Oude artikelen, actueel of uit de diepte opgedolven

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen (bespreking)   Een Libische roman, die speelt in of om de Wadi Mathendous. ‘Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien!’

Waguih Ghali,  Bier in de snookerclub (bespreking)   ‘Ghali werd altijd woedend als hij een schrijver genoemd werd, maar hij was het wél.’

De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Terug naar De vermeende ziekte van Mohammed – 1

Werd Mohammed eeuwenlang geacht aan epilepsie geleden te hebben, in de nieuwere tijd werd deze diagnose niet meer gehoord. Maar in de ogen van sommige Europeanen was de profeet toch wel degelijk ziek geweest. Ik wil hier drie personen behandelen die erin slaagden, bij de profeet postuum een ziekte te ontdekken die al zijn onaangename eigenschappen kon verklaren: Sprenger, Somers en Geus.
.
Aloys Sprenger (1813–1893)
Mohammed leed aan een ziekte die meestal bij vrouwen en zelden bij mannen voorkomt: hysteria muscularis. Met het gezag van een arts in een witte jas sprak Aloys Sprenger in 1861 deze diagnose uit. Hij heeft er een half hoofdstuk aan gewijd in zijn biografie van de profeet (Sprenger 207ff.).
De Tiroler Sprenger had inderdaad medicijnen gestudeerd en zijn studie afgerond met een promotie, maar als arts gepraktiseerd heeft hij nooit. Hij was voor alles een all-round oriëntalist en had er alleen medicijnen bij gedaan omdat hij bang was in de oriëntalistiek geen betrekking te zullen vinden. In Oostenrijk had hij al twee maal een pijnlijke teleurstelling moeten ondervinden1 en hij kreeg zelfs niet eens een Oostenrijkse pas. Maar in Engeland had hij meer geluk: daar leerde hij een edelman kennen die hem op zijn waarde schatte en verder hielp. In het uitdijende imperium kon men wel een oriëntalist gebruiken. Hij verwierf de Britse nationaliteit en bij de nauw met de regering verbonden Asiatic Society kreeg hij een hoge positie die hem naar Brits-Indië voerde. Daar bekommerde hij zich om hoger onderwijs voor Indiërs in het Hindi, en om bibliotheken, catalogi, uitgeverijen en tijdschriften in diverse Indische talen, alsmede Arabisch en Perzisch. Hij had toegang tot zeer vele oude Arabische handschriften, waarvan hij er ettelijke kocht en las; daarin was hij zijn Europese collega’s ver vooruit. Na veertien jaar India reisde hij nog rond door het Nabije Oosten, werd hoogleraar in Bern en vestigde zich tenslotte in Duitsland. Zijn kostbare boekenschat verkocht hij aan de koninklijke bibliotheek in Berlijn.
Voor Sprenger was de omgang met moslims iets vanzelfsprekends; hij had vrienden onder hen en werd door hen geaccepteerd en gerespecteerd. Dat nam niet weg dat hij Mohammed voor een geestelijk gestoorde bedrieger hield—maar dat waren andere profeten in zijn ogen net zo goed: ‘In alle gevallen die wij kennen waren de profeten óf geestelijk en lichamelijk zieke mensen, óf halfmythische personen.’2
.
Hoe zag die hysterie van de profeet eruit, volgens Sprenger? Zij trad als gewoonlijk op in paroxysmen (aanvallen). Als de aanval licht was manifesteerde zij zich in het op en neer gaan tussen expansie en contractie van de spieren, dat voor deze aandoening karakteristiek is. Zijn lippen en tong trilden, alsof hij iets wilde oplikken; de ogen draaiden enige tijd weg en het hoofd bewoog zich automatisch. Bij lichte aanvallen was de wil sterk genoeg is om deze stuiptrekkende bewegingen de baas te blijven, zoals wij ook bij kou het bibberen van onze ledematen door onze wil onder controle houden, maar bij heftigere aanvallen waren ze niet meer met de wil te beheersen. Tegelijk leed hij ook aan hoofdpijn (hysteria cephalica) en als de aanvallen zeer hevig waren trad er catalepsie op, een verstijving van de spieren: hij viel als dronken op de grond als, zijn gezicht werd rood, de adem zwaar en hij snurkte als een kameel. Hij schijnt echter niet het bewustzijn te hebben verloren, waardoor deze aanvallen zich onderscheiden van epilepsie.
Een bekende eigenschap van hysterie is, aldus de dokter, dat zij de verschijningsvorm van andere ziekten kan aannemen. Er is nauwelijks een aandoening waaraan de lijders niet een tijdlang onderworpen zijn: longontsteking, carditis, een verstikkende asthma, het kan van alles zijn. Omstanders zijn ontzet, maar het is maar een onbetekenende hysterie die ook snel weer verdwijnt. Bij Mohammed nam de hysterie vooral de vorm van koorts aan en het was aan de zweetdruppels in zijn gezicht te zien als de crisis was ingetreden.
.
Sprenger schildert dit alles wat uitvoeriger dan ik nu doe en hij doet dat zeer levendig, zodat het leest alsof hij de patiënt Mohammed van nabij en gedurende langere tijd heeft meegemaakt. Dat was echter in het geheel niet het geval; de profeet was immers al vele eeuwen dood. Bovendien bestaat naar huidige inzichten de diagnose hysterie helemaal niet; de verschijnselen die eronder begrepen waren worden tegenwoordig anders verklaard en eventueel bij andere ziektes ondergebracht.
.
Maar ik heb de geleerde onderbroken, hij was nog lang niet klaar. Jonge vrouwen, zo zegt hij, zijn gewoonlijk romantisch en religieus dweepziek; als zij de kritische leeftijd naderen worden zij niet zelden beheerst door nymfomanie. Welnu, dergelijke verschijnselen hebben ook de ziekte van Mohammed begeleid. In zijn jeugd schijnt hij een zedig leven te hebben geleid, ‘al is hij niet vrij van de verdenking, zich te hebben overgegeven aan de naar Genesis 38:9 genoemde zonde’ — de profeet als onanist, toe maar!  (Sprenger 209) Lange tijd had hij genoeg aan één vrouw, die bovendien vijftien jaar ouder was dan hij zelf. Na haar dood had hij een onverzadelijke Hang zur Wollust, een sterke sex drive zouden we tegenwoordig zeggen, en dat was een symptoom van zijn ziekte. Hij had na de dood van Khadidja meer dan een dozijn vrouwen en als hij een paar dagen van huis ging moesten er een of twee mee. Bovendien leed hij aan impotent satyriasme. Satyriasme of satyriasis is het mannelijke tegenstuk van nymfomanie en heet tegenwoordig hyperseksualiteit. Hoe die impotentie daarbij past was me eerst niet duidelijk. Maar wacht, impotent moest de profeet op latere leeftijd zijn omdat hij bij zoveel vrouwen slechts zo weinig kinderen had.
‘Voor ons doel,’ zo vervolgt Sprenger, ‘zijn vooral de psychische symptomen belangrijk.’ Wat was zijn doel? Blijkbaar wilde hij aantonen dat de profeet een geestelijk gestoorde leugenaar was en dat zijn verhalen over openbaringen verzonnen zijn. Want ‘hysterici hebben allen min of meer aanleg tot leugen en bedrog, en deze neiging wordt op den duur tenslotte tot een echte ziekte.’ Ook de hallucinaties, visioenen en wakende dromen vallen hieronder, en die moet Mohammed volgens Sprenger gehad hebben, omdat hij bij voortduring meende openbaringen te ontvangen. (Sprenger 210)
Zware zenuwziekten en koorts worden vrijwel altijd begeleid door deliria, d.w.z. hallucinaties. De oorzaken (sic!) van de ‘voor ons doel’ interessante visioenen zijn echter eenzaamheid, honger en dorst en religieuze dweepzucht. In de leegte van de woestijn lijkt het vaak alsof je stemmen hoort, of dat er iemand bij je is. Dat laatste kan ik uit persoonlijke ervaring bevestigen; maar waarom dan nog die hysterie? Blijkbaar bedoelt Sprenger dat Mohammed door die hysterische aanleg zijn woestijnbelevenissen tot een pakket van leugens over een engel en een openbaring heeft verdicht.
.
Eerlijk gezegd begrijp ik het betoog niet helemaal, maar ik heb dan ook geen medicijnen gestudeerd. Overduidelijk is echter, dat zo alle traditionele bezwaren tegen de profeet mooi samenkomen onder de overkoepelende diagnose ‘hysterie’: de aanvallen, de hallucinaties, de leugenachtigheid, de bezetenheid van seks en tegelijk de impotentie van de profeet. Epilepsie was het niet, dat zag Sprenger, maar voor het overige bleef hij hangen in de eeuwenoude groef. En dat hoewel hij toegang had tot meer oude Arabische bronnen dan al zijn tijdgenoten. Hij heeft bij voorbeeld álle berichten verzameld die hij kon vinden over de lichamelijke verschijnselen die bij de profeet optraden als hij een openbaring kreeg, en die beslaan tien bladzijden (Sprenger 265–75). Jammer alleen dat hij ze voor ooggetuigenverslagen hield—maar daarover moet men hem niet al te hard vallen. De literatuurwetenschap stond nog in de kinderschoenen, en in de negentiende eeuw meende men nu eenmaal dat zulke berichten weergaven ‘wie es wirklich gewesen’—behalve dan de gedeeltes over wonderen en bovennatuurlijke zaken, zoals over een bezoekende engel die openbaringen bracht, die natuurlijk niet waar kónden zijn.
.
Sprenger ontkracht zichzelf postuum door de overweldigende negentiende-eeuwsheid die zijn betoog ademt en die tot spontaan lachen noodt: zijn gewichtigdoenerij, de nep-diagnose ‘hysterie’, de schrik voor seksualiteit (waarover hij bij voorkeur in het Latijn schrijft), de totale blindheid voor geestelijke ervaringen die ook gezonde, doodnormale mensen kunnen hebben en last, but not least: het onbegrip waarmee hij oude teksten leest. Een deel van deze trekken heeft hij gemeen met zijn collega’s uit de late twintigste eeuw; die wil ik nu eerst introduceren alvorens te analyseren waar het met dit soort diagnoses in het algemeen fout gaat.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Zijn poging in de Orientalische Akademie opgenomen te worden mislukte, omdat hij niet van adel was en volgens de statuten alleen mannen van adel lid konden worden. (Von Wurzbach, 259)
2. ‘In allen Fällen, die wir kennen, waren die Propheten entweder geistig und körperlich kranke Leute, wie Mohammed, oder halbmythische Personen.’ (Sprenger 25)

BIBLIOGRAFIE
– Aloys Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moammad, nach bisher grösstentheils unbenutzten Quellen, 4 dln., Berlin 1861, reprint Hildesheim 2003.
– Constantin von Wurzbach: Sprenger, Alois. In: Biographisches Lexikon des Kaiserthums Österreich, dl. 36, Wenen 1878, blz. 258–263 (online hier).
– S. Procházka: Sprenger Aloys. In: Österreichisches Biographisches Lexikon 1815–1950, dl. 13, Wien 2007–2010.

Terug naar Inhoud

Ongewenste burgers

Algemeen bekend is dat de Joden in Duitsland in de dertiger jaren van hun rechten beroofd werden en een vette J in hun pas gestempeld kregen. Ze waren ineens geen Duitsers meer, zelfs als ze in de Eerste Wereldoorlog een lintje hadden gekregen. Waar dat toe leidde is ook bekend. Nie wieder! riep iedereen na afloop, maar blijkbaar was het pas een begin.
.
In Groot-Brittannië waren er onlangs aanzetten tot een dergelijke handelwijze. Britse onderdanen afkomstig uit West-Indië, indertijd als arbeidskrachten gehaald, werden ineens van hun baan, woning en zorgverzekering beroofd, gevangengezet, bedreigd, en een aantal van hen werd het land uitgezet. Dat was Theresa May’s ‘hostile environment policy’. Illegalen wegpesten, illegalen die geen speciale verblijfsvergunning hadden, omdat ze eerst gewoon legaal waren geweest. Onder Johnson zal dit zeker nog veelvuldiger gebeuren.
.
In Nederland wordt in sommige kringen ook hardop gedacht over dit soort regels. Er zijn incidentele wreedheden bij uitzettingen, ook jegens kinderen. De toeslagenaffaire bij de belastingen had systeem; die raakte erkende burgers.
.
In China zijn er al een miljoen islamitische inwoners van Xinjiang verdwenen in ‘heropvoedingskampen’, zeg maar concentratiekampen. Als (als!) mensen daaruit terugkomen zijn ze vaak geheel gebroken. Er zijn in Xinjiang nog tien miljoen Oeigoeren te gaan, en in de rest van China nog talloze andere moslims.
.
In Myanmar is er een miljoen Rohingya gepest, verkracht, uit hun huizen gezet en domweg over de grens gejaagd, omdat zij een andere taal en een andere godsdienst hebben dan de meerderheid. In het arme, toch al propvolle Bangladesh proberen die nu te overleven in vluchtelingenkampen.
.
In het Indiase Assam zijn er bij wijze van proefballonnetje twee miljoen moslims van hun burgerrechten beroofd, nadat eerst al het islamitische deel van Kashmir te grazen was genomen. Ze waren arm en analfabeet en hadden, zoals veel Indiërs, geen papieren. Nu worden ze geacht niet meer te bestaan en worden ze voortaan niet meer tot de Indiërs gerekend. Aan interneringskampen wordt gebouwd.
Als het aan Modi en zijn soortgenoten ligt worden álle moslims in India tot tweederangsburger verklaard. Al in de dertiger en veertiger jaren vonden extreme Hindoes de manier waarop Nazi’s met de Joden omsprongen inspirerend.
India heeft een stuk of 180.000.000 moslim-inwoners. U leest het goed: honderdtachtig miljoen. Als het zo doorgaat zal India nog decennia bezig zijn hen te ontrechten, te interneren (maar dat is duur), te verjagen (maar waarheen?)—of worden ze gewoon vergast? De media interesseert dit blijkbaar niet zo; bovendien, hoeveel Europeanen zijn er niet die graag hetzelfde zouden doen met die schamele zestien miljoen moslims in de EU? Vermoedelijk schrikt de buitenwereld pas wakker als Modi de Taj Mahal laat slopen of tot een heilige koeienstal ombouwt.
Nu moet gezegd worden dat er in India ook veel weerstand tegen Modi’s plannen bestaat. Maar als eenmaal de verkeerde vent is gekozen is het heel moeilijk hem nog kwijt te raken; dat zien we ook bij ons in de buurt.

De vermeende ziekte van Mohammed – 1

De profeet Mohammed moet een robuuste gezondheid hebben gehad. Hij heeft immers een gemeenschap gesticht, een boodschap verbreid, tegenwerking verdragen, krijgstochten geleid, een staat ingericht en nog zowat meer. Een ziekelijke man speelt dat niet klaar. Geen van de talrijke oude Arabische teksten over Mohammed deelt iets mee over een ernstige ziekte van hem, of over zijn gezondheidstoestand überhaupt—met uitzondering van de verhalen over zijn sterfbed.

In Europa daarentegen ‘wist’ men altijd al, dat de profeet zijn leven lang zwaar en chronisch ziek was. Volgens de kerkvader Theophanes Confessor (Constantinopel 760–Samothrace 818) leed hij namelijk aan epilepsie, en dat fake news werd in Europa, in de Latijnse vertaling van Anastasius Bibliothecarius (± 810–878), eeuwenlang verbreid: een roemloos hoofdstuk in de betrekkingen tussen Europa en het Nabije Oosten. In de achttiende en vooral de negentiende eeuw werden er steeds meer oude Arabische teksten bekend in Europa. Er stonden oriëntalisten op die ze vlijtig bestudeerden en inzagen dat dat met die epilepsie niet kon kloppen, of die er helemaal niet meer aan dachten. Aloys Sprenger, een oriëntalist die ook medicijnen had gestudeerd, meende nog in 1861 dat Mohammed weliswaar geen epilepticus was, maar wel ziek: hij leed namelijk aan hysterie, een typisch negentiende-eeuwse aandoening. Daarna vernam men nauwelijks nog iets over een ziekte, maar onlangs is het idee dat Mohammed ziek was weer van zolder gehaald. Ditmaal niet in kerkelijke of oriëntalistische kringen, maar bij islamhaters, die een keuze uit koranverzen en vertaalde oude bronteksten in stelling brengen—zonder echter in staat of bereid te zijn die te begrijpen. Het geloof aan Mohammeds epilepsie schijnt nu wel voorgoed uit de mode te zijn. Eén auteur houdt het voor bewezen dat hij aan acromegalie leed, en bij een andere is de diagnose schizofrenie. Om het even welke ziekte aan de profeet wordt toegeschreven, zij moet altijd ook zijn vermeende geestelijke gestoordheid en bezetenheid van seks verklaren, want daaraan zijn Europese islamhaters vanouds zeer gehecht.
.
Laten we bij Theophanes beginnen. Deze kende blijkbaar een versie van het verhaal over de eerste openbaring op de berg Hirā, waarin de profeet na de eerste schrik bescherming en troost zoekt bij zijn vrouw Khadīdja.2 Hij schrijft:

  • Omdat hij arm was en wees kwam de voornoemde Mouamed op het idee, in dienst te treden van een rijke vrouw, die Khadiga heette en een familielid van hem was, om met kameelkaravanen in Egypte en Palestina handel te drijven. Geleidelijk verstoutte hij zich, zich op te dringen aan die vrouw, die weduwe was; hij nam haar tot echtgenote en verwierf zo haar kamelen en haar vermogen. Telkens als hij naar Palestina kwam verkeerde hij met Joden en Christenen en ging bij hen bepaalde zaken na aangaande de Schriften. Hij leed aan epilepsie. Toen zijn vrouw dat merkte werd zij zeer bedroefd, omdat zij als voorname vrouw een man als hij getrouwd had, die niet alleen arm, maar ook epilepticus was. Hij probeerde haar op leugenachtige manier te kalmeren door te zeggen: ‘Ik zie steeds de verschijning van een engel genaamd Gabriël, en omdat ik zijn aanblik niet kan uithouden verlies ik het bewustzijn (?) en val ik neer.’3

De profeet was dus volgens Theophanes niet alleen ziek, maar ook een bedrieger: de hele openbaring was bedrog. Maar past het juist niet uitstekend in een verhaal over een roepingsvisioen of een openbaringservaring, dat een profeet zich uit eerbied en schrik ter aarde werpt? In het Oude Testament gebeurt dat, als een profeet met het goddelijke geconfronteerd wordt, bijv. Ezechiël 1:28, 3:23 e.a. De Hebreeuwse uitdrukking is nafal al panaw, נפל על פניו , die in de Statenvertaling vertaald wordt met ‘op zijn aangezicht vallen’, in de Nieuwe Bijbelvertaling met ‘zich voorover op de grond werpen’. Theophanes, die de Bijbel in het Grieks las, moet dit bijbelse πίπτω ἐπὶ πρόσωπόν μου onder ogen gekregen hebben, maar hij bracht het niet in verband met het ‘vallen’ van Mohammed, waarmee in de verhalen die hij had gehoord vast hetzelfde was bedoeld. Had hij dat gekund, dan had hij zich moeten afvragen of de bijbelse profeet Ezechiël misschien ook epilepticus geweest was. Maar nee, op zo’n idee kon en mocht in zijn tijd geen Christen komen. De bijbelse verhalen waren immers volledig waar en gaven feitelijke gebeurtenissen weer, terwijl ze helemaal niets gemeen konden hebben met de verhalen over Mohammed.

Door de hele Middeleeuwen en nog daarna sprak men telkens weer over die epilepsie. Over de gestoorde relatie tussen de westelijke christenheid en de wereld van de islam kunt U bij →Daniel lezen; voor de latere tijd ook bij →Tolan. Ik citeer als voorbeeld alleen nog een fragment uit een werkje van Riccoldo da Montecroce O.P. (gest. 1320), een christelijke missionaris in Irak: Confutatio Alcorani seu legis Saracenorum. Deze tekst was wijd verbreid en had voor Martin Luther ruim twee eeuwen later nog niet aan actualiteit ingeboet, want zijn Verlegung des Alcoran is er een vertaling van.

… trad een zekere Mohametus op, een Arabier, die eerst rijk geworden was door een weduwe, die hij huwde. Toen hij daarna roverhoofdman was geworden werd hij zo onbeschaamd hoogmoedig, dat hij ook koning van de Arabieren wilde worden. Maar zij accepteerden hem niet, omdat hij gering van afkomst en aanzien was en daarom deed hij zich voor als profeet. En omdat hij aan de vallende ziekte leed en telkens viel zei hij dat er een engel met hem sprak, opdat niemand in ernst zou geloven dat hij gebrekkig was. Daarop gaf hij verscheidene weerleggingen van zich die hij, naar hij zei, hoorde als een klok die rondom zijn oren weergalmde.4

Hier klinkt niet alleen de echo van een vertelling over de eerste openbaring aan Mohammed, maar ook die van een hadith:

Al-Hārith ibn Hishām vroeg aan de profeet: ‘Hoe de komt de openbaring tot U?’ Hij antwoordde: ‘Soms komt zij tot mij als het luiden van een klok; dat is het zwaarst voor mij, en als dat ophoudt onthoud ik haar. En soms komt er een engel in de gedaante van een man en ik onthoud wat hij zegt.’5

Er zijn inderdaad verscheidene hadithen, waarin wordt beschreven hoe de openbaringen aan Mohammed verliepen. Misschien geloven moslims, dat deze hadithen een werkelijke gang van zaken weergeven, maar niet-moslims hoeven dat niet te doen. Zelf houd ik ze voor vrome fantasie.
.
Hoe de ziekte van Mohammed zich in de nieuwere tijd heeft ontwikkeld volgt in deel 2.

NOTEN
1. Volgens de oudste bronnen (bijv. Ibn Isḥāq, Sīra 999–1011) begon zijn sterfbed met zware hoofdpijn. Had hij een hersenbloeding, een hersentumor, een meningitis of was de hoofdpijn secundair, veroorzaakt door een andere ziekte? We weten het niet en speculeren is volkomen zinloos: de bronnen spreken slechts van hoofdpijn. Een tekst deelt mee dat de profeet weigerde, zich een (tover?)drank uit Ethiopië te laten toedienen. Op een andere plaats vernemen we dat hij een verband om zijn hoofd droeg en te zwak geworden om het gebed te leiden. Bij iemand die bijna dood is, is dat niet verbazend. Over de dood van profeet zie hier.
2. Ibn Ishāq, Sīra 151–4.
3. Theophanes, Chronographia 1, 333-4: ἀπόρου δὲ καὶ ὀρφανοῦ ὄντος τοῦ προειρημένου Μουάμεδ, ἐδοξεν αὐτῷ εἰσιέναι πρός τινα γυναῖκα πλουσίαν, συγγενῆ αὐτοῦ οὖσαν, ὀνόματι Χαδίγαν, μίσθιον ἐπὶ τῷ καμηλεύειν καὶ πραγματεύεσθαι ἐν Αἰγύπτῳ καὶ Παλαιστίνη. κατ’ ὀλιγον δὲ παρρησιασάμενος ὑπεισῆλθε τῇ γυναικὶ χήρα οὖσῃ, καὶ ἔλαβεν αὐτὴν γυναῖκα καὶ ἔσχε τὰς καμήλους αὐτῆς καὶ τὴν ὓπαρξιν. ἐρχόμενος δὲ ἐν Παλαιστίνῃ συνανεστρέφετο Ἰουδαίοις τε καὶ Χριστιανοῖς. ἐθηρᾶτο δὲ παρ’ αὐτῶν τινὰ γραφικά, καὶ ἔσχε τὸ πάθος τῆς ἐπιληψίας. καὶ νοήσασαι ἡ τούτου γυνὴ σφόδρα ἐλυπεῖτο, ὡς εὐγενὴς οὖσα καὶ τῷ τοιούτῳ συναφθεῖσα οὐ μόνον ἀπόρῳ ὄντι, ἀλλὰ καὶ ἐπιληπτικῷ. τροποῦται δὲ αὐτὸς θεραπεῦσαι αὐτὴν οὓτω λέγων, ὃτι ὀπτασίαν τινὰ αγγέλου λεγομένου Γαβριὴλ θεωρῶ, καὶ μὴ ὑποφέρων τὴν τούτου θέαν ὀλιγωρῶ καὶ πίπτω. (@Wat ὀλιγωρῶ hier betekent is me onduidelijk; ik moet het in de UB in een speciaal woordenboek naslaan.)
4. […] apparuit quidam Mahometus arabs, qui primum diues factus per quandam viduam, quam in uxorem duxit, Et post haec princeps latronum factus in tantam prorupit superbiam, ut et rex Arabum fieri voluerit. Sed quia ipsi non susceperunt eum, quia de genere et opinione vilis erat, finxit se esse prophetam. Et cum comitiali morbo laboraret, ne firmiter quis eo detentus esse crederet, continue cadens, dicebat angelum cum eo colloqui. Dabat autem post haec responsiones quasdam, quas, ut dixit, audiebat quasi per modum campanæ circumsonantis auribus eius. Riccoldo, Confutatio, bronverwijzing volgt@; Luther, Verlegung hst. 13. Wie Luthers vertaling van dit fragment wil zien vindt het in de Duitse versie van mijn tekst.
5. Muslim, Sahīh, Fadā’il 87: أن الحارث بن هشام سأل النبي ص: كيف يأتيك الوحي؟ فقال: أحيانًا يأتيني في مثل صلصلة الجرس وهو أشدُّه عليه ثم يفصِم عنّي وقد وعيته، وأحيانًا ملَك في مثل صورة الرجل فأعي ما يقول.
Ook Ezechiël (1:28) zegt bij zijn roeping een hard geluid gehoord te hebben: ‘Toen hoorde ik het geluid van hun vleugels. Het klonk als het gebulder van de zee, als de stem van de Ontzagwekkende, als het rumoer van een mensenmassa, als een dreunend leger.’

BIBLIOGRAFIE
– Norman Daniel, Islam and the West, Oxford 1960, 1993.
– Ibn Isḥāq, Sīra: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60.
– Martin Luther: Verlegung | des Alcoran | Bruder Richardi | Pre-|diger Ordens | An-|no. 1300 | Verdeudscht durch | D. Mar. Lu., Wittemberg 1542, Kap. 13. Het is veelvuldig aanwezig in het internet; gewoon googelen. Het is altijd leuk, zo’n heel oud boekje onder ogen te krijgen, al is het maar online.
– Theophanes: Theophanis Chronographia, uitg. Carl de Boor. 1. Textum Graecum continens, Leipzig 1883, reprint Hildesheim 1980.
– Theophanes: The chronicle of Theophanes Confessor. Byzantine and Near Eastern history A.D. 284–813, transl. with introd. and commt. by Cyril Mango and Roger Scott, with the assistance of Geoffrey Greatrex, Oxford 1997, reprint 2006.
– John V. Tolan, Faces of Muhammad. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Diacritische tekens: Ḥirāʾ, Ṣaḥīḥ, Faḍā’il, Ḥārith 

Terug naar Inhoud

De biografie van de profeet Mohammed: de oudste bronnen

Omdat de sīra niet alleen de biografie van de profeet behelst, maar eigenlijk een hele tak van literatuur is, is het weinig zinvol altijd alleen maar het beroemde boek van Ibn Ishāq (gest. 767) in de bewerking van Ibn Hishām (gest. ± 828) te lezen. De teksten van ‘Urwa ibn al-Zubayr bij voorbeeld zijn ouder en minstens zo interessant.
Hier volgt een overzicht van de vroegste Arabische teksten in het genre sīra. Daarvan zijn er steeds meer in vertaling verkrijgbaar. Zelf vind ik de latere sīra-boeken niet zo interessant, hoewel men er telkens weer op wijst, dat late boeken vroege teksten kunnen bevatten. Dat kan, maar er is eerst nog een heleboel te lezen waarvan in ieder geval vaststaat dat het oud is.

De Vertellers, Qissa: hier kort behandeld. Belangrijk is Wahb ibn Munabbih. Deze noem ik slechts volledigheidshalve; hierin gaat U zich zeker niet het eerst verdiepen.


Sīra-collecties

De volgende werken zijn in vertaling te lezen:

‘Urwa ibn al-Zubayr (gest. 711). Zeer oude berichten over de profeet, in het Duits vertaald: A. Görke en G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. 

Ibn Ishāq (gest. 767), Engelse vertaling: Alfred Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Ibn Ishāq’s Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955, Karachi 1978; Nederlandse vertaling van een keuze uit de teksten: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed. De vroegste Arabische verhalen, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.   

– Ma‘mar ibn Rāshid (gest. 770). Even oud als Ibn Ishāq, maar weer eens een ander geluid. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.

– Al-Wāqidī (gest. 822), vert. Rizwi Faizer en Abdulkader Tayob, The Life of Muhammad, al-Wāqidī’s Kitāb al-Maghāzī, New York 2011.

– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr deel 1 en 2, vert. S. Moinul Haq, Pakistan Historical Society 1967 en 1972 (Er bestaan reprints van).

Voor de latere sīra-werken →Kister, Sīrah, 366–7 en →Schöller, Exegetisches Denken, 64–70.

Wie het echt niet kan laten, kan Ibn Kathīr (± 1300–1373) in vertaling lezen: The Life of the Prophet Muhammad, 4 vols., vert. Trevor Le Gassick, Reading 1998–2000.


– Hadithcollecties.

Verscheidene collecties hebben een maghāzī-rubriek, d.w.z. een hoofdstuk over de krijgstochten van de profeet, maar ook over de biografie in het algemeen; zo bij voorbeeld de collecties van →Ibn Abī Shayba (Musannaf, xiv, 283-601) en →al-Bukhārī (Sahīh, Maghāzī). De hierboven genoemde Ma‘mar ibn Rāshid biedt ook hadithen, maar  zijn collectie vormt een apart tekstblok met een zekere mate van compositie, wat in de ander collecties niet het geval is; daarom heb ik hem bij de sīra-werken opgenomen. Verder komen sīra-fragmenten overal verspreid in hadithcollecties voor. Veel verhalen die in de vroegste bronnen geen of slechts een gebrekkige overleveringsketen (isnād) hadden, werden salonfähig gemaakt door ze van zo’n keten te voorzien en konden zo in de zog. ‘canonieke’ hadithcollecties voor de vergetelheid gered worden. Hadith is meestal niet zo geneigd tot vertellen, maar concentreert zich vooral op was toegestaan, verboden of ethisch aanbevelenswaardig is. Sīra-elementen kunnen daarom in de Hadith gede- of gerecontextualiseerd worden. Het is bij voorbeeld interessant te zien hoe het gebruik van een tandenstokje door de profeet op zijn sterfbed (→Ibn Ishāq, Sīra, 1011; vert. 250) in de hadith veranderde van een klein vertelelementje in een voorbeeld voor het leven van alledag (→Bukhārī, Sahīh, Maghāzī 83 en Djum‘a 9, en →Raven, Chew stick). Maar er zijn ook hadithen die eruit zien alsof ze een biografisch elementje bevatten, die echter in werkelijkheid van meet af aan als grondslag voor een rechtsregel bedoeld waren. Ik reken daartoe bij voorbeeld het materiaal over Māriya de Koptische, een slavin die door een christelijke heerser, de Muqawqis van Alexandrië, aan de profeet zou zijn geschonken en de moeder werd van zijn jong gestorven zoontje. Over deze Ibrāhīm staat hier iets; over zijn moeder Māriya hier

BIBLIOGRAFIE
De bronnen in het Arabisch
– Al-Bukhārī: Sahīh al-Bukhārī, uitg. Krehl/Juynboll, Leiden 1862–1908 [Dl. 4. is goed bruikbaar, de andere matig. Er bestaan ettelijke andere uitgaven; de meeste zijn slordig].
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd al-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeldt. 2 Bde., Göttingen 1858-60.
– Ibn Sa‘d (gest. 845), Kitāb al-Tabaqāt al-Kabīr, uitg. E. Sachau e.a., Leiden 1904–1921. De biografie staat in deel 1 en 2.
– Ibn abī Shayba, Musannaf, 15 dln., Haydarābād 1966 ff.
– Ma‘mar ibn Rāshid: in ‘Abd al-Razzāq al-San‘ānī, Muṣannaf, 11 dln. + Indexdeel, Beiroet 1973. De biografische teksten van Ma‘mar staan in dl. 5; pdf hier.
– Al-Wāqidī (gest. 822), The Kitāb al-Maghāzī, uitg. Marsden Jones, 3 vols. London 1966.

Secundair
– M. J. Kister, ‘The sīrah literature,’ in: A.F.L. Beeston (uitg.), The Cambridge History of Arabic Literature. Arabic literature to the end of the Umayyad period, Cambridge 1983, 352–67. Ook online.
– Wim Raven, ‘The Chewstick of the Prophet in Sīra and ḥadīth,’ in: Islamic Thought in the Middle Ages. Studies in Text, Transmission and Translation, in Honour of Hans Daiber, Edited by Anna Akasoy and Wim Raven, Leiden/Boston 2008, 593–611. Hier online
– M. Schöller, Exegetisches Denken und Prophetenbiographie. Eine quellenkritische Analyse der Sīra-Überlieferung zu Muḥammads Konflikt mit den Juden, Wiesbaden 1998.

Diakritische tekens: Ibn Isḥāq, qiṣṣa, al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, Ṣaḥīḥ, Ḥaydarābād

Terug naar Inhoud

Een andere Oriënt: Guibert de Nogent

Waar ligt de Oriënt? In een andere bijdrage heb ik duidelijk gemaakt dat de Oriënt vooral een Europees hersenspinsel is. Welke Europeanen hebben als eersten over de Oriënt gesproken als een buitenlands en volkomen ander deel van de wereld?
Dat de oude Grieken, met name de Atheners, de Perzen beschouwd zouden hebben als wezenlijk anders en ongeneeslijk oriëntaals, is al als een mythe uit de negentiende eeuw ontmaskerd.
.
In de afgelopen eeuwen meende men dat de Oriënt begon bij de Turkse grens en op zijn minst de hele islamitische wereld omvatte. Maar de grens tussen oost en west was niet altijd die tussen christendom en islam. John Tolan heeft enkele bladzijden gewijd aan de Franse abt Guibert de Nogent (± 1055–1125), een theoloog, historicus en autobiograaf die de grenslijn duidelijk anders trok.1 Hij schreef in 1109 de verhandeling Dei Gesta per Francos, over de werken die God door de Franken had verricht. Daarmee bedoelde hij vooral de verovering van Jeruzalem op de Saracenen in 1099, gedurende wat tegenwoordig de Eerste Kruistocht heet. Maar als Guibert het woord orientalis gebruikt doelt hij niet alleen op die verderfelijke islamitische Saracenen, maar vooral op de Griekstalige christenen in het Oosten—en hij zal niet de enige geweest zijn.
.
In de elfde eeuw hadden de Saracenen in Europa inderdaad angst, irritatie en weerzin gewekt. Het Fatimidische Rijk, dat liep van Tunesië tot en met Syrië, was een formidabele macht. Christelijke pelgrims uit West-Europa werd soms belet de bedevaart naar Jeruzalem te maken, en de grillige kalief al-Ḥākim had in 1009 zelfs de Heilig Grafkerk in die stad laten afbreken, een daad die in Europa de hele eeuw na-echode en een van de drijfveren voor de kruistocht werd. In Anatolië werd het Oost-Romeinse Rijk onder de voet gelopen door Turkse Seldjoeken, vooral na de slag bij Manzikert (tegenwoordig Malazgirt) in 1071.
.
Wat Guibert echter minstens zo zeer bezighield was de situatie in de christelijke wereld. Het Schisma tussen de Latijnse kerk van Rome en de Griekse van Constantinopel kreeg zijn beslag in 1054, maar had natuurlijk een lange aanloop van theologische en politieke conflicten gehad en hield de geesten ook nog lang daarna bezig. Over oriëntaalse christenen had Guibert geen gunstig oordeel: 

  • Echter het geloof van de oosterlingen, dat nooit stabiel was geweest maar altijd grillig en wankel, altijd op zoek naar nieuwigheden en afwijkend van het richtsnoer van het ware geloof, wendde zich tenslotte af van het gezag van de oude kerkvaders. Kennelijk hebben deze mensen, door de zuivere lucht en heldere hemel in hun geboorteland, ten gevolge waarvan hun lichamen lichter zijn en hun verstand dus beweeglijker is, de gewoonte hun briljante intelligentie te verspillen aan talrijke zinloze commentaren. Het beneden zich achtend de leer van ouderen of tijdgenoten te volgen, zinnen zij op ongerechtigheden en al zoekend matten zij zich af (Psalm 63 of 64:7). Dit leidde tot allerlei ketterijen en pestilenties […] zij waren de aardbodem omwille van hun leraren vervloekt, doornen en distelen voortbrengend voor degenen die het bewerkten (Genesis 3:17, 18). Uit Alexandrië kwam Arius voort, uit Perzië Manes. De waanzin van de ene scheurde en bebloedde bij voortduring de mantel van de Heilige Kerk, die tot dan toe vlek noch kreukel had gehad […]. De verzinsels van de andere, hoe belachelijk ook, stompten ook de scherpste geesten wijd en zijd af door allerlei trucs.2

Volgens Tolan zijn tot die ketterijen te rekenen: het gebruik van gedesemd brood bij de eucharistie, het gebrek aan respect voor de Paus, gehuwde priesters en allerlei misvattingen over de Drieëenheid. Om deze dwalingen liet God het oostelijk deel van het rijk in handen vallen van Arabische veroveraars.3
.
Het Oosten is niet alleen zwak in de godsdienst, maar ook in politiek opzicht onserieus:

  • Als we ons de vroege geschiedenis van de oorsprong van hun rijken te binnen brengen en praten over de belachelijke aard van hun koningen, moeten we ons verbazen over de Aziatische wispelturigheid waarmee heersers [telkens] plotseling werden afgezet en vervangen.4

Ooit roemrijke kweekbedden van het christendom verkommeren volgens Guibert; daarentegen bloeien de vitale West-Europese christenen:

  • De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.5

Let wel: dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? Een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Het klinkt als de voorafschaduwing van koloniale arrogantie.

De Kruisvaarders ervoeren ook de verraderlijkheid van de oosterlingen op militair gebied, bij voorbeeld in Antiochië. Die huichelaars beweerden christenen te zijn, maar waren dat volgens Guibert slechts nominaal:

  • De Armeniërs en Syriërs echter, anders dan, zoals ik al zei, de Turkse kameelruiters, die de hele bevolking van de stad vormden, omdat zij in de stad zelf woonden, en die beweren christenen te zijn, bezochten de onzen dikwijls, en vertelden [de Turken] waar ze bij ons achterheen hadden gezeten. Want met de lijm van hun voortdurende praatjes vingen zij de Franken en fluisterden allerlei vleierij in hun oren, hoewel ze hun eigen vrouwen de stad niet eens uit lieten. Als zij de Franken verlieten en terugkeerden brachten zij aan de Turken alle informatie over die ze daar konden vergaren aangaande de zwakheden aan de christelijke kant.6

Voor Guibert was Mohammed (‘Mathomus’) de laatste van een lange lijst ketters.

  • Volgens de populaire mening was er een man, wiens naam als ik het goed heb Mathomus was, die hen indertijd geheel en al wegvoerde van het geloof in de Zoon en de Heilige Geest. Hij onderwees hen, alleen de persoon van de Vader als de enige scheppende God te erkennen, en zei dat Jezus zuiver mens was.7

Mohammed was dus een heresiarch, de allerergste van de oosterse ketters, maar niet wezenlijk verschillend van hen. Tegelijkertijd was hij door God gezonden als de gesel die hen moest straffen.
.
In Dei Gesta valt het Westen samen met de Latijnse kerk van Rome, terwijl de Oriënt zowel de Griekse kerk van Constantinopel als de Saracenen omvat. 

VOETNOTEN
1. Tolan, Faces, 48–54.
2. Orientalium autem fides cum semper nutabunda constiterit et rerum molitione novarum mutabilis et vagabunda fuerit, semper a regula veræ credulitatis exorbitans, ab antiquorum Patrum auctoritate descivit. Ipsi plane homines pro aeris et celi cui innati sunt puritate cum sint levioris corpulentiæ et idcirco alacrioris ingenii, multis et inutilibus commentis solent radio suæ perspicacitatis abuti et, dum maiorum sive coevorum suorum despiciunt obtemperare magisterio, scrutati sunt iniquitates, defecerunt scrutante scrutinio: inde herese et pestium variuarum genera portentuosa […] ipsi fuerunt terra in suorum maledicta magistrorum opere, spinas et tribulos germinans operantibus se. Ex Alexandria Arrius, ex Perside Manis emersit: alterius rabies sanctæ æcclesiæ vestem, maculam aut rugam habentem, tanta scidit atque cruentavit instantia […] alterius fabulæ, etsi ridendæ, argutissimorum etiam virorum longe lateque obtuderunt quasi prestigiis quibusdam acumina. Guibert, Dei gesta 89–90, Deeds of God 30.
3. Tolan Faces 49.
4. Recolamus veteres de originibus regnorum Historias, et garriamus super ridiculo statu regum et Asiaticam levitatem super subita principum destitutione ac restitutione miremur. Guibert, Dei gesta 91, Deeds of God 30.
5. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt. Guibert, Dei gesta 92, Deeds of God 31.
6. Armenii autem et Syri, ex quibus præter, ut sic dixerim, Turcos epibatas, tota urbs illa constabat, cum urbem ipsam incolerent, et Christianæ sese titulo conditionis efferrent, crebro nostros invisere; et esse eorum universum addiscere, et suis quæ apud nostros aucupati fuerant nuntiare. Cum enim Francos suæ assiduæ confabulationis visco allicerent, et se a Turcorum facie fugitare, multæ adulationis lenocinio, nostrorum auribus mussitassent, uxores tamen proprias excedere, nullatenus ab urbe sinebant, et ad ipsas, digressi a Francis, postliminium facientes, quæ istinc subintelligere poterant, ad Turcos Christianorum partium infirmiora ferebant. Guibert, Dei gesta 171, Deeds of God 75–6.
7. Plebeia opinio est quemdam fuisse, qui, si bene eum exprimo, Mathomus, nuncupetur, qui quondam eos a Filii et Spiritus sancti prorsus credulitate diduxerit, solius Patris personæ, quasi Deo uno et creatori inniti docuerit, Iesum purum hominem dixerit […] Guibert, Dei gesta 94, Deeds of God 32.

BIBLIOGRAFIE
– Guibert de Nogent, Dei gesta per Francos et cinq autres textes, uitg. Robert B.C. Huygens, Turnhout 1996. Een oudere, electronisch toegankelijke editie staat in Migne, Patrologia Latina 156:0679–0837:
– Guibert de Nogent, The Deeds of God through the Franks. A translation of Guibert de Nogent’s Gesta Dei per Francos, vert. Robert Levine, Rochester NY 1997. Online naar verluidt verkrijgbaar via Project Gutenberg, maar in Duitsland is dat geblokkeerd. Ik heb deze vertaling gebruikt, maar in het bovenstaande niet overal gevolgd.
– John V. Tolan, Faces of Mohammed. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Terug naar Inhoud

Een Arabische slavenhandelaar beschaamd

Of: Wie is de ware moslim?

Slavenhandelaar was altijd een minderwaardig beroep en op slavernij was altijd kritiek; dat was bij de Arabieren van duizend jaar geleden niet anders dan bij ons. Soms beseften slavenhandelaren zelf misschien ook even dat ze fout zaten. Het hieronder vertaalde Arabische fictieverhaal stamt van een anonieme verteller uit de tiende eeuw, die het in de mond legde van een slavenhandelaar die zwarten veracht, goed met kwaad vergeldt en op beschamende wijze met zijn onislamitische gedrag wordt geconfronteerd. Een minderwaardig geachte zwarte gedraagt zich daarentegen superieur, ook al voordat hij moslim is. Hij had de ‘westerse waarden’ van toen heel wat beter begrepen dan zijn beschaafdere kwelgeesten.
.
Het verhaal stamt uit het boek De Wonderen van Indië, uit de tweede helft van de tiende eeuw, waarin veel anekdotes en verhalen zijn samengebracht van zeelui. Eeuwen voor de VOC waren het immers de Arabieren en Perzen die op ‘Indië’ voeren— dat is India, China en al wat daartussen ligt.

De auteur van het boek zou een zekere al-Rāmhurmuzī zijn, maar inmiddels heeft men ontdekt dat deze auteur misschien niet eens heeft bestaan, en dat de meer waarschijnlijke auteur, of althans verzamelaar van dit soort verhalen, een zekere Abū ‘Imrān Mūsā ibn Rabāḥ al-Awsī al-Sīrāfī was, die ondanks zijn achternaam uit Egypte zou stammen.1

Hoewel het verhaal in geen velden of wegen ‘echt gebeurd’ is, bevat het toch wat reminiscenties aan bestaande zaken en toestanden: de hachelijkheid van de zeevaart, het racisme, de slavenhandel, de verbreiding van de islam in Oost-Afrika.

VERTALING
Ismā‘īlawayh heeft mij verteld, en verschillende zeelui evenzo, dat hij in het jaar 310 [= 923 AD] op zijn schip naar Oman vertrok met als eindbestemming Qanbala. Maar er stak een storm op die het schip naar Sufāla joeg, in het land van de Zandj. Toen ik de situatie bezag, aldus de kapitein, begreep ik dat wij in het land van de negers2 waren beland, die menseneters zijn. Toen wij bleven steken op die plek, wisten we zeker dat we de dood zouden vinden: wij deden de rituele wassing, wendden ons berouwvol tot God en verrichtten voor elkaar het doodsgebed. Hun prauwen omringden ons en leidden ons de haven in, waar wij de ankers uitwierpen en aan land gingen. Ze brachten ons bij hun koning. Dat was een goed gebouwde, jonge man met een knap gezicht, voor een neger dan, die ons vroeg hoe we het maakten en waar wij heen wilden.
– ‘Naar uw land,’ zeiden we.
– ‘Jullie liegen,’ zei hij; ‘jullie wilden naar Qanbala, niet naar ons, maar de wind heeft jullie naar ons land gedreven.’
– ‘Dat is waar,’ antwoordden wij, ‘wij zeiden dat alleen maar om bij U in het gevlei te komen.’ Daarop zei de koning:
– ‘Ontscheep jullie goederen en drijf handel; jullie hebben niets te vrezen.’
Wij losten onze spullen en dreven handel, prachtige handel, zonder belastingen of belemmeringen. We gaven hem wel wat geschenken, maar kregen gelijkwaardige geschenken terug en zelfs meer dan dat. We verbleven enkele maanden in zijn land, en toen het tijd werd om te vertrekken vroegen we hem toestemming en die kregen we. De koopwaar brachten we aan boord en we rondden onze zaken af.
Toen we op het punt stonden te vertrekken meldden we dat. De koning kwam met ons mee naar het strand, met nog een aantal mannen en dienaren, ze stapten in de prauwen en voeren met ons naar het schip. Hij en zeven van zijn voornaamste dienaren kwamen zelfs mee aan boord. Toen zij aan boord waren dacht ik bij mezelf: ‘Die koning brengt op de markt in Oman dertig dinar op, die zeven anderen honderdzestig, en hun kleding doet wel twintig dinar. Dat levert ons tenminste drieduizend dirham per maand op, zonder dat we enig risico lopen.’ Ik riep dus tegen de matrozen dat ze de zeilen moesten hijsen en de ankers moesten lichten, terwijl de koning nog doende was vaarwel te zeggen en ons te vragen nog eens bij hem terug te komen; dan zouden we weer zo goed worden ontvangen. Toen hij zag dat de zeilen gehesen waren en wij al voeren, veranderde zijn gelaatsuitdrukking en hij zei:
– ‘Dus jullie vertrekken nu; dan neem ik afscheid.’
Hij wilde aan boord gaan van een van de prauwen, maar wij hadden de touwen daarvan doorgesneden en zeiden tegen hem:
– ‘U blijft bij ons, we brengen U naar ons land en wij belonen U voor de goede behandeling en betalen U terug wat U ons hebt gedaan.’
– ‘Mannen,’ zei hij, ‘toen jullie bij mij strandden had ik het voor het zeggen. Mijn mensen wilden jullie opeten en jullie bezittingen afpakken zoals ze dat met anderen al eerder hadden gedaan. Maar ik was goed voor jullie en heb niets van jullie afgepakt. Ik ben met jullie mee aan boord gekomen om afscheid te nemen, als teken van mijn respect. Geef mij nu waar ik recht op heb en breng mij terug naar mijn land.’
Maar wij besteedden geen aandacht aan zijn woorden en negeerden hem volkomen. De wind werd sterker, na een uur was de kust niet meer te zien, en ’s nachts geraakten wij in volle zee. De volgende ochtend waren de koning en zijn mannen bij de andere slaven gevoegd, dat waren zo’n tweehonderd stuks, en wij behandelden hem net als de andere slaven. De koning zei niets en deed zijn mond niet meer open; het was alsof we elkaar helemaal niet kenden. Toen we in Oman aankwamen verkochten we hem en zijn mannen met de hele partij slaven.
.
Welnu, enkele jaren later zetten wij koers van Oman naar Qanbala, maar werden wederom door de wind naar Sofala in het land van de Zandj gedreven, en ongelogen: we kwamen op precies dezelfde plek terecht. Ze voeren uit en zagen ons, de prauwen omringden ons, zoals we het al kenden van de vorige keer. We wisten nu werkelijk dat we om zouden komen en niemand van ons praatte met zijn maat, zo bang waren we. Wij deden de rituele wassing, verrichtten het doodsgebed en namen afscheid van elkaar. De negers namen ons gevangen en brachten ons in het paleis van de koning. Maar wie schetst onze verbazing toen we daar precies dezelfde koning op de troon zagen zitten, alsof we hem zoëven hadden verlaten. Toen wij hem zagen vielen wij ter aarde, onze krachten begaven het en we waren niet meer bij machte op te staan.
– ‘Ha, jullie zijn het, mijn vrienden,’ zei hij, ‘geen twijfel mogelijk!’
Niemand van ons kon een woord uitbrengen, we beefden over ons hele lijf.
– ‘Hef jullie hoofd op, zei hij, ‘ik garandeer jullie bescherming voor lijf en goed.
Sommigen deden dat; anderen konden het niet eens, zo zwak en beschaamd waren ze. Hij sprak ons vriendelijk toe, totdat allen hun hoofd hadden opgeheven, maar we durfden hem niet aan te kijken uit vrees en uit schaamte. Toen we allemaal weer tot onszelf gekomen waren door zijn garantie, zei hij:
– ‘Verraders! Ik had jullie zo goed behandeld en zo hebben jullie mij terugbetaald!’
– ‘Genade, Majesteit, vergeef het ons!’
– ‘Ik vergeef jullie, en drijf nu maar handel zoals jullie dat de vorige keer gedaan hebben, daar is geen bezwaar tegen.’
Wij konden onze oren niet geloven van blijdschap. Ofschoon we dachten, dat het misschien een listige manier was om onze handelswaar aan land te krijgen, losten we en boden hem een kostbaar geschenk aan. Maar hij gaf het terug en zei:
– ‘Jullie zijn niet waard dat ik een geschenk van jullie aanneem. Ik wil mijn bezit niet verontreinigen met iets wat ik van jullie aanneem; al jullie goederen zijn onrein.’
Wij dreven dus handel, en toen het tijd was om weer te vertrekken vroegen wij hem toestemming om te gaan, en die gaf hij ons. Toen wij op het punt stonden te vertrekken meldde ik hem dat en hij wenste ons een goede vaart en Gods bescherming toe. Ik vroeg hem:
– ‘Majesteit, U hebt ons bovenmate goed behandeld, hoewel wij U hadden verraden en onrecht hadden aangedaan. Maar hoe hebt U zich kunnen bevrijden en terugkeren naar uw rijk?’ Hij vertelde:
.
– ‘Toen jullie mij in Oman verkocht hadden, nam degene die me kocht me mee naar een plaats genaamd Basra (en hij beschreef het). Daar heb ik leren bidden en vasten, en iets van de koran. Toen verkocht mijn meester mij aan iemand anders, die mij meenam naar de stad van de koning der Arabieren, die Baghdad heet (en hij beschreef het). In die stad leerde ik correct Arabisch spreken, ik bestudeerde de koran en bad met de andere mensen in de moskeeën en ik zag de kalief, die al-Muqtadir [reg. 908–932] heet. Ik bleef iets meer dan een jaar in Baghdad, tot daar een groep mensen uit Khorasān op kamelen aankwam. Het was een grote groep en ik vroeg waarom zij gekomen waren.
– ‘Ze gaan naar Mekka,’ kreeg ik ten antwoord.
– ‘Dat Mekka, wat is dat?’ vroeg ik.
– ‘Daar staat het gewijde Huis Gods, waarheen ze een bedevaart maken,’ en ze vertelden mij over dat Huis. Ik bedacht, dat ik met hen kon meereizen naar dat Huis, en ik sprak met mijn meester over wat ik gehoord had, maar ik merkte dat hij zelf niet wilde gaan en ook mij niet wilde laten gaan. Daarom deed ik alsof ik er niet meer aan dacht, tot het moment gekomen was dat die mensen vertrokken, toen voegde ik mij bij hen en werkte als hun dienaar, de hele weg lang. Ik at met hen mee en ze gaven me ook de twee kledingstukken die je moet dragen in gewijde staat; vervolgens onderwezen ze me over de plichten tijdens de bedevaart, en zo maakte God het gemakkelijk voor me om die te volbrengen.
Toen durfde ik niet meer terug naar Baghdad, uit vrees dat mijn meester mij te pakken zou krijgen en zou doden. Daarom zocht ik aansluiting bij een andere karavaan, die naar Cairo ging. Ik bood mijn diensten aan, ze namen me mee en deelden hun voedsel met mij. In Cairo aangekomen zag ik de prachtige rivier die men Nijl noemt, en ik vroeg waar die vandaan kwam. Ik kreeg te horen, dat hij zijn bron had in het land van de Zandj en het land binnenkwam bij een stadje genaamd Aswān, aan de grens met het land van de zwarten.
Ik volgde dus de oever van de Nijl, ging van de ene stad naar de andere bedelend om aalmoezen en die kreeg ik; dat werd mijn gewoonte. Toen stuitte ik op zwarten die me niet mochten en me in de boeien sloegen en mij als dienaar lasten lieten dragen die ik niet dragen kon. Ik sloeg op de vlucht en geraakte bij andere mensen die mij gevangen namen en verkochten. Ik vluchtte weer, en zo ging het verder tot ik Egypte uit was en in de stad zus-en zo terecht kwam, aan de rand van het land van de Zandj. Daar maakte ik me onherkenbaar en hield me gedekt. Al die tijd dat ik uit Egypte weg was en allerlei verschrikkingen ervoer was ik niet zo bang geweest als toen ik dicht bij mijn eigen land kwam. Ik dacht: In mijn land zit nu een opvolger van mij op de troon, aan wie het leger gehoorzaamt. Het koningschap aan hem ontworstelen zal zeer moeilijk zijn. Of ik mijzelf nu bekend maak of dat iemand me herkent, ik zal bij hem gebracht worden en hij zal me doden. Of een van zijn raadslieden zal zo brutaal zijn en zelf mijn hoofd afhakken om daarmee zijn gunst te zoeken.
Ten prooi aan hevige angst verborg ik mij overdag en bewoog me alleen ’s nachts in de richting van mijn land, tot ik bij de zee kwam, waar ik anoniem aan boord van een schip ging naar de plaats zus-en-zo, en daarna weer verder naar een volgende plaats. Op een avond werd ik aan land gezet op de kust van mijn land. Een oude vrouw vroeg ik om inlichtingen:
– ‘Is de koning die hier regeert rechtvaardig?’
– ‘Mijn zoon,’ zei ze, ‘wij hebben geen andere koning dan God.’ En zij vertelde mij het verhaal van de ontvoerde koning, terwijl ik verbazing veinsde, alsof ik niet wist dat het over mijzelf ging. Ze zei:
– ‘De mensen in dit koninkrijk zijn het erover eens dat zij niemand na hem koning zullen maken tot zij weten wat er met hem gebeurd is en niet langer geloven dat hij in leven is. Want zij hebben berichten van waarzeggers gehoord dat hij nog leeft, en gezond en wel in het land van de Arabieren is.’
De volgende ochtend ging ik mijn stad binnen en betrad mijn paleis, waar ik mijn familieleden terugvond zoals ik die had achtergelaten, behalve dat zij diep bedroefd waren. Ik vertelde mijn mensen het hele verhaal. Zij waren verbaasd en waren blij en gingen over tot de islam zoals ik dat had gedaan, en ik aanvaardde opnieuw mijn koningschap. Dat was een maand voordat jullie kwamen. En vandaag ben ik blij met wat God mij en mijn mensen heeft vergund: de islam, geloof, kennis, het gebed, de vasten en de bedevaart, en kennis van wat halāl is en harām. Ik heb gekregen wat niemand in het land van de Zandj ooit tevoren had gekregen, en ik vergeef jullie omdat jullie de oorzaak zijn van mijn overgang tot de ware godsdienst. Maar er is nog één punt waarop ik God vraag van schuld verlost te worden.’
– ‘Wat dan, Majesteit?’
– ‘Dat ik mijn meester in Baghdad zonder zijn instemming heb verlaten om op pelgrimstocht te gaan, en dat ik niet bij hem teruggekomen ben. Als ik een betrouwbaar man zou ontmoeten zou ik hem de geldswaarde voor mij meegeven en hem verlichting van mijn straf vragen. Ja, als er zo iemand onder jullie was zou ik hem het geld meegeven, en zelfs tienmaal de prijs, ter vergoeding van zijn geduld, maar jullie zijn verraders en schurken.’
Toen wij van hem afscheid namen zei hij nog:
– ‘Gaat heen, en als jullie terugkomen zal ik jullie net zo behandelen en zelfs nog beter. En laat de moslims weten dat ze bij ons terecht kunnen, want wij zijn hun broeders geworden, moslims zoals zij. Maar jullie uitgeleide doen naar het schip, daar zie ik nu maar van af.’
Toen namen wij afscheid en voeren weg.

NOTEN
1. Buzurg ibn Shahriyār al-Nākhudhā al-Rāmhurmuzī, Kitāb ‘Adjāʾib al-Hind, Livre des merveilles de l’Inde, texte arabe publié … par P. A. van der Lith, traduction française par L. Marcel Devic, Leiden 1883–86. De vertaling, de titel en de ondertitel zijn van mij. Over de auteur: Jean-Charles Ducène, ‘Une nouvelle source arabe sur l’océan Indien au Xe siècle,’ Afriques 06, 2015 (online hier).
2. Zo vertaal ik op sommige plaatsen het Arabische woord zandj, dat vaak net zo’n negatieve klank heeft als ons woord ‘neger’. Zandj verwijst naar de zwarte bevolking van Oost-Afrika, maar is niet altijd een eigennaam. Het woord sūdān vertaal ik met ‘zwarten’, dat eerder verwijst naar de inwoners van Sudan.

Terug naar Inhoud