Het kalifaat van Medina, 622–661

LONGREAD over het eerste Arabische Rijk

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.

Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan; zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn, en dan zo’n grote?

In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dat deel van het Arabische schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er middels irrigatie en terrasbouw geregelde landbouw mogelijk is. Daartoe is een centrale organisatie, een staat benodigd.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr–600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272).
Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide superstaten waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide had met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de grote rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie Imru’u l-Qays de beroemdste was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed, die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets na wat inderdaad een staat genoemd kan worden.

Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaard islamitische verhaal van dat van moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam weer. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie; er was ook nog niet zoiets als ‘de islam’. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.

Tot zover is het verhaal over de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder controle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen
– Legitimiteit van de regering.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]   Oudere Duitse versie hier.  Oudere Engelse versie: RavenFirstArabicEmpire

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische ontwerp van de islam verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.
===============

Blz. 2. Aan welke vereisten voor een rijk werd in het kalifaat van Medina voldaan?

Een territorium was er, immens en zich nog steeds uitbreidend. Als dit rijk ooit een territoriaal probleem had was het misschien het gebrek aan grenzen, maar dat is hier niet relevant.
.
Wat voor bevolking had dit rijk? Toen de veroveringen begonnen moet het kleine aantal strijders uit Centraal-Arabië en nog wat meer uit het verarmde Jemen vrijwel verdronken zijn in een zee van niet-Arabieren. In het begin was er niet veel vermenging van de overheerste volkeren met die paar Arabieren; dit zou nog ruim een eeuw een probleem blijven. Maar in de Oudheid kon je blijkbaar grote gebieden regeren met een handjevol soldaten, en het Arabische Rijk verschilde in dit opzicht niet veel van dat van Alexander of van het Oostromeinse Rijk, waar een handjevol Grieks sprekende Romeinen hun provincies succesvol domineerden. Een steunpilaar van het nieuwe rijk zullen de Arabieren geweest zijn die al heel lang in Syrië en West-Irak woonden.
Natuurlijk leefden er miljoenen niet-Arabieren in de veroverde gebieden: Syriërs, Perzen, Egyptenaren en andere. Misschien waren zij niet al te negatief gestemd over de nieuwe machthebbers, die aanvankelijk veel van de oude structuren in regering en belasting intact lieten. Maar konden de Arabieren van hen op aan? Om een voorbeeld te geven: 646 werd er een expeditie ter zee tegen Cyprus ondernomen. De deelnemende soldaten waren allemaal Arabieren, naar verluidt 12.000 man, maar alle zeelui op de 200 schepen waren niet-Arabische Syriërs en Egyptenaren. In dit geval verliep blijkbaar alles goed. Maar zelfs nog bij een aanval van de marine op Constantinopel in 717 met schepen uit Egypte, beseften de zeelui plotseling dat zij nu op christelijk gebied waren en deserteerden naar de Romeinse kant. Inderdaad, waarom zouden de onderdanen loyaal zijn aan het Arabische Herrenvolk?
Het centrale gezag werd verondersteld de kalief in Medina te zijn, die volgens de overlevering het geweldige rijk van daaruit regeerde. De eerste kaliefen verlieten nauwelijks ooit de hoofdstad; alleen van ‘Umar wordt geloofwaardig verteld dat hij al-Djābiya heeft bezocht, de oude hoofdstad van de Ghassāniden op de Golan-hoogten en het hoofdkwartier van de Arabische verovering van Syrië. Het aantal Arabische ambtenaren (stadhouders, belastinggaarders, secretarissen, rechters) was heel beperkt: dit rijk had een enorm gebrek aan personeel. Buiten Arabië bleven de ambtenaren van de vroegere rijken eenvoudig in dienst, omdat hun expertise dringend benodigd was.

.
Communicatie en verkeer
Albrecht Noth heeft al in 1973 aangetoond dat de centralistische regering met de kalief zetelend in Medina als een spin in zijn web, waar hij alles tot in de kleinste details organiseerde en regelde, om puur logistieke redenen onmogelijk was. Regering via correspondentie, waarin de Arabische historische bronnen ons willen doen geloven, is een literaire fictie die, aldus Noth, overeen moest stemmen met een later kalifaatsideaal. Misschien was dit ideaal uit de klassieke Oudheid overgewaaid. De historicus Diodorus Siculus schreef al omstreeks 50 vChr over de koningen van het oude Egypte:

  • In de vroege ochtend bij voorbeeld, zodra hij ontwaakte, moest hij eerst de brieven ontvangen die hem van alle kanten toegezonden waren, zodat dat hij in staat zou zijn alle regeringszaken te delegeren en iedere handeling correct uit te voeren. Aldus was hij precies op de hoogte van alles wat er in zijn gehele rijk werd gedaan.2

Het is veel waarschijnlijker dat de militaire bevelhebbers in de veraf gelegen gebieden onafhankelijk en naar bevind van zaken handelden, waarbij de centrale regering slechts een ideëel oriëntatiepunt vormde.
Wegen over land: Grote rijken, zoals het Perzië der Achaemeniden, werden onder andere geregeerd door middel van een zeer efficiënt post- en inlichtingensysteem, voornamelijk met behulp van paarden, maar ook van kamelen en muildieren waar de omstandigheden dat vereisten. Daarenboven bestonden er systemen van vuur- en lichtsignalen. Vanuit de hoofdstad Persepolis leidden er postwegen naar Klein-Azië, India, Afghanistan en verder. Iedere 20–30 kilometer was er een poststation waar de uitgeputte paarden en/of koeriers vervangen konden worden door verse, en waar ook een garnizoen en een bescheiden schatkist gestationeerd waren. Koeriers konden tot wel 300 kilometer per dag afleggen en wisten de 3400 kilometer van Persepolis naar de Aegaeïsche kust soms in veertien dagen af te leggen; gewone reizigers deden er drie maanden over. Alexander de Grote had dit systeem overgenomen. Het Romeinse Rijk had ook postsystemen gehad: de cursus publicus, postduiven en ketens van lichtsignalen, waardoor bij voorbeeld een militair bevel vele honderden kilometers per dag kon afleggen.
Aan de vooravond van de Arabische veroveringen was het Perzische postsysteem in verval en het Oostromeinse functioneerde nauwelijks nog. De Umayyaden namen ze later over, maar hadden wel enige tijd nodig om ze te begrijpen en weer bruikbaar te maken. Vóór de Umayyaden werden zij in het Arabische Rijk niet gebruikt, of hooguit plaatselijk en ten dele, en zij besloegen zeker niet het Arabische Schiereiland. Medina had een erg onvoordelige ligging. In Arabië konden op de lange afstand geen paarden gebruikt worden, omdat water en passend voer op vele plaatsen ontbraken. Een kameelkaravaan had dertig dagen nodig van Medina naar de rand van Syrië of Irak, en daar begon de bewoonde wereld pas. Natuurlijk konden individuele ruiters snel rijden op een kameel of hier en daar op een paard, maar een postsysteem ontbrak ten ene male.
Zeewegen: Voor Constantinopel was scheepvaart van belang, maar voor Medina was het geen optie. Omstreeks 600 liepen de belangrijkste scheepvaartroutes in de Rode Zee langs de Afrikaanse kust, met Adulis als belangrijkste haven. Ethiopiërs hadden de berucht moeilijke navigatie in deze zee van de Romeinen geleerd. Het verkeer van India naar Europa raakte Arabië nauwelijks; alleen de haven van Aden werd gebruikt. Van Medina naar zijn haventje al-Jār duurde het drie dagen over land; de zeeroute van daar naar het Noorden was moeizaam door de eeuwig tegenzittende noordenwinden. Dit was voor de Romeinen al een reden geweest, de Noord-Arabische havens te mijden en de Indische goederen liever in het Egyptische Berenice om te slaan en vandaar over land verder te vervoeren tot de Nijl. Zeevaart over de Rode Zee kan onmogelijk van belang geweest zijn om het Rijk bij elkaar te houden. De zeeroute van Zuid-Perzië naar Aden en vice versa was wel bruikbaar voor imperiale doeleinden, zoals de Perzen hadden bewezen toen zij sinds 570 het Zuiden van Jemen een halve eeuw bezet hielden, maar voor Medina was deze route niet van belang.

Landbouwoverschotten, en een belastingstelsel dat daarmee verband hield. Een staat heeft gewoonlijk aanzienlijke hoeveelheden stapelproducten nodig, zoals graan of rijst. Volgens de traditionele zienswijze had het Arabische schiereiland nauwelijks landbouwoverschotten om belastingen op te heffen, maar was het verregaand een overlevings- of subsistentie-economie. Dit wordt vooral bevestigd door de pre-islamitische poëzie. Vee was rijkdom (māl), rijkdom was vee. Maar als er soms een bescheiden overschot was aan vee en dadels zal dat nauwelijks genoeg zijn geweest om de noodzakelijke granen, kleding, wapens en luxe goederen te importeren. Dit beeld moet allicht herzien worden wanneer men het goud en zilver dat op vrij grote schaal in mijnen werd gewonnen erbij betrekt. De voorstelling van de dappere maar straatarme bedoeïenen is al te romantisch.
Blijkbaar kon het Arabische Rijk in de eerste tijd even zonder landbouwoverschotten. Het overheidsinkomen werd op andere wijze gegenereerd. De staat had mijnen en verwierf in de veroverde gebieden enorme massa’s buit, zij het land, vee of geld. Betalingen en gunsten konden worden verleend in de vorm landbezit ergens duizenden kilometers verderop. Volgens het latere islamitische recht kwam een vijfde van alle buit aan de staat toe. Of en sinds wanneer dit reëel was en hoeveel roerend goed er werkelijk naar Medina werd overgebracht is nog niet duidelijk. Op den duur kwam er genoeg om in Medina een boom en een gevoel van the high life te creëren, maar misschien juist niet in de eerste jaren. Aanvankelijk moeten de overheidsinkomsten nog betrekkelijk mager geweest zijn, maar blijkbaar was het vooruitzicht op buit genoeg om het leger aan de gang te houden. Zodra de veroveringen succesvol waren kon het schiereiland geleidelijk omschakelen naar een rentenierseconomie.

Een staand beroepsleger onder een sterk centraal commando ontbrak gedurende de eerste fase van het Arabische Rijk, terwijl zowel de Romeinen als de Perzen zulke legers wél hadden. De Arabieren hadden in het begin een onprofessioneel volksleger. Maar juist het gebrek aan organisatie en klassieke discipline maakten dat zootje ongeregeld heel flexibel, wat tot zijn militaire succes bijdroeg. De bevelhebbers moeten naar eigen inzicht hebben gehandeld.
De gretigheid om te vechten zal zeer verschillend geweest zijn. De bedoeïenen vochten altijd al graag, maar alleen in hun welbegrepen eigen belang. De plantage-eigenaren in Medina of Ṭā’if waren zonder twijfel minder enthousiast dan de inwoners van het verarmde Jemen, die in het oorlogvoeren een kans zullen hebben gezien om uit de ellende te geraken. De Sīra spreekt van opgeroepen strijders die niet mee wilden doen omdat het net oogsttijd was. Volgens de koran klaagden sommige mannen over de hitte of hadden andere smoesjes (koran 9:38, 42, 81). Afgezien van bedreigingen met het hellevuur (9:81) kunnen sociale druk en/of de belofte van buit hen hebben overtuigd, alsnog mee te doen. Regelmatige wedden (ʿaṭāʾ) werden er pas sinds 640 betaald.

Geld, hetzij van goud of van zilver, komt altijd goed van pas bij het opbouwen of handhaven van een rijk. Het vergemakkelijkt het onderhouden van een staand leger, maakt het mogelijk bondgenoten (om) te kopen en houdt stadhouders in de provincies gelukkig en loyaal. De schatkist van Persepolis had de Perzische legers en zelfs de oligarchieën in de stadstaten van Klein-Azië loyaal gehouden aan het rijk; het goud van Thracië had Alexander in staat gesteld het leger te betalen dat de halve wereld veroverde.
Wat had het Arabië op dit gebied te bieden? Een regelmatige belastingheffing, betaald in vee of dadels, kan hebben plaatsgehad, maar op heel kleine schaal; bovendien was belasting innen onder bedoeïenen nooit een sinecure. Maar G. W. Heck heeft erop gewezen dat er in Arabië goud en zilver werd gevonden en gewonnen, zodat het schiereiland bij nader inzien toch niet zo arm was. De stam Quraysh handelde in edelmetalen. Onder de eigenaars van goudmijnen waren de Banū Sulaym, maar ook de eerste kalief Abū Bakr, die bekend stond om zijn rijkdom, verdiende er goed aan. Dit goud — niet in de vorm van munten maar in korrels en brokjes,— zal er mede toe hebben bijgedragen de soldaten actief te houden in de eerste fase van de veroveringen. De belofte van rijke buit moet de rest hebben gedaan.

Legitimiteit van de regering. In deze vroege periode bestond ‘de islam zoals wij die kennen’ zeker nog niet. Maar zonder twijfel was er wel een ideologische of spirituele impuls, ondersteund door gewijde teksten, die ervoor zorgde dat Arabieren niet langer tegen elkaar vochten maar samen tegen anderen. Hun gemeenschappelijke zaak kunnen we proto-islam of ‘de koranische beweging’ noemen. Wat het ook was, het werkte overweldigend goed en verleende volop legitimiteit aan het groeiende rijk, ten minste in de ogen van de Arabieren. Verschil van mening onder hen kwam pas op aan het eind van de eerste drie decennia. De meningen van de nieuwe onderdanen deden in deze periode nog niet ter zake.

Het schiereiland voldeed dus slechts aan enkele, lang niet aan alle vereisten voor een rijk. Twijfels blijven bestaan over die eerste dertig jaar. Er groeide een Arabisch rijk, daaraan is geen twijfel. Aanvankelijk was het misschien moeilijk, strijders te mobiliseren, maar zodra de buit binnen begon te stromen kwamen de soldaten bij duizenden. Wat moeilijk te verteren blijft is het centralistische karakter van deze staat en het ongelukkig gelegen Medina als de hoofdstad ervan.

En er is nog een overweging. De meeste hedendaagse niet-islamitische geleerden neigen tot het inzicht dat we erg weinig weten over de profeet Mohammed. En dan zouden de gebeurtenissen direct na zijn dood zich opeens in het volle licht van de geschiedenis hebben afgespeeld, en zouden alle schriftelijke bronnen daarover op hun woord moeten worden geloofd? Ook dat is weinig aannemelijk.

NOOT
2. Diodorus Siculus, [Βιβλιοθήκη ἱστορική; Bibliotheca Historica:] Library of History, transl. C. H. Oldfather, (Loeb Classical Library 279), Cambridge MA 1933, i, 70:  i, 70: ἕωθεν μὲν γὰρ ἐγερθέντα λαβεῖν αὐτὸν ἔδει πρῶτον τὰς πανταχόθεν ἀπεσταλμένας ἐπιστολάς, ἵνα δύνηται πάντα κατὰ τρόπον χρηματίζειν καὶ πράττειν, εἰδὼς ἀκριβῶς ἕκαστα τῶν κατὰ τὴν βασιλείαν συντελουμένων.
==================

Blz. 3. Wat hebben de geleerden van deze periode gemaakt?
In de negentiende eeuw waren de in Europa bekende bronnen alleen islamitische teksten in het Arabisch. De meeste niet-Arabische teksten en de archeologische overblijfselen werden grofweg pas bekend in de tweede helft van de twintigste eeuw.
De negentiende-eeuwse oriëntalisten volgen in grote lijnen het islamitische standaardverhaal. Maar ze gebruikten wel hun gezonde verstand, zij pasten de historisch-kritische methode toe. Zoals Gustav Weil het omstreeks 1850 zei, het doel was: ‘het materiaal grondig te onderzoeken en uit dit weefsel van verblinding en leugens de naakte historische waarheid te extraheren.’ Dat klinkt drastisch, maar de resultaten waren over het algemeen nogal tam en weken niet erg af van de traditionele islamitische geschiedschrijving. Het is opvallend hoe in de negentiende eeuw de stichtingsmythen van jodendom en christendom geheel aan flarden werden geanalyseerd, terwijl tegelijkertijd de islamitische vrijwel intact gelaten werd. En dat dikwijls ook nog door dezelfde geleerden, zoals Julius Wellhausen (1844-1918).
Vanaf 1905 maakte Leone Caetani een uitgebreid overzicht in het Italiaans van alle toen bekende bronnen van de vroege islamitische geschiedenis, waarin hij alle teksten die hij over de een gebeurtenis na de andere naast elkaar zette en vergeleek. Daardoor ontstonden twijfels van meer algemene aard, omdat nu bij voorbeeld opviel dat hetzelfde bericht over verschillende gebeurtenissen verteld werd en dat de chronologie dikwijls veel later en nogal willekeurig was toegevoegd.
De Jezuïet Henri Lammens (1862-1937) was nog sceptischer. Hij beschouwde de hele sīra als afhankelijk van de koran en daarom als historisch onbetrouwbaar. Nieuw voor die tijd was dat Lammens gedreven werd door verachting en haat jegens de islam; een verschijnsel dat een eeuw later opnieuw zou opdoemen.
De twee wereldoorlogen leken in Europa de kritische geest in de oriëntalisten te hebben gedood. Lange tijd gebeurde er niets, maar in de jaren zeventig van de twintigste eeuw kwam er een nieuwe golf van kritiek en scepticisme op. Ik noem hier twee, of liever drie vertegenwoordigers: de reeds genoemde Albrecht Noth, en Patricia Crone en Michael Cook.
Noth (1973) begon de historische bronnen kritisch te herlezen, met een fijn gevoel voor de realia van de beschreven periode en gebieden. Zijn grootste bijdrage was dat hij een open oog had voor het literaire karakter van de historische bronnen. De literatuurwetenschap hield (eindelijk) zijn intocht op het gebied. Noth ontdekte narratieve structuren en topoi die overal in de bronnen terugkwamen, wat ze minder betrouwbaar maakte voor de geschiedschrijving.
.
Hagarism
Als een bom sloeg in Hagarism door Crone en Cook in 1977. Twee boze jonge mensen, die kennelijk genoeg hadden van een halve eeuw stilstand. De voornaamste objecten van hun woede waren gevestigde oriëntalisten als R. B. Serjeant en W. Montgomery Watt. De laatste had in de jaren vijftig een ambitieuze geleerde biografie van Mohammed geschreven.
In Hagarism bleef niets zoals het was geweest. De Islam stamde niet uit Mekka en Medina, maar eerder uit Noord-Arabië; eigenlijk was er helemaal geen islam. De koran moest veel later dan de zevende eeuw gedateerd worden. Over Mohammed, was nauwelijks iets bekend, maar hij moest een soort Johannes de Doper geweest zijn voor ʿUmar, wiens bijnaam immers Fārūq was, (Aramees parūqā, ‘verlosser’). De zogeheten vroege moslims waren eerder een mix van Arabieren en ketterse joodse messianisten, die het Beloofde Land terug probeerden te winnen van het Oostromeinse Rijk. Mohammed en zijn volgelingen heetten Hagarenen of mahgraye, of in het Arabisch muhādjirūn (Emigranten). De hidjra was niet naar Medina maar naar Jerusalem. Het boek begint uitdagend met een citaat uit een niet-islamitische bron — maar wel een die veel vroeger was dan de hele islamitische overlevering. Ook de rest van het boek is doortrokken van niet-islamitische bronnen, die nu voor het eerst op grote schaal werden gebruikt.
Hagarism werd heftig gecritiseerd; vele geleerden waren werkelijk ziedend. Hoe durfde de auteurs zo luid tekeer te gaan in de stiltezone van de oriëntalistiek!? De critici waren emotioneel, maar ze hadden ook sterke tegenargumenten en er bleef van de thesen van het boek niet veel over. Patricia Crone herriep in 2006 haar aandeel stilzwijgend en impliciet in een internet-artikel, waarin zij min of meer de traditionele visie op de profeet verkondigde, over wie nu volgens haar wel degelijk veel te weten was. Gelukkig had Crone nog twee boeken en ettelijke artikelen over de zevende eeuw geschreven. Haar studie Early Meccan Trade, die het tot dan toe onaangevochten beeld van Mekka als een soort Wereldhandelscentrum onderuit haalde, staat nog steeds overeind, evenals haar Slaves on Horses over het Umayyadenrijk en God’s Caliph over het begin en de betekenis van het kalifaat.
Boeken als Hagarism zijn nuttig en moeten zeker niet minachtend worden weggegooid. Het boek schudde de slaperige geleerden wakker en had een blijvende invloed op de studie van de vroege islam. Het heropende eindelijk de discussie en opende de ogen voor tenminste een aantal zaken: de relatief late breuk van de proto-islamitische beweging met de joden en/of christenen van welke soort dan ook, en voor de waarde van niet-islamitische bronnen, die de auteurs nadrukkelijk ten nutte hadden gemaakt. Wat ook bleef was het inzicht in het literaire karakter van de Arabische bronnen, waarop Noth kort tevoren had geattendeerd, en in de geografische omstandigheden.
.
Na Hagarism
Hagarism had ettelijke nazaten: studies die nog verder gingen, nog wilder waren. De auteurs ervan hebben ook aan de weg getimmerd en de algemene publiciteit gehaald. Ik wil er enkele kort aanstippen:
.
Koren en Nevo
Yehuda Nevo was een archeoloog zonder veel kennis van de geschreven bronnen; Judith Koren is gespecialiseerd in informatica. Toch ontvouwen zij in hun Crossroads to Islam een alomvattende theorie. Muhammad was geen historische figuur. De Koran dateert uit de achtste eeuw. Syrië werd nooit door de Arabieren veroverd, omdat het Oostromeinse Rijk zich reeds vrijwillig had teruggetrokken uit de provincie, die als niet langer winstgevend werd beschouwd. De zogenaamde moslims, die in werkelijkheid heidenen waren, hoefden het vacuüm alleen maar op te vullen. Zij kwamen uit wat nu Zuid-Jordanië en Israël is. Pas in de veroverde gebieden namen zij een soort vaag joods-christelijk monotheïsme over, dat zich veel later ontwikkelde tot de islam. De eerste vier kaliefen kunnen we geheel vergeten; de echte heerser in Syrië was Mu‘āwiya, elders bekend als de eerste of tweede Umayyadische kalief, die daar inderdaad vanaf 642 stadhouder was.
.
Inârah
Vervolgens is er de wereld van de zogenaamde Inârah-groep, genoemd naar het Inârah Institut in Saarbrücken en de zes banden die de leden tot nu toe hebben gepubliceerd (2005–2012). De leidende geleerden in deze groep zijn K.-H. Ohlig, Gerd R. Puin en Volker Popp. Chr. Luxenberg vond hier een tehuis; zijn bijdrage was dat de koran gelezen moet worden als een tekst in het Syrisch, en dat er heel andere dingen in staan dan iedereen had gedacht. Zelfs Claude Gilliot deed een poosje met de groep mee.
Deze geleerden voelen de behoefte de Arabische geschiedenis nog drastischer te herschrijven dan ooit te voren. Ik probeer samen te vatten: De Koran is oorspronkelijk een christelijke tekst, geschreven in het Syrisch (Luxenberg). Als bron voor de vroege islam is hij waardeloos. De biografie van de profeet werd in elkaar gezet na 800; Ibn Isḥāq heeft nooit bestaan. Echte bronnen zijn inscripties en munten en christelijke teksten. Muhammad is geen eigennaam, maar een adjectief, ‘geprezen’ of ‘prijzenswaardig’, dat werd toegepast op zowel Jezus als ʿAlī. Als historische figuur heeft Mohammed nooit bestaan. De godsdienst van de Arabieren die Syrië in de zevende eeuw beheersten was niet de islam. De islam werd pas omstreeks 700 in leven geroepen door de Umayyadische kalief ‘Abd al-Malik, die de zogenaamde koranbeweging uit Centraal-Azië (!) naar Syrië en Palestina overbracht. Zij was daar gegroeid op de mest van een sterk Arabisch voor-Nicaeaans christendom, dat ergens bij Marw in Centraal-Azië had overleefd, als gevolg van de Sassanidische deportatie van de christen van Hatra in 241. (Is U daar nog?)
De bewijzen voor dit alles zijn zo dun dat je zulke artikelen nauwelijks nog wetenschap kunt noemen. Toch staan er ook enkele onloochenbaar belangwekkende bijdragen in deze banden, bij voorbeeld door Gerd en Elisabeth Puin over de koran, door Gilliot over hadith-geleerden en bepaalde stimulerende gedachtengangen in het algemeen.
De auteurs in de publicaties van Inâra vormen een nogal heterogene groep, die twee aversies schijnen te delen: een tegen de moderne islam en een tegen de traditionele oriëntalisten. De jonge Crone en Cook bestreden alleen hun oriëntalistische leraren; de meeste Inârah-artikelen hebben ook een anti-islam-alinea. Voor islamhaters zou het zeker plezierig zijn een zevende eeuw te hebben zonder Mohammed, zonder koran, zonder Arabische veroveringen en zonder islam. Maar een dergelijk wensdenken is geen bruikbaar uitgangspunt voor wetenschappelijke studie.
.
Mainstream wetenschappelijk onderzoek
Intussen werd het echte wetenschappelijke onderzoek op basis van het standaardverhaal in alle rust voortgezet. Ik noem ook hier slechts enkele werken.
– Hugh Kennedy schreef een rustig en zeer goed leesbaar overzichtsboek over de veroveringen, waarin nieuwe onderzoeksresultaten, uiteraard ook van hemzelf, niet ontbreken.
– Michael Moroney schreef over Irak na de verovering door de moslims. Zijn boek gaat dus niet over Medina, maar is wel zeer gedetailleerd over het bestuur en het alledaagse leven in een van de belangrijkste provincies van het Arabische Rijk.

– Robert Hoyland, In God’s path, nog meer up to date over de veroveringen en de vorming van de nieuwe staat.
Bijzondere vermelding verdient hier het boek van Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans, en wel om twee redenen. Ten eerste concentreert de auteur zich op Medina; hij biedt zelfs een historische en geografische close-up van de zog. ‘Bovenlanden’ (‘awālī) van Medina in en kort na Mohammeds tijd. Ten tweede is hij haast extreem trouw aan het standaardverhaal. Zijn boek is vele malen wetenschappelijker dan de post-Hagaristische werken die ik hierboven beschreef. Toch blijf ik bij Lecker zitten met heel wat onbehagen over Medina, al beschrijft hij het nog zo gedetailleerd. Wat mij vooral verbijstert is het gemak waarmee hij een boek van Samhūdī uit de vijftiende eeuw tot hoofdbron verklaart voor de geschiedenis van het Medina van de zevende eeuw, en het vertrouwen dat hij heeft in oude genealogieën.
====================

Blz. 4. Mijn eigen gedachten

‘Tegenkalifaat’
Maar hoewel ik de wilde theorieën van de post-Hagaristen niet kan volgen, waardeer ik sommige van hun ideeën toch. Bij voorbeeld de nadruk op Syrië, waar aanzienlijke delen van de bevolking altijd al Arabisch waren, en waar Muʿāwiya weliswaar pas in 661 kalief werd maar al sind 642 de facto regeerde. En de rol van kalief ʿAbd al-Malik (reg. 685–705) bij de vormgeving van de (of liever: een) Islam. En zoals gezegd: ook ik blijf me ongemakkelijk voelen bij de gedachte aan Medina als hoofdstad van een opkomend wereldrijk.
Mijn eigen bijdrage tot die oude geschiedenis zal zeer bescheiden blijven. Ik wil alleen eens wijzen op twee zaken die al langer bekend zijn, maar nog dikwijls verwaarloosd worden en die toch grote invloed moeten hebben uitgeoefend op onze Arabische bronnen. Ik bedoel het kalifaat (680-692) van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de geschriften van zijn broer ʿUrwa.
Na de dood van de Umayyadische kalief Muʿāwiya in 680 regeerden er enkele zwakke kaliefen in Damascus, die maar heel kort in het zadel bleven. De Umayyaden waren de nazaten van de oude preïslamitische elite, die zich nogal laat en volgens sommigen alleen uit opportunisme hadden bekeerd tot de nieuwe beweging die zich zou ontwikkelen tot de islam. Zij voelden zich thuis in Syrië en Palestina en in de christelijke beschaving.
.
De Umayyaden kregen het aan de stok met verscheidene opstandige oppositiegroepen: Sjiieten, Kharidjieten, en ook het gevaarlijke alternatieve kalifaat van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka en zijn broer Muṣʿab in Iraq. Deze rebellen waren de nazaten van de eerste ‘islamitische’ elite: Mohammeds kameraden van het eerste uur, de oudste aanhangers van de beweging die in hun ogen gekaapt was door de Umayyaden. In plaats van de Syrisch-Palestijnse oriëntering verkozen zij het Arabische Schiereiland. Het kalifaat van ʿAbdallāh duurde twaalf jaar en veroorzaakte een akelige scheur in het Arabische Rijk. Niet alleen het schiereiland, maar ook grote delen van Irak en Iran volgden de Zubayrī broers. Andere provincies aarzelden nog. In sommige jaren was alleen Syrië nog loyaal aan de Umayyadische kalief.
Twaalf jaar lang slaagde Damascus er niet in een eind te maken aan wat voor hen het ‘tegenkalifaat’ was. Maar zodra de sterke kalief ʿAbd al-Malik de macht had overgenomen was het gauw bekeken. ʿAbdallāh werd gedood in in 692, Muṣʿab was al iets eerder gevallen en hun rijk was verleden tijd. De Umayyadische macht was met militaire middelen hersteld.
.
ʿUrwa ibn al-Zubayr (± 643–711)
De interessante overlever is ʿUrwa, ʿAbdallāhs twintig jaar jongere broer en de intellectueel van de familie Zubayr. Hij was niet militair en nauwelijks politiek actief geweest, hoewel hij in de opstand wel de kant van zijn broers had gekozen. Hij woonde meestal in Medina, waar hij de biografie van de profeet bestudeerde en onderwees, evenals hadith en recht. Onmiddellijk na ʿAbdallāhs dood haastte hij zich naar Damaskus om ʿAbd al-Malik trouw te zweren. Dit was een zeer gewaagde stap, want ʿUrwa zal toch wel erg met zijn broers geassocieerd zijn geweest, maar hij had succes. De kalief, die reeds om strategische redenen openbare rouw voor Muṣʿab had afgekondigd, zag ervan af ʿUrwa terecht te stellen en besloot liever gebruik van hem te maken. Hij gaf hem toestemming terug te gaan naar zijn woonplaats in Medina en vroeg hem kort daarna de geschiedenis van de vroege islam neer te schrijven. Dat deed ʿUrwa, en een groot deel van zijn teksten is nog bewaard.
ʿAbd al-Maliks clementie is begrijpelijk. Hij moet beseft hebben dat ʿUrwa’s geschiedenis er een van het schiereiland zou worden, een reeks berichten en verhalen die zich in Medina hadden ontwikkeld voor en gedurende het ‘tegenkalifaat’, ver van Syrië: een verhaal zoals de vroegste bekeerlingen en hun nazaten het graag hoorden. Maar hij was zich ook bewust van de verscheurende krachten die het rijk bijna kapot hadden gemaakt. Hij wilde het rijk nu herenigen en samensmeden met behulp van een nieuwe staatsideologie en probeerde zijn rebelse onderdanen in te pakken door hun een stichtingsmythe te gunnen die zuiverder Arabisch was dan ooit te voren. De vroegste islam, met zijn oriëntatie op Jeruzalem, moet een overwegend Syrisch-Palestijnse aangelegenheid zijn geweest. De Rotskoepel van Jeruzalem, een rotunda die in 691 was voltooid, was het hoogtepunt, maar ook meteen het eindpunt van de ‘Syrische’ islam. In feite is het gebouw een boodschap aan het adres van de christenen, van wie de groeiende islam zich nu distantieerde. Goldziher heeft ooit gesuggereerd dat de Rotskoepel was gebouwd omdat Mekka twaalf jaar lang ontoegankelijk was. Maar het was juist omgekeerd: door de omwenteling van 692 verkreeg Mekka voor het eerst de overheersende plaats in de islam, terwijl de Rotskoepel werd gedegradeerd tot een heiligdom van de tweede rang, al was hij nog zo nieuw. Een verandering van qibla, dat was het. Hierna werd de arabisering voortgezet en werd er steeds meer christelijk en joods materiaal (isrā’īlīyāt) gebannen uit de verhalen en de genealogie. (Als dit u interesseert, zoek in dit blog onder ‘ontbijbeling’.)
ʿUrwa’s ‘brieven’ en mondeling overgeleverde colleges moeten haast wel een rol hebben gespeeld in deze ‘arabisering’ van de islam. Hij schreef die ‘brieven’ voor het hof, maar hij schreef ook nog ettelijke andere teksten, die hij zijn leerlingen onderwees, de meeste over het leven van de profeet, andere over de Ridda-oorlogen en de decennia daarna. Hij was de leverancier van de belangrijkste hoofdstukken in de biografie van de profeet. Zijn teksten werden vooral door twee personen overgeleverd: zijn zoon Hishām en de geleerde al-Zuhrī (gest. 742). Ibn Isḥāq’s Sīra bevat veel teksten van ʿUrwa, maar de hadithverzameling van Maʿmar ibn Rāshid (714–770) doet dat ook. De meeste ‘brieven’ zijn heel beknopt. ʿAbd al-Malik hield niet van lange teksten en verafschuwde het geklets van de ‘Vertellers’ (quṣṣāṣ). Een voorbeeld van ʿUrwa’s persoonlijke input in de vroegste islamitische geschiedschrijving is de ereplaats die hij in verscheidene teksten gaf aan de eerste kalief Abū Bakr en diens gezin. Abū Bakr was ʿUrwa’s grootvader: een van diens dochters was zijn moeder; een andere dochter, Mohammeds vrouw Aisha, was zijn tante. Ik heb hier al laten zien hoe ʿUrwa in zijn verhalen over de Emigratie van Muḥammad naar Medina (hijra) en zijn sterfbed, en ook in zijn felle verdediging van Aisha’s kuisheid toen zij van overspel werd beschuldigd, de positieve handelingen en eigenschappen van Abū Bakr nadrukkelijk op de voorgrond plaatste en ook diens familieleden waar mogelijk positief ter sprake bracht. Het is duidelijk dat ʿUrwa zijn allerpersoonlijkste redenen had voor zijn voorliefde voor de eerste kalief. Zou hij niet even vlijtig het belang van zijn woonplaats Medina en van Mekka hebben opgeblazen in zijn overige verhalen? Mij zou het niet verwonderen als ʿUrwa’s teksten over de vroegste kaliefen geïnspireerd waren door een stoer Medinees patriottisme.
.
Mijn suggesties aan toekomstige onderzoekers van het eerste Arabische Rijk zijn: 1. Voortaan rekening houden met het kalifaat van ʿAbdallāh ibn al-Zubayr en de erop volgende mentale omwenteling. 2. Aandacht schenken aan de rol die zijn broer ‘Urwa speelde bij het creëren van de vroegste islamitische geschiedenis.

Voor het overige, maar dat had u zelf al bedacht, zal de toegenomen kennis van steeds meer oude papyri en de talloze rotsinscripties die in Noordwest-Arabië zijn gevonden de bestudering van het eerste Arabisch rijk bevleugelen.
.
Bewerking van een voordracht gehouden op de Deutsche Orientalistentag in 2010. De Engelse versie van dit artikel is verschenen in Rainer Kessler, Walter Sommerfeld en Leslie Tramontini (uitg.), State Formation and State Decline in the Near and Middle East, Wiesbaden 2016, 145–157. Hij is ook hier down te loaden: RavenFirstArabicEmpire

BIBLIOGRAFIE
– Heribert Busse, ‘Zur Geschichte und Deutung der frühislamischen Ḥaram-bauten in Jerusalem,’ Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins, 107 (1991), 144–154.
– Leone Caetani, Annali dell’ Islam, 2 dln., Milaan 1905–7.
– Sandra Campbell, Telling memories. The Zubayrids in Islamic historical memory, Ph.D. diss., UCLA 2003 [helaas niet gezien].
– Patricia Crone en Michael Cook, Hagarism. The Making of the Islamic World, Cambridge 1977.
– Patricia Crone, Meccan Trade and the Rise of Islam, Princeton 1987.
– Patricia Crone, ‘What do we actually know about Muhammad?’ Eerst verschenen in augustus 2006; laatst gezien op 19 januari 2021.
– A.A. Duri, The rise of historical writing among the Arabs, uitg. en vert. L.I. Conrad, Princeton 1983. Over ʿUrwa blz. 76-95 (inclusief, blzz. 79-90, een catalogus van historische ‘Urwa-teksten).
– Fred Donner, Narratives of Islamic Origins. The Beginnings of Islamic Historical Writing, Princeton 1998.- Andreas Görke, The historical tradition about al-Ḥudaybiya. A study of ʿUrwa ibn al-Zubayr’s account, in H. Motzki (uitg.), The biography of Muḥammad. The issue of the sources, Leiden 2000, 240–75.
– Andreas Görke en Gregor Schoeler, Die ältesten Berichte über das Leben Muḥammads. Das Korpus ʿUrwa ibn az-Zubair, Princeton 2008.
– Gerald R. Hawting, The first dynasty of Islam. The Umayyad caliphate AD 661–750, London/Sydney 1986, London/New York 2002.
– Gene W. Heck, ‘Gold Mining in Arabia and the Rise of the Islamic State,’ in JESHO 42,3 (1999), 364–395.
– Robert G. Hoyland, In God/s Path, The Arab Conquests and the Creation of an Arabic Empire, Oxford 2015.
– Ibn Isḥāq: A. Guillaume, The Life of Muhammad. A translation of Isḥāq’s (sic!) Sīrat Rasūl Allāh, Oxford 1955.
– Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, 2 dln., Göttingen 1858–60 (Arabische tekst).
– Inârah: voor de twee publicaties die in het Engels zijn vertaald, zie hier onder Ohlig. Voor de andere delen in het Duits en voor informatie over het instituut zie de webpagina.
– Hugh Kennedy, The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World we Live in, London 2007. Vertaald als: De grote Arabische veroveringen, vert. Guus Houtzager, Amsterdam/Antwerpen 2008.
– Meir J. Kister, ‘The Battle of the Harra. Some socio-economic aspects,’ in Myriam Rosen-Ayalon (uitg.), Studies in memory of Gaston Wiet, Jerusalem 1977, 33–49.
– Michael Lecker, Muslims, Jews and Pagans. Studies on Early Islamic Medina, Leiden 1995.
– Maʿmar ibn Rāshid, een verzameling hadithen over de biografie van de profeet, van welke er veel teruggaan tot ʿUrwa, in: ʿAbd al-Razzāq al-Ṣanʿānī, Muṣannaf, v, nrs. 9718-84. Engelse vertaling: Sean W. Anthony, The Expeditions. An Early Biography of Muhammad, New York University Press 2015.
– Michael G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984, 2006.
– Syed Nadvi, ʿAbd Allāh ibn al-Zubayr and the caliphate, Ph.D. diss., University of Chicago 1972 [niet gezien].
– Yehuda Nevo en Judith Koren, Crossroads to Islam, Amherst (N.Y.) 2003.
– Albrecht Noth, Quellenkritische Studien zu Themen, Formen und Tendenzen frühislamischer
Geschichtsüberlieferung, Ph. D. Diss. Bonn 1973. Engelse vertaling en update: Albrecht Noth, The Early Arabic Historical Traditions: A Source-Critical Study, in collaboration with Lawrence I. Conrad, Princeton 1994.
– Karl-Heinz Ohlig en Gerd R. Puin (uitg.), The Hidden Origins of Islam: New Research into Its Early History, Amherst NY 2009.
– Karl-Heinz Ohlig (uitg.), Early Islam. A Critical Reconstruction Based on Contemporary Sources, Amherst NY 2013.
– Gernot Rotter, Die Umayyaden und der zweite Bürgerkrieg (680–692), Wiesbaden 1982.
– Gregor Schoeler, Charakter und Authentie der muslimischen Überlieferung über das Leben Mohammeds, Berlin en New York 1996, over ʿUrwa p. 28-32, 145-54.
– Gregor Schoeler, Art. ‘ʿUrwa ibn al-Zubayr,’ in EI2.
– Adam J. Silverstein, ‘A neglected chapter in the history of caliphal state-building,’ JSAI 30 (2005), pp. 293–317.
– Adam J. Silverstein, Postal Systems in the Pre-Modern Islamic World, Cambridge 2007.

Terug naar Inhoud

Een Arabische Uriabrief

Al-Mutalammis was een pre-islamitische Arabische dichter, die aan het hof van de christelijke koning ‘Amr ibn Hind (reg. 554–69) in het Iraakse al-Hīra verkeerde. Ook zijn neef Tarafa ibn ‘Abd verbleef in de hoofdstad van de Arabische Lakhmiden-dynastie. Dat was een veel belangrijkere dichter, die tot vandaag de dag beroemd is gebleven, terwijl Mutalammis maar een klein œuvre had, dat ook nog voor een groot deel handelde over zijn traumatische ervaring met koning ‘Amr en de zog. Mutalammisbrief (sahīfat al-Mutalammis).

Hofdichters hadden indertijd de taak de koning en diens stam te bezingen in lofdichten en diens vijanden of andere minderwaardige personen of stammen uit te schelden in scheld- of smaadgedichten. Soms liep dat echter anders: wanneer een dichter bij voorbeeld slecht gehumeurd was, een kater had, zichzelf overschatte, in ongenade viel, of als de vorst erg treuzelde met het uitkeren van eregelden werd er ook wel eens een smaaddicht op de goedgunstige heer zelf gedicht. De dichters maakten royaal gebruik van hun vrijheid van meningsuiting en scholden dat het een aard had.
Zo dichtte Mutalammis bij voorbeeld (het lidwoord al- bij zijn naam laat ik verder maar weg):

Een koning die vrijt met zijn eigen moeder en haar personeel. [Van het vele neuken] is hij slap in zijn gewrichten en zijn pik is [dun geworden] als een kohlstift.

Aan de deur nodigt hij iedere smekeling binnen, maar als hij dan met hem alleen is gaat de man als een beest tekeer.1

Qua grofheid doet dit niet onder voor wat in de Nederlandse sociale media aan gescheld circuleert. Maar bij zo’n oude dichter rijmde het en was het metrum in orde.

De koning was not amused en besloot zich van de beide dichters te ontdoen door hen ver weg te sturen. Wellicht waren ze in al-Hīra te populair om hen ter plaatse te elimineren? Ze werden naar de gouverneur van Bahrayn gestuurd, voor wie ze elk een verzegelde brief meekregen, op vertoon waarvan hun allerlei geschenken zouden worden gegeven. Ibn Qutayba schreef daarover drie eeuwen later in zijn boek ‘De poëzie en de dichters’. Is zijn bericht betrouwbaar? We zullen het nooit weten. In ieder geval is het onderhoudende lectuur:

Hij [Mutalammis] verkeerde in het gezelschap van ‘Amr ibn Hind, de koning van al-Hīra, hij en Tarafa ibn al-‘Abd, en beiden dichtten ze scheldgedichten op hem. De koning schreef met betrekking tot hen twee brieven aan zijn stadhouder in Bahrayn. Hij liet hun doorschemeren dat hij daarin bevel had gegeven, hun beloningen te geven, maar in werkelijkheid beval hij, hen ter dood te brengen.
Ze gingen op weg, en toen ze in Nadjaf gekomen waren kwamen ze langs de weg een oude man tegen, die tegelijkertijd urineerde, een stuk brood at, en de luizen uit zijn kleren haalde en platsloeg.
Mutalammis zei: ‘Zo’n domme ouwe vent heb ik nog nooit gezien.’ ‘Hoezo?’ vroeg de oude, ‘ik verwijder wat lelijks, ik breng iets goeds naar binnen en ik dood een vijand. Veel dommer is iemand die zijn eigen doodvonnis meedraagt.’
Al-Mutalammis bekroop nu de twijfel, om wat hij had gezegd. Er kwam een jongeman uit al-Hīra langs en aan hem voeg Mutalammis: ‘Kun jij lezen, jongen?’ ‘Ja,’ antwoordde hij, waarop hij het zegel verbrak en de brief aan de jongen overhandigde. Er stond in: ‘Als Mutalammis bij je komt, hak hem dan zijn handen en zijn voeten af en begraaf hem levend.’ Toen zei hij tegen Tarafa: ‘Geef hem ook jouw brief te lezen; bij God, daar staat vast hetzelfde in.’ Maar Tarafa zei: ‘Nee, mij durft hij zoiets niet aan te doen.’
Al-Mutalammis gooide zijn brief in de rivier, met de woorden: ‘Daarmee gooi ik ook mijn huis weg,’ en hij vertrok naar Syrië. Maar Tarafa trok verder naar Bahrayn [en werd ter dood gebracht].
Zo werd de ‘Mutalammisbrief’ spreekwoordelijk.2

Vreemd is dat Mutalammis en Tarafa in het verhaal blijkbaar niet konden lezen, terwijl ze dat van een willekeurige jongen op straat wel meenden te kunnen verwachten. Of zouden de vertellers ervan uit zijn gegaan dat de brieven in het Pahlavi of Aramees waren geschreven, de talen van het Perzische Rijk, waarvan al-Hīra een vazalstaat was? Maar al-Hīra was toch juist een Arabisch koninkrijk? Hoe dan ook: een Uriabrief moet goed verzegeld zijn of in een vreemde taal zijn gesteld, of beide.

Inderdaad, bij ons heet zo’n brief die de overbrenger ervan onheil brengt een Uriabrief, naar het bijbelse verhaal over koning David en Bathseba (2 Samuel 11: 14–17). David zag vanaf het paleisdak hoe zijn buurvrouw Bathseba een bad nam en voelde zich zeer tot haar aangetrokken. Haar man Uria diende als soldaat in zijn leger. Hij was een Hethiet, een buitenlander dus, maar een goed geïntegreerde (2 Sam. 11:11). Van het een kwam het ander: Bathseba raakte zwanger van de koning; haar man rook lont en wilde niet meer naar haar terug. Nu gevoelde de koning de behoefte Uria uit de weg te ruimen, zodat hij met haar kon trouwen. Hij stuurde hem naar zijn opperbevelhebber met een brief, waarin deze bevel kreeg, Uria bij een veldslag zodanig aan het front op te stellen dat hij zou sneuvelen. Zo gebeurde het, en zo had David de weg vrijgemaakt voor zijn huwelijk met de weduwe—uiteraard na een passende periode van rouw.

Als U nog een klassieke opleiding hebt genoten spreekt U misschien eerder van een Bellerophontische brief. Bellerophon werd namelijk door Proteus naar koning Iobates van Lycië gestuurd met een verzegelde opdracht om hem te doden. Maar de koning voelde daar niet voor en stuurde hem uit om het vuurspuwende monster Chimaera te doden, in de hoop dat dat zijn ondergang zou worden. Hier miste de brief zijn volle uitwerking, want Bellerophon slaagde er natuurlijk wel degelijk in, dat monster te vernietigen.

En anders herinnert U zich misschien wat de beide detectives Jansen en Jansens overkwam in de Chinese stad Hou Kou. Zij hadden een introductiebrief voor de plaatselijke politiecommissaris, die zij echter kwijt raakten en die door Kuifjes vriend Tchang was vervangen door een brief waarin in het Chinees te lezen stond: ‘Indien u niet bemerkt hebt dat wij twee gekken zijn, dan is dit daarvan het officieel bewijs.’ Hier was de schade niet erg groot: de commissaris moest erg lachen en liet ze de deur uit gooien.3

Zonder twijfel wemelt het in de wereldliteratuur van de Mutalammis-, Uria-, of Bellerophonbrieven. De benaming Uriabrief is vooralsnog het meest passend, want het verhaal over Uria lijkt het oudst. Of zou er nog een Egyptische of Babylonische voorloper zijn?

EXCURS: Geen brief, maar wel een parallel met Uria ziet David Powers4 in de verhalen over Zaid, de geadopteerde en, na de opheffing van het adoptieprincipe, weer ‘ontzoonde’ zoon van de profeet Mohammed, die echter een zeer hoge positie in de vroege elite bleef innemen. De parallellen lopen als volgt: Zayd was oorspronkelijk een slavenjongen uit Noord-Arabië geweest, een buitenlander/-staander dus. Mohammed begeert de ex-vrouw van deze ex-zoon (koran 33:37) en zet hem als legeraanvoerder in de eerste linie bij de slag bij Mu’ta, die wel verloren móest worden, zodat ook hij omkomt. Leuke stof voor een volgende blog?

NOTEN
1. K. Vollers, Die Gedichte des Mutalammis, Arabisch und Deutsch, Leipzig 1903, 38/13, 14; kāmil –di). Poëzie poëtisch vertalen kan ik niet, maar U krijgt zo toch een indruk.

مَلِكٌ يُلاَعِبُ أُمَّهُ وَقَطِينَهَا * رِخْوُ المَفَاصِلِ أَيْرُهُ كَالمِرْوَدِ
بالبابِ يَطْلُبُ كُلَّ طَالِبِ حَاجَةِ  *  فَإذَا خَلَا فَالمَرْءُ غَيْرُ مُسَدَّدِ

2. Ibn Qutayba, al-Shi‘r wal-shu‘arā’, uitg. Aḥmad Muḥammad Shākir, 2 dln. Cairo 1966, i, 181–2.

وكان ينادم عمرو بن هند ملك الحيرة، هو وطرفة بن عبد فهجواه، فكتب لهما إلى عامله بالبحرين كتابين، أوهمهما أنه أمر لهما فيهما بالجوائز، وكتب اليه يأمره بقتلهما. فخرجا حتى إذا كانا بالنجف، إذا هما بشيخ على يسار الطريق، يُحدِث ويأكل من خبر في يده، ويتناول القمل من ثيابه فيقصعه. فقال المتلمس: ما رأيت كاليوم شيخًا أحمق. فقال الشيخ: وما رأيتَ من حمقي؟ أُخرج خبيثاً وأْدخل طيباً وأقتل عدواً، أحمق مني والله من حامل حتفه بيده. فاستراب المتلمس يقوله، وطلع عليه غلام من أهل الحيرة، فقال له المتلمس: أتقرأ يا غلام؟ قال: نعم. ففكّ صحيفته ودفعها إليه، فإذا فيها: أما بعد، فإذا أتاك المتلمس فاقطعْ يديه ورجليه وادْفنه جيَّا. فقال لطرفة: ادفع إليه صحيفتك يقرأها، ففيها والله ما في صحيفتي. فقال طرفة“ كَلاّ، لم يكن ليجترئ عليَّ. فقذف المتلمس يصحيفته في نهر الحيرة وقال: قدفت به البيت، وأخذ نحو الشأم. وأخذ طرفة نخو البحرين.
فضُرب المثل بصحيفة المتلمس.

3. Hergé, De avonturen van Kuifje. De Blauwe Lotus, uitg. Casterman, 1947, blz. 46–47.
4. David S. Powers, Zayd, Philadelphia 2014, zie Subject Index onder Uriah the Hittite.

Diacritische tekens: al-Ḥīra, Ṭarafa ibn ʿAbd, ṣaḥīfat al-Mutalammis, Baḥrayn, Djaʿfar ibn abī Ṭālib, ʿAbdallāh ibn Rawāḥa, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Kreupelhout in de koran

Op vier plaatsen komt in de koran het Arabische woord ’ayka voor. Dat is geen moeilijk woord; het betekent ‘bosje van kreupelhout’. Wél moeilijk te begrijpen is ’aṣḥāb al-’ayka, ‘de mensen van het kreupelbos’.

  • Ook de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) waren onrechtplegers, en Wij namen ook wraak op hen. (koran 15:78–9)
  • De mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ) betichtten de gezondenen van leugens. (k. 26:176)
  • En de Thamoed en het volk van Loet en de mensen van het kreupelbos (لْئَيْكَةِ,); dat waren de partijen  (k. 38:13)
  • En de mensen van het kreupelbos (الأَيْكَةِ) en het volk van Toebba‘, allen betichtten zij de gezanten van leugens, dus werd Mijn aanzegging bewaarheid (k. 50:14; vertalingen F. Leemhuis)

Bij nadere beschouwing blijkt er echter twee maal al-’ayka te staan, waarbij al- het lidwoord is, en twee maal een raar gespeld l’ayka, terwijl het toch op alle vier plaatsen op hetzelfde betrekking heeft. Hier hebben we kennelijk met een kleine inconsequentie in de spelling van het koranische Arabisch te maken, zoals die wel vaker voorkomen. In sommige versies van de koran staat zelfs layka zonder die apostrof (die staat voor een hamza, glottisslag). Met Layka moet echter een eigennaam, waarschijnlijk een plaatsnaam bedoeld zijn, zoals dan aan de genitiefuitgang -ta (لْئَيْكَةَ) is te zien die alleen voor eigennamen in gebruik is, en zoals bepaalde oude korancommentaren ook nog wisten of aannamen. Wat ligt er dan meer voor de hand dan een kleine emendatie, een tekstwijziging? G.R. →Puin stelt voor op alle plaatsen Layka te lezen. Volgens hem is dat de havenplaats Leukē Komē (Λευκή Kώμη) aan de noordwestkust van Arabië, die al uit de Oudheid bekend was. De Romein Aelius Gallus zeilde daar in 25 v.Chr. met ruim tweehonderd schepen binnen; vandaar begon hij zijn (totaal mislukte) expeditie over land naar Jemen.
De raadselachtige ‘mensen van het kreupelbos’ in de koran kunnen dan door ‘de mensen van Layka’ worden vervangen, en die plek is te zoeken in Noordwest-Arabië, want daarover handelt ook de context van al die vier koranverzen. Pikant is dat het hier een tekstwijziging in de Arabische koran betreft, wat voor vele islamitische boekvereerders een groot taboe is, vooral als een ongelovige zich eraan schuldig maakt. Maar welbeschouwd hebben oude islamitische geleerden ook in de tekst veranderd, door heimelijk de vocalen te veranderen, overal ’ayka van te willen maken en op twee plaatsen nog een lidwoord toe te voegen. De gelovigen uit de begintijd van de islam deden niet zo moeilijk over zoiets.

Nu zal misschien iemand zeggen: Maar waarom een plaatsnaam? Die ‘mensen van het kreupelbos’ kennen we toch, daarover wordt immers in korancommentaren en profetenverhalen verteld? Dat zegt niets. De vertellers, de vroegste koranuitleggers ‘weten’ altijd alles. Bij voorbeeld dat het een oud-Arabisch volk in de buurt van Midian was, dat niet naar zijn profeet Shu‘ayb wilde luisteren en daarom ten onder ging in een goddelijk strafgericht. Stel er stond oorspronkelijk Layka en ze hebben die naam niet (meer) begrepen. Eén persoon is toen op het idee al-’ayka te lezen, een woord dat volgens hem wél zin gaf, en sindsdien bestaan die mensen van het kreupelbos. Ze zijn vrij verzonnen, zoals zo veel in de koranexegese. Als dat kreupelbos er eenmaal is, dan gaat het niet meer weg en ontstaan er natuurlijk fantastische verhalen over mensen in of bij een kreupelbos. Volgens →Nawas bestaan daar minstens vier van.

Met de aanname dat Layka een plaatsnaam is kan Puin best gelijk hebben. De ligging van de Nabatese haven en overslagplaats Leukē Komē is inmiddels bekend: het is waar nu Wādī ‘Aynūna met zijn haventje Khurayba is, een noordelijke halteplaats aan de karavaanweg van Petra naar de Hidjāz. Dit was in de negentiende eeuw al eens voorgesteld, maar ook weer herroepen. Over de juiste ligging is vroeger lang gediscussieerd (→Puin, →Nappo); er zijn diverse zuidelijker liggingen in gesprek geweest, tot Yanbu‘ aan toe, de haven van Medina. Puins gedachten gingen zelfs uit naar een haven waarvan hij het bestaan alleen vermoedde en die door een zeebeving ten onder zou zijn gegaan. Ik ben geen archeoloog, zelfs geen historicus, maar het recente artikel van →Juchniewicz overtuigt mij, en wel omdat hij ook rekening houdt met de problemen van het varen op de Rode Zee met pre-moderne schepen. Het was een moeilijk te bevaren zee, door de meestal noordelijke wind, door de vele rotsen en riffen langs de kust, en de schaarste aan veilige havens. Al-‘Aynūna had een royale, goed beschutte baai, waar de ruim tweehonderd schepen van Aelius Gallus veilig konden ankeren, waar bovendien een compleet emporium en een waterleiding zijn opgegraven. Het zuidelijker gelegen al-Wajh had een veel kleinere, minder beschutte haven, waar geen of nauwelijks Romeinse of Nabatese resten gevonden zijn. Al-‘Aynūna was ook een halteplaats voor kameelkaravanen en kennelijk een plek waar goederen bestemd voor Petra en verder op kamelen konden worden overgeladen. Vanuit het Zuiden doorvaren naar Ayla (‘Aqaba) was namelijk moeizaam, door de altijd tegenzittende wind. Zeilschepen deden in de negentiende eeuw nog zes dagen over die 150 km. door de Golf van Aqaba.1

De gelijkstelling van Layka met Leukē Komē is echter niet erg geloofwaardig. Leukē wordt in het Duits als loike uitgesproken, wat niet zover af staat van Layka. Maar in het Grieks uit de tijd van de koran moet het als lefkí hebben geklonken, met de klemtoon op de laatste lettergreep. Natuurlijk kan men menen dat in die plaatsnaam nog de klassiek-Griekse uitspraak van eeuwen geleden bewaard was, maar dat moet dan eerst hard worden gemaakt. En waar is Komē dan gebleven? En waarom zouden Arabieren überhaupt een Griekse naam voor die plaats gebruikt hebben? Nee, al met al is me de bewijsvoering voor Layka als die haven toch te dun. Ik blijf dus nog vastzitten in het kreupelhout.

NOOT
1. Om dezelfde reden gebruikten de Romeinen het zuidelijk gelegen Berenice als Egyptisch eindpunt voor hun Indiëvaarders, en niet Clysma (± Qulzum, Suez). De tocht op kamelen van Berenice naar Coptos aan de Nijl duurde twaalf dagen, maar die was blijkbaar te verkiezen boven de vaart door het noordelijk deel van de Rode Zee.

BIBLIOGRAFIE
– Karol Juchniewicz, ‘The port of Aynuna in the pre-Islamic period: nautical and topographical considerations on the location of Leuke Kome,’ Polish Archaeology in the Mediterranean 26/2, 2017, Special Studies, 31–42, rijk geïllustreerd, ook mooi kaartmateriaal. Hier down te loaden.
– Dario Nappo, ‘On the Location of Leuke Kome, ’ Journal of Roman Archaeology (23) 2010, 335–348.
– John Nawas, ‘People of the Thicket,’ in Encyclopaedia of the Qurʾān. Hier online, voor wie geabonneerd is.
– Gerd-R. Puin, ‘Leuke Kome / Layka, die Arser/Aṣḥāb al-Rass und andere vorislamische Namen im Koran: Ein Weg aus dem ‘Dickicht’?’ in Karl-Heinz Ohlig en Gerd-R. Puin (uitg.), Die dunklen Anfänge, Neue Forschungen zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlijn 2005, 317–340.

Terug naar Inhoud          Herziene uitgave van een stuk uit 2011.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

De eerste Arabische marine

In 640 veroverden de Arabieren de Romeinse provincie Egypte, maar in 646 werd Alexandrië alweer terugveroverd door een Romeinse vloot. Die bleef niet zo lang, maar het was een schok te beseffen hoe gemakkelijk het nieuwe Arabische rijk vanuit zee binnen was te vallen. De capabele gouverneur van Syrië, Mu‘āwiya, die later kalief zou worden, overtuigde zijn wat passieve oudoom kalief ‘Uthmān van de noodzaak, een marine op te bouwen. Hij kreeg toestemming en dwong talloze scheepsbouwers in Egypte en Syrië schepen te bouwen. Na drie jaar lag er een vloot van maar liefst zeventienhonderd schepen voor de Syrische kust: ‘de zee was niet meer te zien van de masten’.

Nu moest die vloot natuurlijk uitgeprobeerd worden. Men bracht soldaten aan boord, 12.000 naar men zegt, en voerde in het voorjaar van 649 een overval uit op het nog Romeinse eiland Cyprus. De bewoners daar lieten de soldaten ongehinderd aan land gaan omdat zij dachten dat het Romeinen waren. Ze konden zich blijkbaar niet voorstellen dat er zoiets als een Arabische vloot bestond. De troepen konden gewoon doorlopen naar de hoofdstad Constantia (Grieks Σαλαμίνα, Salamina), niet ver van het huidige Famagusta, die zij bezetten en plunderden. Zeer grote hoeveelheden goud en zilver werden buitgemaakt en vele bewoners tot slaaf gemaakt. Zo werden de kosten van de vlootbouw er aardig uitgehaald.

Het varen en plunderen ging lekker, en Mu‘āwiya zette vervolgens koers naar Constantinopel, maar zijn vloot werd op de vlucht gejaagd. Dan maar naar Arwad, een klein eilandje voor de Syrische kust tegenover Tartūs, maar dat kon hij niet innemen omdat het zeer sterke vestingwerken had. Intussen werd het winter en de vloot keerde naar Syrië terug, maar in het voorjaar van 650 veroverde Muʿāwiya’s vloot alsnog Arwad en slechtte de vestingwerken. Daarna was Cyprus nog een keer aan de beurt, nu onder leiding van generaal Abū al-A‘war. Inmiddels waren daar Romeinse troepen gelegerd, die de bewoners aanspoorden standvastig te blijven, maar bij de aanblik van de Arabische vloot sloegen zij toch op de vlucht en probeerden zich overal te verstoppen. Tevergeefs: de Arabieren ‘pulkten ze uit de spleten in de grond als eieren die in een nest waren achtergelaten.’ Wederom werden grote hoeveelheden edelmetaal buitgemaakt en naar verluidt tienduizenden mensen slaaf gemaakt. Constantia kwam er nooit meer bovenop.

In 654 voer de vloot onder leiding van Abū al-A‘war naar Constantinopel, terwijl tegelijkertijd een leger onder Muʿāwiya over land daarheen marcheerde. Ten hoogte van Phoenix (Φοῖνιξ, het huidige Finike bij Antalya), stieten de Arabieren op een Romeinse vloot, waarop keizer Constans II en zijn broer persoonlijk aanwezig waren. Het kwam tot een zeeslag, de ‘Slag der Masten’ (ma‘rakat dhāt al-sawārī), die door de Arabieren gewonnen werd. Hun kracht schijnt vooral gelegen te hebben in de wendbaarheid van hun kleinere aanvalsschepen. De keizer moest verkleed als soldaat vluchten voor zijn leven. Vervolgens op naar het hoofddoel: Constantinopel! De Arabische schepen lagen al bijna in positie voor de stad toen er een zware storm opstak, die de hele vloot vernietigde, met belegeringswapens en al. Een ingrijpen Gods, naar men in Constantinopel zeker wist. Mu‘āwiya leidde zijn troepen over de landweg terug naar huis. Het zou nog decennia duren voordat men weer naar Constantinopel koers durfde te zetten, maar ook toen en in de eeuwen daarna is het nooit gelukt, die stad vanuit zee te veroveren. Desondanks was de Arabische marine voortaan een geduchte aanwezigheid in de oostelijke Middellandse Zee.

De scheepsbouwers en de zeelui waren allen christelijke Syriërs en Kopten; de soldaten waren Arabieren. Zowel de Syriërs als de Egyptenaren hadden een eeuwenoude traditie van scheepsbouw en zeevaart. Hoewel scheepvaart in de koran een niet onbelangrijk onderwerp is, waren de Arabische veroveraars in Syrië bepaald huiverig voor de zee. Dat de matrozen en roeiers christenen waren bleek nog in 717 een nadeel. Toen de vloot nog eens Constantinopel wilde aanvallen, maar ergens aan de Bosporus moest overwinteren, liepen velen van hen over, omdat zij bedachten dat zij als christenen eigenlijk eerder in het Romeinse Rijk thuishoorden. De keizer zal hun allicht bij hun beslissing behulpzaam zijn geweest.

—–

EXCURS: Een hadith vertelt dat er een vrouw was, die graag als soldaat met haar man mee wilde gaan op de expeditie naar Cyprus. De profeet stond het toe. Over haar krijgsverrichtingen is niets bekend, maar na terugkeer in Syrië viel zij van haar muildier/paard? en werd aldus martelares. Om haar te gedenken bouwde men van 1760–1816 een moskee rond haar graftombe op Cyprus.

[…] van Anas ibn Mālik, van zijn tante Umm Harām bint Milhān: De profeet sliep op een dag dicht bij mij en toen hij wakker werd glimlachte hij. Ik vroeg waarom hij lachte. Hij zei: [In de droom] zijn mij mensen uit mijn gemeente getoond terwijl zij de groene zee bevoeren als koningen op tronen. Zij zei: Bid tot God dat hij mij een van hen maakt! Toen bad [de Profeet] voor haar en sliep weer in; hetzelfde gebeurde nog een keer. Hij zei: Jij bent een van de eersten. Zij ging met met haar echtgenoot ‘Ubāda ibn al-Sāmit mee op krijgstocht toen de moslims voor het eerst de zee bevoeren met Mu‘āwiya. Toen zij terug waren van de tocht en in Syrië weer aan land gingen werd haar een rijdier gebracht om op te rijden, maar dat wierp haar af en daaraan stierf zij.
Bukhārī, Jihād 8, var. Jihād 3, 17: حَدَّثَنَا عَبْدُ اللَّهِ بْنُ يُوسُفَ قَالَ حَدَّثَنِي اللَّيْثُ حَدَّثَنَا يَحْيَى عَنْ مُحَمَّدِ بْنِ يَحْيَى بْنِ حَبَّانَ عَنْ أَنَسِ بْنِ مَالِكٍ عَنْ خَالَتِهِ أُمِّ حَرَامٍ بِنْتِ مِلْحَانَ قَالَتْ  نَامَ النَّبِيُّ صَلَّى اللَّهُ عَلَيْهِ وَسَلَّمَ يَوْمًا قَرِيبًا مِنِّي ثُمَّ اسْتَيْقَظَ يَتَبَسَّمُ فَقُلْتُ مَا أَضْحَكَكَ قَالَ أُنَاسٌ مِنْ أُمَّتِي عُرِضُوا عَلَيَّ يَرْكَبُونَ هَذَا الْبَحْرَ الْأَخْضَرَ كَالْمُلُوكِ عَلَى الْأَسِرَّةِ قَالَتْ فَادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَدَعَا لَهَا ثُمَّ نَامَ الثَّانِيَةَ فَفَعَلَ مِثْلَهَا فَقَالَتْ مِثْلَ قَوْلِهَا فَأَجَابَهَا مِثْلَهَا فَقَالَتْ ادْعُ اللَّهَ أَنْ يَجْعَلَنِي مِنْهُمْ فَقَالَ أَنْتِ مِنْ الْأَوَّلِينَ فَخَرَجَتْ مَعَ زَوْجِهَا عُبَادَةَ بْنِ الصَّامِتِ غَازِيًا أَوَّلَ مَا رَكِبَ الْمُسْلِمُونَ الْبَحْرَ مَعَ مُعَاوِيَةَ فَلَمَّا انْصَرَفُوا مِنْ غَزْوِهِمْ قَافِلِينَ فَنَزَلُوا الشَّأْمَ فَقُرِّبَتْ إِلَيْهَا دَابَّةٌ لِتَرْكَبَهَا فَصَرَعَتْهَا فَمَاتَتْ.

BIBLIOGRAFIE
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire, Oxford 2015, blz. 90–93, 103–110.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Vert. Guus Houtzager, Amsterdam/ Antwerpen 2008, hst. 10. Het origineel: The Great Arab Conquests. How the Spread of Islam Changed the World We Live In, London 2007, ch. 10.

Diacritische tekens: Muʿawiya, Umm Ḥarām bint Milḥān, ʿUbāda ibn al-Ṣāmit, Ṭarṭūs, Ṣawārī

Terug naar Inhoud        Voor de Duitse vertaling click hier.

[Dit stuk wordt gereblogd op #GrondslagenNet, de groepsblog van archeologen, classici en oudhistorici.]

Aankondiging Mohammeds geboorte

Niet alleen de geboorte van Jezus werd aan zijn moeder verkondigd, ook die van Mohammed, althans volgens een nogal obscuur, moeilijk te dateren tekstje (tussen 650-750 AD):

  • De mensen vertellen—en alleen God weet wat ervan waar is—dat Āmina, de moeder van de Profeet, heeft verteld dat er tijdens haar zwangerschap [een stem?] tot haar kwam die zei: ‘Jij gaat zwanger van de heer van dit volk; als hij geboren is, zeg dan: “Laat de Ene hem behoeden voor het kwaad van elk die hem benijdt”, en noem hem Mohammed.’ Toen zij in verwachting van hem was zag zij een licht van zich uitgaan waardoor zij de burchten van Busrā in Syrië kon zien.1

Was het een engel die tot Āmina kwam? We weten het niet. In het Arabisch staan passieve werkwoordsvormen: ‘er werd tot haar gekomen … er werd tegen haar gezegd.’ Wie of wat dat deed blijft ongezegd. Het licht dat het mogelijk maakte burchten te zien op meer dan duizend kilometer van Mekka, herinnert aan het wonderbaarlijke, van eeuwigheid bestaande ‘licht van Mohammed’ (nūr Muhammadī). In Busrā begon, vanuit Arabië gezien, het Romeinse rijk. De aan Āmina toegeschreven uitspraak verwijst naar de toekomstige verovering van dat rijk. De bezweringsformule die zij moet uitspreken herinnert aan de soera’s 113 en 114 van de koran: de beide soera’s die beschermen tegen het kwaad (al-mu‘awwidhātān).

Vervolgens springt de overeenkomst met de bijbelse annunciatie in het oog. In het evangelie van Lukas krijgt de vader van Johannes de Doper bezoek van de engel Gabriël, die de boreling een grote toekomst verkondigt en zegt dat hij Johannes moet heten. Ook Jezus’ moeder krijgt kort voor haar zwangerschap bezoek van hem. Tegen haar zegt de engel onder meer:

  • Gegroet Maria, je bent begenadigd, de Heer is met je. […] Wees niet bang Maria, God heeft je zijn gunst geschonken. Luister, je zult zwanger worden en een zoon baren, en je moet hem Jezus noemen. Hij zal een groot man worden … .2

De aankondigingen aan Āmina en aan Maria hebben een aantal punten gemeen: 1. Bezoek van een stem(?)/engel. 2. Aankondiging van de geboorte van een groot man. 3. Opdracht tot naamgeving. Kortom, het Arabische verhaal maakt gebruik van het bijbelverhaal of van een verhaal dat daarnaast heeft gelegen. Het doet dat omdat het is ontstaan in een omgeving waar de nieuwe profeet Mohammed zich moest profileren ten opzichte van de allang gevestigde ‘profeten’ van jodendom en christendom. Het probeert een islamitische annunciatie in plaats te stellen van de christelijke.

NOTEN
1. Ibn Ishāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg.. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 102; Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 26:

ويزعمونفيما يتحدث الناس والله أعلم أن آمنة بنت وهب أم رسول الله ص كانت تحدث أنها أتيت، حين حملت برسول الله ص فقيل لها: أنك قد حملت بسيد هذه الأمة، فإذا وقع إلي الأرض فقولي: أعيذه بالواحد من شر كل حاسد ثم سمّيه محمدًا. ورأت حين حملت به أنه خرج منها نور رأت به قصور بُصْرى من أرض الشأم.

2. Bijbel, Lukas 1:26–38.

Diakritische tekens: Buṣrā, Muḥammadī, Ibn Isḥāq

Terug naar Inhoud