Dhu al-Suwayqatayn: een aanvulling

Aan het einde der tijden komt een raar mannetje uit Ethiopië de Ka‘ba vernietigen. Zijn naam is Dhū al-Suwayqatayn, hij heeft rode beentjes, een dikke buik en dreigend flikkerende ogen. Zeven jaar geleden schreef ik hier over deze figuur en verbaasde mij over zijn uiterlijk. Waar hebben de vertellers dat vandaan?
Enige duidelijkheid bracht mij nu de lectuur van Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden Oudarabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het:

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten1 … Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 2

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān:

  • ‘Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode benen en dreigend flikkerende ogen, met een platte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Ka‘ba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.’ 3

wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten. Bij hem wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, maar juist omgekeerd. 

Vroeger dacht ik dat Dhū al-Suwayqatayn ‘hij met de korte beentjes’ betekende, maar het moet toch betrekking hebben op dunne benen: zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne poten/benen. De ‘dikke buik’ herinnert aan het bolle, donkere lijf van de struisvogel, dat contrasteert met zijn lange, dunne poten en nek. De vervaarlijk flikkerende ogen zijn geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die ze ook heeft.

Ik zal dus mijn tekst over Dhū al-Suwayqatayn moeten herschrijven; dat kan nog wat duren.

ANMERKUNGEN
1. Sommige struisvogelsoorten krijgen gedurende de balts rode poten.
2. خَاضِبٌ … كَالأسْوَدِ الحَبَشِيِّ الحَمْشِ يَتْبَعَهُ سُودٌ طَمَاطِمُ فِي آذَانِهَا
3. كما ورد في حديث حذيفة مرفوعًا، كأني أنظر الى حبشي أحمر الساقين أزرق العينين أفطس الأنف كبير البطن وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له ينقضونه حجرًا حجرًا يتداولونها حتى يطرحوها في البحر.

Terug naar Inhoud

Gedwongen ontkleding in Iran

🇩🇪 🇬🇧 De neiging van overheden zich met de kleding van vrouwen te bemoeien is bekend. Meestal gaat het erom, meer van het vrouwenlichaam te bedekken, maar soms moet het juist minder zijn. Lang voor het boerka- en boerkinigedoe in West-Europa, in de jaren van 1936–1941, dwong Reza Shah van Iran vrouwen om grote delen van hun kleding af te werpen. En dat niet alleen, ze moesten ook nog gezellig met mannen omgaan. Ambtenaren moesten bij voorbeeld op feestjes en bij openbare manifestaties met hun dames in westerse feestkleding verschijnen, om een voorbeeld te geven voor anderen. Daarop werd toezicht uitgeoefend: op feesten was het bij voorbeeld niet de bedoeling dat vrouwen aan een kant zaten en mannen aan de andere, of dat vrouwen alleen met hun eigen echtgenoot omgingen. Op straat controleerde de politie en ontzag zich niet, vrouwen met geweld van hun tsjador te beroven. Dat waren uiteraard mannelijke politieagenten; vrouwelijke bestonden toen nog niet. Toen vrouwen hun toevlucht namen tot lange jurken en hoofddoeken werden ook die verboden.
.
Moderne kringen waren wel blij met de ontsluiering, en in het door Rusland beïnvloedde Noorden van Iran werd zij vrij gemakkelijk geaccepteerd. Maar voor de conservatieve delen van de bevolking was de doorvoering van deze regels een ware ramp. Vrouwen durfden de straat niet meer op en als zij in vredesnaam dan toch maar gingen werden zij door de jongens uit de buurt uitgescholden of lastig gevallen. Niemand had blijkbaar aan de gevolgen van de nieuwe voorschriften gedacht. In het zuiden vluchtten vrouwen naar Irak. Vele andere besloten voortaan maar helemaal thuis te blijven; sommigen pleegden zelfmoord. Maar in die tijd hadden de huizen nog geen bad, men ging naar het openbare badhuis en dat kon nu dus niet meer. Altijd alleen maar een kattenwasje thuis is niet prettig; bovendien is het nemen van een bad vaak ook een religieuze plicht. De politie kende de nood van de vrouwen en patrouilleerde dus graag bij badhuizen, waar de kans groot was dat ze een gesluierde vrouw konden vangen. De schrijver Reza Baraheni (1935—) vertelde dat zijn vader voortaan zijn vrouw en zijn moeder in een zak naar het badhuis droeg. Een politieman kreeg een keer argwaan en vroeg wat er toch in die zakken zat. Pistaches, antwoordde hij. Maar de agent wilde dat controleren en greep eens in de zak. De vrouw bleek niet tegen kietelen te kunnen, moest lachen en het stel ging op de bon. Baraheni is een schrijver, dus het verhaal zou wel eens fictie kunnen zijn— maar het is een mooi motief.
.
Op die feesten was het ook niet echt gezellig. In de tochtige, onverwarmde zalen hadden de vrouwen het in hun mouwloze, gedecolleteerde jurken op winteravonden erg koud; daarom trokken ze er bij voorbeeld een zware winterjas overheen aan. Soms wilde een man zijn vrouw dit alles niet aandoen; dan sloot hij voor de duur van de manifestatie een tijdelijk huwelijk met een vrouw die het niets kon schelen, een prostituée misschien. Dat is een mogelijkheid die het Iraanse recht (nog altijd) biedt. Zo kon hij aanwezig zijn met een echtgenote, terwijl zijn eigenlijke vrouw lekker thuis zat.
.
Prostituées waren in die periode overigens de enige vrouwen die zich volledig mochten sluieren, sterker nog: zij móesten dat. Zo probeerde de overheid de mensen in te prenten hoe verachtelijk de sluier was.
.
Het sluierverbod leidde ook tot diplomatieke spanningen met Groot-Brittannië, dat het recht van dames uit Brits-Indië verdedigde Iran gesluierd te bezoeken.
.
In 1941 trad Reza Shah onder Brits-Russische druk af en daarna werd alles weer normaal. Twee jaar later mochten vrouwen zelf beslissen of zij een sluier wilden dragen of niet.

BIBLIOGRAFIE
H.E. Chehabi, ‘The banning of the veil and its consequences,’ in: Stephanie Cronin (ed.), The making of modern Iran. State and society under Riza Shah, 1921–1941, London/New York 2003, 193–210.

Terug naar Inhoud

Oriëntalistische kunst

Voordat ik verderga over het oriëntalisme zal ik snel even wat plaatjes van oriëntalistische schilders laten zien, dat U een indruk krijgt. In de periode van pakweg 1815–1914 werd het Oosten geacht schilderachtig, kleurrijk, exotisch, prachtig, rijk en vooral ook zinnelijk te zijn. De stoffen waren kostbaar, de architectuur was schitterend. De armoede wordt vrijwel nooit tot onderwerp genomen, wel de vermeende willekeur en wreedheid van oosterse despoten (Cormon, Regnault), die een aangename huiver mogelijk bij de kijker teweeg bracht. En de wreedheid van de slavernij, hoewel de schilders zich weinig met de medemens begaan tonen; meestal verlustigen zij zich in de aanblik van een naakte vrouw of jongen.
Voor menig schilder was een oosters tafereel het nodige voorwendsel om naaktheid af te beelden, zoals antieke en bijbelse voorstellingen dat vroeger waren geweest. De zinnelijke kant van de islamitische wereld, de badhuizen en de harems sprak zeer tot de verbeelding in het destijds zeer preutse Europa. Hoe het in die harems werkelijk toeging wisten slechts weinigen, maar in een tijd dat Europese dames schuil gingen onder hoepelrokken en halleluja-hoeden en bijna van hun stokje vielen in strak aangeregen korsetten werd de verbeelding van hun echtgenoten geprikkeld door oriëntaalse fantasieën.
Oriëntalistische schilders hoefden niet in de Oriënt geweest te zijn. Ingres is nooit verder gekomen dan Italië. Lewis schildert een zeer kleurrijk Cairo, terwijl die stad in werkelijkheid bestaat uit vijftig tinten vaalgeel en grijs.
Het beroemd-beruchte schilderij met de vuil kijkende slavenhandelaar die juist een nieuw binnengekomen maagd onthult is van Fabio Fabbi. De copie is slecht, maar als U meer soft porno in bonbondozendekselstijl van hem wilt zien klikt U hier of googelt U: fabbi slave market. De man moet een fortuin verdiend hebben met die rommel.

Alma Tadema, van wiens werk U in 2017 misschien de tentoonstelling in het Fries Museum hebt gezien, werkte in dezelfde sfeer als de oriëntalisten; alleen schilderde hij de klassieke Oudheid. Wanneer hij het oude Egypte schildert is ook hij oriëntalist.

Terug naar Inhoud

Hormat. Nederlanders imiteren Javaanse vorsten

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een vergulde parasol (payong, oude spelling: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. 

In Couperus’ roman De stille kracht (1901) is heel wat terug te vinden over hormat in Nederlands-Indië. Bij het serveren van spijs en drank ten huize van de regent ging het zo:

  • De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is minstens twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar een prinses was ingetrouwd en veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

  • […] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.

In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Nederlanders, maar het omgekeerde was zeker ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen liet bijknippen.

Maar ook de vorstelijke gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

psijthoffresidentsemarang1904

  • De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer eveneens:

  • De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

  • De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. R. A. Kartini, die de dochter van een regent was, schreef daarover:

  • O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 16 april 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

Terug naar Inhoud

Oriëntalistiek en oriëntalisme

Ik beken: ik ben oriëntalist. Maar wat is dat precies? De spellingcorrector van MS Word kent het woord niet, dus enige uitleg kan misschien geen kwaad.
.
Oriëntalisme is (of was) een richting in de kunst, die vooral in de negentiende eeuw gebloeid heeft en als bron van inspiratie had wat vroeger ‘de Oriënt’ heette, het mysterieuze Oosten: de schoonheid, de rijkdom, de kleurenpracht, de wreedheid en de zinnelijkheid die men daar ontwaarde of zich althans voorstelde. Een schilder of architect die aan oriëntalisme doet heet een oriëntalist of een oriëntalistische schilder.
.
Oriëntalistiek is (of was) de wetenschappelijke bestudering van de talen en beschavingen van wat vroeger ‘de Oriënt’ heette: een gebied dat bij de Turkse grens begon en ergens in Oost-Azië ophield. Een bedrijver van oriëntalistiek heet(te) ook oriëntalist. Zo eentje ben ik; meer specifiek: een arabist. Schilderen kan ik niet.
.
Zo is het ook in het Duits en Engels:
– Ned.: oriëntalistiek — oriëntalisme — oriëntalist(isch)
– Duits: Orientalistik — Orientalismus — Orientalist
– Engels: oriental studies — orientalism — orientalist, orientalist painter
.
De begrippen oriëntalistiek en oriëntalisme zijn met behulp van bovenstaande definities wel uit elkaar te houden; alleen bij het woord oriëntalist is verwarring mogelijk.
.
In het Frans daarentegen lijkt de verwarring te zijn ingebakken. Daar heet oriëntalistiek études orientales,  maar ook wel orientalisme. De term orientologie is waarschijnlijk gecreëerd om duidelijkheid te scheppen, maar wordt niet veel gebruikt.
.
Verwarring ontstond pas goed toen in 1978 het beroemd-beruchte boek Orientalism van Edward Said verscheen. Deze auteur haalde de twee begrippen door elkaar. Dat deed hij opzettelijk, want hij wilde de nadruk leggen op wat beide bezigheden volgens hem gemeen hadden, namelijk een vertrokken beeld van ‘de Oriënt’ te creëren met de bedoeling deze te onderwerpen en overheersen. Daarbij had Said vooral de kwade bedoeling, de oriëntalistiek in diskrediet te brengen.

Droom van Oriënt

Ten grondslag aan zowel de oriëntalistiek als het oriëntalisme ligt dikwijls de oosterse droom. Al word ik in deze pagina’s nooit persoonlijk, voor éénmaal wil ik het toch zijn. U hebt er recht op, te weten hoe ik ertoe gekomen ben oriëntalist te worden.
.
Mijn ouderlijk huis stond op loopafstand van het Tropenmuseum in Amsterdam. Na de verplichte kerkgang op zondagochtend ging ik ’s middags graag naar dat museum. Daar was vaak iets te doen: Indra Kamajoyo danste er bij voorbeeld, of er werden Javaanse sprookjes voorgedragen, over Kancil het guitige dwerghert, of iets uit de Mahabharata. Het mooiste was als een enkele keer het gamelanorkest speelde, eventueel met wayangspel. Toen ik wat ouder was zoog ik mij vol aan de oriëntalistische boekhandel die daar was.
.
Na verloop van tijd wist ik het: ik wilde naar Java om iedere nacht de gamelan te horen spelen. Dat er ook brood op de plank moest hield me niet bezig. De beste manier om ernaar toe te werken leek me Indonesische Taal- en Letterkunde te gaan studeren. Dat zou in Leiden moeten gebeuren en ik wilde niet uit Amsterdam weg. Maar om Indonesisch te studeren moest je vroeger eerst Arabisch en Sanskriet gedaan hebben, en Arabisch kon in Amsterdam, dus als ik daar dan eens mee begon … . In dat Arabisch bleef ik hangen, hoewel het Midden-Oosten helemaal niet mijn droomwereld was. Maar bij Arabisch hoorde voor het kandidaatsexamen Semitische Talen ook Hebreeuws; dat lag me ook wel, dus ik vond het goed zo. Later kwam ik toch in Leiden terecht, waar ik nog drie jaar Indonesisch en klassiek Maleis gestudeerd heb. Sanskriet was inmiddels geloof ik afgeschaft, Javaans was me te lastig en mijn hoofdvak werd en bleef Arabisch. Egypte, waar ik terecht kwam, was allesbehalve een oosterse droom, eerder een obsessie. Na Egypte heb ik nooit meer aan Nederland kunnen wennen en ik ging nog vaak ‘terug’.
.
Waarom dat gedroom? Het was heel eenvoudig: ik was niet gelukkig met mijn werkelijke omgeving en wilde dus weg. Van koloniale verlangens was helemaal geen sprake. Ik wist best dat we Indië niet meer ‘hadden’ en hoorde om mij heen genoeg praten over het onaangename heerschap Soekarno, dat daar de scepter zwaaide. Maar dat doorbrak de droom niet.
.
Dromen was niet het enige wat ik deed: ik ging ook gewoon naar school, luisterde naar Europese muziek en leidde een normaal leven. Maar die oosterse droom was sterk genoeg om een groot deel van mijn verdere leven te bepalen, al was hij niet gericht genoeg om mij naar Indonesië te brengen.
.
Er waren ook Nederlanders die gerichter droomden en het gewoon deden. Bernard IJzerdraat (1926–1986) slaagde er gedurende de oorlog in met grote volharding zelf gamelaninstrumenten te bouwen, waarop hij met zijn groep Babar Layar o.a. in het Tropenmuseum uitvoeringen gaf. In 1956 vertrok hij naar Indonesië, waar hij onder de naam Suryabrata verder leefde als hoogleraar in de musicologie. De huidige hoogleraar Javaans in Leiden Ben Arps liet zich in Surakarta opleiden tot dalang (wayangpoppenspeler).
===============
Natuurlijk waren er talloze mensen die zich niet op grond van dromen met ‘de Oriënt’ bezighielden, maar bij voorbeeld om handel te drijven, te veroveren of te heersen. Toch kregen ook zij te maken met een Oriënt die door de dromers bij elkaar werd gedroomd.
===============
Er bestond in het Midden Oosten ook een droom van het Westen. De studenten in Egypte wisten het indertijd zeker: in Europa hoef je maar een bar binnen te lopen of je wordt aangeklampt door bereidwillige jonge vrouwen.