Verfijnde manieren in Bagdad, 900 na Chr.

Al-Washshā’ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitāb al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de hogere standen in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafā’, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Deze verfijnde mensen zullen niet genoeg geld gehad hebben om de grand seigneur uit te hangen, anderzijds zal protserige rijkdom hun werkelijk weerzin hebben ingeboezemd.

Hoofdstuk 35. Eigenschappen van mensen met echte verfijning en het verschil met lieden die doen alsof.
Tot de volmaakte manieren en het goede gedrag van beschaafde, verfijnde mensen en mensen behoort, dat zij geduld oefenen bij alles wat eervol handelen teweeg brengt en zich verre houden van minderwaardig gedrag. Zij hechten aan hoogstaande karaktertrekken en cultiveren aangename zeden.
Zij mengen zich niet in het gesprek van anderen, zij lezen niet mee in het boek dat iemand aan het lezen is, zij onderbreken niemand die aan het woord is, zij luisteren niet mee als iemand een ander een vertrouwelijke mededeling doet. Zij doen geen navraag als iets voor hen geheim is gehouden, zij praten niet over dingen waarvan zij niets begrijpen. Zaken van gewicht doen zij snel af, maar in kleinigheden zijn zij omzichtig. Zij zijn de vorsten van hun salons; door hun toedoen openen zich de moeilijkste sloten; door hen raken de meest tegengestelde karakters met elkaar vertrouwd. Naar hen zien aller ogen op; voor hen buigen zich de weerspannigste nekken. Wie altijd iets heeft aan te merken vind aan hen niets te kritiseren; wie wil vitten krijgt op hun eigenschappen geen vat.
Immers, zij schrapen hun keel niet, spuwen niet, gapen niet, halen hun snot niet op, laten geen boeren en rekken zich niet uit. Onder verfijnde lieden geldt dat als schandelijk, en ook de rechtsgeleerden beschouwen het als afkeurenswaardig. Daarover bestaat een betrouwbare Traditie van de Profeet:

  • Ubayd ibn Sharīk levert over van Ibn abī Maryam, die zich beroept op Yahyā ibn Ayyūb, die overlevert: Ibn Adjlān levert over van Sa‘īd al-Maqburī, en deze van Abū Hurayra: De Profeet heeft gezegd: ‘God houdt van het niezen, maar verfoeit het gapen. Als iemand gapend ‘haah’ zegt lacht de satan in zijn vuistje.’

Verfijnde mensen gapen dus niet en rekken zich niet uit, ze vouwen hun handen niet en slaan die niet in elkaar. Ze zitten niet met uitgestrekte benen, ze krabben zich niet op hun lichaam en zitten niet aan hun neus. Dat geldt in het bijzonder wanneer een van hen zich in gezelschap bevindt van zijn boezemvriend, van een vertrouwde of geliefde, of van iemand voor wie hij zich geneert of die hij respecteert.
Geen van hen gaat ooit naar het privaat als iemand hem ziet, of plast in aanwezigheid van iemand anders. Het behoort niet tot hun manieren bij het zitten achterover te leunen of zich te haasten bij het lopen. Van een weg die zij hebben ingeslagen wijken zij niet meer af, en zij keren niet terug op een weg die zij eenmaal hebben betreden. Zij schudden het stof niet van hun voeten op plaatsen waar juist geveegd is. Zij rusten niet uit op plaatsen waar juist water gesprenkeld is. Zij gaan niet in een gezelschap zitten om dan dadelijk weer op te stappen. Zij drinken geen water uit cisternen, en evenmin in wijnlokalen, in moskeeën en langs de weg; dat geldt onder weldenkende mensen als minderwaardig. Zij betreden geen zaken waar harisa, tarwebrei met gehakt, wordt bereid, of waar gekookte schaapskop of soep wordt aangeboden, en ze eten niets wat op straat gekocht is. Zij eten niet op de openbare weg, in de moskee of op de markt. Ook daarover bestaat een betrouwbare en welbekende Traditie van de Profeet, die mij door Ahmad ibn Haytham al-Mu‘addal is overgeleverd: Sahl ibn Nasr en Ishāq ibn al-Mundhir leveren over: Muhammad ibn al-Furāt heeft mij verteld op gezag van Sa‘īd ibn Luqmān ibn Abd al-Rahmān al-Ansārī, van Abū Hurayra dat de Profeet gezegd heeft: ‘Eten op de markt is ordinair.’
Verfijnde lieden laten hun haar niet knippen in de zaak van een aderlater, en gaan niet zonder lendenschort de badruimte binnen. Ahmad ibn Muhammad ibn Ghālib, de vriend van al-Khalīl, heeft overgeleverd: Ahmad ibn Abdallāh ibn Hāshim vertelt op gezag van Mughīra, en deze van Ibrāhīm: ‘In de spiegel van een aderlater kijken is ordinair.’ En dezelfde heeft mij overgeleverd van Ismā‘īl ibn Muḥammad, van Rashīd ibn Sa‘īd, van ‘Ikrima, die het van zijn meester Ibn Abbās had: ‘Het is weinig mannelijk, in de spiegel van een aderlater te kijken, of rond te kijken in het huis van een wever.’
Het is het meest passend voor een verfijnd man, de badruimte alleen te betreden, zodat niemand zijn schaamdelen kan zien. Hij werpt daar zelf geen blik op iemand anders, hangt zijn kleding niet op een haak en laat zijn voeten niet in het afvoerputje bungelen, want dat doet alleen de lagere standen. Hij schrobt zijn handen niet met een oude lap, zoals dat onder verachtelijke lieden gebruikelijk is, en hij rolt zeker niet over de warme vloer van de badruimte; dat is werkelijk het allerlaagste.
Hij behoort de badruimte te betreden met een lendendoek om en dan apart te gaan zitten, niet op zijn hurken, want dat is een aanfluiting van het gezond verstand. Hij gaat evenmin op zijn zij liggen, maar zit rechtop met gekruiste benen. Als het zweet uitbreekt en van zijn lichaam af druipt, in niet te kleine maar ook nog niet te grote hoeveelheid, droogt hij zich af met een handdoek. Dan roept hij de badman, die hij zijn hoofd met shampoo en de fijnste potas laat wassen. Wanneer hij echter uitgesproken mannelijk of welgesteld is, of stamt uit een van de aanzienlijke families of grote huizen, die men van geen enkele onbetamelijkheid kan betichten, dan begint hij met de badruimte binnen te gaan zonder een woord te zeggen en drie slokken warm water te drinken. Hij gaat op een leren mat zitten om te zweten, en wanneer het zweet hem uitbreekt epileert hij zijn lichaam, verzamelt het zweet en weegt het. Maar dit geldt alleen voor welgestelden, edelen of goed opgevoede filosofen. Van anderen wordt zulk gedrag dwaas gevonden.
Een verfijnd man mag niet zonder broek rondlopen of alleen een handdoek als lendendoek gebruiken. Zijn lendendoek mag niet open of los hangen. Hij dingt niet af als hij iets koopt, rijdt niet op een huurezel, stijgt niet af bij een ruïne waar wijn geschonken wordt, houdt een geleend boek niet te lang, stelt een handwerksman geen voorwaarden, verkeert niet met plebejers, scheldt een vriend niet uit, belastert niemand, spreekt geen kwaad over een vriend, geeft een hem toevertrouwd geheim niet prijs, maakt een vertrouwelijke zaak niet openbaar, verbreekt geen afspraak, schendt geen belofte, zaait geen tweedracht tussen mensen, brengt geen twee vrienden uit elkaar, geeft niemand aan bij de overheid, verklikt niemand, onteert geen vrouw, pleegt geen diefstal, pronkt niet met andermans veren, stelt zich niet bloot aan verdenkingen, beticht niemand van ontucht, verkoopt geen obscene praatjes en verleidt niet de vrouw van een goede vriend of buurman.
Het beste wat daarover is gezegd is van al-Ahwas ibn Muhammad al-Ansārī:

  • Ik zei: ‘Van mijn liefde moet je afzien,
    al zou ik graag met je verkeren.’
    ‘Bemin dan maar mijn man!’ zei zij, waarop ik sprak:
    ‘Voor ontrouw ben ik niet te vinden.
    Twee vrouwen zal ik nooit onteren:
    mijn vriend zijn bruid, mijn buurmans vrouw.
    Mijn beste vriend bedrieg ik niet,
    mijn buur heeft God de Heer mij toevertrouwd.’

Tot de volmaakte elegantie behoort dat een man goed gekleed en geparfumeerd is, dat hij zich ver houdt van vuil en dat zijn lichaam steeds schoon is. Geen van zijn kledingstukken heeft vlekken, geen zak is vuil, geen zoom gescheurd; geen geer zit scheef, zijn broek vertoont geen enkel gat. Hij laat zijn nagels niet groeien, heeft niet te lang haar, zijn oksels ruiken niet onfris, zijn huid is niet vettig, hij heeft geen loopneus, zijn handen laat hij niet zwart worden. Hij heeft geen kloofjes in zijn huid, hij sproeit geen speeksel als hij spreekt. In zijn ooghoeken zitten geen restjes oogvocht, op zijn mondhoeken heeft hij geen schuim.In hun omgang met geliefden en intieme vrienden hoort het tot de goede toon dat zij zich aan afspraken houden, hun beloften nakomen en weinig geneigd zijn tot onheus gedrag. Jegens geliefden en intimi gedragen zij zich vriendelijk en behulpzaam. Zij verheugen zich als zij hen ontmoeten en missen hen als zij er niet zijn. Zij staan hen bij met lijf en goed. De zorgen van hun vrienden proberen zij te verlichten en hun buren zijn zij niet tot last. Wie hun kwaad doet, die vergeven zij; wie hun goed doet, die betalen zij met gelijke munt. De kleine man bejegenen zij vriendelijk; de groten bewijzen zij de verschuldigde eer.
Muhammad ibn Yūnus al-Qaysī heeft mij overgeleverd van Yazīd ibn Bayān: Abū al-Ridjāl bericht op gezag van Anas ibn Malik: De Profeet heeft gezegd: ‘God heeft bepaald dat elke jongeman die een man van hoge leeftijd in ere houdt, geëerd zal worden als hij zelf oud geworden is.’
Degenen die mannelijk gedrag cultiveren hebben zich aan hetzelfde te houden als verfijnde, ridderlijke en beschaafde mensen. Ook zij zijn geen zoetekauwen en veelvraten, zij pralen niet en beroemen zich niet op hun voorgeslacht, maar hebben zich te houden aan de regels van volmaakt mannelijk gedrag en beschaving. Een ridderlijke jongeman is te herkennen aan zijn mannelijk gedrag. Eens kwam bij een geleerde het gesprek op ridderlijkheid. Hij zei daarover: ‘Ridderlijkheid is niet een zondige levenswandel vol uitspattingen, maar dat men zijn tafel openstelt voor gasten en armen, dat men anderen geen schade toebrengt, dat men mensen royaal ondersteunt, zijn naaste accepteert, bekend staat als kuis, lelijk gedrag vermijdt, dat men zijn beschaving toont, een zuiver karakter heeft en het gezelschap van slechte mensen mijdt, dat men streeft naar de hogere dingen, kwaad met goed vergeldt, het goede eveneens met goed vergeldt en de behoeften van de mensen probeert te vervullen.’
Dit zijn, kort samengevat, hun manieren en hun goede eigenschappen, dit alles wordt gewaardeerd in hun gedragingen. Daarnaast hebben zij een verfijnd naturel, zijn ze altijd hoffelijk, weten te kalmeren en glad te strijken, handelen bedachtzaam en zijn sympathiek. Vandaar hun gezegde: ‘Wie liefheeft brengt genezing;’ dat wil zeggen: sympathiek zijn en kalmeren. Een arts wordt ook om dezelfde reden arts genoemd. De bedoeienen zeggen: ‘Hij is een arts in alle dingen;’ dat wil zeggen: hij weet overal van en is erbij betrokken.
‘Umar ibn abi Rabī‘a heeft gedicht:

  • Een wijze dokteres kwam haar bezoeken,
    die ernst te mengen wist met spel.
    Als zíj zwak was sprak deze luide,
    maar zacht wanneer zij woedend was.

Zij zijn bedachtzaam bij wat zij nastreven, en hebben subtiele strategieën om hun doelen te bereiken, zij zijn onnadrukkelijk beleefd als zij een wens naar voren brengen, hun geheime wensen houden zij stil en hun intiemste gedachten geven zij niet prijs. Op delicate wijze weten zij hun wensen op het juiste ogenblik ter sprake te brengen of er juist van af te leiden.
Bepaalde geschenken, betuigingen van trouw of vriendelijkheid waarderen zij, evenals correspondentie en geschenken die anderen gering achten. Zo schenken zij dikwijls een enkele citroen, of één appel, een heerlijke meloen, een delicate suikermeloen, een takje basilicum, een bosje narcissen, een kruik wijn, een stuk aloëhout, een flesje parfum, een kleine attentie of een aardigheidje. Dergelijke kleine, onbeduidende dingen, die voor nuchter denkende mensen geen waarde hebben, worden onder de verfijnden hoog geschat. Het zijn subtiele geschenken die men graag ontvangt, waar men blij mee is en die men origineel vindt. Het verlangen dat andere mensen hebben naar kostbare voorwerpen en vorstelijke geschenken, naar chique nouveautés en prestigieuze cadeaux is verfijnde mensen vreemd; zij stellen zich tevreden met elegante niemendalletjes of eenvoudige attenties.
Daartoe behoren ook hun voorkomende, attente brieven en de welgekozen bewoordingen waarmee zij trachten harten te winnen, feilen te verhullen, misstappen te corrigeren en ongelukjes weer goed te maken. Zij doen dit door draden te trekken uit de fijnste Chinese zijde, de mooiste halfzijde uit Nīsāpūr, stevig Egyptisch linnen, tākhtadj en stoffen uit Kūhistān. Dan dompelen zij de daarmee gevormde schrifttekens in goud, muskus, saffraan en viooltjesolie. Zij nemen de dunste zakdoeken en de allerbeste gordels en parfumeren die met muskus en geurig poeder en beschrijven ze met subtiele spreuken en curieuze uitspraken, doen er bij wijze van zegellak een parfummengsel op en stempelen daar nogmaals de verrukkelijkste woorden in.
De teksten zelf zijn in kunstzinnige schrijfstijl geschreven en bevatten excentrieke verwijten, fraai verwoorde verzoeken en dubbelzinnige hofmakerij, waarmee zij iemand die afstand had gezocht tot toenadering bewegen en ernstige conflicten van hun scherpe kanten weten te ontdoen.
Ik heb dit in een ander werk uitvoerig uiteengezet en verlucht met zeer bijzondere voorbeelden. Daar heb ik beschreven met wat voor brieven zij zich bij mensen toegang verschaffen en welke aparte schrijftaal en unieke bewoordingen zij in hun correspondentie gebruiken. Dat boek heb ik De verkwikking der ziel genoemd, en ik hoop dat het de lezer vreugde zal verschaffen. Ik hoef dit hoofdstuk dus niet te lang te maken en zal wat in dat boek staat hier niet herhalen.

Zie van al-Washshā’ ook: Eten en drinken, Beschaafde correspondentie

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 146–151. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 372–377.          Tag: al-Washsha

Diakritische Zeichen: ẓurafā’, ẓarīf, ʿUbayd, Yaḥyā, Aḥmad, al-Muʿaddal, Sahl ibn Naṣr, Isḥāq, Muḥammad, Saʿīd, ʿAbd al-Raḥmān al-Anṣārī, Ismāʿīl, ʿIkrima, al-Aḥwaṣ ibn Muḥammad al-Anṣārī, ʿUmar ibn abi Rabīʿa

Terug naar Inhoud

‘Tafel‘manieren in Bagdad, 900 na Chr.

Al-Washshāʾ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitāb al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de hogere standen in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafā’, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Deze verfijnde mensen zullen niet genoeg geld gehad hebben om de grand seigneur uit te hangen, anderzijds zal protserige rijkdom hun werkelijk weerzin hebben ingeboezemd. Een paar teksten over de manieren bij het eten en drinken geven een indruk. Het woord ‘tafelmanieren’ kan niet zonder aanhalingstekens worden gebruikt, want in die tijd at men niet aan tafels.

Hoofdstuk 29. De manieren van verfijnde lieden bij het eten, en waarmee zij zich van het gemene volk onderscheiden.
Onder verfijnde lieden is een hoofdregel bij het eten, kleine hapjes te nemen en zich niet gulzig en schrokkend op het voedsel te storten, of alleen de malse middenstukken en de lekkerste hapjes te eten. Zeen, spieren, aderen, nieren, pens, maag, milt en longen eten zij niet; evenmin gedroogd en gezouten vlees en geen pap van brood en vlees. Soepgroente wordt in de pan achtergelaten.
Zij slurpen niet wanneer zij soep eten, zitten niet achter de vette stukken aan en maken hun handen niet vet. Zij strooien niet met veel zout, dat geldt onder hen als weerzinwekkend, en ze nemen ook geen plens azijn. Op groenten zijn zij niet dol; met name de bloemschede van de palm wordt niet gegeten, omdat de geur daarvan doet denken aan afwaswater. Zij zuigen niet het merg uit de grote botten, maar hoogstens voorzichtig uit de fijne, kleine botjes. Botjes die moeilijk uit te zuigen zijn pakken ze vast met hun vingertoppen en werpen ze na afloop weg. De broden die voor hen liggen maken zij niet vet; ze reiken niet naar iets wat ver van hun plaats ligt, likken hun vingers niet af en stoppen hun mond niet zo vol dat de lippen er vet van worden of het vet over hun handen druipt. Zij schrokken niet en kauwen niet met beide wangen tegelijk. Ook nemen zij geen twee verschillende spijzen in de mond. Kruimels die zijn gevallen worden genegeerd.
Zij eten geen spijzen die lang hebben gestaan, of opgewarmde gerechten. Zij soppen het brood niet in de saus en een aangebeten stuk leggen zij niet weer neer. Zij eten volstrekt geen gezouten visjes of visgehakt, geen ansjovis of sprotjes, geen ingelegde vruchten of ingezouten groente. Zulke dingen te eten geldt bij hen als een schande. Alleen pretentieuze zangslavinnen en hofdames doen soms alsof het verfijnd is, ingezouten groente en gezouten voedsel te eten ten huize van hun minnaars of in de woningen van hun vaste vrienden. Maar hun enige bedoeling daarmee is een goedkope maaltijd te krijgen en weinig geld uit te geven.
Verfijnde lieden eten ook geen sprinkhanen en garnalen, omdat die het meest lijken op de meest afstotelijke delen van levende wezens. Zij eten geen peulvruchten, daar deze knorrende ingewanden en winderigheid veroorzaken. Per dag nemen zij niet meer dan één maaltijd tot zich. Op hun samenkomsten blijven zij veelal staan. Er wordt weinig gelachen en gesproken wanneer de onderleggers en lakens met de spijzen verschijnen. Men begeeft zich pas naar het kleed als het volledig uitgespreid en van alles voorzien is, en maakt geen aanstalten ernaar toe te lopen voordat alles gereed is. Als zij na het eten hun handen willen wassen verwijderen zij eerst het vuil en afval van hun handen en vragen dan pas om waswater. Zij wassen hun handen grondig, zodat er geen geur van vlees op achter blijft, en het afdrogen gebeurt al even zorgvuldig.
Het dessert van zuidvruchten zetten zij naast hun onderlegger en laten hun bedienden ervan proeven. Ze nemen er niet te veel van, en eten zeker niet alles op. Er wordt altijd iets overheen gestrooid, bij voorbeeld een beetje munt, maar andijvie en klaver worden gemeden omdat zij koud zijn, radijs en tuinkers omdat die stinken, prei en uien vanwege hun penetrante geur, en rupsklaver en honingklaver omdat die grof zijn, en ook omdat zij de tanden en het tandvlees groen kleuren en slechte adem veroorzaken. Knoflook wordt in geen enkel gerecht verwerkt, dat zou dadelijk geproefd worden, en ook uien zouden dadelijk opvallen.
Het woord ‘dragon’ nemen zij niet in de mond omdat het begin van het woord omineus is en afschuwelijk klinkt; men noemt het daarom liever ‘munt’. Sommigen spreken van ‘hongerlijderskruid’, anderen van ‘hartkamfer’, waarmee zij allen toch slangenkruid of dragon bedoelen. Van sla houden zij zich verre, omdat die blind maakt; komkommer eten zij niet omdat die koud is. Wortelen raken zij niet aan en keuren zij geen blik waardig, laat staan dat zij ze eten; hetzelfde geldt voor slangkomkommers en asperges. Met het oog op de pit wensen zij ook geen olijven te eten. Zomer- en wintervruchten met pit eten zij evenmin, zoals harde, droge dadels, onrijpe dadels, gespleten dadels, ja alle soorten droge of verse dadels; abrikozen, rode en gewone lotusvruchten, perziken, pruimen en mirabellen. In hun ogen is dat voedsel voor het gemene volk, niet voor de elite. Ook de granaatappel en de vijg verschijnen bij hen niet op de dis en staan laag aangeschreven, evenals de watermeloen, vooral als de granaatappel gebarsten is of de meloen gespleten.
Of een noot, amandel, vijg of banaan: niemand van hen biedt een ander slechts één roos, één lotusvrucht of één amandel aan. Dat zou buitengewoon ordinair zijn, met het oog op de symbolische betekenis ervan. Ook zal nooit een deftige dame tegen een andere zeggen: ‘Dit is jouw roos, of ‘jouw amandel’, ‘jouw lotusvrucht’, ‘jouw granaatappel’, of ‘jouw vijg’. Dat is onder hen een enormiteit die een huivering te weeg brengt, iets buitengewoon pijnlijks dat men tot het uiterste tracht te vermijden.
Evenmin zegt de ene dame tegen de andere: ‘Til je been eens op,’ of ‘Til de zoom van je jurk eens op,’ of zoiets als: ‘Ga erop zitten,’ ‘Stop hem erin,’ ‘Haal hem eruit,’ ‘Trek hem omhoog,’ ‘Laat hem maar komen,’ ‘Blaas hem op!,’ ‘Laat maar gaan!,’ ‘Haal hem eruit!,’ ‘Haal hem weg!’ of ‘Trek je terug,’ ‘Doe het!’ of ‘Je hebt het gedaan’. Deze en dergelijke uitdrukkingen, die veel gehoord worden in de omgangstaal van de lagere standen, vermijden zij; ze krijgen ze nauwelijks over hun lippen en in hun conversatie zijn zij volstrekt taboe. Als iemand zo’n uitdrukking toch gebruikt nemen zij het die persoon erg kwalijk en gaan hem zij voortaan uit de weg.

Hoofdstuk 30. De manieren van verfijnde lieden bij het drinken, die verstandige mensen zich graag eigen maken.
Verfijnde mensen en mannen van eer en beschaving drinken geen donkerrode wijn. Alleen de allerbeste wijnen zijn goed genoeg voor hen, zoals zonnewijn, rozijnenwijn, honingwijn, ingekookte, ingedikte en goed gemengde wijn. Wijnen die onzuiver zijn door bezinksel of troebelheid raken zij niet aan; zij drinken alleen de klaarste soorten. Wijn gemaakt uit dadelstroop achten zij beneden hun waardigheid. Dat is immers de drank van de gewone man en het straatvolk, het bocht van voerlui en voetknechten.
Bij het drinken eten zij geen minderwaardige dingen, zoals paardenbonen, eikels, geroosterde onrijpe dadels en zelfs geen dadels van eerste kwaliteit, geen gepofte tarwekorrels, geen rode lotusvruchtjes, kastanjes, johannesbrood en dergelijke hapjes meer. Nee, wat verfijnde mensen dikwijls gebruiken bij het drinken, en waar opscheppers zich lelijk mee kunnen vergissen, dat zijn gezouten hazelnoten, gepelde pistaches, naar aardolie geurend zout, Indische aloë, eetbare klei uit Khurāsān, zout uit Sanaa, kweeperen uit Balkh en appels uit Syrië. Bij het drinken gebruiken zij het edelste vaatwerk en het beste en helderste glas.

Zie van al-Washshāʾ ook: Baden e.a., Beschaafde correspondentie

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 129–132. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 370–372.          Tag: al-Washsha

Diakritische Zeichen: ẓurafāʾ, ẓarīf, Ṣanʿāʾ,

Terug naar Inhoud

Beschaafde correspondentie, 900 na Chr.

Al-Washshā’ (869-937) was huisleraar aan het hof van de kalief te Bagdad en had door zijn functie ruim gelegenheid, de zeden en gewoonten van de hogere standen te bestuderen. Zijn Kitab al-Muwashshā (De veelkleurige doek) is een handboek voor verfijnd gedrag. Het behandelt niet de goede manieren van de bovenlaag in het algemeen, maar die van een bepaalde groep, de zurafāʾ, wat het meervoud is van zarīf. Dit lastige Arabische woord is hier vertaald met ‘verfijnd’, maar er klinken noties in mee als ingetogen, beheerst, mannelijk, ridderlijk, elegant, precieus, dandyesk. Een apart hoofdstuk geeft enige proefjes uit beschaafde correspondentie, vooral tussen ambetenaren. Al-Washshā’ heeft daarover ook nog een apart boek geschreven, dat in handschrift is bewaard.
In hun brieven schrijven de ‘verfijnden’ elkaar graag op de jammertoon van in de steek gelaten geliefden. Waren zij allemaal homoseksueel? Vast niet; bovendien is de vraag waarschijnlijk zinloos voor een zo andere maatschappij dan de onze. Men cultiveerde denk ik innige contacten met mannelijke vrienden omdat een man niet bevriend kon zijn met een vrouw en bij haar zijn emoties niet kwijt kon. De gedachtenwereld van de hoofse liefde gold als voornaam.

Hoofdstuk 36. Keuze van zinsneden uit beschaafde correspondenties en van geestrijke verwijten, zoals verfijnde mensen die cultiveren
Al-Waddāh ibn Thābit de ambtenaar heeft mij verteld: Ik was bij een collega toen er een huisslavin binnenkwam, zo mooi als de maan, wiegelend van gang alsof ze een djinn was of een frisse twijg van een bān-boom. Toen zij voor ons stond sprak ze: Mijn meesteres laat u groeten en zegt: ‘Mijn vriend, je bent hard voor me geweest, hoewel ik dat niet verdiende, en je hebt je niet gehouden aan de regels voor verfijnd gedrag. Ik heb nog steeds vertrouwen in je vriendschap en hoop dat je me trouw blijft. Het vervullen van iemands hoop staat je beter dan zo gereserveerd te bijven.’
Hij antwoordde: Doe haar de groeten terug, en zeg: ‘Vriendin, je kunt van mijn genegenheid nog altijd zeker zijn. Ik hoop vele malen meer jou te zien dan jij mij. Wij missen je; schenk ons nu het geluk van je gezelschap.’
Ik vroeg hem naar die vrouw en hij zei: Dat is de slavin van de dichter Alī ibn Djahm.

Muhammad ibn Ibrāhīm al-Hamdānī heeft mij bericht: Een beschermeling van Muhammad ibn Abdallāh ibn Tāhir heeft gezegd: Ik heb eens een briefje gelezen van mijn meester aan een van zijn vrienden: ‘Amice, aanvankelijk had je je hand in genegenheid uitgestrekt, en wij waren er dankbaar voor. Vervolgens ben je enigszins onheus tegen ons geweest, en wij hebben het je vergeven. Maar nu past het je beter terug te keren naar loffelijke genegenheid dan te blijven bij afkeurenswaardige vervreemding.’

Een verfijnd man schreef eens aan een vriend van hem: ‘Moge God je met perfecte manieren versterken en doen afzien van onheusheid, en moge Hij het einde van je boosheid doen overgaan in het begin van je welgevallen.’

Een ontwikkeld man schreef aan een vriend om hem de onheusheid te verwijten die hij van hem had ondervonden: ‘Voor iemand die is doorkneed in schitterende wijsheidsspreuken en bezield is van de hoogste aspiraties, is het geen manier, afspraken met een vriend met weigerachtigheid te bejegenen. De plichten die op hem rusten verdwijnen niet vanzelf, noch ontslaan de wisselvalligheden van zijn lot hem van het nakomen ervan. Gegroet.’

Een ander schreef aan een vriend: ‘Eerst hebt ge ons onvoorwaardelijk gemocht; daarop hebt ge ons zonder reden lang gemeden. Uw aanvankelijke vriendschap had ons hoop gegeven; nu heeft het einde van uw trouw ons tot wanhoop gedreven. Geprezen zij Hij die, als Hij wilde, u een scherp inzicht in onze toestand zou verlenen, zonder de geringste twijfel. Dan zouden wij óf bij elkaar blijven, óf met ruzie uiteengaan. Gegroet.’

Sa‘īd ibn Humayd schreef aan een ambtenaar: ‘Ik heb gehoord dat het in uw gezelschap goed toeven is. Bij uw voortreffelijkheid is dat voor mij niet verrassend; van iemand zo loyaal als gij is dat niet vreemd. Nee, het is slechts een weinigje dat in verbinding staat met veel meer, een kleinigheid waarop iets groters volgt, totdat het alles is samengekomen in een hart waarin genegenheid jegens u woont, en in een nek die zich buigt in gehoorzaamheid aan u. Geen hunner wensen kan groter zijn, geen verlangen sterker dan dat ge lang in welzijn leven moge. Gegroet.’

Een ambtenaar schreef aan een vriend: ‘Zonder af te laten prijs ik jouw inzicht in de gevolgen van je handelen, dat ik even hoog acht als je trouw, zodat in mijn hart een genegenheid voor jou is gegroeid, die mij gehoorzaam maakt, en mij zeker maakt van jouw instemming wanneer ik verwijten tot je richt. In mijn overweldigende liefde wens ik niets anders dan de weg te vinden om jou tevreden te stellen. Mijn liefde voor jou maak ik slechts tot pleitbezorger tegen jou in de hoop dat zij jou bijstaat tegen mij. Hoe perfect heb je mij tot slaaf gemaakt, met je lofwaardige eigenschappen en het vooruitzicht op schitterend profijt! Daarom zeg ik:

  • Daar ik jou liefheb houdt een wachter mij in het oog,
    die mij altijd weer naar jou geleidt, of jij dat wilt of niet.
    Mijn liefde is niet op een onterechte plek
    mijn liefde is waar jij eens hebt bemind.
    Mijn tong is aan wat jij doet verpand,
    mijn mening vastgeketend aan wat jij wezenlijk vindt.
    Steeds ben je mij een hulp, met goede raad van een verwant,
    op de manier van mensen met verstand.

Al-Hasan ibn Wahb schreef aan de vizier Muhammad ibn ʿAbd al-Malik al-Zayyāt: ‘God verlene mij dat u leeft; mijn vreugde als ik u zie evenaart mijn verlangen naar u wanneer ik u niet zie; mijn denken aan u in uw afwezigheid weegt op tegen mijn genegenheid voor u als u aanwezig bent. Ik ben zuiver van reputatie, onbesmet en onveranderd. Vergun mij daarom van uw genegenheid een wolk vol regen, kostelijk om te drinken, en wees zoals ik, want bij God, nooit heb ik mij van u verwijderd tenzij om tot u terug te keren als uw onderdanige dienaar. Gegroet.’
Muḥammad schreef terug: ‘Mijn vriend, nog steeds koester ik genegenheid voor u, en ik heb mijn vriendschap niet laten varen. Ik heb mijn ziel noch tot terughouding aangespoord, noch van haar meer genegenheid jegens u willen vergen. Uw persoon staat mij bestendig voor ogen; slechts zelden is mijn hart vrij van gedachten aan u. Hoe voortreffelijk heeft de dichter gezegd:

  • Bij God die, zo Hij gewild had, geen afstand had geschapen:
    als jij uit mijn oog bent ben je niet uit mijn hart!
    Het verlangen maakt mij jou indachtig; het lijkt alsof ik
    met je spreek onder vier ogen, al ben je ver van mij.’

Een ambtenaar schreef aan een vriend van hem, die zich afwijzend had betoond: ‘Mijn heer, u had mij onderworpenheid opgelegd, mij van de sluimer beroofd en in mijn borst een vuur doen ontvlammen. Maar vervolgens hebt u mij verlaten en mij in de armen van de vijand gedreven, verstoken van iedere troost. U hebt mij uit de hemel laten vallen, alsof ik iemand ben die in de liefde ontrouw is geworden, die een verbond verbroken heeft of zijn woord niet heeft gehouden, die zich heeft afgewend, een eed heeft geschonden, ondankbaar is geweest voor een weldaad of een vroeger gunstbewijs gering heeft geacht. Mijn heer, hoewel mijn ziel zich altijd bezorgd om u heeft betoond en mijn oog zich geen slaap heeft gegund, hebt u de loffelijke trouw laten varen en hebt u, zonder verwijtbaar gedrag mijnerzijds dat een bestraffing had verdiend, zonder aanleiding van gekwetste genegenheid, zich verwijderd van uw dienaar, die onrecht is aangedaan, maar die geacht wordt door eigen schuld ten val te komen, aan zijn eigen zonde te gronde te gaan, wiens overtreding op hem zelf terugvalt en wiens misstappen hem blijven aankleven.
Mijn heer, een geringe onheusheid uwerzijds en uw afgewende blik hebben mij gestort in zeeën van smart, waarin men door liefdesverlangen en kommer verdrinkt. Ik wend mij tot u met een tong die buiten staat is te spreken, ik schrijf u met een hand die geen pen meer kan voeren, ik fluister u toe met een respectvol hart, u voor mij ziende ook al bent u er niet, als een waanzinnig verliefde, als het slachtoffer van zijn eigen hardnekkigheid, met als enige bondgenoot zijn radeloosheid.
Mijn heer, iedere kwelling, iedere nieuwe pijn of lang vertrouwd wegkwijnen komt voort uit liefde voor u. U te blijven beminnen is een lichte taak. Maar de weg tot de vreugde is moeizaam en de paden naar heilzame zielenrust zijn schier onbegaanbaar. Overweldigend is de dorst en ver de waterplaats; vertroosting is er nauwelijks, dit uit te houden is onmogelijk. Vaste besluiten zijn ingezakt, inzichten ijdel gebleken. Duurzaam is slechts de liefde, die het ingewand van uw dienaar beheerst. Aan u ontkomen kan hij niet, van u wegvluchten is onmogelijk, ongeacht uw toorn of welgevallen. Mijn heer, de hervatting van loffelijk gedrag is eerder een nieuwe genade dan een terugkeer naar de oude. Lankmoedig herstel van het contact is voor een meester passender dan een volgehouden vervreemding, die afbreuk doet aan zijn intentie en niet strookt met zijn karakter. Mijn voorspraak bij u, waarvan ik resultaat verhoop, is mijn nederigheid. Dat ik bescherming zoek bij u, gehoorzaam voor u neerzink en deemoedig en verward bekennend voor u sta, dat is mijn beste pleitbezorger, en wat u van mijn zaak ook denkt, u bent de edelmoedigste meester. Hij verwacht op dit schrijven een geruststellend antwoord, dat hem opnieuw in uw gunst zal brengen. Vervul zijn vurige hoop, bewijs eer aan zijn geschenk, houd hem in leven, zie af van uw hardvochtigheid en geef hem voor altijd zijn geluk terug. Gegroet!’

Zie van al-Washshā’ ook: Eten en drinkenBaden e.a..

Bron: Abû ’ṭ-Ṭayyib Muḥammed ibn Isḥāq al-Waššā, Kitāb al-Muwaššā, uitg. Rudolph Brünnow, Leiden 1886, 151–154. De vertaling was gepubliceerd in De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002, 377–380. Secundair: Wim Raven, art. al-Washshāʾ in EI2.         Tag: al-Washsha

Diacritische tekens: ẓurafāʾ, ẓarīf, al-Waḍḍāḥ, Muḥammad ibn ʿAbdallāh ibn Ṭāhir, Saʿīd ibn Ḥumayd, al-Ḥasan ibn Wahb, Muḥammad ibn ʿAbd al-Malik

Terug naar Inhoud