Een Arabische slavenhandelaar beschaamd

Of: Wie is de ware moslim?

Slavenhandelaar was altijd een minderwaardig beroep en op slavernij was altijd kritiek; dat was bij de Arabieren van duizend jaar geleden niet anders dan bij ons. Soms beseften slavenhandelaren zelf misschien ook even dat ze fout zaten. Het hieronder vertaalde Arabische fictieverhaal stamt van een anonieme verteller uit de tiende eeuw, die het in de mond legde van een slavenhandelaar die zwarten veracht, goed met kwaad vergeldt en op beschamende wijze met zijn onislamitische gedrag wordt geconfronteerd. Een minderwaardig geachte zwarte gedraagt zich daarentegen superieur, ook al voordat hij moslim is. Hij had de ‘westerse waarden’ van toen heel wat beter begrepen dan zijn beschaafdere kwelgeesten.
.
Het verhaal stamt uit het boek De Wonderen van Indië, uit de tweede helft van de tiende eeuw, waarin veel anekdotes en verhalen zijn samengebracht van zeelui. Eeuwen voor de VOC waren het immers de Arabieren en Perzen die op ‘Indië’ voeren— dat is India, China en al wat daartussen ligt.

De auteur van het boek zou een zekere al-Rāmhurmuzī zijn, maar inmiddels heeft men ontdekt dat deze auteur misschien niet eens heeft bestaan, en dat de meer waarschijnlijke auteur, of althans verzamelaar van dit soort verhalen, een zekere Abū ‘Imrān Mūsā ibn Rabāḥ al-Awsī al-Sīrāfī was, die ondanks zijn achternaam uit Egypte zou stammen.1

Hoewel het verhaal in geen velden of wegen ‘echt gebeurd’ is, bevat het toch wat reminiscenties aan bestaande zaken en toestanden: de hachelijkheid van de zeevaart, het racisme, de slavenhandel, de verbreiding van de islam in Oost-Afrika.

VERTALING
Ismā‘īlawayh heeft mij verteld, en verschillende zeelui evenzo, dat hij in het jaar 310 [= 923 AD] op zijn schip naar Oman vertrok met als eindbestemming Qanbala. Maar er stak een storm op die het schip naar Sufāla joeg, in het land van de Zandj. Toen ik de situatie bezag, aldus de kapitein, begreep ik dat wij in het land van de negers2 waren beland, die menseneters zijn. Toen wij bleven steken op die plek, wisten we zeker dat we de dood zouden vinden: wij deden de rituele wassing, wendden ons berouwvol tot God en verrichtten voor elkaar het doodsgebed. Hun prauwen omringden ons en leidden ons de haven in, waar wij de ankers uitwierpen en aan land gingen. Ze brachten ons bij hun koning. Dat was een goed gebouwde, jonge man met een knap gezicht, voor een neger dan, die ons vroeg hoe we het maakten en waar wij heen wilden.
– ‘Naar uw land,’ zeiden we.
– ‘Jullie liegen,’ zei hij; ‘jullie wilden naar Qanbala, niet naar ons, maar de wind heeft jullie naar ons land gedreven.’
– ‘Dat is waar,’ antwoordden wij, ‘wij zeiden dat alleen maar om bij U in het gevlei te komen.’ Daarop zei de koning:
– ‘Ontscheep jullie goederen en drijf handel; jullie hebben niets te vrezen.’
Wij losten onze spullen en dreven handel, prachtige handel, zonder belastingen of belemmeringen. We gaven hem wel wat geschenken, maar kregen gelijkwaardige geschenken terug en zelfs meer dan dat. We verbleven enkele maanden in zijn land, en toen het tijd werd om te vertrekken vroegen we hem toestemming en die kregen we. De koopwaar brachten we aan boord en we rondden onze zaken af.
Toen we op het punt stonden te vertrekken meldden we dat. De koning kwam met ons mee naar het strand, met nog een aantal mannen en dienaren, ze stapten in de prauwen en voeren met ons naar het schip. Hij en zeven van zijn voornaamste dienaren kwamen zelfs mee aan boord. Toen zij aan boord waren dacht ik bij mezelf: ‘Die koning brengt op de markt in Oman dertig dinar op, die zeven anderen honderdzestig, en hun kleding doet wel twintig dinar. Dat levert ons tenminste drieduizend dirham per maand op, zonder dat we enig risico lopen.’ Ik riep dus tegen de matrozen dat ze de zeilen moesten hijsen en de ankers moesten lichten, terwijl de koning nog doende was vaarwel te zeggen en ons te vragen nog eens bij hem terug te komen; dan zouden we weer zo goed worden ontvangen. Toen hij zag dat de zeilen gehesen waren en wij al voeren, veranderde zijn gelaatsuitdrukking en hij zei:
– ‘Dus jullie vertrekken nu; dan neem ik afscheid.’
Hij wilde aan boord gaan van een van de prauwen, maar wij hadden de touwen daarvan doorgesneden en zeiden tegen hem:
– ‘U blijft bij ons, we brengen U naar ons land en wij belonen U voor de goede behandeling en betalen U terug wat U ons hebt gedaan.’
– ‘Mannen,’ zei hij, ‘toen jullie bij mij strandden had ik het voor het zeggen. Mijn mensen wilden jullie opeten en jullie bezittingen afpakken zoals ze dat met anderen al eerder hadden gedaan. Maar ik was goed voor jullie en heb niets van jullie afgepakt. Ik ben met jullie mee aan boord gekomen om afscheid te nemen, als teken van mijn respect. Geef mij nu waar ik recht op heb en breng mij terug naar mijn land.’
Maar wij besteedden geen aandacht aan zijn woorden en negeerden hem volkomen. De wind werd sterker, na een uur was de kust niet meer te zien, en ’s nachts geraakten wij in volle zee. De volgende ochtend waren de koning en zijn mannen bij de andere slaven gevoegd, dat waren zo’n tweehonderd stuks, en wij behandelden hem net als de andere slaven. De koning zei niets en deed zijn mond niet meer open; het was alsof we elkaar helemaal niet kenden. Toen we in Oman aankwamen verkochten we hem en zijn mannen met de hele partij slaven.
.
Welnu, enkele jaren later zetten wij koers van Oman naar Qanbala, maar werden wederom door de wind naar Sofala in het land van de Zandj gedreven, en ongelogen: we kwamen op precies dezelfde plek terecht. Ze voeren uit en zagen ons, de prauwen omringden ons, zoals we het al kenden van de vorige keer. We wisten nu werkelijk dat we om zouden komen en niemand van ons praatte met zijn maat, zo bang waren we. Wij deden de rituele wassing, verrichtten het doodsgebed en namen afscheid van elkaar. De negers namen ons gevangen en brachten ons in het paleis van de koning. Maar wie schetst onze verbazing toen we daar precies dezelfde koning op de troon zagen zitten, alsof we hem zoëven hadden verlaten. Toen wij hem zagen vielen wij ter aarde, onze krachten begaven het en we waren niet meer bij machte op te staan.
– ‘Ha, jullie zijn het, mijn vrienden,’ zei hij, ‘geen twijfel mogelijk!’
Niemand van ons kon een woord uitbrengen, we beefden over ons hele lijf.
– ‘Hef jullie hoofd op, zei hij, ‘ik garandeer jullie bescherming voor lijf en goed.
Sommigen deden dat; anderen konden het niet eens, zo zwak en beschaamd waren ze. Hij sprak ons vriendelijk toe, totdat allen hun hoofd hadden opgeheven, maar we durfden hem niet aan te kijken uit vrees en uit schaamte. Toen we allemaal weer tot onszelf gekomen waren door zijn garantie, zei hij:
– ‘Verraders! Ik had jullie zo goed behandeld en zo hebben jullie mij terugbetaald!’
– ‘Genade, Majesteit, vergeef het ons!’
– ‘Ik vergeef jullie, en drijf nu maar handel zoals jullie dat de vorige keer gedaan hebben, daar is geen bezwaar tegen.’
Wij konden onze oren niet geloven van blijdschap. Ofschoon we dachten, dat het misschien een listige manier was om onze handelswaar aan land te krijgen, losten we en boden hem een kostbaar geschenk aan. Maar hij gaf het terug en zei:
– ‘Jullie zijn niet waard dat ik een geschenk van jullie aanneem. Ik wil mijn bezit niet verontreinigen met iets wat ik van jullie aanneem; al jullie goederen zijn onrein.’
Wij dreven dus handel, en toen het tijd was om weer te vertrekken vroegen wij hem toestemming om te gaan, en die gaf hij ons. Toen wij op het punt stonden te vertrekken meldde ik hem dat en hij wenste ons een goede vaart en Gods bescherming toe. Ik vroeg hem:
– ‘Majesteit, U hebt ons bovenmate goed behandeld, hoewel wij U hadden verraden en onrecht hadden aangedaan. Maar hoe hebt U zich kunnen bevrijden en terugkeren naar uw rijk?’ Hij vertelde:
.
– ‘Toen jullie mij in Oman verkocht hadden, nam degene die me kocht me mee naar een plaats genaamd Basra (en hij beschreef het). Daar heb ik leren bidden en vasten, en iets van de koran. Toen verkocht mijn meester mij aan iemand anders, die mij meenam naar de stad van de koning der Arabieren, die Baghdad heet (en hij beschreef het). In die stad leerde ik correct Arabisch spreken, ik bestudeerde de koran en bad met de andere mensen in de moskeeën en ik zag de kalief, die al-Muqtadir [reg. 908–932] heet. Ik bleef iets meer dan een jaar in Baghdad, tot daar een groep mensen uit Khorasān op kamelen aankwam. Het was een grote groep en ik vroeg waarom zij gekomen waren.
– ‘Ze gaan naar Mekka,’ kreeg ik ten antwoord.
– ‘Dat Mekka, wat is dat?’ vroeg ik.
– ‘Daar staat het gewijde Huis Gods, waarheen ze een bedevaart maken,’ en ze vertelden mij over dat Huis. Ik bedacht, dat ik met hen kon meereizen naar dat Huis, en ik sprak met mijn meester over wat ik gehoord had, maar ik merkte dat hij zelf niet wilde gaan en ook mij niet wilde laten gaan. Daarom deed ik alsof ik er niet meer aan dacht, tot het moment gekomen was dat die mensen vertrokken, toen voegde ik mij bij hen en werkte als hun dienaar, de hele weg lang. Ik at met hen mee en ze gaven me ook de twee kledingstukken die je moet dragen in gewijde staat; vervolgens onderwezen ze me over de plichten tijdens de bedevaart, en zo maakte God het gemakkelijk voor me om die te volbrengen.
Toen durfde ik niet meer terug naar Baghdad, uit vrees dat mijn meester mij te pakken zou krijgen en zou doden. Daarom zocht ik aansluiting bij een andere karavaan, die naar Cairo ging. Ik bood mijn diensten aan, ze namen me mee en deelden hun voedsel met mij. In Cairo aangekomen zag ik de prachtige rivier die men Nijl noemt, en ik vroeg waar die vandaan kwam. Ik kreeg te horen, dat hij zijn bron had in het land van de Zandj en het land binnenkwam bij een stadje genaamd Aswān, aan de grens met het land van de zwarten.
Ik volgde dus de oever van de Nijl, ging van de ene stad naar de andere bedelend om aalmoezen en die kreeg ik; dat werd mijn gewoonte. Toen stuitte ik op zwarten die me niet mochten en me in de boeien sloegen en mij als dienaar lasten lieten dragen die ik niet dragen kon. Ik sloeg op de vlucht en geraakte bij andere mensen die mij gevangen namen en verkochten. Ik vluchtte weer, en zo ging het verder tot ik Egypte uit was en in de stad zus-en zo terecht kwam, aan de rand van het land van de Zandj. Daar maakte ik me onherkenbaar en hield me gedekt. Al die tijd dat ik uit Egypte weg was en allerlei verschrikkingen ervoer was ik niet zo bang geweest als toen ik dicht bij mijn eigen land kwam. Ik dacht: In mijn land zit nu een opvolger van mij op de troon, aan wie het leger gehoorzaamt. Het koningschap aan hem ontworstelen zal zeer moeilijk zijn. Of ik mijzelf nu bekend maak of dat iemand me herkent, ik zal bij hem gebracht worden en hij zal me doden. Of een van zijn raadslieden zal zo brutaal zijn en zelf mijn hoofd afhakken om daarmee zijn gunst te zoeken.
Ten prooi aan hevige angst verborg ik mij overdag en bewoog me alleen ’s nachts in de richting van mijn land, tot ik bij de zee kwam, waar ik anoniem aan boord van een schip ging naar de plaats zus-en-zo, en daarna weer verder naar een volgende plaats. Op een avond werd ik aan land gezet op de kust van mijn land. Een oude vrouw vroeg ik om inlichtingen:
– ‘Is de koning die hier regeert rechtvaardig?’
– ‘Mijn zoon,’ zei ze, ‘wij hebben geen andere koning dan God.’ En zij vertelde mij het verhaal van de ontvoerde koning, terwijl ik verbazing veinsde, alsof ik niet wist dat het over mijzelf ging. Ze zei:
– ‘De mensen in dit koninkrijk zijn het erover eens dat zij niemand na hem koning zullen maken tot zij weten wat er met hem gebeurd is en niet langer geloven dat hij in leven is. Want zij hebben berichten van waarzeggers gehoord dat hij nog leeft, en gezond en wel in het land van de Arabieren is.’
De volgende ochtend ging ik mijn stad binnen en betrad mijn paleis, waar ik mijn familieleden terugvond zoals ik die had achtergelaten, behalve dat zij diep bedroefd waren. Ik vertelde mijn mensen het hele verhaal. Zij waren verbaasd en waren blij en gingen over tot de islam zoals ik dat had gedaan, en ik aanvaardde opnieuw mijn koningschap. Dat was een maand voordat jullie kwamen. En vandaag ben ik blij met wat God mij en mijn mensen heeft vergund: de islam, geloof, kennis, het gebed, de vasten en de bedevaart, en kennis van wat halāl is en harām. Ik heb gekregen wat niemand in het land van de Zandj ooit tevoren had gekregen, en ik vergeef jullie omdat jullie de oorzaak zijn van mijn overgang tot de ware godsdienst. Maar er is nog één punt waarop ik God vraag van schuld verlost te worden.’
– ‘Wat dan, Majesteit?’
– ‘Dat ik mijn meester in Baghdad zonder zijn instemming heb verlaten om op pelgrimstocht te gaan, en dat ik niet bij hem teruggekomen ben. Als ik een betrouwbaar man zou ontmoeten zou ik hem de geldswaarde voor mij meegeven en hem verlichting van mijn straf vragen. Ja, als er zo iemand onder jullie was zou ik hem het geld meegeven, en zelfs tienmaal de prijs, ter vergoeding van zijn geduld, maar jullie zijn verraders en schurken.’
Toen wij van hem afscheid namen zei hij nog:
– ‘Gaat heen, en als jullie terugkomen zal ik jullie net zo behandelen en zelfs nog beter. En laat de moslims weten dat ze bij ons terecht kunnen, want wij zijn hun broeders geworden, moslims zoals zij. Maar jullie uitgeleide doen naar het schip, daar zie ik nu maar van af.’
Toen namen wij afscheid en voeren weg.

NOTEN
1. Buzurg ibn Shahriyār al-Nākhudhā al-Rāmhurmuzī, Kitāb ‘Adjāʾib al-Hind, Livre des merveilles de l’Inde, texte arabe publié … par P. A. van der Lith, traduction française par L. Marcel Devic, Leiden 1883–86. De vertaling, de titel en de ondertitel zijn van mij. Over de auteur: Jean-Charles Ducène, ‘Une nouvelle source arabe sur l’océan Indien au Xe siècle,’ Afriques 06, 2015 (online hier).
2. Zo vertaal ik op sommige plaatsen het Arabische woord zandj, dat vaak net zo’n negatieve klank heeft als ons woord ‘neger’. Zandj verwijst naar de zwarte bevolking van Oost-Afrika, maar is niet altijd een eigennaam. Het woord sūdān vertaal ik met ‘zwarten’, dat eerder verwijst naar de inwoners van Sudan.

Terug naar Inhoud

Racisme bij de vroegste moslims? Het geval Bilal

Als er racisme bestond bij de oude Arabieren en/of de eerste moslims zou daar iets van kunnen blijken in de verhalen over Bilāl ibn Rabāḥ al-Ḥabashī, de eerste moëddzin, die een zwarte moeder had.
Maar het blijft de vraag of daar iets te halen is, want de verhalen over de vroegste islam vormen een onontwarbare kluwen van historische feiten, legenden, idealisering, wetsregels en ideologie. Veel van de teksten over hem zijn pas een eeuw na hem of nog later geschreven en bevatten dus geen informatie over eventueel racisme in de vroegste tijd. Toch wil ik hier even wat teksten over hem bekijken.
.
Bilāl was in Mekka geboren als slaaf van een man uit de stam Djumaḥ. Zijn moeder Ḥamāma was een Ethiopische slavin. Hij zal dus een donkere huid hebben gehad en misschien kroeshaar.
Volgens de Wikipedia werd hij geboren op 5 maart 581 en stierf hij op 2 maart 640; nu ja, voor wie dat soort dingen gelooft. Meestal weet de Wiki minder dan er geweten kan worden, maar soms meer.
.
Er wordt verteld dat hij de slaaf was van Umayya ibn Khalaf al-Djumaḥī, een lid van  de pre-islamitische elite van Mekka, of van iemand anders uit dezelfde stam. Zodra de naam Umayya valt moet de historicus extra op zijn hoede zijn. Deze Umayya is immers de stamvader van de dynastie der Umayyaden (661–750), en die hadden bij de latere islamitische geschiedschrijvers een slechte pers, zodat er aan de teksten over hen heel wat gemanipuleerd is .
Bilāl was blijkbaar een prima slaaf, want we krijgen te horen dat hem het beheer over de sleutels tot de afgoden werd toevertrouwd.1 Wat dat precies betekent is niet duidelijk, maar het klinkt als een verantwoordelijke en eervolle taak. Hier dus alvast geen spoor van racisme: een zwarte slaaf werd blijkbaar geacht deze in die omgeving belangrijke functie te kunnen vervullen. Volgens de islamitische regels kan een slaaf géén religieuze functie vervullen; in de pre-islamitische barbarij was dat anders, wil deze tekst misschien vooral benadrukken.
.
Vanuit heidens gezichtspunt liep het echter fout, want Bilāl sloot zich aan bij de beweging van Mohammed. Traditioneel uitgedrukt: hij werd moslim, en wel als een van de allereersten. De islam wordt vaak afgeschilderd als aantrekkelijk voor sociaal zwakkeren, en dus ook voor slaven. Toen Umayya lucht kreeg van zijn overgang was hij razend en liet hem folteren:

  • Bilāl, de vrijgelatene van Abū Bakr, was geboren als slaaf van iemand uit de stam Djumaḥ. Zijn vader heette Rabāḥ en zijn moeder Ḥamāma. Hij was een oprecht moslim en rein van hart. Umayya ibn Khalaf de Djumaḥiet nam hem soms mee naar de open vlakte bij Mekka, op het heetst van de dag; dan gooide hij hem op zijn rug, liet een groot rotsblok op zijn borst leggen en zei tegen hem: ‘Zo blijf je liggen tot je sterft, tenzij je Mohammed afzweert en Lāt en ‘Uzza aanbidt.’ Maar tijdens die marteling bleef Bilāl roepen: ‘Eén God! Eén God!’
    Hishām ibn ‘Urwa heeft gehoord van zijn vader: Op een keer, terwijl Bilāl zo gemarteld werd, kwam Waraqa ibn Nawfal daar langs. ‘Ja, Bilāl: zo is het, één God!’ zei hij; vervolgens wendde hij zich tot Umayya en de andere Djumaḥieten die hem dat aandeden: ‘Ik zweer bij God, als jullie hem op deze manier ombrengen zal ik van zijn graf een bedevaartplaats maken.’
    Ook Abū Bakr kwam op een dag langs de plaats waar ze hem martelden, want zijn huis lag in de wijk van de stam Djumaḥ. Hij vroeg Umayya:
    ‘Vrees jij God niet, dat je deze stakker zo behandelt? Hoe lang moet dat nog doorgaan?’
    ‘Je hebt hem toch zelf bedorven?’ antwoordde Umayya, ‘dus zie nu ook maar dat je hem hieruit helpt.’
    ‘Dat doe ik!’ zei Abū Bakr, ‘ik heb een zwarte slaaf die forser en sterker is dan hij, en die jouw geloof is toegedaan. Die geef ik je, in ruil voor Bilāl.’
    Daarmee ging Umayya akkoord. Abū Bakr gaf hem die slaaf en liet Bilāl vrij.2

Een volkomen geïslamiseerd martelarenverhaal dus. Maar werd Bilāl mishandeld omdat hij zwart was? Geen spoor daarvan in de overlevering: de reden was dat hij zich bij Mohammed had aangesloten, dát was erg. Wel werd volgens deze tekst een zwarte slaaf ingeruild voor een andere zwarte slaaf; het was voor deze auteur dus inderdaad een aparte categorie. Maar volgens een andere versie werd Bilāl ingeruild voor een ongespecificeerde slaaf, of voor een slavengezinnetje van drie personen.
.
Voortaan geen slavenwerk meer voor Bilāl, maar wat moest hij nu eens gaan doen? Hij had geen stamverband waarop hij kon terugvallen. Een tijdje werkte hij als herder voor zijn weldoener Abū Bakr. Maar hij had een mooie, krachtige stem en Mohammed benoemde hem kort na de hidjra tot zijn adjudant, beheerder van de schatkist en tot moëddzin, de oproeper tot de dagelijkse gebeden. Een hadith over dat laatste gaat als volgt:

  • … van ‘Abdallāh ibn ‘Umar: Toen de moslims in Medina waren gekomen kwamen ze altijd samen om de tijden van het gebed vast te stellen; in die tijd riep nog niemand ertoe op. Toen zij daar op een dag over spraken zeiden sommigen: ‘Laten we kleppers gebruiken, net als de christenen.’ Anderen zeiden: ‘Nee, een hoorn, net als de joden. ‘Umar zei: ‘Waarom sturen we niet een man om tot het gebed af te roepen.’ Toen zei de profeet: ‘Bilāl, sta op en roep op tot het gebed!’ 3 

.

Bilal

Bilals oproep tot het gebed vanaf de Ka‘ba

Bij deze benoeming door de profeet werden er geen racistische commentaren gehoord. Maar er wordt verteld dat hij Bilāl bij de verovering van Mekka opdroeg, de oproep tot het gebed vanaf het dak van de Ka‘ba te verrichten, en bij die gelegenheid waren er wél racistische geluiden: 

  • [Het vers 49:13] werd geopenbaard over Bilāl, de moëddzin (maar er werd ook gezegd over Salmān de Pers), en over vier mannen uit Quraysh, namelijk ‘Attāb ibn Asīd ibn abī al-‘Īṣ, al-Ḥārith ibn Hishām, Suhayl ibn ‘Amr en Abū Sufyān ibn Ḥarb, allen uit Quraysh. Het was zo, dat de profeet na de verovering van Mekka Bilāl opdracht gaf bovenop de Ka‘ba te klimmen en daar de oproep tot het gebed te doen. Zo wilde hij de heidenen vernederen. Toen Bilāl erop geklommen was en de oproep verrichtte zei ‘Attāb: ‘God zei geprezen, dat hij [mijn vader] Asīd vóór deze dag tot zich heeft genomen.’ En Ḥārith zei: ‘Ik ben verbaasd over deze Ethiopische slaaf; kon de profeet niets anders vinden dan deze zwarte raaf[, deze ongeluksvogel]?’ Suhayl zei: ‘Als God een hekel aan iets heeft verandert hij het.’ En Abū Sufyān zei: ‘Ik zeg maar niets, want als ik iets zou zeggen zou de hemel tegen mij getuigen en de aarde over mij berichten.’
    Toen daalde Gabriël af tot de profeet en vertelde hem wat zij gezegd hadden. De profeet liet hen komen en zei: Wat zei jij daar, ‘Attāb? Je hebt gelijk. En jij, Ḥārith? Je hebt gelijk. En jij, Suhayl? Je hebt gelijk. En jij, Abū Sufyān? Je hebt gelijk.
    Toen openbaarde God: ‘O Mensen! Wij hebben jullie …’ enz. [koran 49:13], over Bilāl en die vier mannen […]4

In varianten op dit verhaal komen nog deze uitingen voor: ‘Kijk toch eens, die Ethiopiër!’, ‘die zwarte,’ ‘die slaaf’ en ‘die zoon van een zwarte vrouw. Hier is dus wel racisme te onderkennen, zij het van de kant van enkele inwoners van het nog heidense Mekka, die de nieuwe tijd nog niet hadden begrepen. Dit incident zou de ‘aanleiding tot de openbaring’ van koran 49:13 zijn geweest—hoewel voor dat vers ook andere ‘aanleidingen’ worden aangegeven:

  • ‘O Mensen, Wij hebben jullie uit een man en een vrouw geschapen en Wij hebben jullie tot volkeren en stammen gemaakt opdat jullie elkaar zouden kennen. De voortreffelijkste van jullie is bij God de godvrezendste.’5

Het is goed mogelijk dat het verhaal over Bilāl op de Ka‘ba is verzonnen naar aanleiding van dat koranvers. In dat geval is het dus waardeloos voor de geschiedschrijving, maar het laat wel zien dat de (latere) auteurs op racistische ideeën konden komen. Van moslimzijde echter geen racisme in verband met Bilāl. Hoe zou het ook? Hij stond in hoog aanzien: hij was moëddzin, adjudant en schatbewaarder van de profeet en nam aan al diens veldtochten deel en later nog in Syrië aan de djihad. De vroege moslims hebben zijn verschijning juist tot aanleiding genomen om via de verbinding met een koranvers ieder racisme of stam-chauvinisme te bestrijden. Dat was ook wel zo praktisch, want er waren vele zwarten en buitenlanders die, toen ze moslim geworden waren, recht hadden op gelijkwaardige behandeling.

In één versie van de afscheidsrede van de profeet bij zijn laatste bedevaart staat het nog duidelijker:

  • ‘Mensen! Jullie Heer is één, en jullie vader is één. Een Arabier staat niet boven een niet-Arabier, en een niet-Arabier niet boven een Arabier. Een rode (aḥmar) staat niet boven een zwarte, en een zwarte niet boven een rode, tenzij in godsvrucht.’6

Volgende te onderzoeken onderwerpen:
Racisme in de Oudheid
De zwarte dichter ‘Anṭara
Racisme in de oude Arabische poëzie?
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

NOTEN
1. Is een beetje vaag verhaal, moet nog een solide bron zoeken.@
2. Ibn Isḥāq, 205:

وكان بلال، مولى أبي بكر ر لبعض بني جمح، مولَّدا من مولديهم، وهو بلال بن رباح وكان اسم أمه حمامة وكان صادق الاسلام طاهر القلب. وكان أمية بن خلف بن وهب بن حذافة بن جمح يخرجه إذا حميت الظَهيرة فيطرحه على ظهره في بطحاء مكة، ثم يأمر بالصخرة عظيمة فتتوضع على ظهره ثم يقول: لا والله لا تزال هكذا حتى تموت، أو تكفر بمحمد وتعبد اللات والعزى، فيقول في ذلك البلاء: أَحَد أحد.
قال ابن إسحاق: وحدثني هشام بن عروة عن أبيه، قال: كان ورقة بن نوفل يمر به وهو يعذَّب بذلك وهو يقول: أَحَد أحد. فيقول٬ أحد أحد والله يا بلال. ثم يقبل على أمية بن خلف ومن يصنع ذلك به من بني جمح فيقول: أحلف بالله لئن قتلتموه على هذا لأتخذنّه حنانا، حتى مر به أبو بكر الصديق ر يوما وهم يصنعون ذلك به، وكانت دار أبي بكر في بني جمح، فقال لأميّة بن خلف: ألا تتقى الله في هذا المسكين؟ حتى متى؟ قال: أنت الذي أفسدته فأنقِذْه مما ترى. فقال أبو بكر: أفعلُ، عندي غلام أسود أجلد منه وأقوى، على دينك، أُعطيكه به. قال: قد قبلت فقال: هو لك. فأعطاه أبو بكر الصديق ر غلامه ذلك وأخذه فأعتقه.

3. Muslim, Ṣaḥīḥ, Ṣalāt 1: حَدَّثَنَا إِسْحَاقُ بْنُ إِبْرَاهِيمَ الْحَنْظَلِيُّ، حَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ بَكْرٍ، ح وَحَدَّثَنَا مُحَمَّدُ بْنُ رَافِعٍ، حَدَّثَنَا عَبْدُ الرَّزَّاقِ، قَالاَ أَخْبَرَنَا ابْنُ جُرَيْجٍ، ح وَحَدَّثَنِي هَارُونُ بْنُ عَبْدِ اللَّهِ، – وَاللَّفْظُ لَهُ – قَالَ حَدَّثَنَا حَجَّاجُ بْنُ مُحَمَّدٍ، قَالَ قَالَ ابْنُ جُرَيْجٍ أَخْبَرَنِي نَافِعٌ، مَوْلَى ابْنِ عُمَرَ عَنْ عَبْدِ اللَّهِ بْنِ عُمَرَ، أَنَّهُ قَالَ كَانَ الْمُسْلِمُونَ حِينَ قَدِمُوا الْمَدِينَةَ يَجْتَمِعُونَ فَيَتَحَيَّنُونَ الصَّلَوَاتِ وَلَيْسَ يُنَادِي بِهَا أَحَدٌ فَتَكَلَّمُوا يَوْمًا فِي ذَلِكَ فَقَالَ بَعْضُهُمُ اتَّخِذُوا نَاقُوسًا مِثْلَ نَاقُوسِ النَّصَارَى وَقَالَ بَعْضُهُمْ قَرْنًا مِثْلَ قَرْنِ الْيَهُودِ فَقَالَ عُمَرُ أَوَلاَ تَبْعَثُونَ رَجُلاً يُنَادِي بِالصَّلاَةِ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص يَا بِلاَلُ قُمْ فَنَادِ بِالصَّلاَةِ ‏

4. Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr iv, 96–7:

نزلت في بلال المؤذن وقالوا في سلمان الفارسي وفي أربعة نفر من قريش، في عتاب بن أسيد بن أبي العيص، والحارث بن هشام، وسهيل بن عمرو، وأبي سفيان بن حرب، كلهم من قريش. وذلك أن النبي ص لما فتح مكة أمر بلالا فصعد ظهر الكعبة وأذّن، وأراد أن يذل المشركين بذلك. فلما صعد بلال وأذّن قال عتاب بن أسيد: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. وقال الحارث بن هشام: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ وقال سهيل بن عمرو: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره، وقال أبو سفيان: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض.
فنرل جبريل على النبي ص فأحبره بقولهم فدعاهم النبي ص فقال: كيف قلت يا عتاب؟ قال قلت: الحمد لله الذي قبض أسيد قبل هذا اليوم. قال: صدقت. ثم قال للحارث بن هشام: كيف قلت؟ قال قلت: عجبت لهذا العبد الحبشي أما وجد رسول الله ص الا هذا الغراب الأسود؟ قال: صدقت. ثم قال لسهيل بن عمرو: كيف قلت؟ قال قلت: إن يكرهْ الله شيئا يغيّره. قال: صدقت. ثم قال لأبي سفيان: كيف قلت؟ قال قلت: أما أنا فلا أقول، فإني لو قلت شيئا لتشهدنّ عليّ السماء وتخبر عني الأرض. قال: صدقت.
فأنرل الله ت فيهم {يا أيها الناس} يعني بلالا وهؤلاء الأربعة … الخ

Verwante teksten in Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt iii, 234-5:  أن رسول الله ص أمر بلالًا أن يؤذّن يوم الفتح على ظهر الكعبة، فأذّن على ظهرها والحارث بن هشام وصفوان بن أميّة قاعدان فقال أحدهما للآخر: أنظر الى هذا الحبشي، فقال الآخر: إنْ يكرهه الله يغيّره ; ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf 19464; Ibn abī Shayba, Muṣannaf xiv:487 (@niet gezien); al-Ya‘qūbī, Historiae ii, 62.
5. Koran 49:13, vertaling Leemhuis. In de huidige Arabische wereld is wel veel racisme. Men is het koranvers blijkbaar vergeten.
6. Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 411; nr. 22391 حدثنا إسماعيل، حدثنا سعيد الجريري، عن أبي نضرة، حدثني من، سمع خطبة، رسول الله ص في وسط أيام التشريق فقال يا أيها الناس ألا إن ربكم واحد وإن أباكم واحد ألا لا فضل لعربي على أعجمي ولا لعجمي على عربي ولا لأحمر على أسود ولا أسود على أحمر إلا بالتقوى. De ‘zwarten’ zijn in deze tekst de Arabieren, de ‘roden’ de Perzen, die een wat lichtere huid hadden.

BIBLIOGRAFIE
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst]. Ook online ter beschikking.
– Ibn Sa‘d, aṭ-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 9 dln., Beiroet (Dār Ṣādir), z.j., vooral iii 232–239.
– Muqātil ibn Sulaymān, Tafsīr, uitg. ‘Abdallāh Maḥmūd Shiḥāta, 5 dln. Cairo 1979-89.
– Muslim ibn Ḥadjdjādj, Ṣaḥīḥ, uitg. Fu’ād ʿAbd al-Bāqī, 5 dln., Cairo 1955. Ook online.

Terug naar Inhoud

Racisme in de oude arabische poëzie?

🇩🇪 [GROEITEKST, WERKBLAD]
Als de Grieken en Romeinen het racisme niet hebben uitgevonden, waren het dan misschien de oude Arabieren?
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.1
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 2
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren.
Eerst maar eens de oude poëzie bekijken
. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten3 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik nog controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de poëzie bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 4
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 5
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)6
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)7
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.8
  • ‘Ik scheepte mij in op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).9

Er bestaan ook dubbele en ingewikkelde vergelijkingen: bij voorbeeld waar een dichter het over zijn beginnende grijsheid heeft:

  • ‘Witte en zwarte haren op het hoofd: Twee volkeren, Romeinen en negers hebben zich op mijn hoofd breed gemaakt.
    Opgevlogen van mijn hoofd is de [zwarte] raaf van de jeugd, op zijn plaats is de [witte] steltloper neergestreken.
    In de hof van mijn schedel hebben zich twee kleuren verspreid, als schaakstukken op een schaakbord.’10

Hier, en op vele andere plaatsen contrasteren zwarten overigens met blanke Romeinen, soms ook met Turken, Khazaren, of Scythen.
.
Tenslotte kan nog het bestaan van omgekeerde vergelijkingen gesignaleerd worden. In een betrekkelijk klein aantal verzen wordt niet een zwart ding of dier met een zwarte mens vergeleken, maar omgekeerd, bij voorbeeld: ‘Een zwart meisje, als een het edele veulen van een moor [=zwart paard] …’11

In de geciteerde en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige, graag ook vergezochte vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit vreemd vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Eerst heb ik eens gekeken of zulke uitspraken zich voordoen in oude verzen of in latere. Ik wilde immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Met wetenschappelijke precisie ben ik niet te werk gegaan, maar het is me gebleken dat verreweg de meeste racistische hatelijkheden niet in de vroege maar in de latere poëzie voorkomen. Dat zegt echter niet veel, want zonder twijfel waren er in de latere tijd ook meer zwarten en dichters. Hoe dan ook, hier volgen de weinige voorbeelden van oude negatieve beschrijvingen van zwarten:

Ḥassān ibn Thābit zou hebben geleefd van 563–674, wat onwaarschijnlijk is. In ieder geval heeft hij als dichter een pre-islamitische periode gehad, maar na zijn overgang tot de islam bevond hij zich in de directe omgeving van Mohammed; men heeft hem wel diens hofdichter genoemd. Van hem stammen twee onaangenaam klinkende fragmenten:

  • ‘Jouw moeder is een zwarte met een korte nek, wier vingertoppen op mestkevers lijken. Als je vader haar ’s nachts beslaapt is het alsof een vos een kat aanvalt.’12
  • ‘[De Banū al-Ḥimās] zijn de kinderen van Cham. Voor hen vind je geen betere vergelijking dan met geitenbokken, bij welke het haar over de schouders hangt.’13

En Ibn Mufarrigh al-Ḥimyarī (gest. 688) dichtte dit:

  • ‘Hij is op de wereld gezet door een Ethiopische [slavin] met afgesneden oren, je zou denken dat het een struisvogelhen is; een van die vrouwen met zwarte gezichten aan wie alleen lelijkheid te zien is.’14

De iets latere dichter Farazdaq (± 641–730) noemt een man die hij wil uitschelden ‘zoon van de lul van een mestkever’,15 waarmee hij bedoelde: zoon van een zwarte, want de vergelijking van mestkevers met zwarten was gangbaar. En dat terwijl de geadresseerde niet eens zwart was; de dichter wilde gewoon iets onaangenaams zeggen. Of de steeds voorkomende vergelijking van de dikke lippen van zwarten met de hanglippen (mashāfir) van kamelen een negatief waardeoordeel inhoudt is me niet duidelijk.16
.
Vervolgens ben ik nagegaan of negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. Dat blijkt in grote lijnen inderdaad het geval te zin. De vergelijkingen met planten en bloemen en met zwarte kledingstukken en stenen zijn positief, die met mest en stront en pek zijn negatief. Ook bij de vergelijkingen met mestkevers en pissebedden is heel wat racistisch gescheld te vinden, maar niet uitsluitend. Het lijkt voor te hand te liggen om bij voorbeeld een mestkever smerig te vinden, maar dat hoeft niet. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Hierboven (bij noot 8) citeerde ik een volstrekt neutrale vergelijking zonder negatieve klank en dat is lang niet de enige.
.
Wat echter ook vaak voorkomt in de latere poëzie is waardering en bewondering van zwart en van zwarten, zeker ook als liefdespartners van beiderlei kunne. Zwarte stenen zijn mooi, en zwart haar is altijd mooier dan wit, dat immers een teken van ouderdom is. In ettelijke gedichten verdedigt een dichter zich tegen critici, die hem blijkbaar hadden verweten dat hij zich met zwarten inliet.
.
Omdat de meeste hatelijkheden en ook de positieve uitingen in de wat latere poëzie voorkomen zal ik die in een latere aflevering behandelen. Voor het ogenblik volstaat de vaststelling dat racistische praat wel voorkomt in oude Arabische poëzie, maar betrekkelijk zelden.
.
Volgende te onderzoeken onderwerpen:
Racisme in de Oudheid
De zwarte dichter ‘Anṭara
Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

NOTEN
1. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Ook Ullman, Neger, no. 309. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
2. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
3. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
4. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
5. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
6. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
7. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
8. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
9. Ibid., no. 596: ركبتها زنجية
10. Ibid., no. 113: شعرات في الرأس بيض ودُعج جل رأسي جيلان روم وزنج | طار عن هامتي غراب شباب وعلاه مكانه شاهَمُرح | حل في صحن هامتي منه لونان كما حل رقعة شطرنج
11. Ibid., no. 103: سحماء كالمُهرة المطَهّمة الدهماءِ تنضو أوائلً الصيق
12. Ibid., no. 82: وأمك سوداء مودونة كأن أناملها الحُنظُب ، يبيت أبوك بها مُعْرسا كما ساور الهزةَ التغلب
13. Ibid., no. 107: أولاد حامٍ فلن تلقى لهم شبها إلا التيوس على أكتافها الشَعر
14. Ibid., no. 20: جاءت به حبشية سكّاء  تحسبها نعامة، من نسوة سود الوجوه ترى عليهن الدمامة
15. Ibid., no. 74: با ابن الخنفساء،  ابن زب الخنفساء
16. Ibid., no. 99, 208, 519, 579.

Terug naar Inhoud

Wie heeft het racisme uitgevonden?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Bij de oude Grieken en Romeinen viel het nogal mee met het racisme, als ik de literatuur mag geloven. Maar die literatuur is wel wat problematisch. De klassieke Oudheid wordt in de westerse wereld dikwijls geïnstrumentaliseerd ter verbreiding van hedendaagse opvattingen. Het is dus denkbaar dat iemand uit de Verenigde Staten, die omstreeks 1950 schreef dat er in de Oudheid geen racisme bestond, eigenlijk de afschaffing van de rassenscheiding in de VS wilde bevorderen. Anderzijds geloven white supremacists vaak dat de oude Grieken en Romeinen net zo blank waren als hun marmeren standbeelden. Zij worden kwaad en sturen dreigmails aan archeologen en classici die aantonen dat die beelden vroeger gekleurd waren en dat de verf er in de loop der eeuwen af is gegaan, of door overijverige museumconservatoren is weggeschrobd.

Hoe dan ook, de personages van Homerus, inclusief de goden, vonden Ethiopiërs fijne mensen, trouw en gastvrij, en Ethiopiërs is de Oudgriekse benaming voor Afrikanen. Thetis vertelt Achilles:

  • Zeus is namelijk gisteren vertrokken naar de Oceaan voor een maaltijd | bij de voortreffelijke Ethiopiërs, alle goden vergezelden hem.1

En Iris zegt tegen de winden:

  • Geen tijd om te zitten, want ik ben nu onderweg naar de stromen van Okeanos en het land van de Ethiopiërs, waar men offers brengt aan de onsterfelijken, om ook zelf te delen in de rituelen.2

Ook Poseidon heeft het naar zijn zin bij de Ethiopiërs:

  • Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopen, | (de Ethiopen, die in tweeën verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, | één groep in het Westen, de andere in het Oosten) | om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. | Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; … 3

Feit is bovendien dat het Romeinse Rijk verregaand multiculti was, met vrij verkeer van mensen en goden, en dat het tenminste één keizer uit Libye heeft gehad (de Berber Septimius Severus; zijn vrouw Julia stamde uit het Syrische Homs) en twee uit het huidige Syrië/Turkije (de Arabieren Heliogabalus en Philippus Arabs). Iets dergelijks is in het huidige Europa volledig ondenkbaar.
Ik zal me nog nader inlezen in de vakliteratuur over de klassieke Oudheid, hoewel ik dat niet met grote kennis van zaken kan doen.

[[Een vriend gaf mij intussen de volgende lectuur over de klassieke Oudheid:
https://books.google.nl/books?id=eem1AQAAQBAJ&printsec=copyright&hl=nl&source=gbs_pub_info_r#v=onepage&q&f=false  en over zelfde titel: https://press.princeton.edu/titles/7737.html
https://www.jstor.org/stable/40023593?seq=1#page_scan_tab_contents
href=”http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf”>http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf
Benjamin H. Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity, Princeton University Press 2004/2006?]]

Als het de Grieken en Romeinen niet waren, wie hebben het racisme dan uitgevonden? De oude Perzen? Daar heb ik geen toegang toe. Wel kan ik eens kijken of het misschien de oude Arabieren waren.
.
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.4
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 5
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren. Wat kan ik als Arabist doen? Een groots project ga ik niet opstarten, maar voor de oudste tijd kan ik de poëzie bekijken; vervolgens het geval van ‘Antara, een pre-islamitische zwarte dichter en held, en dat van Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet Mohammed.
Daartoe zal ik ik de volgende literatuur gebruiken:
– Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
– Albert Arazi en Salman Masalha, Six early Arab poets. New edition and concordance, Jerusalem 1999.
@@trefwoorden nog aswad 592–4 LET OP 594 regel 1. Snel gezien denk ik. Dit checken met Ullmann@@.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965. Trefwoorden: aswad, aṣfar, aḥmar 356 supra, abyaḍ, asmar, ašqar, ‘Hautfarbe’.@
.
Voor de wat latere tijd is er het volgende:
– De werken van al-Djaḥiẓ en de analyse daarvan door Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ‘Uṯmān al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979. Al-Djāḥiẓ had een theorie over rassen. Zijn vader was een zwarte slaaf.
– Gernot Rotter, Die Stellung des Negers in der arabisch-islamischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.
– Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East. An Historical Enquiry. New York/Oxford 1990.
Niet uit te sluiten is natuurlijk dat in deze secundaire literatuur nog van alles staat over de vroegste tijd; dat kan ik dan later invoegen.

Nu dan eerst die oude poëzie. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten6 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de verzen bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 7
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 8
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)9
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)10
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.)11
  • ‘Ik ging aan boord, op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).12

In deze en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit een vreemd streven vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Te onderzoeken is nu ten eerste of dit zich voordoet in de oudste verzen of in latere. Ik wil immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Ten tweede wil ik kijken of zulke negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. De verleiding lijkt groot om bij voorbeeld de mestkever iets smerigs te vinden, maar op zich is dat niet nodig. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Bovendien was in het laatste voorbeeld hierboven al een neutrale vergelijking zonder negatieve bijklank te zien en dat is lang niet de enige.

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Homerus, Ilias 1:423–4:
Ζεὺς γὰρ ἐς Ὠκεανὸν μετ’ ἀμύμονας Αἰϑιοπῆας | χϑιζὸς ἔβη κατὰ δαῖτα, ϑεοὶ δ’ ἅμα πάντες ἕποντο· Vertaling Ben Bijnsdorp: https://benbijnsdorp.nl/homerus_ilias.html.
2. Homerus, Ilias 23:205–207:
οὐχ ἕδος: εἶμι γὰρ αὖτις ἐπ’ Ὠκεανοῖο ῥέεθρα | Αἰθιόπων ἐς γαῖαν, ὅθι ῥέζουσ’ ἑκατόμβας | ἀθανάτοις, ἵνα δὴ καὶ ἐγὼ μεταδαίσομαι ἱρῶν. Vertaling Ben Bijnsdorp.
3. Homerus, Odyssee 1:21-25:
ἀλλ᾽ ὁ μὲν Αἰθίοπας μετεκίαθε τηλόθ᾽ ἐόντας, |Αἰθίοπας τοὶ διχθὰ δεδαίαται, ἔσχατοι ἀνδρῶν, | οἱ μὲν δυσομένου Ὑπερίονος οἱ δ᾽ ἀνιόντος, | ἀντιόων ταύρων τε καὶ ἀρνειῶν ἑκατόμβης. |ἔνθ᾽ ὅ γ᾽ ἐτέρπετο δαιτὶ παρήμενος … Vertaling Ben Bijnsdorp; https://benbijnsdorp.nl/homeros/homerus_odyssee.html. Vgl. ook 5:281–287.
4. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
6. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
7. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
8. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
9. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
10. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
11. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
12. Ibid., no. 71: ركبتها زنجية

Terug naar Inhoud

Dhu al-Suwayqatayn: een aanvulling

Aan het einde der tijden komt een raar mannetje uit Ethiopië de Ka‘ba vernietigen. Zijn naam is Dhū al-Suwayqatayn, hij heeft rode beentjes, een dikke buik en dreigend flikkerende ogen. Zeven jaar geleden schreef ik hier over deze figuur en verbaasde mij over zijn uiterlijk. Waar hebben de vertellers dat vandaan?
Enige duidelijkheid bracht mij nu de lectuur van Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden Oudarabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het:

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten1 … Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 2

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān:

  • ‘Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode benen en dreigend flikkerende ogen, met een platte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Ka‘ba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.’ 3

wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten. Bij hem wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, maar juist omgekeerd. 

Vroeger dacht ik dat Dhū al-Suwayqatayn ‘hij met de korte beentjes’ betekende, maar het moet toch betrekking hebben op dunne benen: zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne poten/benen. De ‘dikke buik’ herinnert aan het bolle, donkere lijf van de struisvogel, dat contrasteert met zijn lange, dunne poten en nek. De vervaarlijk flikkerende ogen zijn geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die ze ook heeft.

Ik zal dus mijn tekst over Dhū al-Suwayqatayn moeten herschrijven; dat kan nog wat duren.

ANMERKUNGEN
1. Sommige struisvogelsoorten krijgen gedurende de balts rode poten.
2. خَاضِبٌ … كَالأسْوَدِ الحَبَشِيِّ الحَمْشِ يَتْبَعَهُ سُودٌ طَمَاطِمُ فِي آذَانِهَا
3. كما ورد في حديث حذيفة مرفوعًا، كأني أنظر الى حبشي أحمر الساقين أزرق العينين أفطس الأنف كبير البطن وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له ينقضونه حجرًا حجرًا يتداولونها حتى يطرحوها في البحر.

Terug naar Inhoud

Gedwongen ontkleding in Iran

🇩🇪 🇬🇧 De neiging van overheden zich met de kleding van vrouwen te bemoeien is bekend. Meestal gaat het erom, meer van het vrouwenlichaam te bedekken, maar soms moet het juist minder zijn. Lang voor het boerka- en boerkinigedoe in West-Europa, in de jaren van 1936–1941, dwong Reza Shah van Iran vrouwen om grote delen van hun kleding af te werpen. En dat niet alleen, ze moesten ook nog gezellig met mannen omgaan. Ambtenaren moesten bij voorbeeld op feestjes en bij openbare manifestaties met hun dames in westerse feestkleding verschijnen, om een voorbeeld te geven voor anderen. Daarop werd toezicht uitgeoefend: op feesten was het bij voorbeeld niet de bedoeling dat vrouwen aan een kant zaten en mannen aan de andere, of dat vrouwen alleen met hun eigen echtgenoot omgingen. Op straat controleerde de politie en ontzag zich niet, vrouwen met geweld van hun tsjador te beroven. Dat waren uiteraard mannelijke politieagenten; vrouwelijke bestonden toen nog niet. Toen vrouwen hun toevlucht namen tot lange jurken en hoofddoeken werden ook die verboden.
.
Moderne kringen waren wel blij met de ontsluiering, en in het door Rusland beïnvloedde Noorden van Iran werd zij vrij gemakkelijk geaccepteerd. Maar voor de conservatieve delen van de bevolking was de doorvoering van deze regels een ware ramp. Vrouwen durfden de straat niet meer op en als zij in vredesnaam dan toch maar gingen werden zij door de jongens uit de buurt uitgescholden of lastig gevallen. Niemand had blijkbaar aan de gevolgen van de nieuwe voorschriften gedacht. In het zuiden vluchtten vrouwen naar Irak. Vele andere besloten voortaan maar helemaal thuis te blijven; sommigen pleegden zelfmoord. Maar in die tijd hadden de huizen nog geen bad, men ging naar het openbare badhuis en dat kon nu dus niet meer. Altijd alleen maar een kattenwasje thuis is niet prettig; bovendien is het nemen van een bad vaak ook een religieuze plicht. De politie kende de nood van de vrouwen en patrouilleerde dus graag bij badhuizen, waar de kans groot was dat ze een gesluierde vrouw konden vangen. De schrijver Reza Baraheni (1935—) vertelde dat zijn vader voortaan zijn vrouw en zijn moeder in een zak naar het badhuis droeg. Een politieman kreeg een keer argwaan en vroeg wat er toch in die zakken zat. Pistaches, antwoordde hij. Maar de agent wilde dat controleren en greep eens in de zak. De vrouw bleek niet tegen kietelen te kunnen, moest lachen en het stel ging op de bon. Baraheni is een schrijver, dus het verhaal zou wel eens fictie kunnen zijn— maar het is een mooi motief.
.
Op die feesten was het ook niet echt gezellig. In de tochtige, onverwarmde zalen hadden de vrouwen het in hun mouwloze, gedecolleteerde jurken op winteravonden erg koud; daarom trokken ze er bij voorbeeld een zware winterjas overheen aan. Soms wilde een man zijn vrouw dit alles niet aandoen; dan sloot hij voor de duur van de manifestatie een tijdelijk huwelijk met een vrouw die het niets kon schelen, een prostituée misschien. Dat is een mogelijkheid die het Iraanse recht (nog altijd) biedt. Zo kon hij aanwezig zijn met een echtgenote, terwijl zijn eigenlijke vrouw lekker thuis zat.
.
Prostituées waren in die periode overigens de enige vrouwen die zich volledig mochten sluieren, sterker nog: zij móesten dat. Zo probeerde de overheid de mensen in te prenten hoe verachtelijk de sluier was.
.
Het sluierverbod leidde ook tot diplomatieke spanningen met Groot-Brittannië, dat het recht van dames uit Brits-Indië verdedigde Iran gesluierd te bezoeken.
.
In 1941 trad Reza Shah onder Brits-Russische druk af en daarna werd alles weer normaal. Twee jaar later mochten vrouwen zelf beslissen of zij een sluier wilden dragen of niet.

BIBLIOGRAFIE
H.E. Chehabi, ‘The banning of the veil and its consequences,’ in: Stephanie Cronin (ed.), The making of modern Iran. State and society under Riza Shah, 1921–1941, London/New York 2003, 193–210.

Terug naar Inhoud