Oude artikelen, actueel of uit de diepte opgedolven

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen (bespreking)   Een Libische roman, die speelt in of om de Wadi Mathendous. ‘Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien!’

Waguih Ghali,  Bier in de snookerclub (bespreking)   ‘Ghali werd altijd woedend als hij een schrijver genoemd werd, maar hij was het wél.’

Oude woorden

Het oude Arabisch had een enorme woordenschat en vele eigenaardige woorden, die zonder uitvoerige omschrijving niet begrepen kunnen worden. Drie voorbeelden:

waḥḥama: ‘een dier slachten ter bevrediging van de zwangerschapslusten van een vrouw’. Als een zwangere vrouw uitroept dat ze ineens zo’n zin heeft in schaap, wat doet haar man dan? Juist.

djaza’a: ‘genoeg hebben aan groene planten of vers gras, en daarom geen behoefte hebben aan water.’ Gezegd van kamelen of wilde ezels, die grazen op grote afstand van een waterbron en hun behoefte aan vocht stillen met wat er in de planten zit. Als het gras op is of verdord trekken ze naar een plaats waar water is.

aḥqab is een adjectief van het model ’aCCaCu, dat gereserveerd is voor kleuren en permanente lichamelijke kenmerken. Het betekent volgens Fischer1 ’an der Stelle, an der hinteren Sattelgurt (ḥaqab) besonders charakterisiert, d.h. weiß gefärbt’ en wordt uitsluitend gebruikt van wilde ezels.

Zulke bijzondere betekenissen staan in grote woordenboeken; de kleinere stellen vaak teleur. Tot mijn verrassing geeft het kleine woordenboek van Hava de betekenis van waḥḥama wel volledig, maar bij djaza’a schrijft hij: ‘to be satisfied (camel),’ en dat is niet genoeg om te begrijpen wat er aan de hand is. Bij aḥqab geeft Hava de betekenis ‘wild ass’. Hij verandert het adjectief dus in een substantief en laat ons de pracht van het dier helemaal niet zien. Daarom, o gij twee mensen die nog pre-islamitische Arabische poëzie leest, grijpt altijd meteen naar de grotere woordenboeken: Ullmann, Lane of Kazimirski! en bij ’aCCaCu,-woorden naar Fischer. En laat Wehr liever dicht; hoe vaak moet ik het nog zeggen?

1. Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.

.

Onager of Wilde Ezel — Foto Rufus46 — Wikimedia Commons

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Snouck

Snouck, zo heet de onlangs verschenen zeer leesbare en degelijke biografie van Christiaan Snouck Hurgronje (1857–1936), geschreven door Wim van den Doel. Ik heb er erg van genoten en veel van geleerd, en beveel hem dan ook graag aan iedereen aan, en vooral aan arabisten en geïnteresseerden in de islam en Indonesië. Snouck was jarenlang adviseur van de regeringen van Nederlands-Indië en Nederland, en later hoogleraar te Leiden, o.a. in Arabisch en islamwetenschap. De biografie portretteert de invloedrijke, wereldwijd bekende landgenoot in al zijn innerlijke tegenstrijdigheid en is ook een belangrijke bron van kennis over de Nederlandse koloniale politiek.
Ik ga niet het hele boek van ruim zeshonderd bladzijden bespreken, maar ik wil er enkele punten uitlichten.

Atjeh
In Noord-Sumatra ligt Atjeh (moderne spelling: Aceh), een gebied dat eind negentiende eeuw weigerde zich te onderwerpen aan het koloniale bestuur. Snouck was in belangrijke mate verantwoordelijk voor de laatste fase van wat als de Atjeh-oorlog bekend staat (1873–1903). Zijn (toen nog) vriend Generaal van Heutsz deed het grove werk, Snouck droeg de ideeën aan. De bedoeling was, de rebellie snoeihard neer te slaan om daarna met gulle hand de zegeningen van het koloniale bestuur over het land te doen neerdalen. Volgens Snouck ging het er om, de bevolking te beschermen tegen de uitbuiting en willekeur van plaatselijke potentaatjes en fanatieke godgeleerden, die hij aanried ‘zeer gevoelig te slaan’. De eerste fase, met veel wreedheid, bloedvergieten en vernietiging, werd inderdaad verwezenlijkt, het is bekend. Dat hier iets niet klopte kwam bij Snouck blijkbaar niet op. Van die zegeningen is niet veel meer vernomen — wat hij een kwart eeuw later zelf ook inzag.1

Ethisch kolonialisme
Snouck geloofde werkelijk dat het koloniale bestuur zegeningen bracht. Volkeren die lager stonden in beschaving konden immers veel leren van ontwikkelder volkeren, zodat ze op de (lange) duur op eigen benen konden staan. Dat Indië vooral een wingewest was dat goed was voor een flink percentage van de Nederlandse staatsinkomsten, moet Snouck hebben geweten, maar uit dit boek blijkt niet dat hij daar ooit over tobde of het niet vanzelfsprekend vond. Wel vond hij dat er meer en beter onderwijs moest komen voor intelligente inlanders uit de hogere standen, zodat dezen ook functies konden krijgen in het bestuur en de rechtspraak. Op den duur zou Indië zelfs door Nederlanders en inlanders te samen bestuurd moeten worden. Daarin was Snouck veel ‘ethischer’ dan de bestuurders in Indië en het ministerie in Den Haag, die zich daar heftig tegen verzetten en de inlander juist liever klein hielden.

De islam
Snouck was niet bang voor de islam, want hij kende hem van binnen en van buiten. Hij had in Mekka gezeten, presenteerde zich als moslim, verkeerde op voet van gelijkheid met islamitische geleerden, leefde zo veel mogelijk ‘inlands’ en sloot twee maal een islamitisch huwelijk met een Sundase vrouw. Hij had een hekel aan het panislamisme, dat volgens hem vooral door het Ottomaanse Rijk werd verbreid. Maar over de islam in Indië maakt hij zich geen zorgen; integendeel. In 1913 bij voorbeeld werd op Java de Sarekat Islam opgericht, een islamitische vereniging ter behartiging van de belangen van moslims. Toen deze al gauw een enorme aanhang kreeg schrokken ondernemers en koloniale bestuurders zich wezenloos en wilden die vereniging onderdrukken, maar Snouck vond het juist een goed idee. Geef ze de ruimte en wat zelfstandigheid, dan worden ze niet opstandig. Hij had niet die koloniale schrik voor moslims, die berust op onwetendheid. Voor de machtsovername in Arabië door de Wahhabieten in 1924 had hij wel waardering. Hj kon toen nog niet voorzien wat voor ellende die zouden aanrichten. Zij brachten in elk geval rust en orde, en dat was goed voor de pelgrims uit Indië.

Racisme
Al tijdens zijn jaren in Indië (1888–1906) verkondigde Snouck steeds de mening dat vermeende raciale verschillen geen enkele rechtvaardiging boden om inlanders onderwijs en functies in bestuur of rechtspraak te onthouden. En na de barbarij van de Eerste Wereldoorlog in Europa kon zeker niemand meer in ernst beweren dat het blanke ras superieur was. Maar hier sprak Snouck met dubbele tong. Hij had vijf kinderen van zijn twee achtereenvolgende Sundase echtgenotes, die hij niet erkende. Hij stuurde af en toe wat geld en een briefje, maar wenste verder geen contact, en wilde zeker niet dat ze naar Nederland zouden komen. In Nederland trouwde hij opnieuw en kreeg een dochter. Hij had dus maar één kind.

De vloek van Snouck
Snouck was al in 1936 gestorven, maar toen ik na mijn kandidaatsexamen in 1968 aankwam in Leiden waarde zijn geest er nog rond. Om te beginnen werden de colleges Arabisch gegeven in zijn ruim bemeten huis aan het Rapenburg. De hoogleraar las voor uit het collegedictaat van Snouck. Als je boven naar de WC moest, belandde je in diens badkamer, waar nog zijn badkuip met leeuwenpoten stond. In de gang hing een portret van de illustere bewoner. Ja, die ogen: zelfs in het schemerdonker van het trappenhuis doorboorden ze je nog.
Snouck heeft met zeer harde hand een stel leerlingen gevormd, die hij veel bijbracht, maar die hij ook voortdurend kleineerde. Bij sommigen leidde dit tot blijvend geestelijk letsel, dat zij nog doorgaven aan de volgende generatie. De lamheid van de Leidse arabistiek in de jaren zestig en de verpeste sfeer waren zonder twijfel een gevolg van de ‘vloek van Snouck’. Wie kon na hem nog bestaan?

Als ik me aan een korte karakterisering mag wagen: Snouck was een groot geleerde, een harde man, ook voor zich zelf, die niet door innerlijke twijfels werd geplaagd en weinig geduld had met minder getalenteerden.

.

  1. In een bespreking van J.C. Lamster, J.B. van Heutsz als G.G., afgedrukt in Oost en West, 6 juni 1947 staat echter nog te lezen: ‘Zonder twijfel zou het werk van Van Heutsz als landvoogd [=Gouverneur Generaal, WR] niet mogelijk zijn geweest zonder het werk van Van Heutsz als generaal. Trouwens: alle arbeid, sinds 1904 in Indië tot zegen der Indische volken verricht was slechts mogelijk door die zelfde arbeid van de zelfde Van Heutsz als generaal.’

Terug naar Inhoud

Djahiliya, of: islamitische oudheidkunde

(Deutsch hier

Hoe zag het leven in Arabië eruit vóór de komst van islam? Veel te lang hebben wetenschappers die vraag laten liggen, ook omdat Arabische overheden er niet in geïnteresseerd waren, maar in de laatste tijd neemt de kennis snel toe. Voordat ik daarover iets schrijf wil ik nog kort behandelen wat moslims er vanouds over te vertellen hadden. Een van de zaken die modern onderzoek in de weg stonden was namelijk hun traditionele opvatting over de Oudheid.

Djāhilīya is de religieus getinte, islamitische benaming voor de tijd voor de Islam. Het Arabische werkwoord djahila betekent: ‘niet weten.’ Djāhilīya is dan: ‘toestand van onwetendheid, periode van onwetendheid’.
‘Vóór de islam heersten barbarij en duisternis; met de profeet Mohammed verschenen het licht en het weten,’ zo is het islamitische perspectief samen te vatten. Dit wordt aanschouwelijk geformuleerd in de toespraak die Dja‘far ibn abī Ṭālib, de broer van ‘Alī, bij de Negus van Abessinië gehouden zou hebben. Meer dan een eeuw later wordt hij door de Ibn Isḥāq, de biograaf van de profeet, als volgt aangehaald:

  • Majesteit, wij waren een volk van onwetendheid: wij aanbaden afgodsbeelden, wij aten onrein vlees en bedreven ontucht, wij verbraken de bloedbanden, wij verwaarloosden de gastvriendschap en de sterksten van ons buitten de zwakkeren uit.

Djāhilīya als tijdsaanduiding komt al in de koran voor, bij voorbeeld in:

  • K. 3:154 … maar een andere groep dacht in hun zelfzucht op onterechte manier over God, zoals men in de tijd van onwetendheid dacht.
    K. 5:50 Is het de rechtspraktijk uit de tijd van onwetendheid die zij nastreven?
    K. 33:33 En blijft in jullie huizen en vertoont jullie niet opgesmukt als vroeger in de tijd van de onwetendheid. (vertalingen F. Leemhuis)

Ongelovige historici kunnen met de term djāhilīya niets beginnen. Zij hebben geen religieuze kijk op het verleden en spreken neutraal van pre-islamitisch Arabië. Waarbij een probleem is, wanneer de pre-islamitische tijd ophoudt en de islam precies begint. Er was natuurlijk een overgangstijd; laten we zeggen van 630–690. Ik had in dit Leeswerk al eens een stuk geschreven over pre-islamitisch Arabië, maar dat is intussen verouderd; een herziening houdt u nog tegoed.
Oude islamitische ‘oudheidkundigen’ hadden een sombere kijk op het verleden; het pre-islamitische Arabië krijgt domweg geen kans. In de achtste eeuw hebben zij zich een djāhilīya geknutseld die er zo heidens en achterlijk mogelijk uitziet (→Ibn Ishāq; al-Kalbī) en die heeft het nog tot in onze tijd uitgehouden.
De aldus geschapen ‘Oudheid’ staat echter op gespannen voet met wat moderne historici en archeologen ontdekken. Volgens →Hoyland, Arabia, was het Arabisch Schiereiland helemaal niet zo achterlijk, maar goed geïntegreerd in de grote culturen van die tijd. Ook opgravingen leggen daarvan toenemend getuigenis af: veel Grieks-Romeins en christelijk spul. De nomaden in dat oude Arabië waren niet analfabeet, maar schreven veel, zij het veelal niet in het klassiek Arabisch. De vondst van tienduizenden door nomaden geschreven inscripties zal ons hele inzicht in het oude Arabië, inclusief het ontstaan van de islam, grondig veranderen.
→Hawting, Idolatry ziet in de pre-islamitische tijd geen ‘afgodendienst’. Volgens hem was het polytheïsme sinds de vijfde eeuw uitgestorven en heeft de islam zijn ontstaan vooral te danken aan conflicten tussen monotheïsten. Het koranische woord mushrikūn betekent weliswaar ‘heidenen, polytheïsten’, maar dat komt volgens Hawting omdat de elkaar bestrijdende groepen elkaar met dat woord graag uitscholden.
Dat word bevestigd in →Crone, Pagans. Zij beperkte zich tot een hernieuwde lezing van alle relevante koranverzen en komt tot de conclusie dat de mushrikūn uit de koran wel aan de ene God geloofden, maar naast hem nog andere wezens vereerden, die nu eens godheden, dan weer engelen werden genoemd. Die hebben zij niet aanbeden, maar zij hoopten op hun voorspraak bij God. Echte afgoden, beelden e.d. zag Crone alleen in de verhalen over de profeten in de koran; dus in de voortijd waarover verteld wordt, niet in Mohammeds tijd.

BIBLIOGRAFIE
De islamitische geschiedschrijving over de pre-islamitisch tijd:
– Ibn Isḥāq (gest. 767), Sīra: The Life of Muhammad. A Translation of Isḥāq’s [sic!] Sīrat Rasūl Allāh, with introd. and notes by A. Guillaume, Oxford 1955, S. 3–70.
– Hishām ibn Muḥammad al­-Kalbī (737–819), Kitāb al-aṣnām, hg. Aḥmad Zakī, Kairo 1912, 19242; vert., inl. en commentaar Rosa Klinke Rosenberger, Das Götzenbuch. Kitâb al-aṣnâm des Ibn al-Kalbî, Leipzig/Zürich(?) 1941. [Het Kitāb al-aṣnām is ook in Engelse vertaling in het internet toegankelijk; de kwaliteit daarvan is mij onbekend.]

Secundair (al verouderen sommige titels nu snel):
– M. M. Bravmann, The Spiritual Background of Early Islam. Studies in Ancient Arab Concepts, Leiden 1972.
– Patricia Crone, ‘The Religion of the Qurʾānic Pagans: God and the lesser Deities,’ in Arabica 57 (2010), 151–200.
– Toufic Fahd, La divination arabe. Études religieuses, sociologiques et folkloriques sur le milieu natif de l’Islam, Leiden 1966.
– Toufic Fahd, ‘Siḥr,in EI2.
– Gerald R. Hawting, The Idea of Idolatry and the Emergence of Islam. From Polemic to History, Cambridge 1999.
– Robert G. Hoyland, Arabia and the Arabs from the Bronze Age to the Coming of Islam, London 2001.
– M. J. Kister, ‘Al-taḥannuth. An inquiry into the meaning of a term,’ in: BSOAS, 23 (1970), 223–236 (herdrukt in: M. J. Kister, Studies in Jāhiliyya and Early Islam, London 1980, nr. v), ook online. [case study]
– W. E. Shepard, ʻIgnorance,ʼ en ‘Age of Ignorance’ in Encyclopedia of the Qur’ān.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Christenwappies in de Oudheid

Het christendom is een absurd geloof. De kerkvader Tertullianus (± 150–220) schreef het al: ‘De zoon van God is gestorven; het is geloofwaardig omdat het onzin is,’ en: ‘Het is zeker, omdat het onmogelijk is.’1 Maar andere geloven zijn niet minder absurd, en zeker niet de nieuwe geloven die na het wegebben van het christendom rondspoken. Daar is niets op tegen; kennelijk zijn sterke verhalen voor vele mensen een eerste levensbehoefte. Wel is het wenselijk dat de onzin gescheiden wordt gehouden van de redelijkheid. Gelovigen van allerlei couleur zijn op vele gebieden zeer wel in staat tot redelijkheid, ja zelfs tot wetenschappelijk onderzoek. Het komt aan op een goede partitioning van de harde schijf in de hersenpan. De dubbele waarheid is een ideaal middel om te overleven.

Door mijn werk als arabist kreeg ik te maken met twee christelijke auteurs uit de Oudheid wier onredelijkheid zo allesoverheersend was dat het mij ergerde.

Physiologus

De Physiologus is de anonieme auteur van een boek over dieren uit de tweede eeuw, dat onder christenen eeuwenlang een beschamend grote verbreiding heeft gehad, in vele talen. Hij neemt een of twee meestal volstrekt fictieve of fantastische details uit de beschrijving van de ‘natuur’ (physis) van een dier en komt dan met een vergelijking met Christus, christenen of de kerk op de proppen, veelal gelardeerd met bijbelverzen. Zijn teksten sluit hij dikwijls af met de woorden: ‘Mooi heeft de Physiologus gesproken over …’ — en dat maakt me echt kwaad. Een dieptepunt is wel wat hij over het wezeltje zegt:

  • De Wet zegt: Eet geen wezeltje of een dergelijk dier.2 De Physiologus zegt over het wezeltje, dat het zo een natuur heeft: de bek van het wijfje ontvangt van het mannetje,3 en als het drachtig is geworden baart het door de oren; kwalijk baren zij aldus door de oren.
    Er zijn mensen die in de kerk knabbelen aan het geestelijke brood, maar als zij er weer uit komen werpen zij het Woord uit hun oren en lijken op het onreine wezeltje. En zij worden als een dove slang, die zijn oren verstopt.
    Eet dus geen wezeltje of een dergelijk dier.4

Aristoteles, de grote geleerde uit de Oudheid (384-322 v.Chr.), wist niet alles en schreef ook wel eens onzin,5 maar over het geheel genomen is zijn kennis van het dierenrijk voor die tijd indrukwekkend groot en zijn behandeling ervan is systematisch. Diens werk is echter aan de Physiologus geheel voorbij gegaan; dat zal een vrome ziel zonder veel opleiding zijn geweest. Een kwezeltje, een ezeltje. Eerder heb ik al eens laten zien wat hij te zeggen heeft over het hert en de mierenleeuw. Dat is al even zot.

Kosmas Indikopleustes

Een andere irriterende oude christen is de zesde-eeuwse flat earther Kosmas Indikopleustes, ‘de Indiëvaarder’. Een koopman uit Alexandrië die zeeën bevaren heeft: de Rode Zee, de Perzische Golf en mogelijk ook de Indische Oceaan. Zijn boek Christelijke Topografie bevat zeker interessante stof: rijke hoofdstukken over de flora en fauna van India, over de handelsgoederen, over Ceylon en over het christendom in India en zelfs op het godverlaten Jemenitische eiland Socotra, waar volgens hem Grieks gesproken werd en dat toentertijd een handelshaven was (Schneider 88). Het boek had illustraties met onderschriften; helaas zijn in het proces van overlevering veel afbeeldingen verloren gegaan of door het copiëren verbasterd geraakt en zijn de bladen helemaal door de war geraakt.
Waar lees je anders over al die dingen, in een bron uit de zesde eeuw? Maar helaas, het staat niet vast dat Kosmas ooit zelf in Indië geweest is en er zijn aanwijzingen dat hij dat mooie materiaal van anderen heeft gepikt.
In elk geval contrasteren die teksten nogal met de modderige hoofdstukken, die zeker van zijn eigen hand zijn. Die had ik opengeslagen om eens te zien wat hij over het oude Arabië en de Rode Zee te vertellen had. Maar zijn reisindrukken zijn zeer beperkt en maar matig interessant. Bij Clysma, dat is bij het huidige Suez, heeft hij de wielafdrukken van de strijdwagens van Farao gezien, die de Israëlieten vervolgden door de Rode Zee (Schneider 108). Hij is naar de berg Sinai geweest, waar hij op de halteplaatsen van het volk Israël Hebreeuwse rotsinscripties gezien heeft, die door ‘enige Joden’ voor hem werden vertaald (117). (Hij zal de daar aanwezige Nabatese inscripties hebben gezien, en handige toeristengidsen hebben hem op de mouw gespeld wat hij wilde horen.) In Axum en Adulis, in het toenmalige Ethiopië, is hij als handelaar geweest. Hij heeft daar uit de verte levende rhinocerossen gezien, en in het paleis van de koning een opgezet exemplaar, dat hij ook getekend heeft. Giraffen waren er ook; de koning daar probeerde girafjes van kleins af aan te temmen. Als zij een schaal melk kregen moesten zij hun voorpoten wijd uit elkaar zetten, anders konden ze er niet bij (242–3). Een eenhoorn heeft Kosmas niet gezien, maar wel vier bronzen stèles ervan (243). Nijlpaarden heeft hij ook niet gezien, maar hij handelde wel in nijlpaardentanden (244). Wierook komt diep uit Ethiopië, en wordt verhandeld in Barbaria (het tegenwoordige Berbera in Somaliland), evenals kaneel, geurstoffen en nog meer (60). Het belangrijkste wat hij over Ethiopië te melden heeft, is dat hij in opdracht van koning Ella Asbeha in de haven Adulis een inscriptie van een monument heeft gecopieerd, dat daar was neergezet door koning Ptolemaeus III Euergetes (246–221 v.Chr.) Dat deed Kosmas ‘aan het begin van de regering van Justinus,’ die regeerde van 518–527. Voor zich zelf en voor zijn lezers heeft Kosmas ook een afschrift gemaakt, en dat is natuurlijk waardevol (61–63). Er was nog een tweede, tweetalige, inscriptie op dit Monumentum Adulitanum. Die was echter niet van Ptolemaeus, zoals hij beweert, maar van een Ethiopische koning; de inscriptie is belangrijk voor de geschiedenis van Ethiopië (63–64). Verder zijn het telkens maar snippers die Kosmas over Oost-Afrika mee te delen heeft. Weliswaar zijn voor de oudheidkunde ook snippers van belang, maar de totale oogst is toch wat mager.

Mijn teleurstelling omdat hij niets over Arabië vertelt kan ik de auteur niet aanrekenen. Hij is domweg langs de Afrikaanse kust naar het Zuiden gevaren; wel zo handig waarschijnlijk. Wel vind ik het ergerlijk dat hij, in plaats van veel meer informatie te bieden, het grootste deel van zijn boek vult met ‘bewijzen’ dat de aarde plat is en de vorm van een rechthoek heeft, terwijl de hemel er als een soort tent boven gespannen is. De kosmos als geheel zou ontworpen zijn naar analogie met de tabernakel van het oude Israël, of was het juist omgekeerd? Zijn argumenten bestaan vooral in talloze bijbelverzen. Grrr! ik heb geen zin om al die onzin door te lezen; dat moeten theologen en kosmologen maar doen — ik wens ze veel sterkte. En dat terwijl in zijn tijd al duizend jaar bekend was dat de aarde een bol is! Alle kennis, alle bewijsvoeringen van de grote Griekse denkers uit de Oudheid worden door Kosmas genegeerd, bestreden of voor nietig verklaard. Hij was overigens wel een grote uitzondering: een echte mafkees, die in eigen kring veel kritiek over zich heen kreeg. Er werd onder christenen vrijwel nooit getwijfeld aan de bolvormigheid van de aarde.
Wat een contrast met het werk van die andere koopman uit Alexandrië, de anonieme auteur van Omvaring van de Rode Zee (Periplus Erythraei Maris), die in de eerste eeuw leefde en gewoon nog heiden was. Glasheldere hoofdstukken, barstensvol informatie over de zeeroutes naar Indië en Oost-Afrika, de havens aldaar en wat iedere haven te bieden had.

Kosmas’ rechthoekige wereld, uit een negende-eeuws handschrift in het Vaticaan. De blauwe cirkel rechts onder is de Perzische Golf, waarin Eufraat en Tigris uitmonden. De blauwe cirkel rechts boven is de Kaspische Zee. De Rode Zee, de Nijl, Klein Azië, de Balkan en de Straat van Gibraltar herkent u zelf wel. Dat Italië, Spanje en de Zwarte Zee hier zo slecht uit de verf komen is Kosmas misschien niet aan te rekenen; deze kopie dateert immers van drie eeuwen na hem.
—————————–

Onder de christenen in de Oudheid waren er natuurlijk ook veel die wél wat te melden hadden en goed konden schrijven. Augustinus (354–430) bij voorbeeld, en Basilius (± 330–379). Laatstgenoemde biedt in zijn Preken over de zes scheppingsdagen veel wetenswaardigs aan, ook over dieren, waarbij hij steunt op oudere wetenschap. Maar welbeschouwd is ook hij besmet met het virus van de anti-wetenschappelijkheid, en van hem heeft Kosmas misschien het volgende ‘anti-Griekse’ betoogje overgenomen:

  • De wijze mannen der Grieken hebben vele werken over de natuur geschreven, maar geen ervan bleef onveranderd en stevig verankerd, want het latere heeft het vorige altijd omvergeworpen. Dientengevolge behoeven wij hun woorden niet te weerleggen; zij voorzien wederzijds in hun weerlegging.6

Dat wetenschap iets anders is dan allemaal altijd hetzelfde zeggen; dat (trachten te) weerleggen er een wezenlijk onderdeel van is; dat er een ontwikkeling in kennis is waardoor vroegere inzichten achterhaald raken, dat kwam niet bij hem op. Zijn soort betoog komt ook bij andere christenen voor. Theodoretus, de bisschop van Cyrrhus (± 393–460) schreef een heel boek vol over de ‘ziekten der Grieken’, waarmee hij de verkeerde, want niet christelijke gedachtengangen van de oude Grieken bedoelde. Die anti-wetenschappelijke houding, daar heb ik het land aan, ook bij hedendaagse wappies. Ik houd van steeds toenemende kennis en van voortschrijdend inzicht.

Gelukkig waren er in het Oost-Romeinse Rijk ook niet-religieuze wetenschappers, evenals in het ‘islamicate’7 Irak en Iran. Bij hen genoot de antieke wetenschap wél groot aanzien: het was de vanzelfsprekende basis voor hun eigen werk, waarop eeuwen later in West-Europa zou worden voortgebouwd.

NOTEN
1. Tertullianus, De Carne Christi v: Mortuus dei filius; credibile est, quia ineptum est. En een hoofdstukje later: Certum est, quia impossibile. Maar misschien meende hij het niet zo.
2. Het bijbelvers Leviticus 11:29 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: ‘Van de kruipende dieren gelden voor jullie als onrein: blindmuizen, ratten en muizen, de verschillende soorten padden, gekko’s …’ enzovoort. Er is dus geen sprake van een wezel, maar dát kon de Physiologus niet weten. Hij was immers afhankelijk van de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta en daar staat voor blindmuis γαλῆ, een kleine soort wezel, een fretje misschien? Voor zijn soort dierkunde maakt het echter weinig uit welk dier is bedoeld.
3. De Physiologus heeft wel een klok horen luiden. Volgens Aristoteles, De Generatione Animalium 756b15, 30 beweerde Anaxagoras dat bij raven, ibissen en wezels de paring oraal plaatsvindt. Aristoteles vond dat onzin; hij vermoedde dat het misverstand was ontstaan doordat wezels wel eens hun jongen in de bek nemen. Mijn naam is haas.
4. Physiologus (Schönberger) nr. 21.
5. Bij voorbeeld Aristoteles, Historia animalium 611b20: ‘Als herten door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks gebeten worden, gaan ze kreeften (καρκίνους) verzamelen en opvreten.’ Wel moeten we altijd de mogelijkheid open laten dat de overlevering gebrekkig is. Het zinnetje is ook terecht gekomen in Ibn Qutayba, ‘Uyûn al-akhbâr ii, 99 والأيل إذا نهشته الحية أكل السرطان.
6. Basilius, Homilia i , 7–8, vert 5.. In de Syrische vertaling van Homilia ix, uitgave Thomson, p. 156, trans. Thomson 124–5, wordt dit nog uitgewerkt: ‘I am not ashamed to accept the words of the scriptures as they were spoken, as the Apostle said: “I am not ashamed of the gospel” (Rom 1,16). Nor furthermore, because others who are of the race of the Greeks said many things and wrote about the description of the world and set down concerning the form of the earth as it pleased them, are we now led after them. Some of them said about the earth that it is like a sphere, and some affirmed it is a cylinder; and others said it is like a dish; and some again said that it is equal from all sides towards the middle like the form of a lathe; and some said it resembles a concave bowl; and others again said it is sunken in the middle. All these suppositions of the wise men of the Greeks were each unstable, because their arguments confuted each other. For each of them composed his own version in opposition to his fellow.’ Dit fragment heb ik (nog) niet in het Griekse origineel gevonden; heb de goede editie niet.
7. Wiktionary: Islamicate = Associated with regions in which Muslims are culturally dominant, but not specifically with the religion of Islam. Meer over deze term hier (Engels).

BIBLIOGRAFIE
– Basilius, Homiliae in Hexaemeron, uitg. Migne, Patrologia Graeca xxix, Parijs 1859; er zijn nieuwere uitgaven, maar niet online. Saint Basil Exegetic Homilies, trans. Agnes Clare Way, Washington 1963. De Syrische vertaling: Basil of Caesarea, The Syriac version of the Hexaemeron, uitg. en vert. Robert W. Thomson, 2 dln. Leuven 1995 (CSCO 550–1).
– Kosmas Indikopleustes: Κοσμᾶς Ἰνδικοπλεύστης, Χριστιανικὴ Τοπογραφία. Griekse tekst: Cosmas Indicopleustès, Topographie chrétienne, uitg. W. Wolska-Conus, 3 dln. Paris, 1968, 1970, 1973 (Sources Chrétiennes 141,159,197); Vert. Horst Schneider, Kosmas Indikopleustes. Christliche Topographie – Textkritische Analysen Übersetzung Kommentar, Turnhout 2010. Een Engelse vertaling door Roger Pearse staat online.
Periplus Maris Erythraei, Περίπλους τῆς Ἐρυθράς Θαλάσσης, uitg. Lionel Casson, Princeton 1989. De oudere vertaling van W.H. Schoff (1912) hier.
– Physiologus, Φυσιολόγος, uitg. F. Sbordone, Rome 1936. Vertaling: Physiologus, Griechisch/Deutsch, vert. en uitg. Otto Schönberger, Ditzingen 2001, 2018 (Reclams Universal Bibliothek 18124).
– Theodoretus: Θεοδώρητος, Ελληνικών Θεραπευτική Παθημάτων: Theodoret, De Graecarum affectionum curatione – Heilung der griechischen Krankheiten, uitg. en vert. Clemens Scholten, Leiden 2015 (Vigiliae Christianae, Supplements, 126).

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Hellestraffen

Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed een reis door hemel en hel gemaakt. In een vorige blog bood ik de tekst van Ibn Ishaq daarover aan en vermeldde in het kort dat er in de Oudheid vele van zulke hemelvaartverhalen bestonden. Nu wil ik een deeltje van de beschrijving van de hel wat uitvergroten. 

De profeet bezichtigt in de hel verschillende groepen zondaren:

  • Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Gabriël wie dat waren. Hij zei: ‘Dat zijn de mensen die onrechtmatig het bezit van de wezen hebben verteerd.’
  • Toen zag ik mannen, die mager stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. ‘Wie zijn dat?’ vroeg ik Gabriël. Hij zei: ‘Dat zijn degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verboden had.1

De berichtjes zijn dus opgebouwd volgens een bepaald patroon: ‘Ik zag …, ik vroeg: Wie …? … en hij zei: Dit is/zijn … .’ Om als bron voor de kennis van hemel en hel plausibel te worden geacht moest de verteller een man zijn  met een groot religieus prestige, wat Mohammed uiteraard was. In de vroegere apocalyptische teksten is het precies zo. In de Apocalypse van Paulus (4e eeuw) vertelt de apostel:

  • En ik zag een mens, die tot zijn knieën in de vurige stroom stond. Zijn handen waren uitgestrekt en bebloed; wormen kwamen uit zijn mond en neusgaten. Hij zuchtte en weende en riep uit: ‘Ontferm u mijner, want mij wordt meer leed berokkend dan de anderen die deze straf ondergaan. Ik vroeg: ‘Wie is dit, heer?’ Hij zei: ‘Deze man die je ziet is een diaken geweest die de offergaven zelf opat, hoereerde en voor het aangezicht Gods het goede niet deed. Daarom boet hij met deze straf zonder ophouden.’ 2

En in het pre-islamitische Perzische boek Ardā Wirāz (6e? eeuw), vroeger bekend als Arda Viraf, klinkt het zo:

  • En ik zag de ziel van een man, wiens ogen waren uitgestoken en wiens tong was afgesneden; hij was in de hel aan één voet opgehangen, zijn lichaam werd telkens met een tweezijdige koperen kam geharkt, en een ijzeren spijker was in zijn hoofd gedreven. Ik vroeg: ‘Wie is deze man en welke zonde heeft hij begaan?’ Srōsh de vrome en de god Ādur zeiden: ‘Dit is de ziel van die goddeloze rechter, wiens [taak] in de wereld het was de goddelozen te veroordelen, maar hij nam steekpenningen aan en wees leugenachtige vonnissen.’ 3

In een joodse legende is het Mozes die de hel te zien krijgt. Hier wordt de vraag weggelaten:

  • Toen zei Nasargiel tot Mozes: ‘Kom en zie hoe de zondaren in de hel worden verbrand.’ […] Mozes gaf toe en zag hoe de zondaren werden verbrand, de ene helft van hun lichaam gedompeld in vuur en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen vlees tot leven waren gekomen over hen heen kropen en de Engelen van Vernietiging hen zonder ophouden sloegen. Nasargiel zei: ‘Dit zijn de zondaren die incest, moord en afgoderij begaan hebben, die hun ouders en leraren hebben vervloekt en die, zoals Nimrod en anderen, zichzelf goden noemden.’

Ik heb van deze legende  alleen de Engelse bewerking van Ginzberg.4 Het zou kunnen zijn dat deze de tekst wat heeft verkort en de vraag heeft weggelaten; tot zijn bronnen heb ik helaas geen toegang.

Ook hier wordt duidelijk dat het verhaal over Mohammeds hemelreis in een lange traditie staat. De tekst uit Perzië is niet zo oud, maar omdat paradijs en hel Perzische uitvindingen zijn is het denkbaar dat ook dit motief daar al veel eerder bestond.
Dit zijn maar een paar voorbeelden. In de teksten, vooral in Ardā Wirāz, gaat het om hele rijen zondaren, over wie steeds volgens hetzelfde stramien wordt verteld. U kunt zich voorstellen dat de categorieën zondaren naar believen zijn uit te breiden: de buurman, de belastinggaarder enzovoort.

De hel wordt meestal met meer plezier beschreven dan het paradijs. Horror en sadisme zijn nu eenmaal spannender dan eeuwigdurende vreugde. Natuurlijk zullen de beschrijvingen een afschrikkende werking gehad hebben. Maar ook werd de menselijke behoefte aan verhalen over bloederige folteringen erdoor bevredigd, waarin tegenwoordig wordt voorzien door stripverhalen en griezelfilms.

Noten
1. Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 85.
2. Apokalypse des Paulus,’ in: Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung. II. Apostolisches.Apokalypsen und Verwandtes, uitg. W. Schneemelcher, Tübingen 51989, 663ff. (Het hele boek in een Engelse vertaling hier.)
3. Ardā Wirāz Nāmag. The Iranian ‘Divina Commedia’, uitg. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 214. (Het hele boek in een oudere Engelse vertaling hier.)
4. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, ii, 312; bronvermeldingen v, 416–18.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]