Oude artikelen, actueel of uit de diepte opgedolven

Ibrahim al-Koni, Bloedende steen (bespreking)   Een Libische roman, die speelt in of om de Wadi Mathendous. ‘Al op de eerste bladzijde wordt het gebed van Asoef verstoord door vechtende en paringslustige geiten. De wetgeleerden hebben altijd veel aandacht besteed aan factoren die het gebed verstoren, zoals ezels en vrouwen, maar dit geval hebben zelfs zij niet voorzien!’

Waguih Ghali,  Bier in de snookerclub (bespreking)   ‘Ghali werd altijd woedend als hij een schrijver genoemd werd, maar hij was het wél.’

Ta’abbata Sharran, rover en dichter

Ta’abbata Sharran was een Arabische dichter die omstreeks 550, dus ruim vóór de islam, heeft geleefd. Hij behoorde tot de stam Fahm, maar hij hield het in het stamverband blijkbaar niet goed uit. Je had van die mensen; die verlieten óf zelf het stamverband, óf werden eruit gegooid en gingen in hun eentje verder. Soms vonden zij dan aansluiting bij soortgenoten en vormden een kleine bende van rovers (su‘lūk, mv. sa‘ālīk), die leefden van overvallen en rooftochten. Het waren helden en mannetjesputters, want zonder stamverband in een woest land te overleven is een bravourestuk. Anders dan onze moderne rovers waren zij vaak goede dichters; zo ook Ta’abbata Sharran.
Zijn naam betekent: ‘Hij heeft iets kwaads onder zijn arm gedragen’ en is dus geen naam, maar een bijnaam. In de ‘burgerlijke’ maatschappij van de stam heette hij Thābit ibn Djābir al-Fahmī, maar wie interesseert dat? Er zijn minstens drie anekdotes die vertellen hoe hij aan die bijnaam gekomen is:

  • 1. De overleveraars vertellen dat hij eens een ram zag in de woestijn. Hij pakte hem op en droeg hem onder zijn arm, maar het dier piste hem de hele weg onder. Toen hij dicht bij de stam gekomen was werd het hem te zwaar.1 Hij kon het niet meer dragen en wierp het van zich af, en toen bleek het ineens een ghoul te zijn. Zijn mensen vroegen hem:
    ‘Wat heb jij onder je arm gehad?’
    ‘Een ghoul,’ antwoordde hij.
    ‘Dan heb je wel iets kwaads onder je arm gedragen!’
    En daarnaar werd hij genoemd.2

Een andere, nogal gekunstelde anekdote, laat het moeder-zoon-conflict van het ongelikte rotjoch zien. Niet te handhaven, inderdaad.

  • 2. Er wordt ook gezegd: Nee, zijn moeder zei tegen hem: ‘Al je broers brengen mij ’s avonds iets voor mij mee, maar jij niet!’ Toen zei hij: ‘Vanavond zal ik iets voor je meebrengen.’ Hij ging weg en ving een groot aantal adders, de grootste die hij te pakken kon krijgen. Toen hij ‘s avonds naar huis ging deed hij die in een zak, die hij onder zijn arm droeg en die gooide hij voor haar neer. Zij maakte hem open en daar schoten de adders weg in haar tent. Ze sprong op en rende naar buiten.
    ‘Wat heeft Thābit voor je meegebracht? vroegen de vrouwen van de stam:
    ‘Adders in een zak!’
    ‘Maar hoe heeft hij die dan gedragen?’
    ‘Onder zijn arm.
    ‘Dan heeft hij wel iets kwaads onder zijn arm gedragen!’
    En zo bleef de naam Ta’abbata Sharran aan hem hangen.3

En een derde anekdote voor een deel:

  • 3. […] en hij werd Ta’abbata Sharran genoemd omdat hij, naar verluidt, een ghoul ontmoette in een donkere nacht, op een plek genaamd Rahā Bitān, in het stamgebied van Hudhayl. Zij versperde hem de weg maar hij vocht zo lang met haar tot hij haar gedood had. Hij bleef de nacht op haar liggen en de volgende ochtend droeg hij haar onder zijn arm naar zijn kameraden. Die zeiden tegen hem: ‘Jij hebt wel iets kwaads onder je arm gedragen!’4

Een ghoul is een demon die zich in de woestijn ophoudt en eenzame reizigers lastig valt. Een van zijn eigenschappen is dat hij van vorm kan veranderen. Vaak doet hij zich als een vrouwelijk wezen voor.5
Taʾabbata Sharran heeft verzen geschreven over een ontmoeting met een ghoul. (Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas niet.)

  • 4. Toen hield de ghoul mij gezelschap als buurvouw.
    O buurvrouw, wat een griezel ben jij!
    Ik wilde seks van haar. Zij draaide zich weg,
    maar ik probeerde het toch.
    Als iemand mij naar mijn buurvrouw vraagt:
    ze woont bij de bocht van de zandheuvel.6

‘Buurvrouw’ was een benaming die bedoeïenen voor hun echtgenote gebruikten. De dichter is helemaal niet onder de indruk van het gevaarlijke wezen; integendeel. Hij drijft de spot met het angstige geloof van het brave stamvolkje. Voor hem bestaan er geen woestijndemonen; fuck the ghoul! En mocht iemand anders dat ook eens willen proberen, ze woont om de hoek bij de zandheuvel, je weet wel. Dan vind je haar beslist, in Arabië.
De ghoul komt nog voor in een langer gedicht van Ta’abbata Sharran, waar ik hier enkele regels uitlicht:

  • 5. Kom op, wie vertelt de kerels van Fahm,
    wat mij bij Rahā Bitān overkwam?
    Ik kwam de ghoul tegen, toen ze voortjoeg
    door een woestijn zo plat als een vel papier.
    Ik zei tegen haar: ‘We zijn beiden bekaf. Jij bent
    op reis, net als ik, dus laat mij mijn plek!’
    Maar zij viel mij aan. Toen schoot mijn hand uit
    met een goed geveegd Jemenitisch zwaard.
    Ik sloeg haar onversaagd en zij ging neer,
    op haar voorpoten en haar hals.
    […]
    Ik liet haar niet los en leunde op haar
    om ’s morgens te zien wat het was.7

Ook hier schept de dichter lekker op over hoe hij de ghoul klein gekregen heeft; ook hier ligt hij bovenop haar, al is er van seks geen sprake. De poging tot een gesprek vóór het gevecht herinnert aan ‘het gesprek met de wolf’, een motief uit de wat latere poëzie. Als een eenzame reiziger in de woestijn een al even eenzame, uitgeputte wolf tegenkomt hebben beiden veel gemeen: hun honger, hun eenzaamheid, hun uitzichtloosheid. Maar zulke ontmoetingen zijn gevaarlijk; daarom spreekt de dichter het dier vaak bezwerend toe.8 Dat doet deze dichter hier met de ghoul, maar die gaat er niet op in.
Anekdote nr. 3. wil de vreemde bijnaam van de dichter verklaren, net als de andere. Maar zij is ook geënt op gedichtfragment nr. 5 en wil daar wat meer geschiedenis van maken. Het verhaaltje verhoudt zich tot het gedicht als een sabab al-nuzūl-verhaal tot een koranvers.

NOTEN
1. Hoeveel meter kunt U lopen met een ram onder uw arm?
2 Abū al-Faradj al-Isfahānī, Kitāb al-Aghānī, uitg. Cairo 1927, xxi, 127.

ذكر الروة أنّه كان رأى كبشًا في الصحراء فاحتمله تحت إبطه فجعل يبول عليه طول طريقه. فلما قرب من الحيّ ثقل عليه الكبش فلم يُقِلّه فرمى به فإذا هو الغول. فقال له قومه: ما تأبّطَّ يا ثابت؟ قال: الغول. قالوا: لقد تأبّطَّ شرا! فسُمّي بذلك.

3. Aghānī xxi,127

وقيل بل قالت أمّه له كل إحوتك يأتيني بشيء إذا راح غيرَك. فقال لها: سآتيك الليلة بشيء. ومضى فصاد أفاعيَ كثيرة من أكبر ما قدر عليه. فلمّا راح أتى يهنّ في جِراب متأبّطًا به فألقاهه بين يديها ففتحته فتساعين في بيتها. فوثب وخرجت. فقال لها نساء الحيّ: ما ذا أتاك به ثابت؟ فقالت: أتاني بإفاعٍ في جراب. وقلن: وكيف حملها؟ قالت: تأبّها. قلن: تأبّط شرّاً، فلزمه تأبّطا شرّاً.

4. Aghānī xxi,128–29.

[…] وإنّما سمّي تأبّط شرّاً لأنهه فيما حُكي لنا٬ لقي الغول في ليلة ظلماء في موضع رَحَى بِطَانٍ في بلاد هذيل فأخذت عليه الطريقَ فلم يزل بها حتى قتلها وبات عليها فلمّا أصبح حملها تحت إبطه وجاء بها الى أصحابه فقالوا له: لقد تأبّطّ شرّاً.

5. Ghouls bestaan nog steeds; zie wat hier gezegd wordt over Soraya Qadir, alias Dust.
6. Aghānī xxi, 128:

فَأَصْبَحَتِ‎ الغُولُ‏ لِي‏ جَارَةً  *  فَيَا جَارَتَا لَكِ‎ مَا أَهْوَلاَ
فَطَالَبْتُهَا بُضْعَهَا فَالْتَوَتْ  *  عَلََيَّ‏ وَحَاوَلْتُ‏ أَنْ‏ أَفْعَلاَ
فَمَنْ‎ كَانَ‎ يَسْأَلُ‏ عَنْ‏ جَارَتِي  *  فَإنَّ‏ لَهَا باللِّوَى مَنْزِلاَ

7. Aghānī xxi, 129:

أَلاَ‎ مَنْ‏ مُبْلِغٌ‏ فِتْيَانَ‏ فَهْمٍ  *  بِمَا لَقِيتُ‏ عِنْدَ‏ رَحَى بِطَانِ
وَأَنِّي‏ قَدْ‎ لَقِيتُ‏ الغُولَ‏ تَهْوَى  *  بِسَهْبٍ‏ كَالصَّحِيفَةِ‏ صَحْصَحَانِ
فَقُلْتُ‏ لَهَا‏: كِلاَنَا نِضْوَأَيْنِ  *  أَخُو سَفَرٍ‏ فَخَلِّي‏ لِي‏ مَكَانِي
فَشَدَّتْ‏ شَدَّةً‏ نَحْوِي‏ فَأَهْوَى  *  لَهَا كَفِّي‏ بِمَصْقُولٍ‏ يَمَانِي
فَأَضْرِبُهَا بِلاَ‎ دَهَشٍ‏ فَخَرَّتْ  *  صَرِيعًا لِلْيَدَيْنِ‏ وَلِلْجِرَانِ
[‏…]
فَلَمْ‏ أَنْفَكَّ‏ مُتَّكِئًا عَلَيْهَا  *  لأَنْظُرَ‏ مُصْبِحًا مَاذَا أَتَانِي

8. Manfred Ullman, Das Gespräch mit dem Wolf, München 1981.

Diakritische tekens: Taʾabbaṭa Sharran, ṣuʿlūk, ṣaʿālīk, Raḥā Biṭān, al-Iṣfahānī

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammeds geboorte- en sterfjaar

‘Mohammed (570–632)’ staat in vrijwel iedere encyclopedie of inleiding tot de islam. Dat komt omdat zulke werken streven naar korte, recht-toe-recht-ane informatie, geen prijs stellen op vraagtekens en puntje-puntje-puntje, en omdat andere beroemde personen ook jaartallen hebben. Maar vast staat Mohammeds sterfjaar niet, en zijn geboortejaar al helemaal niet.

Er is in het leven van de profeet eigenlijk maar één jaartal dat solide is: het jaar 1 (622 AD), het jaar van de hidjra, zijn emigratie van Mekka naar Medina. Dat jaartal staat vast, omdat het ongeveer twintig jaar na dato tot beginjaar gemaakt werd voor de islamitische tijdrekening en alle islamitische data tot op heden daarnaar berekend worden. Een eeuw later begonnen historici terugrekenend jaar na jaar te beschrijven wat er sinds dat jaar 1 was gebeurd. Daarbij zullen zeker fouten zijn opgetreden, maar er is in ieder geval een tijdschema gemaakt, en volgens dat schema stierf de profeet tien jaar na de emigratie, dus in 632. Dat lijkt dus nogal duidelijk.

De sterfdag lijkt op het eerste gezicht zelfs exact: maandag de 12e van de maand rabi‘-al-awwal. Maar in andere jaren zouden eveneens op maandag de twaalfde van diezelfde maand Mohammeds geboorte en/of de eerste openbaring, zijn hemelvaart en de hidjra hebben plaatsgevonden. Daarmee vervalt dus de geloofwaardigheid van die preciese dag; die is eerder van symbolische waarde. De maandag gold als een dag van bijzondere heiligheid.

Ook dat getal 10 is niet werkelijk wat moderne historici graag zien. Er werd aanvankelijk een schema 40 + 20, of liever 40 + 10 + 10 jaar gehanteerd. Mohammed was veertig toen hij tot profeet geroepen werd; daarna trad hij nog twintig jaar als zodanig op: tien jaar in Mekka en tien in Medina. Het is een halvering van het schema dat er voor Mozes bestaat en dat is natuurlijk geen toeval (→Rubin 196). Mozes werd op zijn tachtigste geroepen (Exodus 7:7) en stierf toen hij honderdtwintig was (Deut. 31:2). In de Oudheid hield men van ronde getallen die beladen waren met symboliek. Veertig betekent dikwijls niet meer dan ‘een hele tijd’; anderzijds was veertig jaar de ideale leeftijd om tot iets groots geroepen te worden: op zijn veertigste is een man pas echt volwassen en in de kracht van zijn leven. Dat geldt door de gehele Oudheid, zowel buiten als in Arabië, en ook in koran 46:15: ‘En wanneer hij dan volgroeid is en veertig jaar wordt …’ . 10 + 10: eerlijk delen tussen Mekka en Medina, de beide plaatsen waar Mohammed optrad en waar de koransoera’s werden geopenbaard. 

Het schema van 40 + 10 + 10 geraakte daarna in sommige overleveringen in de war, omdat men er nog 3, 5 of soms 7 jaar aan toevoegde: het aantal jaren dat Mohammed in Mekka doorbracht ná zijn roeping, maar voordat hij met zijn boodschap in de openbaarheid trad. Om onduidelijke redenen houdt men het tegenwoordig meestal bij drie jaar, ook in de oriëntalistiek, en is een schema 40 + 3 + 10 +10 overheersend geworden. 

We kunnen ook beginnen met de teksten die meedelen hoe oud de profeet was toen hij stierf. Een minderheid van de overleveringen noemt 65 jaar, maar volgens de meeste was hij 63. Dat brengt ons niet verder, want ook daar is het schema 40 + 3 + 10 +10 weer duidelijk herkenbaar. En o wonder, ook de kalief Abū Bakr zou 63 zijn geweest toen hij stierf, en volgens enkele bronnen zelfs diens opvolger ‘Umar. Abū Bakr zou volgens een overleving zelfs uitdrukkelijk op maandag zijn gestorven, net als de profeet. Duidelijk wordt nu reeds dat die oude historici een heel andere opvatting van chronologie hadden dan de huidige. Men vond het van belang die eerste kaliefen in alle opzichten dichtbij de profeet te laten zijn.

Over het sterfjaar zijn de oudste schriftelijke getuigenissen overigens van christelijke herkomst. In de Doctrina Jacobi, geschreven door een onder dwang gedoopte Jood in 634 of kort daarna, wordt gesuggereerd dat Mohammed in dat jaar nog leefde (→Hoyland, 57). Thomas de Presbyter, die in 640 schreef over een veldslag die  op 6 februari 634 ten Oosten van Gaza plaats had ‘tussen de Romeinen en de Arabieren van Mohammed’ — het klinkt zo, alsof Mohammed toen nog leefde. (→Hoyland, 118–20). Er zijn overigens ook islamitische bronnen die spreken over een periode in Medina van ‘tien jaar en nog wat’. Meestal houdt men het toch maar bij 632, maar dat is vooral een resultaat van consensus.

Hoe dan ook, voor het geboortejaar van de profeet rekende men dan terug vanaf de hidjra: 622 – 10 – 3 – 40 = 570. Die rekensom klopt wanneer er gerekend wordt in maanjaren, die twaalf dagen korter zijn dan onze zonnejaren. Zo berekend zou het zelfs 571 kunnen zijn. Maar gezien het symbolische karakter van dat vroegste islamitische tijdschema is dat jaar 570 uiterst hachelijk. We moeten het misschien gewoon niet willen: een geboorte- en sterfjaar in moderne zin. 

Maar wat gebeurde er vóór het begin van de islamitische tijdrekening in het jaar 1, ofwel 622? De Arabische geschiedschrijving rekent niet in jaren ‘voor de hidjra’, zoals wij spreken over ‘voor Christus’. Er waren alleen aanduidingen als: ‘het jaar van de overstroming,’ ‘het jaar van de olifant,’ ‘het jaar van de oorlog zus-en-zo’. Er zijn ook aanduidingen als: ‘het zoveelste jaar na dat van de olifant’.

Over het geboortejaar van de profeet bestaan zeer uiteenlopende berichten. Volgens Ibn Ishaq, de meest gelezen biograaf van Mohammed, werd de profeet geboren in ‘het jaar van de olifant’. Die olifant wordt genoemd in koran, soera 105: ‘Heb je niet gezien hoe je Heer heeft gehandeld met de mensen van de olifant? Heeft Hij hun list niet op een dwaalspoor geleid? Hij heeft tegen hen abābīl-vogels gezonden, die bakstenen op hen wierpen.’ Ibn Ishaq verduidelijkt een en ander in een lang verhaal: Abraha, de christelijke heerser van Jemen, die aanvankelijk in Ethiopische dienst was, maar zich zelfstandig gemaakt had, ondernam een veldtocht naar Mekka om de Ka‘ba te vernietigen. In zijn leger bevond zich een krijgsolifant, een dier dat in Arabië kennelijk zo veel opzien baarde dat men er een jaar naar vernoemde. Maar van de vernietiging van de Ka‘ba kwam niets terecht, omdat God ingreep en die vogels stenen op de soldaten liet werpen. Toen de olifant de Ka‘ba zag weigerde hij verder te gaan; in alle richtingen wilde hij lopen behalve in de richting van de Ka‘ba. De resten van Abraha’s leger aanvaardden de terugtocht; hoe het met de olifant is afgelopen vermeldt de historie niet.

Dat jaar van de olifant kan echter niet 570 geweest zijn. Toen verkeerde Jemen in verval, en Abraha leefde niet meer. Van hem is wel een expeditie naar het Noorden bekend, maar die vond veel vroeger plaats. De Romeinse geschiedschrijver Procopius (± 500–565) zinspeelt erop in zijn Oorlogen, dat omstreeks 550–51 verscheen (→Conrad 227), en er is een Oudzuidarabische inscriptie van Abraha zelf te Murayghān, door sommigen gedateerd in 547, door anderen in 552, over een veldtocht van hem, die wel dezelfde was als die met de olifant (→Conrad 227–8, →Kister), al wordt zo’n dier in de inscriptie niet vermeld en al eindigde hij niet bij Mekka. Het jaar van de olifant omstreeks 550 levert wel een erg vroeg geboortejaar voor Mohammed op. Het lijkt dus het beste, dat ‘jaar van de olifant’ niet gelijk te stellen aan Mohammeds geboortejaar. Dat deden overigens ook ettelijke oude moslimse geleerden niet. Er waren er genoeg die wel wisten dat het jaar van de olifant veel vroeger dan 570 was geweest. En uitgaand van het Jaar van de Olifant werd soms een zeventig-jaren schema gehanteerd, dat uitliep op het jaar van Mohammeds roeping tot profeet. Dat ziet er bij voorbeeld zo uit (→Rubin 199–201):

  • Jaar van de Olifant (AE, Anno Elephantis)
    ——————————
    AE 1 Abraha’s veldtocht tegen de Ka‘ba verijdeld
    AE 30 Mohammeds geboorte (komt wel overeen met 570–571)
    AE 40 De Fidjār-oorlog
    AE 55 De bouw van de Ka‘ba
    AE 70 Mohammeds roeping

Alles mooie getallen, en stadia die van belang waren in Mohammeds leven. Naast een geboortejaar AE 30 wordt echter ook van nog ettelijke andere melding gemaakt. →Conrad 239 wijst erop dat de meldingen van Mohammeds geboortejaar maar liefst 85 jaar uiteenlopen! Natuurlijk waren er ook gezellen van de profeet die beweerd (zouden) hebben dat ook zij in het Jaar van de Olifant geboren waren, net als de profeet, of kort daarvoor. Sommige beweren zelfs dat zij de keutels van de olifant nog hebben zien liggen bij Mekka (variant: de poep van de abābīl-vogels).
Waarom is het zo’n chaos? Omdat Mohammed nog niet beroemd was toen hij geboren werd, en ook omdat de oude Arabieren zich totaal niet voor verjaardagen interesseerden. Het zou nog eeuwen duren voordat men de (of liever: een) geboortedag van de profeet ging vieren, in nabootsing van het christelijke kerstfeest.

Vond u dit een ingewikkeld verhaal? Ik heb het naar beste vermogen samengevat; als er in detail naar alle bronnen wordt gekeken is het nog veel ingewikkelder. Wie dat wil, zij verwezen naar de vakliteratuur hieronder. Voor het ogenblik wil ik vooral kwijt dat het geboortejaar totaal onduidelijk is, en het sterfjaar, nou ja. De oude tijdrekenaars hielden van mooie symbolische getallen en hadden methodisch weinig gemeen met moderne historici.

BIBLIOGRAFIE
– Lawrence I. Conrad, ‘Abraha and Muḥammad: Some Observations Apropos of Chronology and Literary “topoi” in the Early Arabic Historical Tradition,’ Bulletin of the School of Oriental and African Studies, 50 (1987), 225–240.
– Robert G. Hoyland, Seeing Islam As Others Saw It: A Survey and Evaluation of Christian, Jewish and Zoroastrian Writings on Early Islam, Princeton 1997.
– M.J. Kister, ‘The Campaign of Ḥulubān – A New Light on the Expedition of Abraha,’ Le Muséon 78(1965), 425–436. Online hier.
– Uri Rubin, The Eye of the Beholder. The Life of Muhammad as Viewed by the Early Muslims, Princeton 1995, vooral hst. 12 ‘Chronology,’ 189–214.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammed, een profeet geënt op profeten (2)

In de biografie van Mohammed (sira) wordt vaak gebruik gemaakt van biografische elementen en eigenschappen van vroegere profeten. De annunciatie en de profetische vroegrijpheid kwamen al ter sprake in deel 1. Hieronder volgen nog twee profetische trekken die door gelovige vertellers op Mohammed werden overgebracht; er zijn er vast nog meer.

3. MOHAMMED ALS HERDER
Wanneer wij in sira-teksten lezen dat Mohammed als jongeman herder is geweest is het moeilijk, niet aan Mozes te denken, van wie hetzelfde wordt verteld (koran 28:22-8). Maar veel meer bijbelse profeten blijken herder te zijn geweest. In dit geval is het een hadīth die ons verder op het spoor helpt:

  • … van Djābir ibn ‘Abdallāh: Wij waren met de profeet in Marr al-Zahrān arāk-vruchten aan het plukken. ‘De zwarte moet je hebben,’ zei de profeet. Wij zeiden: ‘Gezant Gods, het lijkt wel of u schapen hebt gehoed!’ ‘Ja,’ zei de profeet, ‘en is er ooit een profeet geweest die dat niet heeft gedaan?’ of woorden van die strekking.1

In de bijbel wordt van Abraham, Isaak, Jakob, Mozes en David verteld dat zij herder waren, en ik vergeet er vast nog een paar. In het Nieuwe Testament is Jezus ‘de goede herder,’ zij het alleen in overdrachtelijke zin (Johannes 10).
Mohammed was er als peuter al bij, dat stond ook in deel 1:

  • De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Sa‘d ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’2

En later als jongeman:

  • Van Muhammad ibn ‘Abdallāh ibn Qays stamt het bericht van Hasan ibn Muhammad ibn ‘Alī, via zijn vader, van zijn grootvader ‘Alī ibn abī Tālib, die de profeet heeft horen zeggen: ‘Om de dingen die de mensen in de heidentijd deden heb ik nooit gegeven, behalve twee avonden, en beide keren heeft God mij beschermd. Op een avond zei ik namelijk tegen een van de jongemannen uit Mekka, met wie ik de kudden van de stad weidde: ‘Wil jij op mijn beesten passen? dan kan ik naar Mekka om daar de nacht door te brengen zoals jongemannen dat doen.’ Hij vond het goed en ik ging op weg. Bij het eerste huis van Mekka gekomen hoorde ik op tamboerijnen en fluiten spelen, en toen ik vroeg wat dat was werd mij gezegd dat er een bruiloft gevierd werd. Ik ging zitten kijken totdat God mijn oren toedekte; ik viel in slaap en werd pas wakker toen ik de zon op mijn huid voelde. Toen ik terugkwam bij mijn vriend vroeg hij wat ik gedaan had. ‘Ik heb niets gedaan,’ zei ik, en vertelde hem het verhaal. Precies hetzelfde overkwam mij nog een andere avond. Daarna heb ik in de tijd voordat God mij eerde met het profeetschap nooit meer aan zoiets gedacht.’3

Als staatshoofd krijgt hij postuum ook een herderlijke functie toegedicht:

  • Toen de profeet was gestorven, werden de Arabieren afvallig, staken christendom en jodendom de kop weer op en trad de halfhartigheid aan het licht. De moslims waren als schapen in de regen op een winternacht, nu zij de profeet verloren hadden, totdat God hen verenigde onder Abū Bakr.4

4. TERUGDEINZEN
Ook in de bekendste tekst over de roeping van Mohammed tot profeet wordt voortdurend aangeknoopt bij de verhalen over oudere profeten. Die tekst is lang en complex en komt voor in verschillende varianten. Voor het ogenblik wil ik er slechts één element uitlichten: het aanvankelijke terugdeinzen van Mohammed voor het profeetschap.
Volgens één van de versies over de eerste openbaring aan Mohammed bevond deze zich in retraite op de berg Hirā’ toen de engel Djibrīl (Gabriël) tot hem kwam. Het verhaal is de Profeet zelf in de mond gelegd:

  • Terwijl ik sliep kwam Djibrīl bij mij met een brokaten deken met schrifttekens erop. Hij zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen (mā aqra’u).’ Vervolgens drukte hij daarmee mijn keel zo krachtig toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Ik kan niet lezen.’ Toen drukte hij weer mijn keel zo hard toe dat ik dacht dat het de dood was. Toen liet hij me los en zei: ‘Lees voor!’ Ik zei: ‘Wat moet ik dan voorlezen? (mā dhā aqra’u)’ en dat zei ik alleen om van hem af te komen, want ik was bang dat hij het nog eens zou doen. Hij zei: ‘Lees voor in de naam van jouw Heer die geschapen heeft | de mens geschapen heeft uit een bloedklomp. | Lees voor: Zeer edelmoedig is uw Heer, | die onderwezen heeft het gebruik van de pen, | de mens onderwezen heeft wat hij niet kende’ [koran 96:1–5].
    Dat reciteerde ik; toen liet hij mij los en ging weg, en toen ik ontwaakte was het alsof het in mijn hart gegrift stond.5

Het verhaal vervolgt met Mohammeds overweging zelfmoord te plegen door zich in een ravijn te storten. Dan verschijnt Djibrīl, hemelvullend, en brengt hem van zijn voornemen af. Eén variant van het complete verhaal staat in mijn vertaling hier.

Dit verhaal beschrijft wat christelijke theologen een ‘roepingsvisioen’ noemen. Van verscheidene profeten wordt in het Oude Testament beschreven hoe zij zeggen de taak waartoe God hen roept niet aan te kunnen.
Mozes wordt opgedragen zijn volk uit Egypte naar het land Kanaän over te brengen. Hij heeft een aantal uitvluchten, en voert tenslotte aan: ‘Neem mij niet kwalijk Heer, maar ik ben geen goed spreker. […] Ik kan nooit de juiste woorden vinden’ (Exodus 4:10).
Jesaja ziet een ontzagwekkend visioen van de Heer, omgeven door twee serafs. Hij roept uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen…’ (Jesaja 6:5).
Jeremia zegt bij zijn roeping: ‘Nee Heer, ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong’ (Jeremia 1:6).
Ezechiël schrikt ontzettend en werpt zich ter aarde bij het zien van een geweldig visioen (Ezechiël 1–3).

De profeten hebben natuurlijk gelijk; inderdaad kunnen zij hun taak niet zonder meer volbrengen. Maar God maakt hen bereid, sterkt hen, geeft hun zijn woorden in en dan lukt het. Jesaja’s onreine lippen worden gereinigd met een gloeiende kool van het altaar; daarna kan hij profeteren. Ezechiël wordt door God opgeheven en wordt een boekrol te eten gegeven; Mohammed krijgt de Schrift bijna letterlijk in zijn strot geduwd. Van zowel Ezechiël (Ez. 3:14–15) als Mohammed wordt verteld dat zij na de belevenis van hun roeping behoorlijk van slag zijn.
Alleen de bijbelse profeet Jona zegt niet dat hij geen profeet kán zijn, hij heeft gewoon geen zin. God draagt hem op naar Nineve in Irak te gaan, maar hij neemt een schip de andere kant op, met het welbekende gevolg.

VERTALING: Een beetje lastig zijn in het verhaal over Mohammeds roeping de woorden mā aqra’u, hierboven vertaald met: ‘Ik kan niet lezen’— waarbij in die oude tijd lezen altijd neerkwam op: hardop voorlezen, reciteren.
mā aqra’u wordt vaak vertaald met: ‘wat zal ik lezen?’. Uitgesloten is dat niet, maar meer voor de hand ligt daarvoor het Arabische mā dhā aqra’u. Bovendien: in het verhaaltje staat twee maal mā aqra’u en eenmaal mā dhā aqra’u; dat is contrasterend bedoeld. Vroeger heb ik vertaald: ‘Nee, ik lees niet voor!’ m.a.w. ‘ik wil niet voorlezen,’ maar daar kom ik van terug.
Over  + imperfectum zegt W. Fischer, Grammatik des klassischen Arabisch, Wiesbaden, 2e druk 1987, § 321 ‘bestreitet  mit Impf. den Vorgang oder dessen Möglichkeit: [… ] mā yarāka, ”er sieht dich gar nicht, kann dich nicht sehen”.’ De andere grammatica’s van het klassiek Arabisch hebben hierover niets belangwekkends te melden. Op grond van dat dunne zinnetje bij Fischer én de bovenstaande bijbelse voorbeelden heb ik in het verhaal over Mohammeds roeping nu gekozen voor de vertaling: ‘Ik kan niet lezen’. Ook hij meende het eerst niet te kunnen.

Het lange verhaal over het roepingsvisioen verdient veel meer commentaar. Ik was ook al begonnen dat te schrijven, maar het staat nog in de steigers. Daar moet ik nodig eens langer voor gaan zitten, want er is veel over te vertellen.

NOTEN
1. Er zijn ettelijke hadithen waarin dit ter sprake komt, bij voorbeeld Muslim, Sahīh, Ashriba 163: حدثني أبو الطاهر أخبرنا عبد الله بن وهب عن يونس عن ابن شهاب عن أبي سلمة بن عبد الرحمن عن جابر بن عبد الله قال: كنا مع النبي ص بمر الظهران ونحن نجني الكباث فقال النبي ص عليكم بالأسود منه قال فقلنا: يا رسول الله كأنك رعيت الغنم قال نعم وهل من نبي إلا وقد رعاها، أو نحو هذا من القول
2. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, i, 106; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000,  30: … واسترضعت في بني سعد بن بكر، فبينا إنا مع أح لي خلف بيوتنا نرعى بهما لنا
3. Al-Tabarī, Taʾrīkh al-rusul wa’l-mulūk (Annales), uitg. M.J. de Goeje e.a., Leiden 1890 ff., i. 1126–7; Ibn Ishaak, o.c., 37–38: سمعت رسول الله ص يقول: ما هممت بشيء مما كان أهل الجاهلية يعملون غير مرتين، كل ذلك يحول الله بيني وبين ما أريد من ذلك، ثم ما هممت بسوء حتى أكرمنى الله عز وجل برسالته، فإني قذ قلت ليلة لغلام من قريش كان يرعى معي بأعلى مكة لو أبصرت لي غنمي حتى أدخل مكة فأسمر بها كما يسمُر الشباب، فقال أفعل، فخرجت أريد ذلك حتى إذا جئت أول دار من دور مكة سمعت عزفًا بالدفوف والمزامير، فقلت ما هذا ؟ فقالوا فلان بت فلان تزوج بفلانة بنت فلان، فجلست أنظر اليهم، فضرب الله على أذنى فنمت، فما أيقظني إلا مس الشمس . قال فجئت صاحبي فقال: ما فعلت؟ قلت: ما صنعت شيئا ثم أخبرته الخبر. .قال: ثم قلت له ليلة أخرى مثل ذلك . . . الخ، ثم ما هممت بعدها بسوء حتى أكرمنى الله عز وجل برسالته.
4. Ibn Ishāq, o.c., 1021; vert. 251: لما توفي رسول الله ص ارتدت العرب واشرأبت اليهودية والنصرانية، ونجم النفاق، وصار المسلمون كالغنم المطيرة في الليلة الشاتية لفقد نبيهم ص حتى جمعهم الله على أبي بكر
5. Ibn Ishāq, o.c., 152–3; vert. 42:  قال رسول الله ص: فجاءني جبريل وأنا نائم بنمط من ديباج فيه كتاب فقال: إقرأ! قال: قلت: ما أقرأ. قال: فغتني به حتى ظننت أنه الموت. ثم أرسلني فقال: إقرأ! قال: قلت: ما أقرأ. قال: فغتني به حتى ظننت أنه الموت. ثم أرسلني فقال: إقرأ! قال: قلت: ما ذا أقرأ؟ ما أقول ذلك الا افتداء من أن يعود لي بمثل ما صنع بي. فقال: اقرأ باسم ربك الذي خلق خلق الإنسان من علق اقرأ وربك الأكرم الذي علم. قال: قفرأتها ثم انتهى فانصرف عني وهببت من نومي، فكأنما كتبت في فلبي كتايا.

Diakritische tekens: al-Ẓahrān, Ḥasan, Muḥammad, Ṭālib, Ṣaḥīḥ, Isḥāq, al-Ṭabarī

Terug naar deel 1     Terug naar Hadith: startpunt       Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammed, een profeet geënt op profeten (1)

In de koran wordt Mohammed voorgesteld als een profeet in een lange rij vroegere profeten: Abraham, Noach, Mozes, Jezus en nog ettelijke andere— niet altijd dezelfde persoonlijkheden als die in het jodendom of het christendom profeet genoemd worden. Maar wanneer we dan over die oudere profeten lezen valt op, dat zij zich vaak net zo gedroegen en hetzelfde meemaakten als Mohammed. Ook zij werden door God met een boodschap tot een volk gezonden, bestreden het veelgodendom, dreigden hun volk met een strafgericht, werden bespot en tegengewerkt enzovoort. De trekken van Mohammed worden op die oudere profeten geprojecteerd: ze worden naar hem gemodelleerd, ze lijken op hem.

In de sira en de hadith daarentegen wordt Mohammed ingevuld met de trekken van die oudere profeten: hij lijkt op hen. Deze teksten zijn van iets later en dienden wellicht om de nieuwbakken gelovigen temidden van de overweldigende meerderheid van christenen en joden te sterken in hun geloof, eventueel ook als ze met dezen in gesprek raakten. Zie je wel: onze Mohammed hoort er ook bij, konden ze dan zeggen, hij is zelfs nog een betere profeet dan die van jullie. De joodse en christelijke teksten zullen toen ook beter bekend zijn geweest.
Enkele voorbeelden van Mohammed-positionering:

1. ANNUNCIATIE
Mohammeds geboorte wordt aangekondigd zoals die van Jezus, althans volgens een nogal obscuur, moeilijk te dateren tekstje (tussen 650-750 AD). Daarover had ik al eens geschreven, maar hier past het stukje beter, dus ik plaats het nog eens

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Was het een engel die tot Āmina kwam? We weten het niet. In het Arabisch staan passieve werkwoordsvormen: ‘er werd tot haar gekomen … er werd tegen haar gezegd.’ Wie of wat dat deed blijft ongezegd. Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel. 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

2. VROEGRIJPHEID
Mohammed was vroegrijp. Dat wordt in de teksten niet erg uitgewerkt, het is maar een dun draadje, maar het legt wel een verband met de verhalen over de oudere profeten. Volgens zijn voedster

  • ‘… groeide hij als geen van de andere jongens en toen de twee jaar voorbij waren, was hij al een grote (djafr) jongen.’ 3

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en toen hij zes maanden oud was was hij djafr, d.w.z. kon hij vast voedsel eten.’ 4

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben geweid achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 5

Bij die gelegenheid werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de splijting van de buik.6 
Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met de jonge Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.7

Een korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, maakt al duidelijk dat vele joodse profeten op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ — en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”’
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’8

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij al volwassener, menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.9

De vroegrijpheid komt ook voor in de hadithen over Ibn Ṣayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij wordt voorgesteld als iemand die graag deed alsof hij een profeet was, en in zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Ṣayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand of zelfs twee maanden oud. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.10

Het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ was dus in de vroege islam bekend en gangbaar. Geen wonder: het eerste Arabische rijk was nog geheel doordrenkt met joods en christelijk gedachtengoed.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Kinderachtigheden uithalen, zondigen misschien? De vertellers proberen vaak de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge taak waardig te maken. Door een reiniging, een voorbereiding op hun roeping, door de roeping zelf, maar ook door hun als kind al volwassen trekken mee te geven. In het Kindheidsevangelie daarentegen wordt ruimte gelaten voor een ontwikkeling, voor een toegroeien naar de hoge roeping.

Naar deel 2: Mohammed als herder. Mohammed stribbelt tegen bij zijn roeping.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26: ويزعمون – فيما يتحدث الناس والله أعلم – أن آمنة بنت وهب أم رسول الله ص كانت تحدث أنها أتيت، حين حملت برسول الله ص فقيل لها: أنك قد حملت بسيد هذه الأمة، فإذا وقع إلي الأرض فقولي: أعيذه بالواحد من شر كل حاسد ثم سمّيه محمدًا. ورأت حين حملت به أنه خرج منها نور رأت به قصور بُصْرى من أرض الشأم.
2. Bijbel, Lukas 1:26–38.
3. Ibn Isḥāq, o.c. 105, vertaling 29: وكان يشب شبابا لا يشبه الغلمان فلم يبلغ سنتيه حتى كان غلاما جفرا. Normaal kreeg een zuigeling twee tot twee en een half jaar borstvoeding.
4. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277: كان يشب في اليوم شباب الصبي في الشهر فبلغ ستًّا وهو جفر. استجفر الصبي إذا قوي على الأكل
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 30: … واسترضعت في بني سعد بن بكر، فبينا إنا مع أخ لي خلف بيوتنا نرعى بهما لنا
6. Ibn Isḥāq, o.c. 106, vertaling 29–31.
7. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108, vertaling 32.: فكان رسول الله ص مع جده عبد المطلب بن هشام، وكان يوضع لعبد المطلب فراش في ظل الكعبة فكان بنوه يجلسون حول الفراشه ذلك حتى يخرج اليه لا يجلس عليه أحد من بنيه إجلالا له فيأخذه أعمامه ليؤخّروه عنه
8. L. Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59. Ik heb het werk online geraadpleegd en kan daarom geen paginanummers geven.
9. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, i, 353–57. Engelse vertalingen hier.
10. Wim Raven, ‘Ibn Ṣayyād as an Islamic “Antichrist“. A reappraisal of the texts,’ in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. U kunt het hier downloaden.

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Mohammeds kat Made in China?

Een welbekende, maar zeer obscure anecdote wil laten zien hoezeer Mohammed van zijn kat Mu‘izza hield en met hoeveel respect hij haar behandelde:

  • De profeet wilde eens opstaan om naar het gebed te gaan, maar de kat lag op de mouw van zijn gewaad te slapen. Om het dier niet te wekken knipte hij toen zijn mouw af en verscheen met beschadigd gewaad bij het gebed. Terugkomend van de moskee werd hij door Mu‘izza bedankt met een buiging.

Voor deze anecdote heb ik maar twee bronnen, die beide geen bron zijn: Wikipedia, en een boek van de katminnende oriëntaliste Annemarie Schimmel.1 Ofschoon geleerde, geeft ook zij geen werkelijke bron. Kortom, we weten niet waar het verhaaltje vandaan komt.

Hoe dan ook, het motief bestaat ook met een heel andere bezetting. Volgens de Han-historicus Bān Gù (32–92) probeerde de Chinese keizer Āi dì (reg. 7–1 voor Chr.) eens op te staan toen zijn vriend Dong Xian in slaap was gevallen op de mouw van zijn gewaad. Om hem niet te wekken sneed hij zijn mouw af en verscheen met het aldus beschadigde gewaad in het openbaar. Zijn hovelingen namen vervolgens deze dracht over om de liefdesverhouding te vieren.

Patrick Huang te Londen stuurde mij de oorspronkelijke Chinese tekst. Ik kan hem zelf niet lezen, maar geef hem hier voor degenen die dat wel kunnen.2 Huang merkt op dat de Hàn Shū 漢書, het geschrift van Bān Gù 班固 waarin het verhaaltje voorkomt, een groot historisch werk is met officiële status, dat uitsluitend over China handelt. Het werd weliswaar ook gelezen in Korea, Japan en Vietnam, maar had het ‘Westen’ niets te bieden. Het verhaaltje van die homosexuele liefde en de mouw is naar zijn zeggen meervoudig overgeleverd in de Chinese overlevering en zelfs spreekwoordelijk geworden.

Een zo specifiek vertelmotief kan alleen maar door overlevering zover gereisd zijn, in dit geval van Oost naar West; hoe precies is onduidelijk. Van het wiel of de rietfluit is het voorstelbaar dat ze twee of meer malen op verschillende plaatsen in de wereld zijn uitgevonden. Ook bestaan er motieven in de mythologie en in volksverhalen die universeel voorkomen. Maar zulke specifieke teksten als hierboven worden volgens mij maar één keer uitgevonden en maken dan verder een reis door de culturen. Het verhaal over de Chinese keizer is is tenminste zevenhonderd jaar ouder dan dat over Mohammeds kat. Hoe de vriend is veranderd in een kat blijft onduidelijk.

Nog ingewikkelder wordt het door een hint, die eveneens afkomstig is van Patrick Huang. Hij verwees naar een ondateerbare Japanse(!) prent, voorstellende een vrouw die de rand van haar kimono afsnijdt om een slapende kat niet te wekken.3 De prent verwijst naar een dichtwerk van Ki no Tsurayuki 紀貫之, een Japanse dichter uit de negende eeuw, in wiens werk het motief volgens Huang echter niet voorkomt. De verwijzing lijkt apocrief te zijn en de prent vroegmodern.

Hoe dit motief door de wereld gereisd is blijft me een raadsel, maar wel een fascinerend raadsel.

NOTEN
1. Wikipedia (korte Duitse tekst; de Engelse pagina is inmiddels verdwenen) en Annemarie Schimmel, Die orientalische Katze. Geschichten, Gedichte, Sprüche, Lieder und Weisheiten, München [1989], blz. 11. Nadere bronvermeldingen ontbreken.
2. 賢傳漏在殿下,為人美麗自喜,哀帝望見,說其儀貌,識而問之,曰:「是舍人董賢邪?」因引上與語,拜為黃門郎,繇是始幸。問及其父為雲中侯,即日徵為霸陵令,遷光祿大夫。賢寵愛日甚,為駙馬都尉侍中,出則參乘,入御左右,旬月間賞賜絫鉅萬,貴震朝廷。常與上臥起。##嘗晝寢,偏藉上袖,上欲起,賢未覺,不欲動賢,乃斷袖而起##。其恩愛至此。Het is het biografische gedeelte over Dong Xian 董賢, de vriend van keizer Āi dì 哀帝. De zin vanaf ## handelt over het afsnijden van de mouw.
3. https://twitter.com/aymro/status/989647167844335618?lang=en

Terug naar Inhoud