Oude artikelen, actueel of uit de diepte opgedolven

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen (bespreking)   Een Libische roman, die speelt in of om de Wadi Mathendous. ‘Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien!’

Waguih Ghali,  Bier in de snookerclub (bespreking)   ‘Ghali werd altijd woedend als hij een schrijver genoemd werd, maar hij was het wél.’

Transculturele dieren: mier en kat

Mier. Toen ik zat te werken aan de Arabische tekst van Gibril ibn Nuh (9e eeuw) die ik wil uitgeven, kwam ik deze beschrijving van de loop der sterren tegen: 

  • Denk aan de sterren en het verschil in hun cirkelbaan. Een aantal verlaat zijn plaats aan het firmament niet en beweegt alleen als groep, maar een aantal verplaatst zich door de hele dierenriem en heeft eigen cirkelbanen. Dus elke ster van de laatste soort heeft twee verschillende banen: een algemene, samen met het hemelgewelf naar het Westen, en de andere van hemzelf naar het Oosten. De Ouden hebben zo’n losse ster vergeleken met een mier die krabbelt op een molensteen. De molensteen maakt een cirkel naar rechts en de mier beweegt naar links, zodat de mier in die situatie twee verschillende bewegingen maakt: een zelfstandige, recht vooruit, en de andere onvrijwillig, samen met de molensteen, die hem naar achteren dwingt.’ 1

Waar zou de auteur die mier vandaar hebben, wie zijn die ‘Ouden’? Ik begon te zoeken in Oudgriekse teksten: Anaxagoras, Anaximenes, Aristoteles; en de christelijke kerkvader Theodoretus van Cyrrhus, aan wie mijn auteur veel heeft ontleend. Ik vond wel iets over de hemel als een wiel, en ook over die tegengestelde beweging, maar de mier heb ik tot nu toe niet aangetroffen. Verontrustend is dat niet; ik beweeg me maar moeizaam in die klassieke teksten en heb ze nog lang niet allemaal gehad. Het zal wel goed komen.

Bij mijn zoektocht heb ik ook gebruik gemaakt van Google, en daar verscheen minstens drie maal ongeveer dezelfde tekst als hierboven, inclusief de mier, maar …. allemaal uit zeer oude Chinese boeken. Een voorbeeld van zo’n Chinese tekst:

  • Zowel de zon als de maan bewegen naar rechts en tegelijkertijd moeten zij de hemel volgen die naar links draait. Hoewel zowel de zon als de maan in werkelijkheid oostwaarts bewegen worden zij [door de rotatie van de hemel] meegesleept, zodat het lijkt alsof zij in het Westen ondergaan. Dit is analoog met een mier die krabbelt op een molensteen: terwijl de molensteen naar links roteert, probeert de mier naar rechts te bewegen. Maar de draaiing van de molensteen is veel sneller dan de beweging van de mier. We zien dan dat de mier gedwongen wordt de beweging van de molensteen te volgen en ogenschijnlijk naar links beweegt. 2

Van het oude China weet ik niets; ik lees alleen dat deze tekst teruggaat op de astronoom Luoxia Hong, die actief was in de eerste eeuw voor Christus. Behoorlijk oud dus, eeuwen ouder dan mijn Arabische tekst.

Kat. Iets als een China-connection was me al eerder opgevallen bij de kat van Mohammed. De profeet zou veel gehouden hebben van zijn kat Mu‘izza, zoals blijkt uit de  volgende, wat obscure overlevering (negende eeuw of veel jonger):

  • De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.3

Dit motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriendje in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Waren er in de Oudheid contacten tussen China en het Nabije Oosten, eventueel Griekenland? Er zal zeker handelsverkeer geweest zijn, maar van literaire beïnvloeding had ik nog niet gehoord. Toch moet die er geweest zijn, in de ene of de andere richting. Van het wiel of de rietfluit kan ik me voorstellen dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Hoe zijn ze overgewaaid, van West naar Oost of omgekeerd? Ik weet het niet — en naar ik vrees andere mensen ook niet.

NASCHRIFT. Een pijlsnelle reactie van Dr. Stefan Hagel uit Wenen heeft mij op twee punten verder geholpen.
Ten eerste wist hij bij welke oude Griek die mier te vinden was. Het is Cleomedes, over wiens leven vrijwel niets bekend is, maar die veel Posidionius citeert, die van ± 135–51 v.Chr. leefde. In zijn Celestia (Over de circulaire bewegingen van hemellichamen, 28.18–30.15 staat een vergelijkbare tekst van Posidonius, alleen krabbelt de mier daar op een pottenbakkerswiel: εἰκασθείη δ᾿ ἂν καὶ μύρμηξιν ἐπὶ κεραμεικοῦ τροχοῦ τὴν ἐναντίαν τῷ τροχῷ προαιρετικῶς ἕρπουσιν. (De hele Griekse tekst hier).
Ten tweede wijst hij op de intellectuele uitwisseling tussen het hof van de Chinese keizer Hàn Wǔdì (156–87 v.Chr.) en het hellenistische Bactrië in de tijd van de bovengenoemde astronoom Luo Xia Hóng (ca. 130–70 v.Chr.). Wie het eerste was met die mier, en hoe het van die pottenbakkersschijf tot een molensteen gekomen is blijft nog te verklaren.

NOTEN
1.

فكِّر في النجوم واختلاف سيرها. ففرقة منها لا تريم مراكزها من الفلك ولا تسير الاّ مجتمعة، وفرقة مطلقة تتنقل في البروج وتفترق في مسيرها. فكل واحد منها٣ يسير مسيرين مختلفين: أحدهما عام مع الفلك نحو المغرب والآخر خاص لنفسه نحو المشرق. وقد شبه الأولون هذه المطلقة بنملة تدب على رحى. فالرحى تدور ذات اليمين والنملة تدور ذات اليسار، فان النملة على تلك الحال تتحرّك حركتين مختلفتين: احداهما بنفسها متوجّهة أمامها والأخرى مستكرهة مع الرحى تجذبها الى خلفها.

2. Ho Peng Yoke, Li, Qi and Shu. An Introduction to Science and Civilization in China, Mineola NY (Dover) 1985, 127.
3. Annemarie Schimmel, Die orientalische Katze. Geschichten, Gedichte, Sprüche, Lieder und Weisheiten, München [1989], blz. 11. Helaas ontbreekt zowel hier als in de Wikipedia een bronvermelding.

Terug naar Inhoud

Verdrongen Oudheid: Perzië

Vandaag eens niet over een Arabisch of islamitisch onderwerp, maar over het oude Perzië, dat echter niet zonder belang is voor arabisten en islamologen. Wie enige belangstelling heeft voor Oude Geschiedenis heeft ook iets over Perzië gehoord of gelezen. Een enorm en machtig rijk: Achaemeniden, Cyrus, Persepolis, Ahasverus, Darius, slag bij Thermopylae, Xerxes’ mislukte poging Zuid-Griekenland te veroveren. Een rijk dat Alexander der Grote tenslotte in etappes heeft verslagen en door zijn eigen wereldrijk heeft vervangen: de slag bij Issus 333, bij Gaugamela 331 v. Chr. Maar over wat er daarna kwam is er meestal maar heel weinig bekend. Seleuciden, Arsaciden, Gondishapur, anyone? In de Oude Geschiedenis, die traditioneel vooral de Grieks-Romeinse wereld behandelt, kwam allicht de naam Parthen nog kort ter sprake, de Perzen die eeuwig oorlog voerden met de Romeinen. Daarna doemde Perzië weer even op bij de Arabische verovering in ± 640, maar dat was maar heel kort, want de Arabieren maakten voorgoed een eind aan dat rijk. Perzië, ofwel Iran, viel voortaan onder ‘de Islam’, en dat is een ander hoofdstuk.

Over de behandeling van Perzië in onze Oude Geschiedenis heb ik onlangs veel belangwekkends gevonden in twee boeken, die ik allebei aanbeveel en vertaling in het Engels toewens:

– Jona Lendering, Xerxes in Griekenland. De mythische oorlog tussen Oost en West, Utrecht (Omniboek) 2019. 208 blzz.
– Thomas Bauer, Warum es kein islamisches Mittelalter gab. Das Erbe der Antike und der Orient, München (Beck) 2018, paperback 2020. 175 blzz.

Ik begin maar met Bauer. De vraag van zijn titel: waarom er geen islamitische middeleeuwen waren, is ook heel belangrijk en moet hier een andere keer ter sprake komen, maar ik wil het nu hebben over het vergeten Perzië. Hij heeft (blz. 90–99) een onderzoekje gedaan in twee gezaghebbende en wijd verbreide Duitse algemene geschiedwerken,1 en moest constateren dat Perzië tussen de val van het rijk in 331 v. Chr. en de verovering door de Arabieren ± 640 na Chr. in die boeken straal genegeerd wordt! Een kleine duizend jaar worden dus niet behandeld. Hier daar een halve bladzij over handelscontacten en over de oorlogen tussen de Parthen en het Romeinse Rijk, maar verder niets! Alsof het Perzische Rijk helemaal niet bestond, of nooit iets anders deed dan Romeinen dwarszitten. Natuurlijk zijn er specialisten die beter weten, maar dit zijn twee algemene inleidingen en daarin verdienden duizend jaar Perzische geschiedenis blijkbaar geen plaats. Tussen de Mediterrane wereld en India lag kennelijk een vacuum, en niet zo’n kleintje ook. Perzië besloeg immers ook Irak, Pakistan, Afghanistan en delen van Centraal-Azië.
.
Om te begrijpen hoe dat zo gekomen kunnen we bij Jona Lendering terecht. Die vertelt in zijn Xerxes gedetailleerd over diens veldtocht tegen de Zuidgriekse stadstaten, over zijn enorme leger en vloot, over de slag bij Thermopylae (480 v. Chr.; jubileumjaar?), over zijn plundering van Athene en hoe hij bijna vaste voet had gekregen in Zuid-Griekenland, maar toch onverrichterzake terug moest keren, waarna enige Griekstalige gebieden en eilanden zich uit zijn rijk wisten los te maken. Maar let op de ondertitel van zijn boek: de mythische oorlog tussen Oost en West.
.
In de negentiende, eigenlijk al in de achttiende eeuw, zag men de strijd van de oude Grieken tegen de Perzen als een clash of civilisations, al heette het nog niet zo. Perzië was het verachtelijke oosten, pervers en verwijfd, een akelige despotie met een zwemmerige religie, terwijl onze marmerblanke Griekse voorvaderen stonden voor alles wat goed en mooi was: vrijheidszin, democratie, rationaliteit, wetenschap. In extreemrechtse kringen, die minder in democratie en wetenschap geïnteresseerd zijn, worden de Griekse deugden tegenwoordig soms samengevat als moed, eer en trouw—het lijken wel Vikingen! Terwijl de Grieken als leeuwen vochten uit liefde voor de vrijheid en het vaderland, waren de Perzische soldaten alleen met zweepslagen vooruit te branden—voor wie het gelooft.
Onze cultuur, zo dacht men, had nooit bestaan als Xerxes met zijn Perzen toen Zuid-Griekenland hadden ingelijfd. Dan hadden we geen democratie, geen Olympische spelen en geen schoolvak wiskunde gehad. Onze beschaving is maar op het nippertje gered, want in een door Perzië bezet Athene was het zowel met vrijheid als met rationaliteit en wetenschap gedaan geweest. Geen wonder dat deze mythe bloeide in de negentiende eeuw, de tijd van het oriëntalisme, toen het beschaafde Europa zich in contrast zag met een verachtelijke en te onderwerpen ‘despotische’ Oriënt.
.
Maar de oorlog tegen Xerxes was geen Oost-West conflict. De Griekse strijdbond die uit verschillende stadstaatjes bestond, was maar moeilijk bij elkaar te houden. Verschillende staatjes wilden niet mee doen, andere deden wel mee, maar hadden in hun hart veel sympathie voor Perzië; verraad was er ook en toen Xerxes weer weg was kregen ze het onderling weer aan de stok. En hoe meer we over de Oudheid leren, des te beter begrijpen we, dat die clash of civilisations helemaal niet bestond. Griekenland heeft in de oudste Oudheid enorm veel geleerd van Egypte en Babylonië, waar de wetenschap op een zeer hoog niveau stond. Het Griekse schrift stamt af van het Phoenicische. De Griekse steden in Klein-Azië en op Cyprus die onder Perzisch gezag vielen hadden directe toegang tot de Perzische cultuur. Wat later waren het weer de Grieken die hun beschaving en wetenschap naar Egypte en het Oosten brachten. In het algemeen kan men spreken van een grote mengcultuur, waarin er nauwelijks grenzen waren.
.
Die mythe van de oorlog tussen Oost en West is al honderd jaar onttakeld, maar duikt in half-ontwikkelde kringen toch telkens weer op, en daarom is het goed dat Lendering, met name in zijn slothoofdstuk, naar de oorsprong daarvan heeft gespeurd.
Hij begint bij de Spartaanse koning Leonidas, die bij Thermopylae gesneuveld was. Dat was pijnlijk: de aanvoerder van een soldatenvolk, die bovendien een afstammeling van de halfgod Heracles was. Herodotus meldt echter een orakel uit Delphi, dat kort na deze ramp moet zijn bedacht. Daarin werd de koning voorzegd dat hij óf zelf het leven zou laten óf zijn stad vernietigd zou zien. Leonidas had dus niets eervollers kunnen doen dan zich opofferen om zijn stad te redden. Zo werd de eer postuum gered en de bitterheid van zijn dood enigszins verzoet. Herodotus bericht echter ook over een gesprek van een Spartaan in Perzische dienst, die aan de koning uitlegt hoe het zit met de Spartanen. ‘In een tweegevecht weren zij zich even goed al ieder ander, maar als totale strijdmacht zijn zij onverslaanbaar. Ze zijn wel vrij, dat is waar, maar niet in elk opzicht, want zij gehoorzamen aan een heer. En die heer is de wet!’2 De gesneuvelde Leonidas had dus die wet gevolgd, wat ook heel nobel was. Die wet heeft ook volgens het grafschrift van de gesneuvelde Spartanen de hoofdrol gespeeld: ‘Vreemdeling, meld de Spartanen dat wij hier liggen, overtuigd van hun woorden.’3 Dat laatste kan ook worden begrepen als: ‘gehoorzaamd hebbend aan hun wetten’. In de vertaling van Cicero klinkt het meteen een stuk pathetischer: ‘… terwijl wij de heilige wetten van het vaderland gehoorzaamden.’4 De Griekse dichter Pindaros riep uit over een ander slagveld in deze oorlog: ‘Dit is waar de zonen der Atheners het roemrijke fundament van de vrijheid legden.’5 Die oorlog werd dus steeds mythischer, en dat ging nog door in de achttiende en negentiende eeuw, toen dit werd opgepakt in Europa. Het contrast tussen het dappere, vrijheidslievende, democratische Griekenland en het verachte Perzië werd steeds groter.
.
Die afkeer en verachting zullen ervoor hebben gezorgd dat Perzië uit de populaire geschiedschrijving verdween. In de tijd van Xerxes en van Alexander de Grote mocht Perzië een rol spelen, namelijk als de vijand die nederlagen leed. Maar in de volgende duizend jaar, onder de Seleuciden, Parthen, Arsaciden en Sassaniden, was Perzië wederom een sterk rijk met een bloeiende economie en beroemde centra van wetenschap, bij voorbeeld in de Academies van Nisibis en Gondishapur, waar de grondslagen voor de moderne geneeskunde werden gelegd, terwijl men in het Oostromeinse Rijk liever debatteerde over de naturen van Christus. Sterke, succesvolle Perzische rijken pasten echter niet bij de Europese visie op de Oudheid; daarom moesten zij vergeten worden. Van de bestudering van de vroege islam komt echter niets terecht wanneer niet ook het Perzië der Sassaniden erin betrokken wordt. Gelukkig wordt dat steeds meer ingezien.

Het zou me niet verbazen als die oude houding ten opzichte van Perzië ook in onze tijd een rol speelt. Het land, nu meestal op zijn Perzisch Iran genoemd, wordt als vijand gezien en moet bestraft worden, waarvoor dan ook, en het liefst vernietigd.

NOTEN
1. H.J. Gehrke, Geschichte der Welt. Die Welt vor 600, en dtv-Atlas Weltgeschichte.
2. Lendering, Xerxes, 173.
3. Simonides: Ὦ ξεῖν᾿, ἀγγέλλειν Λακεδαιμονίοις ὅτι τῇδε κείμεθα τοῖς κείνων ῥήμασι πειθόμενοι.
4. Cicero, Tusc. Disp. (i, XLII, 101): Dic, hospes, Spartæ nos te hic vidisse iacentes, dum sanctis patriæ legibus obsequimur.
5. Plut. de Herod. 34: ὅθι παῖδες Ἀθαναίων ἐβάλοντο φαεννὰν κρηπῖδ᾽ ἐλευθερίας.

Terug naar Inhoud

Steniging in Istanbul?

Gisteren werd hier op de Duitse TV een televisiebewerking van Agatha Christie’s Murder on the Orient Express vertoond, in 2010 geproduceerd door Philip Martin op een scenario door Stewart Harcourt,  met David Suchet als Poirot. Het boek verscheen op 1 januari 1934. De ontvoering en vermoording van de Lindbergh-baby in maart 1932 speelt er een belangrijke rol in. De handeling van het boek is dus in 1932–33 te plaatsen, toen die moord nog niet was opgehelderd.
.
Voordat de trein uit Istanbul vertrekt zijn Poirot en enkele medespelers, ook buitenlanders, getuigen van de openbare steniging van een overspelige vrouw, zomaar midden op straat in hartje Istanbul. Dit kwam mij zo absurd voor, dat ik het even nagezocht en bij een collega nagevraagd heb.
.
In het Ottomaanse rijk werd er nooit gestenigd op grond van een gerechtelijk vonnis—ja, één keer, in 1680, maar dat leverde toen een enorm schandaal op. De doodstraf werd op andere manieren voltrokken. De steniging kwam formeel wel in het rechtssysteem voor: het is een ‘recht Gods’ en Gods rechten kun je nu eenmaal niet schrappen, maar je kunt ze wel tot dode letter laten worden en dat is wat er gedaan werd: in werkelijkheid werd het nooit in praktijk gebracht. In 1926 was bovendien het hele religieuze recht in Turkije al grondig afgeschaft en vervangen door Zwitsers burgerlijk recht en Italiaans strafrecht. Daar kwam dus in geen velden of wegen steniging in voor, zelfs niet puur theoretisch.
.
Iets anders is, dat er in Turkije wel zoiets als een spontane lynch-cultuur bestond—en zelfs ten dele nog bestaat, vooral in het Oosten des lands. Maar het is volstrekt ondenkbaar dat zo’n spontane steniging in de vroege jaren dertig midden in Istanbul heeft plaatsgehad. Het Atatürk-regime wilde modern zijn en spande zich in om alles wat Ottomaans was als verouderd en achterlijk voor te stellen. Als er al iemand op het idee gekomen zou zijn, in het openbaar iemand te willen stenigen zou dat tot een onmiddellijk politie-ingrijpen en zware straffen voor de stenengooiers hebben geleid. Dat zou gewoon moord zijn, net als overal elders.
.
Collega Pierre Hecker gaf mij een krantenartikel uit de vroege jaren dertig, waarin zogenaamd een steniging uit de Ottomaanse tijd wordt getoond, inderdaad midden in Istanbul. Een vrouw met los haar (volgens de laatste mode) en een suggestief gescheurde jurk wordt aangevallen door een menigte woedende, getulbande mannen, onder wie zelfs een gezagsdrager te paard. Maar zoals gezegd, zulke stenigingen hebben in de oude tijd nooit plaatsgehad. Het is pure fictie, die hier in dienst is gesteld van de staatspropaganda: kijk, zo was het vroeger, maar tegenwoordig zijn wij modern. Atatürk gaf dus een verkeerde voorstelling van ‘de islam’; hij gedroeg zich als een oriëntalist.
.
Die steniging kwam niet voor in Christie’s detectiveroman en is pas voor de televisiebewerking van 2010 door de scenarioschrijver erbij gesleept. Het is een kwalijk geval van ‘oriëntalisme’. En dat in een filmwerk waarin de overige details van de toenmalige werkelijkheid zo precies kloppen! Het ‘detail’ steniging klopt beslist niet. Harcourt heeft noch de hervormingen van Atatürk, noch diens propaganda begrepen. Zijn steniging is misleiding, typisch voor onze tijd, waarin het eveneens gebruikelijk is geworden, een verkeerde voorstelling van ‘de islam’ te geven.
.
Alsof dit nog niet genoeg was: de lezers/kijkers kan dit blijkbaar helemaal niet schelen. In het internet heb ik een klein onderzoekje gedaan naar dit boek en deze verfilming en stuitte daarbij op een flink aantal besprekingen. De meeste besprekers vonden deze verfilming niet zo geslaagd, om allerlei redenen, maar niet vanwege die steniging. Velen gaan in hun beschrijving van de inhoud volledig aan de steniging voorbij. Anderen noemen hem even, alsof zoiets volkomen vanzelfsprekend is: ja, zo ging dat blijkbaar in Turkije. Ik vond één bespreking door iemand met een Arabische naam; die vond de steniging gratuitous, maar reageert verder niet bijzonder heftig; of misschien had hij het al opgegeven. De stilte van al die anderen is verontrustend.

StenigingIstanbul Kopie

“De steniging van een zondige echtgenote”

OPMERKING: Ik moet een klein voorbehoud maken: tot heden heb ik het boek van Christie niet zelf onder ogen gehad. Maar uit mijn onderzoekje is indirect gebleken dat de steniging er niet in voorkomt. Mocht toch het tegendeel het geval zijn zal ik het bovenstaande veranderen.

Terug naar Inhoud

De draak en de wolken: een godsbewijs

Weer een fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-i‘tibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ, een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), vermoedelijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik o.a. al fragmenten gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man, de menselijke stem en de giraf. In het gedeelte over de dieren wordt ook de draak (tinnīn) behandeld. Hier is niet het beest zelf godsbewijs, maar de wonderbaarlijke bescherming die God de mensen ertegen biedt:

  • ‘Hebt ge gehoord wat er verteld wordt over de draak (tinnīn) en de wolken? Er wordt gezegd dat de wolken als het ware de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het vinden, net zoals een magneetsteen (ḥajar al-maghnāṭīs) ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, en hij komt slechts af en toe naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.
    Waarom werd de wolken opgedragen op de loer te liggen voor de draak en hem te grijpen wanneer ze hem vinden, als het niet was om de mensheid te beschermen voor de schade die hij aanricht?
    Als ge nu vraagt waarom de draak überhaupt werd geschapen, is ons antwoord: om angst aan te jagen en te intimideren, en als voorbeeldige straf op het passende moment. Het is als een zweep die in een huis hangt om de bewoners bang te maken en af en toe van de muur wordt gehaald om te straffen en te vermanen.’1

De tinnīn is een groot beest uit het Midden Oosten kwam al in Ugaritische teksten voor. In de Hebreeuwse bijbel is תַּנִּין , תַּנִּינִים, tannīn, mv. tannīnīm, een kwaadaardig en bedreigend monster, groot en meestal voorkomend in het water, bij voorbeeld een veelkoppig zeemonster, dat soms Leviathan heet (bijv. Jesaja 27:1), maar het kan ook een slang zijn of zelfs een krokodil.2
In de Griekse bijbelvertaling der Septuaginta wordt het woord soms vertaald met κήτος, kètos, maar meestal met δράκων, drakōn, ‘draak’,
In het Syrisch heet hij ‫ܬܢܝܢܐ‬‎ tannīnā, mv. tannīnē, wat ‘draak’ betekent, maar ook ‘Draco’, d.w.z het sterrenbeeld van die naam. Ook in de Syrische bijbel staat tannīnā, maar ik heb niet alle plaatsen nagetrokken.

Bij Aristoteles (HA viii) vond ik δράκων, drakōn, alleen als naam voor een bepaalde soort slangen, niet voor iets groters. De tweede-eeuwse dierenschrijver Aelianus kende wel de ‘grote’ draak. In Ethiopië worden ze wel 180 voet lang, in Phrygië 60 voet. Ze happen hele vogels uit de lucht en liggen ze op de loer voor om de schapen te onderscheppen die ’s avonds terugkeren van de wei. Onder hen richten ze een bloedbad aan; soms pakken ze de herder ook nog mee. Aardig om te lezen, maar niet relevant voor onze tekst. (Ael. NA ii, 11)

Volgens de negende-eeuwse Arabische dierenschrijver al-Djāḥiẓ is de tinnīn het grootste dier dat er bestaat.3 Men heeft er waargenomen in Syrië en Bahrein. Al-Djāḥiẓ vertelt dat er bij Anṭākiya (Antiochië) een uit zee was gekomen die een verwoestend spoor over de streek had getrokken en het bovenste derde van een minaret door een klap met zijn staart had vernield.4
Verder bericht al-Djāḥiẓ over een tamelijk heftig meningsverschil, dat opkwam over de vraag of de tinnīn wel echt bestond: sommigen ontkenden dat, anderen verzekerden dat ze er werkelijk een hadden gezien.5

De kosmograaf en encyclopedist al-Qazwīnī leefde in de de dertiende eeuw. Sinds al-Djāḥiẓ was er heel wat kennis over de draak bij gekomen. Hij schrijft: 

  • ‘De tinnīn is een dier van een geweldige omvang, vreeswekkend om te zien, lang en breed van lijf, met een grote kop, bliksemende ogen, een wijde bek en buik, met vele tanden, dat ontelbare andere dieren verslindt en waarvoor de waterdieren bang zijn vanwege zijn enorme kracht’… enz.6

Ook de in Anṭākiya aangerichte schade was in de loop de eeuwen heel wat groter geworden: volgens al-Qazwīnī zou het monster niet een derde deel van een minaret, maar tien torens van de stadsmuur hebben vernield! Deze auteur heeft nog meer sterke verhalen over de draak. Zo is er een lang verhaal over hoe die eerst een landdier was, maar de andere landdieren zich bij de Heer beklaagden omdat hij er zoveel van hen opvrat. Daarop zond God een engel die hem optilde en in zee smeet. Na een poosje hadden de zeedieren dezelfde reden tot klagen ‘en nu stuurt God andermaal een engel naar hem toe, om zijn kop uit de zee te trekken. Dan daalt er een wolkenmassa op hem neer, die hem wegsleept en naar Gog en Magog slingert.’7
Ook hier zijn het dus wolken waarmee het monster getemd wordt. En er is nog een ander fragment met wolken:

  • Er wordt gezegd dat de wolken die de opdracht krijgen om hem vast te grijpen zodra ze het zien, net zoals een magneetsteen ijzer vastgrijpt. Daarom steekt een draak zijn kop niet uit de diepte van de aarde, uit angst voor de wolken, maar hij komt in de zomer naar buiten, als de lucht helder en zonder een wolkje is.

Dit komt verregaand overeen met enkele zinnen uit bovenstaande tekst van Gibril! Filologen zijn altijd blij zoiets te ontdekken, omdat het inzicht geeft in hoe een tekst is overgeleverd en hoe de ideeën zijn gereisd. Het is denkbaar dat al-Qazwīnī uit Gibrīls tekst heeft overgeschreven, maar dat hoeft natuurlijk niet: er kan nog een tussenschakel zijn, of beide auteurs hebben een gemeenschappelijke bron gehad.8

Natuurlijk twijfelden ook zeelui niet aan het bestaan van de tinnīn; zij hadden er soms beangstigende ervaringen mee. In een tekst uit de negende of tiende eeuw heet het:

  • ‘Naar men zegt zijn er in de zee enorme, angstaanjagende slangen die tinnīn heten. Als in hartje winter de wolken over het zeeoppervlak scheren, komt de tinnīn omhoog uit het water, omdat hij last heeft van de warmte van de zee, want in de winter is het zeewater zo warm als een kookpot. De tinnīn wordt in de koude van de wolken gevangen en als de wind dan opsteekt boven het zeeoppervlak stijgen de wolken omhoog en nemen hem mee. De zich opstapelende wolken trekken van de ene kant van de horizon naar de andere, en als zij hun regen kwijt zijn geraakt worden zij lichte stofwolken die in de lucht zweven en uiteenvallen door de wind. De tinnīn heeft niets meer dat hem ondersteunt en valt neer in zee of op het land. Als God het kwade voorheeft met een volk laat hij er een terecht komen op hun land, waar hij hun kamelen, paarden, runderen en schapen verslindt en hen te gronde richt. De tinnīn blijft daar tot hij niets meer te vreten vindt en sterft, of tot God de mensen van hem verlost.
    Zeelui en reizigers, kooplui en kapiteins hebben mij verteld dat zij hem meermalen over hun hoofden hebben zien passeren: zwart en langgerekt in de wolken. Als de wolken neerdalen daalt hij af naar de onderste laag ervan en laat soms het eind van zijn staart in de lucht hangen. Maar als hij de koude van de lucht voelt verwijdert hij zich, verheft hij zich in de wolk en wordt onzichtbaar. Gezegend zij God, de beste der scheppers!’9

Trombe

NOTEN
1.

هل سمعت ما يتحدث به عن التنّين والسحاب؟ فانّه يقال انّ السحاب كالموكل به يختطفه حيث ما ثڤفه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، حتّى صار لا يطلع رأسه من بطن الأرض خوفًا من السحاب، ولا يخرج في الفرط الاّ مرة اذا أصحت السماء فلم تكن فيها نكتة من غيم. فلِم وكِّل السحاب بالتنّين يرصده ويختطفه اذا وجده الاّ ليرفع عن الناس مضرته؟ فان قلت: ولم خُلق التنّين أصلاً؟ قلنا: للتخويف والترهيب والنكال في موضع ذلك. فهو كالسوط المعلَّق يخوّف به أهل البيت وينزل أحيانًا للتأديب والموعظة.

2. Michaela Bauks, Art. ‘Tannin’ van 2019 in Das Wissenschaftliche Bibellexikon im Internet (WiBiLex).
3. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii: 105.
4. al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 154.

ومِمَّا عظَّمها وزادَ في فَزَع النَّاس منها الذي يرويه أهل الشام وأهْل اْلبَحْرَيْن وأهل أنطاكِيََة وذلك أنِّي رأيتُ الثلث الأعلى من منارة مسجد أنطاكِية أظهرَ جدًَّة من الثلثين الأسفلين فقلت لهم: ما بال هذا الثلثِ الأعلى أجدَّ وأطْرى؟ قالوا: لأنّ تِنِّينًا تَرَفّعَ مِنْ بَحْرنا هذا، فكان لا يمرُّ بشيءٍ إلاّ أهلكه. فمرَّ على المدينة في الهواء محاذيًا لرأس هذه المنارة وكان أعلى ممَّا هي عليه فضربه بذنبهِ ضَرْبًَة حَذفت من الجميع أكثرَ من هذا المقدار فأعادوه بعد ذلك ولذلك اختلفَ في المنْظر.

5. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān iv: 155:

الخلاف في التنين ولم يزل أهل البقاع يتدافعون أمْرَ التِّنِّين ومن العجب أنّكَ تكون في مجلس وفيه عِشروُن رَجُلا فيجري ذكرُ التِّنِّين فينكرهُ بعضهم وأصحاب التثبت يدَّعون العِيان والموضع قريب ومَنْ يعاينهُ كثير وهذا اختلافٌ شديد.

6. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132:

تنين حيوان عظيم الخلقة هائل المنظر طويل الجثة عريضها كبير الرأس براق العينين واسع الفم والجوف كثير الأسنان يبلع من الحيوانات عددا لا يحصى تخافه حيوانات الماء لشدة قوّته … الخ.

7. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 132. Gog und Magog woonden ergens in de Kaukasus.

فيبعث الله اليها ملَكا ليخرج رأسها من البحر فيتدلى لها سحاب لها سحاب فيحتملها ويلقيها الى ياجوج وماجوج.

8. Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib 133. In de laatste zin is de tekst duidelijk corrupt (قيظ gelezen i.p.v. فرط)

ويقال انّ السحاب الموكل به يختطفه حيث ما رآه كما يختطف حجر المغناطيس الحديد، فهو لا يطلع رأسه من الماء خوفًا من السحاب، ولا يخرج في القيظ اذا أصحت السماء..

9. Al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, 41-42:

وحدثت أن في البحر حيات يقال له التنين عظيمة هايلة إذا مرت السحاب في كبد الشتاء على وجه الماء خرج هذا التنين من الماء ودخل فيه لِما يجد في البحر من حرارة الماء لان ماء البحر في الشتاء يسخن كالمرجل فيُسجَن هذا التنين ببرودة السحاب فيها وتهبّ الرياح على وجه الماء فترفع السحاب عن الماء ويستقلّ التنين في السحاب وتتراكم وتسير من أفق الى أفق فإذا استفرغت مما فيها من الماء خفّت وصارت كالهباء وتفرّقت وقطعتها الرياح فلا يجد التنين ما يتحامل عليه فيسقط إما في بحر وإما في البر فاذا أراد الله تعالى بقوم شرا أسقطه في أرضها فيبتلع جمالهم وخيلهم وأبقارهم ومواشيهم ويهلكهم ويبقى حتى لا يجد شيئا يأكله فيموت أو يهلكه الله سبحانه عنهم.

BIBLIOGRAFiE
– Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 vols., Cairo 1938–47.
– Al-Qazwīnī, ‘Adjā’ib: Zakarija Ben Muhammed Ben Mahmud el-Cazwini’s Kosmographie, uitg. Ferdinand Wüstenfeld. Die Wunder der Schöpfung – aus den Handschriften der Bibliotheken zu Berlin, Gotha, Dresden und Hamburg, Göttingen, 1849.
– Bozorg ibn Shahriyār al-Rāmhurmuzī, ‘Adjā’ib al-Hind, uitg. P. A. van der Lith, Leiden 1883–86 (met Franse vertaling).

Terug naar Inhoud

Het Westen: een terugblik

Het Westen, wat was dat ook alweer? Het domineerde de wereld sinds eeuwen, maar vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw, en nu hoor je er niet meer over. De Oriënt, die ouder was, was een buitengewoon vaag concept, dat nauwelijks buiten de geesten van westerlingen bestond. Het was een schilderachtig, maar achterlijk gebied, waartoe in de keizertijd zelfs ons land gerekend werd! Wie herinnert zich niet de foto van het bordje in het Huangpu park in Shanghai: ‘No dogs or Chinese allowed’? Het Westen was makkelijker te definiëren: het bestond uit een heleboel kleine staatjes in West-Europa, plus ‘Groot’-Brittanië en de vroegere Britse koloniën, voor zover die overwegend door blanken bewoond werden, dus Canada, de Verenigde Staten, Australië, Nieuw- Zeeland en her en der nog wat eilandjes, propvol brievenbussen en bankfilialen.
.
Het Westen was dus een los verband van staten, hoewel dat onderlinge oorlogen nooit had uitgesloten. Met de geplande eenwording van Europa is het nooit veel geworden. De bevolking was blank, Kaukasisch zoals het ook wel heette. Technologisch liep het voorop. Terwijl wij hier nog feesten vierden met vuurwerk schoten ze daarginds met buskruit al hele steden in puin. Ze hadden de beste schepen en de beste wapens, wat hen oppermachtig maakte. Grote delen van de wereld werden door hen economisch uitgebaat en uitgekleed tot op het bot, wat vaak, vooral in de vroege tijd, gepaard ging met territoriale verovering. Portugezen en Spanjaarden waren ermee begonnen, maar Engelsen, Fransen, Nederlanders en Belgen deden het genadelozer. Allen hadden ze een diepe minachting voor de arme sloebers in hun koloniën, die zij zelf de armoe in hadden geschopt, in de oost en de west, in het zuiden, de derde wereld of hoe ze het verder maar noemden. De Verenigde Staten van Amerika had vrijwel geen koloniën, maar wist later de methoden van exploitatie nog te perfectioneren zonder er de eigen onderdanen heen te sturen—wat de rest van het Westen dan weer overnam.
.
Het Westen, daar wilde vroeger iedereen wel bijhoren. Maar dat mocht niet, het was alleen voor landen met een overwegend blanke bevolking. Wat was er zo aantrekkelijk aan? Het Westen was lange tijd het modernste deel van de wereld; geen wonder ook, met al dat geroofde geld en goed uit het niet-Westen. Het geld vloeide vrij, meestal zonder inmenging van de staat. Ook de markt was vrij, wat individuen in staat stelde grote rijkdommen te vergaren, en voorzag in de goede tijd vrijwel alle burgers met een ongekende weelde aan voedingsmiddelen en goederen, waarbij de staat bleef zorgen voor defensie, politie en gevangeniswezen, wegen, spoorwegen en waterleiding, zorg voor zieken en bejaarden, onderwijs en cultuur. Dat leek dus een goed idee, tot de staten hun greep op deze zaken begonnen te verliezen, zodat bij voorbeeld spoor en waterleiding toch in particuliere handen geraakten, of zelfs gevangenissen, legers, ziekenhuizen, scholen en universiteiten als privé-ondernemingen werden gerund. De eis van de markt, dat alles winstgevend moest zijn, zorgde voor de afbraak van deze elementaire voorzieningen, zoals uiterlijk tijdens de Corona-crisis pijnlijk duidelijk werd. De markt bleek toen bij voorbeeld niet in staat om voldoende medische hulpmiddelen te fabriceren toen die nodig waren. Eertijds bekende industrielanden slaagden er niet in van de fabricage van SUV’s snel om te schakelen op die van mondkapjes, test kits of ventilatoren. Waar jonge ondernemers probeerden zulke zaken te fabriceren stieten zij op een muur van bureaucratische en juridische vijandigheid: ze hadden patenten geschonden! Landen die nog tijdens de tweede grote oorlog in de twintigste eeuw in een zucht miljoenen wapens fabriceerden en veldlazaretten bij dozijnen uit de grond stampten, slaagden er nu niet in wat medische voorzieningen te creëren, zodat ze bij ons moesten aankloppen. De bouw van een ziekenhuis duurde in die landen soms wel een jaar! Daardoorheen speelde nog het ‘probleem’ van de buitenlandse werkkrachten, wier immigratie en deelname aan het arbeidsproces systematisch werd bemoeilijkt, zelfs als het artsen of verpleegkrachten betrof.
Door de langzame en onverstandige aanpak van Corona en de daaruit voortvloeiende lange stillegging van grote delen van de productie werden de westerse economieën ondermijnd, zodat het zwaartepunt van de wereld definitief naar onze streken verschoof.
.
Ook de democratie had aanvankelijk een goed idee geleken. Niet de adel of een klasse van heersers zou het voor het zeggen hebben, maar het volk zelf. Maar de meeste stemmen golden, en omdat het grootste deel van de mensheid nogal dom is werden er op den duur alleen verkeerde leiders gekozen—iets wat in de negentiende eeuw al was voorzien en wat al eens gebleken was na een noodlottige Duitse verkiezingsuitslag in de jaren dertig—waaruit men echter geen lering had getrokken.
.
De persvrijheid was eveneens zo’n historische fout. Die vrijheid bestond misschien in provinciale media, maar de grote dagbladen en televisiezenders geraakten in handen van boosaardige miljardairs die er aardigheid in hadden, samenlevingen te ontwrichten. Bovendien werd er flink gestookt en gehetst vanuit vijandige landen, die zich eenvoudig toegang wisten te verschaffen tot de digitale media.
.
De Corona-crisis luidde het einde van het Westen in, maar het verkeerde al enige tijd in staat van ontbinding. De uiterste consequentie van het democratische systeem werd zichtbaar toen inderdaad de domste en immoreelste leiders gekozen werden, met behulp van kwade krachten uit een buitenland, dat invloed nam op het verkiezingsgebeuren zelf. In de Verenigde Staten werd het ergst denkbare onbenul tot president gekozen, die de positie van het land als wereldmacht al spoedig ondermijnde en een breuk in het Westen veroorzaakte, en zelfs in zijn eigen land. Groot-Brittannië volgde met de wat minder domme, maar eveneens volledig immorele premier, die het land losweekte van Europa. Op het Europese vasteland waren er staatjes die de corona-crisis benutten om het ‘juk’ van de would-be hoofdstad Brussel en van de democratie af te schudden: Hongarije, Polen en kort daarna dat landje bij de zee, dat moet ik naslaan.
In de zomer van 2020 kreeg de Amerikaanse president de Corona, maar die kwam hij te boven, wat zijn volk in een religieuze jubelstemming bracht. Als dit niet een teken van God was! Hij voelde zich naar eigen zeggen sterker dan enige Amerikaanse president ooit, werd in de chaos waarin Corona de verkiezingen had doen verzinken min of meer herkozen en stelde het erfelijk presidentschap in. Zoiets als wanneer wij het keizerschap weer zouden invoeren; stel u eens voor! De regering probeerde zo goed mogelijk om hem heen te regeren.
.
In de late twintiger jaren was het wel bekeken met het Westen en de gebieden raakten spoedig op het tweede, zo niet derde plan. Het begrip Westen verdween niet geheel, maar werd geleidelijk aan verbannen naar de geschiedenisboeken.
Dat betekende niet dat die zogenaamde ‘westerse waarden’ ook meteen verdwenen waren. Toen wij een Corona-vaccin uittestten op heropgevoede Oeigoeren waren de protesten daarginds niet van de lucht, uit de macht der gewoonte. Maar die Oeigoeren waren natuurlijk vrijwilligers, dat spreekt toch vanzelf! Tegelijkertijd werden er dertig miljoen vaccins bij ons besteld. Meer niet, want daarvoor ontbrak het geld, maar bij die bestellingen hoorde je nooit iets over mensenrechten.
.
Het ware wezen van de westerse beschaving werd eveneens zichtbaar tijdens de Corona-crisis, toen bleek dat alle westerse volkeren hun achterste na de stoelgang afwisten met … papier. We kunnen daar nu hartelijk om lachen, maar het was evengoed een schrikbarend gebrek aan hygiëne! Tijdens de crisis werd dat papier door westerlingen massaal gehamsterd—zij leken aan te voelen dat ze zonder papier hun ‘identiteit’ zouden verliezen—en inderdaad, zo is het gegaan. In die landen definieert vrijwel niemand zich meer als westmens.

Terug naar Inhoud