ intellectuelen, die vaak bijklusten als rechter of in de handel. In de tijd van de Umayyaden (661–750) mochten zij na de vrijdagspreek de gelovigen toespreken in de moskee. Ze legden de koran uit, vertelden over de profeet Mohammed, maar ook over de vroegere profeten, en schilderden het paradijs en de hel.
Hun vertelsels (qissa, mv. qisas) waren tegelijk stichtelijk en onderhoudend (kom daar vandaag eens om!) en vaak uitgesproken fantastisch. Als zij uitweidden over wat de koran vertelt over de vroegere profeten putten zij vaak uit joodse of christelijke vertellingen, zowel bijbelse als niet bijbelse, de zogeheten isrā’īlīyāt. Zo zetten zij voort wat in de koran al was begonnen: Mohammed wordt als laatste en beste profeet gepositioneerd in een reeks vroegere profeten, terwijl deze laatsten ook de trekken van Mohammed meekrijgen.
Na 700 werden de ‘Vertellers’ steeds vaker uit de moskeeën verbannen. Hun reputatie werd slechter; sommigen van hen eindigden op straat, waar zij ook hun publiek vonden. Hun neiging tot fantaseren ergerde de vrome gelovigen en hadith-­geleerden toenemend, en het niet-islamitische materiaal dat zij verbreidden werd steeds minder acceptabel gevonden.
Omdat zij geen schrijvers waren, hun goede naam al vrij snel kwijt raakten en bij de Abbasiden­dynastie (vanaf 750) definitief uit de gratie waren, zijn er nauwelijks teksten van ‘Vertellers’ onder hun eigen naam in boeken bijeengebracht. (Een uitzondering is *Wahb ibn Munabbih.) Vóór 750 bestonden er ook nauwelijks boeken. Maar hun vertelstof heeft in tenminste twee genres overleefd: in de sīra en in de tafsīr (koranexegese), ondanks alle pogingen van de auteurs in die genres om zich van hen te distantiëren en hun stof te fatsoeneren.
De ‘ulamā’, de geleerden namen geleidelijk hun plaats in. Zij hadden een geheel andere opvatting van hun taken. Het is niet zo dat er later niet meer naar aanleiding van koranteksten ‘verteld’ werd. Ik herinner slechts aan de uitvoerige Profetenverhalen uit de tiende eeuw. Alleen de status, het religieuze prestige van dergelijke verhalen werd geringer.
Bij wijze van voorbeeld twee oude teksten die duidelijk de sfeer van een ‘Verteller’ ademen:

  • Aan het bericht van ‘Abdallāh ibn Mas‘ūd ontleen ik het volgende: Telkens als Djibrīl hem [= de profeet] omhoog voerde naar een volgende hemel werd hem, als hij toestemming vroeg om binnen te treden, gevraagd wie hij bij zich had. Dan zei hij: ‘Mohammed,’ en als hij dan hun vraag of hij reeds gezonden was bevestigend beantwoordde, zeiden zij: ‘God schenke hem leven, deze broeder en vriend!’ tot hij hem naar de zevende hemel voerde, en ten slotte naar zijn Heer, die hem vijftig salaats per dag oplegde.
    De profeet heeft daarover verteld: Op de terugweg kwam ik langs Mūsā (Mozes), en wat een goede vriend was hij voor jullie! Hij vroeg mij:
    ‘Hoeveel gebeden zijn je opgelegd?’
    ‘Vijftig per dag.’
    ‘Het gebed is een zware last, en je volk is zwak. Keer dus terug naar de Heer en vraag hem, jou en je volk verlichting te schenken.’
    Dat deed ik, en hij nam er tien af. Toen ik weer langs Mūsā kwam zei hij dat weer, en zo ging het door tot er nog maar vijf salaats over waren. Maar toen ik daarop weer bij Mūsā kwam en hij mij nogmaals dezelfde raad gaf, antwoordde ik: ‘Ik ben nu zo dikwijls teruggegaan naar mijn Heer om dat te vragen, dat ik mij schaam; nu doe ik het niet meer.’
    Ten slotte zei de profeet: ‘Ieder van jullie die deze vijf salaats verricht in geloof en vertrouwen op de beloning, die zullen er vijftig vergolden worden.’ 1
  • ‘Abdallāh ibn ‘Amr levert over van Abū Muwayhiba, een vrijgelatene van de profeet: De profeet maakte mij midden in de nacht wakker en zei dat hem was opgedragen daar voor de doden te gaan bidden, en dat ik mee moest komen. Toen hij op de begraafplaats stond zei hij: ‘Gegroet, jullie in de graven. Jullie verkeren in een betere toestand dan de levenden. De verzoekingen komen als flarden van duistere nacht, de ene na de andere, en de laatste zal erger zijn dan de eerste.’ 2

NOTEN
1. Ibn Ishāq, SīraDas Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 271; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 87–87.
2. ibidem, 1000; ibidem, 244.

MEER LEZEN
– Ch. Pellat, „Kāss“ en„Kissa I“ in EI2.
– Lyall R. Armstrong, The Quṣṣāṣ of Early Islam, Leiden 2016.
– A. A. Duri, The Rise of Historical Writing among the Arabs, hg. und übers. Lawrence I. Conrad, Einf. Fred M. Donner, Princeton 1983, Index s. v. qisas.
– G. Vajda, „Isrā’īliyyāt,“ in EI2.
– I. Goldziher, Muhammedanische Studien i–ii, Halle 1888–90, vooral. ii, 160–170.
– Merlin S. Swartz, Ibn al-Jawzī’s Kitāb al-qussās wal-mudakkirīn. Including a Critical Edition, Annotated Translation and Introduction. Beirut [1969].
– al-Djāhiz, al-Bayān wal-tabyīn, uitg. ‘Abd al-Salām Muhammad Hārūn, Kairo, 4 Bde. 1985; i, 367–9.

Diakritische tekens: qāṣṣ, quṣṣāṣ, qiṣṣa, mv. qiṣaṣ,ʿulamāʾ, ṣalāt, Ibn Isḥāq, Ḳāṣṣ, Ḳiṣṣa, Isrāʾīliyyāt, quṣṣās, al-Djāḥiẓ, Muḥammad

Terug naar Inhoud