Arabië anno 650: sterke vrouwen, zwakke mannen

🇩🇪 In de pre-islamitische Arabische poëzie van pakweg 550 na Chr. wordt er in de inleiding (nasīb) van de langere gedichten dikwijls even teruggedacht aan een vrouw. De dichter1 herinnert zich het heerlijke samenzijn met een zekere Layla, Salwa, Salma of Hind, een tijd geleden al, en brengt daardoor bij zich zelf en zijn hoorders een weemoedige en gevoelige stemming teweeg. Maar die duurt maar een paar regels. Zijn makkers of reisgenoten zeggen dat hij zich moet vermannen: er zijn immers nog meer vrouwen, en er zijn nu andere dingen te doen: trekken, jagen, vechten, de eigen stam roem bezorgen en andere schade toebrengen, een stamhoofd of een koning prijzen. Daarover gaat dan de rest van het gedicht. Een vrouw kan er nog op twee manieren in voorkomen: ten eerste als voorwerp van begeerte, als de dichter opschept over zijn seksuele vermogens, ten tweede als zeurende ‘huisvrouw’, die de man kritiseert omdat hij zijn bezit vergooit aan drank of gokken, of de traditionele deugden van vrijgevigheid en gastvrijheid zo rigoureus toepast, dat er voor vrouw en kinderen te weinig overblijft.
Een vrouw was in die oude wereld niet veel waard. Zij had weinig rechten en zekerheden, zij kon geschaakt, verhuurd, uitgeleend en vererfd worden. En seksueel lastig gevallen natuurlijk ook; of hoe zouden we anders moeten benoemen wat de beroemd-beruchte dichter Imru al-Qays deed toen hij de tent van een jonge moeder binnendrong die juist haar zuigeling de ene borst gaf, terwijl hij zich ongevraagd op de andere stortte? Uit niet-poëtische bronnen weten we dat er een soort huwelijken bestond, waarbij een vader of voogd een vrouw vrijwel verhuurde aan mannen. En in hadithen lezen we dat dames ’s-avonds in het donker goed ingepakt als groep naar buiten gingen voor hun stoelgang, omdat het bij daglicht en voor een vrouw alleen niet veilig was.
.
Honderd jaar later, vanaf pakweg 640, worden er nog steeds lange gedichten in oude stijl gemaakt, maar er ontstaan ook aparte liefdesgedichten (ghazal). De vrouw komt daarin vaak naar voren als een hardvochtig wezen, dat de hopeloos verliefde minnaar aan het lijntje houdt en hem gunsten belooft die zij nooit verleent. Zij tracht hem met de pijlen van haar ogen te ‘doden’, zij doet alsof zij o zo verliefd op hem is en verwijt hem intussen dat hij naar andere vrouwen kijkt. De man daarentegen lijdt en zucht en klaagt, probeert zich te rechtvaardigen en smeekt haar om een gunst, hoe klein ook. Hij is ziek en uitgeteerd van verliefdheid, de arts (die de geliefde is) wil hem niet helpen en de liefdesdood ligt op de loer.
.
Wat was er gebeurd, hoe kwam het tot deze heel andere toon in de poëzie? Hoe werden vrouwen zo triomfantelijk en mannen zulke zeurende huilebalken? ‘Dat kwam door de islam,’ zullen veel mensen zeggen. Dat is te slordig uitgedrukt, want wat was de islam helemaal anno 650? Die was nog lang niet uitgekristalliseerd; de koran bestond nog niet als boek en iets wat leek op de sharia was nog niet in zicht. Liever spreek ik voor die vroege periode van de ‘koranische beweging’. Maar de rechtsregels die in de koran zouden belanden circuleerden blijkbaar toch al en misten hun uitwerking niet. Inderdaad hebben die zoals bekend de positie van de vrije Arabische vrouw verbeterd. Zij kon niet meer tegen haar wil worden uitgehuwelijkt. Er werden regelingen getroffen betreffende bruidsschat en verstoting en haar onderhoud daarna. Zij kon geen deel meer uitmaken van een erfenis, maar zelf erven, zij het niet zoveel als een man. Haar getuigenis had enige waarde voor het gerecht, zij het niet zo veel als dat van een man. Dat alles versterkte haar positie.2
.
Maar ook het leven van de man was niet meer hetzelfde. Anno 650 waren de Arabieren al twintig jaar doende de halve wereld te veroveren. Dit had geleid tot snelle en drastische sociale veranderingen. De Arabische stammen vochten voortaan niet meer tegen elkaar, maar samen tegen anderen. Vee stelen of vechten met de stam verderop was niet meer gewenst, evenmin als pochen op de deugden van de stam en schelden op een andere. Met het roven, verkrachten of anderszins slecht behandelen van vrouwen was ook geen eer meer te behalen. Macho-gedrag kon nog volop uitgeleefd worden in de legers die de buitenwereld gingen veroveren, maar op het schiereiland veel minder. De mobiliteit werd enorm: veel Arabieren belandden in veraf gelegen gebieden waar hun vader en grootvader niet eens van gehoord hadden. In de legers trokken zij op met mannen uit heel andere stammen, die misschien vroeger hun vijanden waren geweest.
Voor zowel mannen als vrouwen gold dat zij individuen werden, niet meer uitsluitend deel van een groep. Dat bood ook gelegenheid tot persoonlijke liefdesbetrekkingen. Het pre-islamitische advies aan een man die aan een geliefde terugdacht: ‘Vergeet haar, er zijn nog zoveel andere vrouwen,’ was niet langer relevant: hij wilde die ene.
.
De positie van de vrouw werd dus niet alleen beter door de koranische regels, maar ook doordat de man zwakker werd. Wat altijd zijn mannelijkheid had uitgemaakt, collectieve bravoure en machogedrag als lid van een stam, die hem bescherming bood, waren nu voorbij, en dat leidde tot ontreddering, een gevoel van geen man meer te zijn. Mannen die als soldaat de wijde wereld introkken zullen dit niet zo gevoeld hebben, maar zij die in Arabië achterbleven of na een veldtocht terugkeerden, zoals ook onderstaande dichter, vonden hun vertrouwde wereld niet meer terug.
.
Ooit heb ik in dit bloek een gedicht van ʿUmar ibn abī Rabīʿa van ± 700 gepresenteerd, waarin een vrouw haar spelletje speelt met een nogal sullige man. Renate →Jacobi heeft gedichten van Abū Dhu’ayb bestudeerd, een dichter uit de stam Hudhayl, die ± 640 in Centraal-Arabië leefde
, en daarin worden de nieuwe verhoudingen nog veel duidelijker. Hier volgt een gedicht dat zij heeft behandeld.3
Poëzie poëtisch vertalen kan ik helaas nog steeds niet, maar in proza krijgt U een idee van waar het over gaat:

١. يَا بَيْتَ دَهْمَاءَ الَّذِي أَتَجَنَّبُ * ذَهَبَ الشَّبَابُ وَحُبُّهَا لاَ يَذْهَبُ
٢. مَا لِي أَحِنُّ إذَا جِمَالُكِ قُرِّبَتْ * وَأَصُدُّ عَنْكِ وَأَنْتِ مِنِّي أَقْرَبُ
٣. للهِ دَرُّكِ هَلْ لَدَيْكِ مُعَوَّلٌ * لِـمُكَلَّفٍ أَمْ هَلْ لِوُدِّكِ مَطْلَبُ
٤. تَدْعُو الحَمَامَة شَجْوَهَا فَتَهِيجُنِي * وَيَرُوحُ عَازِبُ شَوْقِيَ الْـمُتَأَؤِبُ
٥. وَأَرَى البِلاَدَ إذَا سَكَنْتِ بِغَيْرِهَا * جَدْبًا وَإنْ كَانَتْ تُطَلُّ وَتُخْصِبُ
٦. وَيَحُلُّ أَهْلِي بِالـمَكَانِ فَلاَ أَرَى * طَرْفِي لِغََيْرِكِ مَرَةً يَتَقَلَّبُ
٧. وَأُصَانِعُ الوَاشِينَ فِيكِ تَجَمُلاً * وَهُمُ عَلَيَّ ذَوُو ضَغَائِنَ دُؤَّبُ
٨. وَتَهِيجُ سَارِيَةُ الرِّيَاحِ مِنْ أَرْضِكُمْ * فَأَرَى الجَنَابَ لَهَا يُحَلُّ وَيُجْنَبُ
٩. وَأَرَى الْعَدُوَّ يُحِبُّكُمْ فَأُحِبُّهُ * إنْ كَانَ يُنْسَبُ مِنْكِ أَوْ لاَ يُنْسَبُ

1. O tent van Dahmā’ die ik mijd! Voorbij is de jeugd, maar de liefde voor haar gaat niet voorbij.
2. Waarom verlang ik [naar je] als je kamelen dichterbij komen en wend ik me van je af als je dichtbij me bent?
3. Je bent zo mooi! Kan een verliefde van jou op aan, heeft zijn liefde voor jou een kans?
4. De duif koert zijn treurig lied en ontroert mij;4 [iedere] avond keert mijn verlangen als een ver weidende kudde huiswaarts.
5. Een land waarin jij niet woont lijkt mij woest en dor, al is het nog zo vochtig en vruchtbaar.
6. Als mijn stam ergens zijn kamp opslaat gebeurt het nooit dat mijn blik afdwaalt naar een andere vrouw.
7. Ik praat de kwaadsprekers naar de mond en houd me in, maar zij wrokken onvermoeibaar tegen mij.
8. Zo vaak een nachtelijke bries uit jouw land opsteekt lijkt het of dáárom de plek voor het kamp gekozen of gemeden is.
9. Zie ik dat mijn vijand van jou houdt, dan houd ik van hem, of hij tot jouw stam behoort of niet.
.
De breuk met de oude tijd is in dit gedicht duidelijk zichtbaar. De dichter kan en wil zijn geliefde niet vergeten. Anders dan de dichters van weleer heeft hij geen belangstelling voor andere vrouwen: hij is gefixeerd op die ene, die hij altijd trouw blijft en naar wie hij iedere avond verlangt.
Hij betoont haar groot respect, dringt niet brutaal haar tent binnen maar mijdt die, om haar goede naam te beschermen. De lasteraars biedt hij geen houvast, hij wendt zich zelfs af en doet alsof hij niet verliefd op haar is: het tegendeel van het pre-islamitische opscheppen. Ook dit dient ter bescherming van haar goede naam.
Hij voelt zich hoogst onzeker: heeft hij wel een kans bij haar? Zelfs met een zuchtje wind uit haar richting zou hij al tevreden zijn. Van vrouwenroof of zich opdringen is hier geen sprake meer.
De laatste regel is de ongelooflijkste van allemaal. Het behoren tot een stam doet er niet meer toe; de vijandschap tussen de stammen is opgeheven!
.
Wat veranderde er nu echt in de Arabische maatschappij? Natuurlijk was het niet zo, dat er voortaan meer vrouwen in leidinggevende functies te vinden waren. De voorindustriële Oudheid ging gewoon door en het fysieke overwicht van de man bleef bepalend. De onzekerheid verdween toen de maatschappij eenmaal nieuwe vormen gevonden had. Ook het stammensysteem was na een halve eeuw weer hersteld: er vormden zich domweg nieuwe stamverbanden, elk uiteraard met een eigen fictief verleden. Maar het is een interessante episode. Er zijn verder maar heel weinig geschiedbronnen over die vroege tijd die ons zonder religieuze kleuring laten zien wat er in de mensen omging. Daarom mag de poëzie niet verwaarloosd worden.
.
De thematiek van deze Arabische liefdespoëzie ging overigens een eigen leven leiden en heeft het nog eeuwen volgehouden: in het Arabisch tot in de twintigste eeuw (bijv. Umm Kulthum), maar ook in het Perzisch en Turks. En in Europa bij de troubadours en in de liederen van Frankrijk en Italië tot diep in de achttiende eeuw.

NOTEN
1. Nou ja, het lyrische ik natuurlijk, maar dat praat zo lastig. Ik spreek hier gemakshalve maar van ‘de dichter’.
2. Ik hoor het geloei in islamhatend Nederland al: noem je dát verbeteringen? Ja, daar en toen waren het verbeteringen; dat betekent niet dat het nu niet opnieuw beter kan.
3. Dit gedicht schijnt niet van Abū Dhu’ayb zelf te zijn, hoewel het in zijn dichtwerk is opgenomen. Het moet van ± 650 dateren.
4. De monogaam geachte duif koert in vele literaturen om de afwezige geliefde. Zelfs nog bij onze Rhijnvis Feith (1752–1824): ‘Hoort het treurig lied des tortels | die zijn trouwe gade derft.’

BIBLIOGRAFIE
– Renate Jacobi, ‘Die Anfänge der arabischen Ġazalpoesie: Abū Ḏu’aib al-Huḏalī,’ in Der Islam 61 (1984), 218–250.
– Thomas Bauer, Liebe und Liebesdichtung in der arabischen Welt des 9. und 10. Jahrhunderts, Wiesbaden 1998, blz. 44–46.

Terug naar Inhoud

Grammatica klassiek-Arabisch 2.0

🇩🇪 Lezers van mijn tekst over klassiek-arabische grammatica zullen het hebben gezien: de nieuwste omvattende syntax van het klassiek-Arabisch dateert van 1921. Een muf onderwerp dus? Zelfs het werk aan een syntax van het Modern Standaardarabisch schijnt tot stilstand te zijn gekomen, dus die ouwe boel nog eens te meer. Maar het verlangen oude Arabische teksten te lezen bestaat in kleine kring nog steeds, al beperken de meest lezeres zich tot religieuze teksten.

Of U het gelooft of niet: om teksten te begrijpen is kennis van de grammatica onontbeerlijk. Gelukkig is nu een aantal arabisten een initiatief gestart om met moderne middelen de syntax van het oudere Arabisch weer toegankelijk te maken. Een voorlopige webpagina vindt U hier. Binnenkort zal er hopelijk een online tijdschrift ontstaan. In de woorden Frank Weigelt, de initiatiefnemer: Die Seite soll später als Online-Zeitschrift aufgebaut sein, so dass die einzelnen Beiträge als Zeitschriftenartikel zählen und ordentlich zitiert werden können. Die Zeitschrift wird lanciert, wenn der methodische Rahmen feststeht.“

Terug naar Inhoud

Ali Mubarak en het doorsijpeleffect

🇩🇪 De laatste tijd heb ik zin om negentiende-eeuws Arabisch te lezen, en dan kom je onvermijdelijk terecht bij ‘Alī Pāshā Mubārak (1823–1893). Deze veelzijdig getalenteerde Egyptenaar had oorspronkelijk imam of iets dergelijks zullen worden, maar doorliep een militaire ingenieursopleiding, studeerde vijf jaar in Frankrijk, was werkzaam in de organisatie van het onderwijs in zijn land en heeft enkele malen een ministerspost bekleed. Zijn naam is onder meer verbonden aan de oprichting van de koninklijke bibliotheek (het latere Dār al-kutub), de pedagogische akademie (Dār al-‘ulūm), beide in Cairo, talloze publieke werken en de herbouw van de stuwdam bij al-Qanāṭir al-Khayrīya. Naast zijn openbare functies vond hij tijd om dikke boeken te schrijven. Over zijn bio-, biblio- en autobiografie komt elders meer.
.
Vandaag een fragment uit zijn ‘Alam al-Dīn (= ‘Banier van de Godsdienst’), dat in 1882 verscheen en 1486 bladzijden en 125 hoofdstukken telt. Of liever ‘gesprekken’ (musāmarāt), want er worden dialogen gevoerd, al zijn die zeer, zeer houterig. Het werk heeft trekken gemeen met een roman: er zijn personages en er is iets van een handeling.
.
‘Alam al-Dīn, een afgestudeerde van de religieuze Azhar-universiteit te Cairo, in het boek meestal ‘de sjeik’ genoemd, heeft grote moeite de eindjes aan elkaar te knopen en zijn grote gezin te voeden. Het aanbod van een naamloos blijvende Engelse oriëntalist is na ampel overleg met zijn collega’s dan ook welkom: de sjeik zal deze khawwāga (een Europese heer; hieronder vertaald als: Mijnheer) als gids en tolk vergezellen in Egypte. Later gaat hij ook mee naar Europa en hij neemt zelfs zijn zoon mee, die tot twee maal toe verliefd wordt op een Frans meisje. In Frankrijk voegt zich een zekere Ya‘qūb bij hen: een Egyptische matroos die daar al lang woont en hun als gids en gesprekspartner dient.
.
Maar de handeling blijft dun, heeft geen einde en wordt telkens onderbroken met door de auteur belangwekkend geachte informatie over zaken als de kurkeik, de houtwurm, het nut der spoorwegen en nog veel meer. Als je die gedeelten overslaat is het niet zo’n heel dik boek. Algemene strekking: je mag met Engelsen omgaan, en zeker met oriëntalisten die op grond van hun kennis al bijna moslim zijn; je mag ook dingen overnemen uit Europa. Duidelijk is hoeveel Europa te danken heeft aan het oude Egypte en hoe gemakkelijk Europeanen moslim zouden worden, als zij de koran en de islam maar kenden. Huwelijken tussen Egyptische mannen en Europese vrouwen zijn in principe mogelijk. Vrouwen moeten ook school gaan, zij het vooral om aangename gesprekspartners voor de man te zijn.
.
In hoofdstuk 101 mijmert Mubārak via zijn personage Ya‘qūb een beetje over het verschil tussen arm en rijk en het trickle down effect. Hoewel hij van huis uit niet zeer rijk was zal hij op latere leeftijd zoveel bezit hebben verworven dat hij niet met de armen, maar met de rijken meedacht.
Het onderstaande fragment is niet spectaculair interessant. Alleen wanneer je erbij bedenkt wanneer en waar hij geschreven is en nog andere teksten uit die tijd ernaast leest krijgt het zin, ernaar te kijken, bij voorbeeld in vergelijking met de meer tot ‘socialisme’ geneigde Fāris al-Shidyāq in Sāq ‘alā sāq (1855). Hier de vertaling:

.
“““De sjeik zei: ‘Telkens als ik door [Parijs] loop verbaasde ik mij erover hoe groot het is, hoeveel mensen er wonen en hoe ze dag en nacht in de weer zijn.’ De sjeik leed onder zijn verblijf in de stad, om het drukke verkeer dat hij steeds maar zag en de geluiden van mens en dier die hij hoorde. Want de rijtuigen rijden dag en nacht af en aan en hun wielen maken lawaai doordat zij tegen de stenen stoten waarmee de straten bedekt zijn. De ramen van de huizen en gebouwen en winkels klapperen in de wind en als ze open en dichtgaan. Dronkenlappen en mensen die uitgaan maken herrie en zingen, en daarbij nog het verkeer—dat alles maakt onrustig, verwart de geest en verhindert de concentratie.
.
Hij zei tegen Ya‘qūb: ‘Woonden we maar buiten de stad, dat zou prettiger en gezonder zijn.’ Ya‘qūb antwoordde: ‘De sjeik heeft gelijk, want Mijnheer heeft ook last van zijn verblijf in deze stad, maar de reden dat hij hier onderdak heeft gezocht is dat het dicht bij zijn werk en zijn vrienden is. Hij heeft mij een woonruimte beschreven die ruimer is dan deze, die uitziet op een park en op enige afstand van de straat ligt; als Mijnheer wist hoe jullie te lijden hebben zou hij meteen daarheen verhuizen.’ Daarop prees de sjeik hen beiden en zei: ‘Parijs is een van de schitterendste steden ter wereld, omdat het zo veel kunstwerken, mooie dingen, kostbaarheden en curiositeiten bevat en de mensen er zo welvarend zijn en de gebouwen zo fraai, maar ik denk dat het leven van de armen hier ellendig is, omdat er zoveel mensen op elkaar wonen.’
.
Ya‘qūb zei: ‘Misschien hebben de armen het in Parijs beter dan ergens anders. Want zoals de rijken grote inspanningen verrichten om veel winst te maken, zo hebben ook de armen diverse manieren om aan de kost en aan hun pleziertjes te komen, al naar gelang hun situatie. De armen van iedere stad zijn altijd navenant. Naarmate de stad groter wordt en de bloei van de rijken toeneemt, nemen ook de bestaansmogelijkheden van de armen toe, want doordat ze overal dienstbetrekkingen en banen hebben kunnen ze achter veel dingen tegelijk aangaan, wat je alleen ziet als je heel goed kijkt. Neem bij voorbeeld een conciërge: die beperkt zich niet tot zijn baan, nee, je kunt hem en zijn gezinsleden ook bezig zien met bijverdienen. Want de man repareert ook schoenen en sandalen, de vrouw naait kleren, de dochter zingt en studeert zang en de zoon vermaalt ingrediënten van kleurstoffen(?), en als je erop zou letten zou je in de straten arme mensen zien die van de grond en uit de modder stukken oud ijzer en spijkers verzamelen, en mannen en kinderen die de paarden van de mensen rossen, en weer anderen die het haar van de honden trimmen, en nog anderen die lucifers en zoetigheid en drankjes voor de kinderen verkopen. En er zijn er die ‘Vodden!’ roepen, en die kruiden verkopen, of bladen met het nieuws en de aankondigingen en de repertoires van de theaters. Al zijn deze dingen op het eerst gezicht van weinig nut, dikwijls brengen arme mensen het daarmee tot grondbezit en vermogen, zodat ze tot de voornamen gerekend worden, en ik denk dat u’s avonds wel die mensen hebt gezien die het papier en de botten oprapen die op straat gegooid zijn?’ De sjeik zei van ja, en Ya‘qūb vervolgde: ‘Dat zijn dingen waar heel wat mensen van leven en het brood voor hun gezin mee verdienen. En dan zijn er nog hele groepen die leven van vleierij, zwendel, spionage, bedrog en dergelijke, zoals je dat in grote steden aantreft.’
De zoon van de sjeik zei: ‘In Cairo heb je veel mensen die sigarettenpeuken oprapen, de tabak eruit halen en daarvan nieuwe sigaretten maken om die te verkopen op straat en zich te voeden van de opbrengst. Anderen verzamelen glasscherven en verkopen die aan de makers van armbanden voor arme vrouwen, enzovoort.’
.
Waarop de sjeik zei: ‘God—geloofd en geprezen zij Hij— heeft het voor zijn knechten gemakkelijk gemaakt op allerlei wijzen in hun onderhoud te voorzien. Hij is werkelijk de Voeder (razzāq), en Hij heeft voor ieder schepsel een manier gemaakt waarop hij zijn brood kan verdienen … .’ ”””

BIBLIOGRAFIE
– ‘Alī Bāshā Mubārak, ‘Alam al-Dīn, 4 dln., Alexandrië 1882.
– Andrea Geier, Von den Pharaonen zu den Khediven. Ägyptische Geschichte nach den Ḫiṭaṭ des ‘Alī Mubārak, Frankfurt am Main 1998.
– Rotraud Wieland, Das Bild der Europäer in der modernen arabischen Erzähl- und Theaterliteratur, Beirut 1980, 48-72 en Index onder ‘Alī Mubārak.

Terug naar Inhoud

Ibn Khaldun bij Timur Lenk

🇩🇪 Ibn Khaldūn (Tunis 1332—Cairo 1406) is een van de beroemdste Arabieren ter wereld. Hij was een rechtsgeleerde van de Malikitische school, maar zijn roem dankt hij aan een groot geschiedwerk over Noord-Afrika, het Kitāb al-‘Ibar, of liever gezegd aan de inleiding daartoe, de Muqaddima. Waarom dat boek zo beroemd geworden is vertel ik graag een andere keer.
Ibn Khaldūn heeft echter ook een autobiografie nagelaten, een zeldzaamheid in de wereld van toen. Die is niet te vergelijken met moderne werken in dat genre. Hij blijft aan de buitenkant, doet niet aan zelfkritiek en wel aan eigenroem. Maar hij geeft een mooi overzicht van zijn levensloop, van de talloze heren die hij gediend op vele plaatsen in Noord-Afrika en vanaf 1382 in Egypte, van mensen die hij heeft gekend en van zijn functies als rechter, hoogleraar of adviseur; bovendien citeert hij hele toespraken die hij heeft gehouden. In zijn ziel laat hij zich niet kijken. In Egypte aangekomen stelde hij alles in het werk om zijn gezin uit Tunis te laten overkomen; toen dit eindelijk scheep was gegaan zonk het schip in een storm voor de rede van Alexandrië. Over deze tragedie, die hem zeer moet hebben aangegrepen, schreef hij slechts twee regels: ‘Het schip verging met man en muis; groot was mijn verdriet en ik raakte geheel in de war. De sultan onthief mij van mijn ambt en bood mij een rustperiode aan, zodat ik mij kon wijden aan de wetenschap, zowel in onderwijs als in geschrifte.’Pas enige tijd later aanvaardde hij weer een professoraat voor Malikitisch recht. 

.
Toen Ibn Khaldūn tegen de zeventig liep en zich uit al zijn ambten had teruggetrokken beleefde hij nog iets bijzonders. De Mongolen waren namelijk Syrië binnen gevallen, een gebied waarvan het zuidelijke deel onder Egypte viel, terwijl het noordoostelijk deel tot het rijk behoorde van de krijgshaftige en wrede Mongoolse heerser Tīmūr Lenk (1336–1405).De Mongolen deden soms invallen in Zuid-Syrië en dan moest de sultan in Cairo in actie komen. Ibn Taymīya had een eeuw tevoren al geklaagd dat de sultans vaak laks waren met de djihaad tegen de Mongolen, en ook toen Tīmūr Aleppo bedreigde ondernam Cairo aanvankelijk niets. Pas toen Aleppo inderdaad werd verwoest en Tīmūr naar Damascus oprukte werd er een leger samengesteld. Sultan Faradj (reg. 1399–1405) voerde het aan en begaf zich in november 1400 met talloze emirs en soldaten op weg. Als gewoonlijk nam hij ook de leiders van de vier rechtsscholen mee. Ibn Khaldūn had lang de Malikitische rechtsschool in Cairo geleid, maar was niet meer in functie. Toch stond men erop dat hij meeging, misschien omdat hij met een vorige sultan al eens in Syrië was geweest. Maar eenmaal bij Damascus aangekomen kreeg de sultan lucht van een complot dat tegen hem in de hoofdstad werd gesmeed. Hij haastte zich naar huis om dat de kop in te drukken, met achterlating van de meeste soldaten en de rechtsgeleerden.
Deze situatie was hachelijk voor Ibn Khaldūn en zijn collega’s, maar vooral voor Damascus, dat nu niet meer te verdedigen was. Het wilde zich overgeven en de verwoesting en plundering afkopen, zoals dat toen gebruikelijk was. Tīmūr bood aan de stad te sparen; een nieuwe gouverneur had hij ook al klaarstaan. Ibn Khaldūn kon nu een rol spelen als raadgever voor de Damascenen en als diplomaat in het contact met Tīmūr. Ook over deze episode is in zijn autobiografie te lezen.
.
Misschien dikt Ibn Khaldūn hier zijn eigen rol wat aan. ’Rechter Burhān al-Dīn vertelde me dat hij naar mij gevraagd had, en of ik met de Egyptische legers was vertrokken of nog in de stad was.’3 Volgens een andere bron was het eerder een toeval dat hij bij Tīmūr terecht kwam. Hoe dan ook, op een dag werd de bejaarde geleerde in een mand over de stadsmuur naar beneden gelaten en opgehaald door mannen van Tīmūr.
De ontvangst in diens kamp was vriendelijk, het gesprek vond plaats via een tolk. Ibn Khaldūn droeg als altijd Maghribijnse kleding en liet zich voorstellen als Maghribijnse, Malikitische rechtsgeleerde, waarmee hij wellicht wilde benadrukken dat hij niet bij Tīmūrs vijand Egypte behoorde. De heerser vroeg dadelijk verder over de Maghrib en wilde van alles weten over de ligging van bepaalde plaatsen als Tanger en Ceuta. Hij was niet tevreden met een mondelinge beschrijving en verlangde een uitvoerige beschrijving van heel Noord-Afrika. Hier wordt ons nogmaals een blik vergund in de ziel van de geleerde: ‘De angst had mij overvallen, vanwege de ramp die de shafi‘itische opperrechter Sadr al-Dīn al-Munāwī was overkomen. De achtervolgers van het Egyptische leger hadden hem gevangen genomen in Shahqab en hem meegenomen. Hij werd bij hen gevangen gehouden en er werd een losgeld verlangd, wat mij bang maakte …’4
Geen wonder dus dat hij zich dadelijk aan het schrijven zette van dat rapport: het werden twaalf katernen (240 bladzijden) met de geografische en historische informatie over Noord-West-Afrika die Tīmūr wilde hebben. Toen het af was werd het in het Mongools vertaald.
.
Behalve dat hij gewillig de gevraagde informatie verstrekte besloot Ibn Khaldūn zijn angst te bezweren door de heerser ook te vleien: ‘Moge God U bijstaan: al dertig of veertig jaar heb ik ernaar verlangd, U te ontmoeten, […] omdat U de sultan van het universum en de heerser van de wereld bent; ik geloof niet dat er van Adam tot heden in de schepping een heerser is opgestaan is als U!’6 En dit, zo benadrukte hij, zei hij niet zomaar, want als geleerde was hij zeer wel in staat zijn grootheid te vergelijken met die van de Perzische en Romeinse keizers, met Alexander de Grote of Nebukadnezar, en Tīmūr was beslist de grootste. Deze bedacht ineens dat hij van moederskant verwant was met Nebukadnezar, wat Ibn Khaldūn tegenover de tolk haastig beaamde: ‘Nog een reden waarom ik ernaar verlangde hem te ontmoeten.’7 Een andere belangrijke reden om naar Tīmūr uit te zien was, zo zei hij, dat astrologen de komst van een machtig heerser hadden voorspeld. Weliswaar werd dit meestal met een heel andere heerser in verband gebracht, maar Ibn Khaldūn nam de gelegenheid te baat deze voorspelling op Tīmūr te laten slaan.
.
Vleien en slijmen hoorde toen gewoon bij het leven. Ibn Khaldūn, die vaak genoeg in ongenade was gevallen, zal het bij al zijn werkgevers hebben gedaan, net als ieder ander, en nu deed hij er uit angst nog een flinke schep bovenop.
Pleegde hij verraad, collaboreerde hij met de vijand door hem die strategisch belangrijke informatie over Noord-Afrika ter beschikking te stellen? Inderdaad. Maar kon hij anders, gezien de hachelijke situatie waarin hij daar verkeerde, moederziel alleen en bekend met Tīmūrs losse manier van omgaan met mensenlevens? Wie zou  voor hem ooit losgeld betalen?
.
Blijkbaar had Tīmūr wel sympathie voor Ibn Khaldūn. Eens wilde hij een muildier van hem kopen. Ibn Khaldūn antwoordde: ‘Mensen als wij verkopen elkaar toch geen muildier?’ en schonk hem het dier—wat kon hij anders? Later kreeg hij echter de geldswaarde van het dier door een tussenpersoon overhandigd, wat erg correct was, maar ook te denken geeft over de verhouding tussen de beide mannen; was die toch tamelijk hartelijk?8
.
Na vijfendertig dagen kon Ibn Khaldūn op 10 januari 1401 ongehinderd terugkeren naar Cairo—niet dan nadat hij nog de inname en plundering van Damascus door Tīmūr had meegemaakt. Zijn schaamte over het rapport dat hij had geschreven overwon hij door thuis voor de sultan van Marokko een tegenhanger te schrijven: een rapport over Tīmūr en de Mongolen.

NOTEN
1. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 320: فعصف بهم الرياح وغرق المركب بمن فيه وما فيه وذهب الموجرد والمولود فعظم الأسف واختلط الفكر وأعفاني السلطان من هذه الوظيفة وأراحني وفرغت لشأني من الاشتغال بالعلم تدريبًا وتأليفًا.
2. In het Engels ook bekend als Tamerlane. Je zou hem beter Tamerlame kunnen noemen, want lenk is Perzisch voor ‘lam’. Hij kon zijn rechterbeen nauwelijks gebruiken; over langere afstanden werd hij gedragen of reed hij te paard. Volgens de Sovjetartsen die in 1941 zijn lijk onderzochten leed hij aan bottuberculose; Tīmūr zelf zei dat het kwam door een pijlschot dat hij ooit in zijn knie had gekregen.
3. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 403: وأخبرني القاضي برهان الدين أنه سأل عني وهل سافرت مع عساكر مصر أو أقمت بالمدينة. Ibn ‘Arabshāh @
4. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 405–6: وقد غلبني الوجل بما وقع من نكبة قاضي القضاة الشافعية صدر الدين المناوي أسره التابعون لعسكر مصر بشحقب وردوه فحبس عندهم في طلب الفدية منه فأصابنا من ذلك وجل
5. De Arabische tekst is niet bewaard. Er schijnt nog wel een Ottomaans-Turkse vertaling in handschrift te bestaan.
6. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 407: أيدك الله لي اليوم ثلاثون أو أربعون سنة أتمنى لقاءك […] انك سلطان العالم وملك الدنيا وما أعتقد أنه ظهر في الخليقة مند آدم لهذا العهد ملك مثلك
7. Ibn Khaldūn, Ta‘rīf 408: وهذا مما يجعلني على تمني لقاءه

BIBLIOGRAFIE
–  ‘Abd-ar-Raḥmān Ibn-Khaldūn: Kitāb al-ʿIbar wa-dīwān al-mubtadaʾ wal-khabar fī ayyām al-‘arab wal-ʿadjam wal-barbar wa-man ‘āṣarahum min dhawī as-sulṭān al-akbar, eerste uitgave door Étienne Quatremere, Prolégomènes d’Ebn-Khaldoun, texte arabe publié d’après les manuscrits de la Bibliothèque Impériale, 3 dln., Parijs 1858. Uitg. Ibrāhīm Shabbūḥ, 14 delen, Tūnis 2006-2013. Andere editie: Beirut 2000-2001, ook online. Het hoofdwerk, inclusief de Muqaddima en een korte versie van de autobiografie (at-Taʿrīf).
– idem, The Muqaddimah. An Introduction to History, vert. door Franz Rosenthal, 3 dln., New York 1958, 1986, ook online.  Duits: Ibn Khaldun, Die Muqaddima, Betrachtungen zur Weltgeschichte. Übertragen und mit einer Einführung von Alma Giese unter Mitwirkung von Wolfhart Heinrichs, München 2011.
– idem, al-Ta‘rīf bi-ibn Khaldūn wa-riḥlatuhu gharban wa-sharqan, uitg. Muḥammad ibn Tāwīt al-Tandjī, Cairo 1951, 2003. Franse vertaling: Le Voyage d’Occident et d’Orient, vert. Abdesselam Cheddadi, Paris 1980, 1995. De autobiografie.

Secundair:
– M. Talbi, ‘Ibn Khaldūn,’ in EI2.
– Walter J. Fischel, Ibn Khaldūn and Tamerlane, Berkeley/Los Angeles 1952.

Diacritische tekens: Ṣadr al-Dīn, Shaḥqab

Terug naar Inhoud

Abd al-Malik als stichter van de islam

🇩🇪 Aan het begin van de islam staan de profeet Mohammed en de koran. Maar wat was dat voor een islam? De koran werd pas in de loop van de zevende eeuw tot een boek en stond als zodanig maar weinig mensen ter beschikking. De soenna (=handelwijze, overgeleverde norm) van de profeet werd pas later uitgewerkt; in de zevende eeuw was de belangrijkste soenna die van de kaliefen. De sharia bestond ook nog niet. Waren er al moslims? Zelf noemden zij zich in het begin ‘de gelovigen’, en het woord islam was ook nog niet gangbaar als aanduiding van de godsdienst.
De islam was nog niet uitgekristalliseerd; hij moest nog worden vormgegeven en daartoe heeft de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik (reg. 685–705) veel bijgedragen. Zo veel zelfs, dat hij als stichter of tweede stichter van de islam kan worden opgevat.

  • Een Umayyade als stichter van de islam? Menig moslim zal dat boos ontkennen: de Umayyaden waren immers moordenaars, zuipers, usurpators en nog veel meer! Kan zijn, maar ‘Abd al-Malik heeft een islam gesticht en die aan de openbaarheid gepresenteerd. Dat zijn islam afwijkt van het islamontwerp van latere schriftgeleerden, daar kon hij niets aan doen.

Toen ‘Abd al-Malik als kalief aantrad had hij met vele vijanden te kampen. Hij had van zijn vader weliswaar een reusachtig rijk geërfd, dat heel Perzië en de helft van het Oostromeinse rijk omvatte, maar dat rijk was er beroerd aan toe. Het oostelijk deel wilde niet vanuit de hoofdstad Damascus geregeerd worden, Sjiïeten en Kharidjieten rebelleerden en in zijn eerste regeringsjaren moest hij nog met een ander kalifaat afrekenen: dat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr (reg. 680–992). Die resideerde in Mekka; zijn broer Mus‘ab heerste als stadhouder over grote delen van Irak en Iran, terwijl de Umayyaden soms niet veel meer over hadden dan Damascus en Syrië. ‘Abdallāh en zijn broer klein te krijgen lukte ‘Abd al-Malik in 692: beiden werden gedood, de burgeroorlog was voorbij. De kalief moet geschrokken zijn van de kloof die er gaapte tussen Syrië en het Arabische schiereiland, waar de gewoontes van de profeet en de vroegste gelovigen in ere werden gehouden. Nu kwam het erop aan, de eenheid te herstellen.

Geschiedsschrijving
De herenigde staat had behoefte aan een algemeen aanvaarde ideologie en stichtingsmythe, waarin Mekka en Medina een hoofdrol zouden spelen. Nu kwam ‘Urwa ibn al-Zubair (643–712) goed van pas. Nadat ‘Abd al-Malik diens broers ‘Abdallāh en Mus‘ab had laten doden spoedde de veel jongere ‘Urwa zich naar Damascus om zijn huid te redden door trouw te zweren aan de winnende kalief. Dat was een gewaagde stap, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen offciële rouw had afgekondigd voor Mus‘ab, zag af van de terechtstelling van ‘Urwa en besloot hem liever te gebruiken. ‘Urwa was de intellectueel van de familie, die nooit militair actief was geweest, maar zich in Medina in alle rust had gewijd aan de studie van de hadith, het recht en de profetenbiografie. De kalief liet hem terugkeren naar Medina en verzocht hem, de ware geschiedenis van de islam voor hem op te schrijven. Dat deed ‘Urwa: hij schreef een hele reeks ‘brieven’ (rasā’il) aan de kalief en later nog aan diens zoon al-Walīd. Deze teksten zijn van groot belang, want zij bevatten de kern van de profetenbiografie en van de vroegste geschiedenis van de beweging die sinds ‘Abd al-Malik ‘Islam’ heet. Latere auteurs grijpen vrijwel allemaal op ‘Urwa’s teksten terug. Die zijn beknopt, want fantastische verhalen stelde ‘Abd al-Malik niet op prijs. Later werden ze aangedikt en verrijkt.
‘Urwa was niet alleen de zoon van de vooraanstaande profetengezel al-Zubayr, maar ook van Asmā’, de dochter van de eerste kalief Abū Bakr. Diens jongere dochter Aisja was de weduwe van de profeet en ‘Urwa’s tante. Zo stamde hij van vaders- en van moederskant van de ‘vroege elite’ . Zijn geschriften ademen Arabië en zijn uitgesproken pro-Abū Bakr en diens familie. De vroegste islam, met zijn oriëntering (qibla) op Jeruzalem, was misschien toch een overwegend syrisch-palestijnse aangelegenheid geweest. De Rotskoepel was eindpunt en hoogtepunt van die ‘syrische islam’. Door ‘Urwa’s werk kregen de Arabische erfenis en de ‘vroege elite’ een ereplaats in de offciële leer. Mekka, de Ka‘ba en Medina werden nu belangrijker dan ooit; het Arabische schiereiland speelde voortaan weer volledig mee en zo werd potentiële rebellen, althans op het schiereiland, de wind uit de zeilen genomen.

De Rotskoepel
Toen de burgeroorlog nog woedde liet ‘Abd al-Malik op de voormalige tempelberg in Jerusalem de Rotskoepel bouwen, die in 692 gereed kwam. In het midden daarvan bevindt zich een groot rotsblok, waaromheen de pelgrims hun ronden konden draaien, net als in Mekka. Daarbij zagen ze inscripties, waarin enkele duidelijke uitspraken de triomf van de islam verkondigden, zoals bij voorbeeld: ‘De godsdienst bij God is islam’ (koran 3:19).
Waarom liet de kalief die Rotskoepel bouwen? Het ligt voor de hand het gebouw te interpreteren als een statement aan de christenen. Christenen vormden immers de overgrote meerderheid in het Westen van het rijk, en voor hen was Jeruzalem met zijn Grafkerk een plaats van uitnemend belang. In de kerk werd het Heilige Kruis bewaard, dat keizer Heraclius er pas in 630 had teruggebracht nadat het door de Perzen geroofd geweest was. De Rotskoepel was een vrijstaand nieuw gebouw, uitdagend door zijn ligging en zijn schoonheid, en door de inscripties erop en erin. Uit één daarvan wordt duidelijk wat over Jezus te denken is:

  • Christus Jezus, de zoon van Maria, is [slechts] Gods gezant en zijn Woord, dat Hij richtte tot Maria, en een geest van Hem. Gelooft dan in God en Zijn gezanten en zegt niet: ‘Drie’! Houdt daarmee op, dat is beter voor jullie. God is [slechts] één God, geprezen zij Hij! Dat hij een kind zou hebben! (koran 4:171)

Aan eeuwen van christelijk gehakketak over de natuur van Christus werd door deze en andere koranteksten een eind gemaakt. Ook Mohammed, dienaar en gezant van God, wordt in de inscripties vermeld; dat was tevoren in de openbaarheid nauwelijks ooit gedaan.
Met dit afscheid van het christendom werd de islam geboren, de Arabische islam. Geleidelijk verdween steeds meer joods en christelijk materiaal (isrā’īlīyāt) uit de verhalen en de genealogieën; er vond een duidelijke ‘ontbijbeling’ plaats. 

‘Abd al-Malik had grote verdiensten voor het rijk. Hij heeft de eenheid hersteld, binnenlandse vijanden klein gehouden en de keizer in Constantinopel zijn plaats gewezen. Hij heeft het bestuur en het belastingstelsel herzien en een monetaire hervorming uitgevoerd, waarbij hij uitstapte uit de Romeinse solidus, de Euro van die tijd. Arabisch maakte hij tot de officiële rijkstaal. Dat waren allemaal belangrijke prestaties, maar van blijvender invloed waren zijn benadrukking van een islamitische identiteit en zijn initiatief tot een islamitische geschiedsschrijving.

BIBLIOGRAFIE
– A. Görke und G. Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ‘Urwa ibn az-Zubair, Princeton 2008. (‘Urwa’s ‘brieven’ gebundeld in het Duitse vertaling en geanalyseerd.)
– Chase Robinson, Abd al-Malik, Oxford 2005.

Diakritische Zeichen: ‘Abd al-Malik, Muṣʿab, ʿAbdallāh, ʿUrwa, ʿĀisha

Zurück zum Inhalt

Hoe zag Mohammed eruit?

🇩🇪 Hoe Mohammed eruit zag weet niemand; er zijn geen oude afbeeldingen van hem (zie daarover hier.) Er zijn echter talrijke beschrijvingen van zijn uiterlijk. De vroegste dateren van ong. driekwart eeuw na de dood van de profeet, de meeste zijn jonger.
Het aantal teksten over dit onderwerp is veel te groot voor een kort artikel. Daarom zal ik hier alleen de Hadithen uit de Ṭabaqāt van Ibn Sa‘d (784–845) en de Ṣaḥīḥ van Muslim ibn Hadjdjādj (gest. 875) verwerken, met nog een paar losse andere uit Sīra en Hadith. Het belangrijkste zal daardoor wel ter sprake komen.
Het is mij er niet om te doen de ‘correcte’ overlevering te vinden of de definitieve beschrijving van de profeet te verkrijgen—dat is nu eenmaal onmogelijk. Ik probeer alleen te begrijpen wat de auteurs ertoe gebracht heeft hem zo te beschrijven als zij het doen, en bij een aantal teksten lukt dat inderdaad. In andere gevallen blijft het onduidelijk wat ze met hun beschrijvingen beoogden.

1. Mohammed zag er indrukwekkend en knap uit
Omdat Mohammed voor zijn aanhangers de belangrijkste mens ter wereld was, die de hoogste lof verdiende, ligt het voor de hand dat men hem als zeer goed uitziend of zelfs mooi beschreef. Zijn uiterlijk was uniek; verscheidene gezellen van hem getuigen, dat zij noch voor noch na hem iemand hebben gezien als hij.1 Hij was een imposante verschijning, die respect afdwong.2 Zijn lichamelijke eigenschappen waren voor een deel bovennatuurlijk. De profeet zou er stralend, oplichtend hebben uitgezien . Hij wordt dan ook ‘wit’, abyaḍ genoemd. Dat kan betrekking hebben op zijn huidskleur, die verderop besproken wordt, maar op sommige plaatsen is wel degelijk het stralende wit van een bijzondere verschijning bedoeld. Het hoeft niet helemaal letterlijk genomen te worden; zulke adjectieven kunne ook staan voor ‘nobel, stralend vlekkeloos’.3 Hij was nog glanzender dan een zwaard; eerder zoals de zon of de maan;4 zijn gezicht straalde als een volle maan.5 Hij had een witte bles op zijn voorhoofd, net als zijn vader toen deze naar Āmina ging om hem te verwekken; hier mogen we denken aan het pre-existente „Licht van Mohammed“ (nūr Muḥammad).6 Zijn hals was als een zilveren kan, resp als de hals van een zilveren standbeeld.7
Zijn lichaamsgeur was buitengewoon aangenaam. Zoals iemand zei: ‘Ik heb geen muskus of amber geroken die lekkerder rook dan hij.’8 Ook zijn zweet zou welriekend en zegenrijk zijn geweest: zijn vrouw Umm Sulaym ving het op en mengde het door haar parfum.9 De zweetdruppels in zijn gezicht waren als parels.10

Vele hadithen beschrijven lichamelijke eigenschappen van de profeet die weliswaar prijzenswaardig zijn, maar ook bij andere mensen niet zelden worden aangetroffen. Ik ga ervan uit dat de volgende eigenschappen lovend bedoeld zijn:
Hij had brede schouders,11 een brede borst,12 dikke gewrichten, sterke schouders,13 lange, resp. grote armen und benen,14 grote, krachtige voeten, slanke hielen,15 grote, resp. krachtige handen en vingers,16 Maar er wordt ook gezegd: ‘Ik heb nooit iets aangeraakt, of het nu brokaat was of zijde of nog wat anders, dat zachter was dan de handen van de profeet,’17—waarmee misschien gezegd wil zijn dat hij geen lichamelijk werk verrichtte.
Zijn hoofd was groot,18 zijn gezicht heel mooi.19 Hij had een brede resp. mooie mond;20 de wangen waren glad.21 Zijn ogen worden groot en zwart genoemd;22 het wit van zijn ogen had iets roodachtigs;23 de wenkbrauwen liepen door,24 de wimpers waren lang.25 Hij had perfecte oren.26
Het hoofdhaar zou diepzwart, resp. dicht geweest zijn;27 de baard wordt mooi, dicht en heel zwart genoemd.28
Hij liep energiek. ‘Ik heb nooit iemand gezien,’ zei iemand, ‘die sneller liep dan de profeet, het was alsof de aarde voor hem werd samengevouwen. Wij moesten ons best doen om hem bij te houden, maar dat kon hem niet schelen.’ En iemand anders: ‘Als hij met andere mensen liep was hij hen ver vooruit.“29

Er doemt een beeld op van een sterk gebouwde, potige man; zo had men hem blijkbaar het liefst. Iemand zou kunnen denken dat die slanke hielen niet zo goed passen bij de grote voeten, het snelle lopen niet bij de zware lichaamsbouw. Maar al deze hadithen zijn verzamelingen van kleine elementjes, die gemakkelijk uitwisselbaar zijn en nooit een samenhangend beeld opleveren. Hieronder zal dat nog duidelijker worden.
Dat Mohammed volgens een hadith ooit een worstelwedstrijd tegen de sterkste man van de stam won, zegt niets. Dat is een wonderverhaal; zonder Gods hulp had hij nooit kunnen winnen.

2. Niet zus en niet zo: een man van het midden
Hij was van gemiddelde lengte,30 niet lang en niet kort,31 niet dik en niet mager,32 niet bleek en niet roodachtig (ādam);33 zijn haar was kroezig noch sluik.34 Hier wordt een oud Arabisch adagium toegepast: de/het middelste is altijd het beste.35

3. Hij zag er beter uit dan andere profeten
De profeet wordt geciteerd in beschrijvingen van vroegere profeten, die hij tijdens zijn hemelvaart had gezien. In een van de varianten van de betreffende hadith heet het: ‘Ik zag ‘Īsā, Mūsā en Ibrāhīm (Jezus, Mozes en Abraham). ‘Īsā heeft kroezend haar, is rossig (aḥmar) en heeft een brede borst. Mūsā is roodbruin (ādam), corpulent en heeft sluik haar, alsof hij tot het Zuṭṭ-volk behoort.“„En Ibrāḥīm?“ vroegen ze. Hij antwoordde: „Kijk naar jullie metgezel, de gezant Gods, [dan weten jullie het].“36. Maar volgens een andere versie was Mūsā roodbruin, lang en had hij een haakneus alsof hij tot de stam Shanū’a behoorde.37 Of iets dergelijks, maar dan met de aanvullingen: ‘mager, met kroezig haar’.38 Op dezelfde plaats heet het dat ‘Īsā ’rossig was, niet kort en niet lang, zomersproeten en sluik haar had en eruit zag of hij net uit bad gekomen was; je zou denken dat zijn haar droop van het water, maar dat was niet zo.’
Het vermeende uiterlijk van Mohammed is theologisch geïnstrumentaliseerd. Mūsā en ‘Īsā waren met hun uitgesproken eigenschappen geen ‘mannen van het midden’ zoals Mohammed. Hoe zomersproeten en haakneuzen beoordeeld werden weet ik niet; ik vermoed dat ze als minder mooi golden. In ieder geval zag Mohammed er beter uit dan de profeten van de joden en christenen. Maar van Ibrāhīm zegt hij: ‘Nooit heb ik iemand gezien die meer op mij leek dan hij.’
Overigens zijn er ook beschrijvingen van de schoonheid van bepaalde andere profeten, die niet met Mohammed in een concurrentieverhouding stonden. Vooral Hārūn (Aäron) zou er goed hebben uitgezien, en natuurlijk Yūsuf (Jozef), op wie Potifars vrouw Zulaika verliefd was.37

4. Mohammed zag er heel gewoon uit
Hij was immers een mens als alle anderen, zoals ook de koran benadrukt. Hier volgen lichaamsbeschrijvingen van de profeet, die kennelijk niet lovend bedoeld waren. Het kan echter ook zijn, dat ik niet heb begrepen hoe men die eigenschappen destijds heeft beoordeeld. Doorlopende wenkbrauwen of een buik worden in verschillende culturen en in verschillende tijden heel anders gewaardeerd, en dat kan ook bij andere eigenschappen het geval zijn.
Zoals boven al uiteengezet staat de huidskleur ‘wit’, abyaḍ, dikwijls voor ‘nobel, stralend, vlekkeloos’. Maar vaak genoeg wordt het woord ook voor Mohammeds echte huidskleur gebruikt, die dan meestal een rossige bijkleuring heeft.39 De huidskleur wordt ook ‘bruin,’ asmar, genoemd, of ’bruin neigend naar wit’.40 Of hij was niet zus en niet zo; zie boven.
Zijn heupen en oksels, die te zien waren bij de buigingen tijdens het gebed, worden wit genoemd. De bedoeling was kennelijk te wijzen op de oorspronkelijke huidskleur.41 Gezicht, armen en benen zullen immers door de zon gebruind zijn geweest.

Dat de profeet diepzwart, dicht hoofdhaar had heb ik als lof opgevat. De haarlengte en de scheiding zijn moeilijk in te schatten; bovendien kunnen ze variabel zijn geweest. Volgens één tekst had hij sluik haar,42 maar veel meer teksten benadrukken, zoals gezegd, dat zijn haar kroezig noch sluik was. Zijn haar kwam tot aan de helft van zijn oren, of tot zijn oorlelletjes, of hield ergens op tussen de oren en de schouders, of het kwam tot aan zijn schouders.43 Hij liet zijn voorhoofdslokken los hangen en maakt een scheiding in de rest (?).44 De vragen of de profeet bij het ouder worden grijs werd en of hij zijn baard- en hoofdhaar verfde, heeft tot een vloed van teksten geleid, die ik hier niet zal behandelen, omdat → Juynboll dat al heeft gedaan.
Op zijn lichaam zou de profeet nauwelijks behaard zijn geweest.45 Of toch wel: zijn onderarmen en borst waren behaard, resp. ook zijn schouders.46 Hij had een haarlijn van zijn borst tot aan zijn navel (masruba). Deze beharing wordt fijn, resp. lang genoemd.47

Mohammeds snelle lopen heb ik boven al genoemd, omdat ik dat opvat als een positief beoordeelde eigenschap. Zijn manier van lopen was dat niet; die was eerder een beetje eigenaardig. De overlevering loopt sterk uiteen: Als hij liep boog hij voorover.48 Als hij liep boog hij voorover alsof hij een helling opliep.49 Als hij liep was het alsof hij een helling afliep.50 Als hij liep boog hij (var.: een beetje) voorover, alsof hij een helling afliep.51 Als hij liep (var: opstond), was zijn stap onzeker, alsof hij een helling afliep.52 Als hij zich omdraaide draaide hij zich helemaal om.53 Hij draaide zich helemaal naar voren en helemaal naar achteren.54 Geen duidelijke voorstelling heb ik bij deze tekst: ‘De profeet zette zijn linkervoet zo neer dat te zien was dat de buitenkant zwart was’ (?).55

Was Mohammed dik? In het verhaal over de slag bij Uḥud moest iemand hem helpen de rots op te komen, van waaruit hij de slag wilde bekijken, ‘omdat hij dik was en bovendien twee maliënkolders over elkaar droeg; toen hij probeerde omhoog te komen lukte hem dat niet.’56 Umm Hāni’, een tante van de profeet, bij wie hij ten tijde van zijn hemelvaart overnachtte, zag plooien op/aan zijn buik: „Ik greep een stuk van zijn bovenkleed, zodat zijn buik zichtbaar werd: die was [als] een geplooide Koptische doek.“57 Was dat een teken van corpulentie of waren het eerder de littekens van de ‘splijting van de buik’ (shaqq al-baṭn) door twee engelen, die kort voor de hemelvaart plaatsvond? Plooien zegt ook een zekere Umm Hilāl gezien te hebben: ‘Telkens als ik de buik van de profeet zag, moest ik aan over elkaar gevouwen bladen denken.’58
Wanneer men de profeet in een hadith zelf laat zeggen: ‘Ik ben dik,’ betekent dat niet veel, omdat die tekst als basis voor een sharia-regel moet dienen; zie onder.
De eventuele dikte van de profeet moet niet naar moderne maatstaven worden beoordeeld. Een buik kon immers een statussymbool zijn, een teken, dat men rijkelijk te eten had. Een sixpack had in die tijd iedere man.

5. Een bijzonder kenmerk
Een merkwaardig verschijnsel aan het lichaam van de profeet was het zegel of stempel van het profeetschap (khātam al-nubuwwa of al-nabīyīn).59 Dat was een gezwel op zijn rug, of tussen zijn schouders, zo groot al een duivenei, en het zag er net uit als de rest van zijn lichaam60—is de kleur of de consistentie bedoeld?—of alternatief: als de knoop van een bruidstent,61 of een kamelenkeutel,62 een appel63 of een bosje haar,64 of het was zo groot als een vuist met moedervlekken als wratten er bovenop65—de teksten variëren. Verscheidene tijdgenoten zouden het gezwel gezien of betast hebben.66 Het voorstel van sommigen van hen—ze beweerden allemaal dat ze bedreven waren in de geneeskunst—het gezwel te behandelen, resp. weg te snijden, wordt door de profeet afgewezen: de beste arts is immers God, de schepper ervan.67
Hoe kwam men op de uitdrukking khātam al-nubuwwa? Het is onmogelijk niet aan koran 33:40 te denken, waar sprake is van khātam al-nabiyīn, „het zegel der profeten“. Men vroeg zich natuurlijk af wat dat moest betekenen; daarbij zal het woord khātam niet alle hoorders bekend zijn geweest. Een deel van de uitleggers heeft daarbij blijkbaar aan iets lichamelijks gedacht, en ziedaar: het zegel nam vorm aan.

6. Voorbeelden voor shariaregels
Bepaalde lichaamsbeschrijvingen van Mohammed dienden (ook) als voorbeeld voor gedragsregels.
– Wat te doen als een imam dik is en zijn bewegingen bij het gebed langzaam zijn? De gelovigen zouden het ritueel misschien sneller willen afwerken dan hij. Maar een hadith, waarin men de profeet laat zeggen: ‘Ik ben dik’ (baṭuntu) diende als precedent voor een gedragsregel. Als de imam langzaam is moeten de gelovigen bij het gebed zijn tempo volgen en niet sneller zijn dan hij.68
– Dragers van bepaalde kapsels zouden zich de haarlengte van de profeet kunnen hebben voorgesteld om hun eigen haarlengte te rechtvaardigen.
– Moet of mag je je hoofd- of baardhaar verven? Volgens bepaalde hadithen deed de profeet dat inderdaad, met henna, saffraan en Indisch geel (wars), waarmee hij een sunna invoerde, die ook door enkele met name bekende gezellen gevolgd werd (→ Juynboll).
– Wat doe je met een gezwel; open- of wegsnijden misschien? Nee, onbehandeld laten; de profeet zelf gaf het voorbeeld. De teksten waarin de profeet zijn gezwel niet wilde laten behandelen kunnen ook gelezen worden als hoofdstukjes ‘profetische geneeskunst’ (ṭibb an-nabī) .

Het is soms moeilijk vast te stellen of een eigenschap normaal, een beetje raar of juist prijzenswaardig is. Een glanzend gezicht en brede schouders kunnen zonder meer als positief worden opgevat, maar grote voeten of een raar loopje? En wat betekent het dat de profeet zich altijd helemaal omdraaide? Had hij een stijve nek of een rugkwaal, zodat hij zijn hoofd niet kon omdraaien? Of is het lof, omdat hij zich zijn gesprekspartners helemaal toewendde? Of betekent het nog iets anders, of misschien helemaal niets?
Bij misschien de helft van de teksten steekt achter de beschrijving een duidelijke bedoeling die het puur beschrijvende te boven gaat; bij de andere helft is niet te zien welk doel zij gediend kunnen hebben. Je zou soms haast denken dat we te maken hebben met reële herinneringen aan het uiterlijk van de profeet. Maar dat kan evenmin het geval zijn, daarvoor zijn de beschrijvingen te tegenstrijdig. Liep hij nu snel of onzeker? Als het ware naar boven of naar beneden? Loopt een zware vent überhaupt snel? Passen slanke hielen bij grote voeten? En aangenomen dat de profeet echt een gezwel op zijn rug had, zouden de mensen dat werkelijk generaties lang aan elkaar hebben doorverteld?

Wetenschap?
Iemand zei tegen me: dat is wetenschap, wat jij hier bedrijft; waarom stuur je het niet naar een vaktijdschrift?
Nee, het is geen wetenschap, het is een opstel, een bestandsopname, een voorstudie. Wetenschap zou zijn: ‘alle’ relevante hadithen—tussen aanhalingstekens, want je vindt ze nooit allemaal—verzamelen, de woordbetekenissen bestuderen, isnadanalyses verrichten, de herkomst vinden, pogingen tot datering doen en zo mogelijk de ontwikkeling van de thematiek te onderzoeken. Dat zou minstens drie maanden duren.
Maar zulke wetenschap wordt op dit vakgebied helemaal niet meer bedreven. De tijd is er niet naar. Ofschoon hadith volgens iedereen een heel belangrijk literatuurgenre is wordt hij niet of nauwelijks bestudeerd.

NOTEN
IS = Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt, Band i, 410–36. Ik vermeld de bladzijde en het nummer van de hadith aldaar, dat echter in de tekst niet wordt aangegegevn.
Muslim = Muslim, Ṣaḥīḥ, boek Faḍā’il.
IH = Ibn Hishām, Sīra.
1. لم أر (قبله ولا) بعده مثله HI 266; Muslim 91, 92; IS 410:2; 411:1–3; 412:1–2; 414:2, 4, 6; 415:1–4; 418:6.
2. فخم مفخم IS 422.
3. أبلج IS 411:2; أبيض Muslim 98, 99; IS 417:4; 418:1, 5; 419:7; أزهر IS 410:3; 413:2; 419:7; 422; أبيض شديد الوضح IS 411:2; له نور تعلوه IS 422; أنور المتجرَّد IS 422.
4. أوجهه مثل السيف؟ فقال جابر: مثل الشمس والقمر مستدير IS 416:2, 5; 419:3.
5. يتلؤلأ وجهه تلألؤ القمر ليلة البدر IS 422.
6 أغرّ IS 411:2. Over Mohammeds vader IH 101.
7. كأن عرقه إبريق فضة IS 410:2; كأن عنقه جيد دمية في صفاء الفضة IS 422.
8. ولا شممت مسكة ولا عنبرة ما أطيب من ريحه IS 413:2, 3; 414:3; ريح عرقه أطيب من المسك الأذفر IS 410:2.
9. Muslim 83, 84.
10. كأن عرقه في وجهه اللؤلؤ IS 410:2; 411:2; 412:1.
11. بعيد ما بين المنكبين Muslim 91, 92; IS 412:2; 414:5; 415:2; 416:3–4; 422; جليل الكتد IH 266; IS 411:3.
12. رحب الصدر IS 415:2; عريض الصدر IS 422.
13. ضخم الكراديس IS 411:1; 422; عظيم الكراديس IS 412:2; جليل المُشاش IH 266; IS 411:3; عظيم المناكب IS 412:1; ضخم المنكبين IS 415:2; 415:5.
14. سبج الساعدين IS 414:5; عظيم الساعدين IS 415:2; ضحم السافين IS 415:2 .
15. صخم القدمين IS 414:2, 4; IH 266; IS 410:2, 3; 411:1–3; 412:1, 2; 415:2; 422; شثن الأطراف IS 415:5; منهوس العقبين Muslim 97; IS 416:1.
16. ضخم الكفين IS 414:4; شثن الكف، الكفين IH 266; IS 410:2, 3; 411:1–3; 412:1, 2; 415:2; 422; شثن الأطراف IS 415:5; شثن الأصابع IS 418:3, 6.
17. وما مسست ديباجة ولا حريرة ولا شيئا قط ألين من كف رسول الله IS 413:2, 3.
18. ضحم الرأس IS 411:1; ضخم الهامة ;412:2 IS 410:3; 411:2.
19. حسن الوجه IS 414:4; 418:5; 420:4, أحسن الرجال وجها; Muslim 93, 98; مليح الوجه IS 417:4; 418:1; جميل دوائر الوجه IS 417:1.
20. ضليع الفم Muslim 97; IS 415:2; 416:1; حسن الفم IS 412:2; 415:2; حسن المضحك IS 417:1
21. سهل الخد IS 410:2.
22. عظيم العينين IS 410:3; أدعج العينين IH 266; IS 410:2; 411:3; 415:5; أكحل العينين IS 417:1; أسود الحدقة IS 412:1.
23. أشكل العين Muslim 97; volgens de uitgever Fuʾād ʿAbd al-Bāqī is deze eigenschap prijzenswaardig; مشرب العينين حمرة IS 410:3; في عينيه حمرة IS 412:2.
24. مقرون الحاجبين IS 412:2; dit moet positief beoordeeld zijn geweest.
25. أهدب الأشفار IH 266; IS 410:3; 411:2–3; 412:1–2; 414:5–6; 415:2, 3, 5.
26. تام الأذنين Muslim 97; IS 412:2; 415:2.
27. أسوده IS 412:2; شديد سواد الشعر IS 418:3; فما أنسى شدة … سواد شعره IS 419:1; عظيمة الجمة Muslim 91; ذا وفرة IS 410:2; 422.
28. حسن اللحية IS 412:2; 415:2; 418:3; كث اللحية IS 410:2, 3; 422; شديد سواد الرأس واللحية IS 418:3; قد ملأت لحيته ما لدن هذه الى هذه، وأشار الى صدغيه ختى كادت ملأت نحره IS 417:1.
29. إذا مشى مشى مجتمعا ليس فيه كسل IS 417:3; وما رأيت أحدا أسرع في مشيه من رسول الله كأنما الأرض تطوى له إنه تجهد أنقسنا وإنه لغير مكترث IS 415:1, 4; إذا جاء مع القوم غمرهم IS 411:2; إذا مشى هرول الناس وراءه IS 418:6; يمشي ويمشون IS 419:1.
30. مقصَّد Muslim 99; IS 417:4; في الرجال أطول منه وفي الرجال أقصر منه IS 413:1: 415:4; 419:1; مربوع ، رَبعة IH 266; IS 411:3; 413:1; 415:2; 416:3; 418:5.
31. ليس بالطويل ولا بالقصير، لا طويل ولا قصير IS 410:2; 411:1, 3; 412:1–2; 413:1; 414:3, 415:2; 416:4, 418:3, 6.
32. ONTBREEKT NOG@
33. ليس بالأبيض الأمهق ولا بالآدم IS 413:1; 418:3.
34. ليس بالجعد القَطط ولا بالسبط، ليس بالجعد ولا السبط Muslim 94; IH 266; IS 411:3; 412:2; 413:1; 418:3, 6.
35. خيرهم أوسطهم، خير الأمور أوسطها , zo bijv. in kommentaren op koran 68:28 en in hadithen, bijv. Bukhārī, Manāqib 24, en Bukhārī, Faḍāʾil al-Aṣḥāb 5 أوسط العرب.
36. IS 417:2. De Zuṭṭ zijn een Roma-volk in Oman.
37. IH 270.
38. IH 266.
39. أبيض مشرب حمرة IH 266; IS 410:2; 411:1,3; 412:1, 2; IS 415:5; IS 418:3, 6;
40. أسمر IS 414:1; أسمر الى البياض IS 417:1.
41. بياض إبطيه IS 420:7; 421:1–4,6; أبيض الكشحين IS 414:6; 415:3; 421:6.470. سبط الشعر IS 410:2.
42. سبط الشعر IS 410:2.
43. الى أنصاف أذنيه Muslim 96 ; يبلغ شعره شحمة أذنيه Muslim 91; IS 416:3; بين أذنبه وعاتقه Muslim 94; يجاوز شعره شحمة أذنيه IS 422; كان يضرب شعره منكبيه Muslim 92, 95.
44. سدل ناصيته ثم فرق بعد Muslim 90.
45. أحرد IH 266; IS 411:3; ليس في بطنه ولا صرده شعر غير [المسربة] ه IS 410:2.
46. أشعر الذراعين والصدر IS 415:5. ÉÉN PLAATS ONTBREEKT NOG@
47. ذا مسربة IS 411:3; 415:5; في صدره مسربة IS 412:1; له شعر من لبته الى سرته يجري كالخط/كالقضيب IS 410:2; 422; دقيق المسربة IH 266; IS 410:2; طويل المسربة IS 411:1; 412:2.
48. إذا مشى تكفّأ IS 413:2; فيه جنأ IS 412:2
49. إذا مشى تكفّأ كأنما يمشي في صعد IS 410:3; 412:1; 415:5.
50. إذا مشى كأنما ينحدر من صبب IS 410:2; 411:2, 3.
51. إذا مشى تكفّأ (تكفّؤًا) كأنما ينرل/ينحط من صبب IS 411:1, 3; 412:2; 422.
52. إذا مشى تقلّع كأنما ينحدر من صبب IH 266; IS 411:2. تقلّع Kazmirski: être déraciné.
Ibn Hishām: لم يثبت قدمه; لم يثبت قدمه إذا قام كأنما ينقلع من صخر IS 410:2.
53. إذا التفت التفت معا/جميعا IH 266; IS 410:2, 3; 411:3; 415:5; 417:3; 420:2, 3; 422.
54. يقبل جميعا/معا ويدبر جميعا/معا IS 412:2; 414:5, 6; 415:2, 3.
55. كان يفترش قدمه اليسرى حتى يرى ظاهرها أسود IS 419:5.
56. ونهض رسول الله الى صخرة من الجبل ليعلوه وقد كان بدن رسول الله وظاهر بين درعين فلما ذهب لينهض لم يستطع فجلس تحته طلحة بن عبيد الله فنهض به حتى استوى عليها. IH 576–7.
57. فأخدت بطرف ردائه فتكشّف عن بطنه كأنه قبطية مطوية IH 267.
58. ما رأيت بطن رسول الله قط الا ذكرت القراطيس المثنية بعضها على بعض IS 419:2.
59. IH 266; IS 411:3; 415:4.
60. Muslim 110; IS 425:1, 2, 3; 427:1, 3.
61. Muslim 111.
62. IS 427:1.
63. IS 427:2.
64. IS 425:4.
65. Muslim 112; IS 426:2.
66. Muslim 110–112; IS 425:1–4; 426:2, 3; 427:1–3.
67. IS 426:3; 427:1–3.
68. إني بدنت فلا تبادروني بالقيام في الصلاة والركوع والسجود IS 420:5.

BIBLIOGRAFIE
– Ibn Hishām: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen, 2 dln., 1858–60 [editio princeps van de Arabische tekst]. Ook online ter beschikking.
– Ibn Sa‘d, aṭ-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 9 dln., Beiroet (Dār Ṣādir), z.j.
– Muslim ibn Ḥadjdjadj, Ṣaḥīḥ, uitg. Fu’ād ʿAbd al-Bāqī, 5 dln., Cairo 1955.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnugen in der Sprache der altarabischen Dichtung, Wiesbaden 1965.
– G.H.A. Juynboll, „Dyeing the Hair and Beard in Early Islam. A Ḥadīth-analytical Study,“ Arabica 33 (1986), 49–75.

Terug naar Inhoud