Racisme in de oude arabische poëzie?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Als de Grieken en Romeinen het racisme niet hebben uitgevonden, waren het dan misschien de oude Arabieren?
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.1
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 2
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren.
Eerst maar eens de oude poëzie bekijken
. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten3 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik nog controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de poëzie bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 4
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 5
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)6
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)7
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.8
  • ‘Ik scheepte mij in op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).9

Er bestaan ook dubbele en ingewikkelde vergelijkingen: bij voorbeeld waar een dichter het over zijn beginnende grijsheid heeft:

  • ‘Witte en zwarte haren op het hoofd: Twee volkeren, Romeinen en negers hebben zich op mijn hoofd breed gemaakt.
    Opgevlogen van mijn hoofd is de [zwarte] raaf van de jeugd, op zijn plaats is de [witte] steltloper neergestreken.
    In de hof van mijn schedel hebben zich twee kleuren verspreid, als schaakstukken op een schaakbord.’10

Hier, en op vele andere plaatsen contrasteren zwarten overigens met blanke Romeinen, soms ook met Turken, Khazaren, of Scythen.
.
Tenslotte kan nog het bestaan van omgekeerde vergelijkingen gesignaleerd worden. In een betrekkelijk klein aantal verzen wordt niet een zwart ding of dier met een zwarte mens vergeleken, maar omgekeerd, bij voorbeeld: ‘Een zwart meisje, als een het edele veulen van een moor [=zwart paard] …’11

In de geciteerde en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige, graag ook vergezochte vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit vreemd vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Eerst heb ik eens gekeken of zulke uitspraken zich voordoen in oude verzen of in latere. Ik wilde immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Met wetenschappelijke precisie ben ik niet te werk gegaan, maar het is me gebleken dat verreweg de meeste racistische hatelijkheden niet in de vroege maar in de latere poëzie voorkomen. Dat zegt echter niet veel, want zonder twijfel waren er in de latere tijd ook meer zwarten en dichters. Hoe dan ook, hier volgen de weinige voorbeelden van oude negatieve beschrijvingen van zwarten:

Ḥassān ibn Thābit zou hebben geleefd van 563–674, wat onwaarschijnlijk is. In ieder geval heeft hij als dichter een pre-islamitische periode gehad, maar na zijn overgang tot de islam bevond hij zich in de directe omgeving van Mohammed; men heeft hem wel diens hofdichter genoemd. Van hem stammen twee onaangenaam klinkende fragmenten:

  • ‘Jouw moeder is een zwarte met een korte nek, wier vingertoppen op mestkevers lijken. Als je vader haar ’s nachts beslaapt is het alsof een vos een kat aanvalt.’12
  • ‘[De Banū al-Ḥimās] zijn de kinderen van Cham. Voor hen vind je geen betere vergelijking dan met geitenbokken, bij welke het haar over de schouders hangt.’13

En Ibn Mufarrigh al-Ḥimyarī (gest. 688) dichtte dit:

  • ‘Hij is op de wereld gezet door een Ethiopische [slavin] met afgesneden oren, je zou denken dat het een struisvogelhen is; een van die vrouwen met zwarte gezichten aan wie alleen lelijkheid te zien is.’14

De iets latere dichter Farazdaq (± 641–730) noemt een man die hij wil uitschelden ‘zoon van de lul van een mestkever’,15 waarmee hij bedoelde: zoon van een zwarte, want de vergelijking van mestkevers met zwarten was gangbaar. En dat terwijl de geadresseerde niet eens zwart was; de dichter wilde gewoon iets onaangenaams zeggen. Of de steeds voorkomende vergelijking van de dikke lippen van zwarte met de hanglippen (mashāfir) van kamelen een negatief waardeoordeel inhoudt is me niet duidelijk.16
.
Vervolgens ben ik nagegaan of negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. Dat blijkt in grote lijnen inderdaad het geval te zin. De vergelijkingen met planten en bloemen en met zwarte kledingstukken en stenen zijn positief, die met mest en stront en pek zijn negatief. Ook bij de vergelijkingen met mestkevers en pissebedden is heel wat racistisch gescheld te vinden, maar niet uitsluitend. Het lijkt voor te hand te liggen om bij voorbeeld een mestkever smerig te vinden, maar dat hoeft niet. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Hierboven (bij noot 8) citeerde ik een volstrekt neutrale vergelijking zonder negatieve klank en dat is lang niet de enige.
.
Wat echter ook vaak voorkomt in de latere poëzie is waardering en bewondering van zwart en van zwarten, zeker ook als liefdespartners van beiderlei kunne. Zwarte stenen zijn mooi, en zwart haar is altijd mooier dan wit, dat immers een teken van ouderdom is. In ettelijke gedichten worden zwarten verdedigd tegen critici, die de dichter blijkbaar hadden verweten dat hij zich met zwarten inliet.
.
Omdat de meeste hatelijkheden en ook de positieve uitingen in de wat latere poëzie voorkomen zal ik die in een latere aflevering behandelen. Voor het ogenblik volstaat de vaststelling dat racistische praat wel voorkomt in oude Arabische poëzie, maar betrekkelijk zelden.
.
Volgende te onderzoeken onderwerpen:
De zwarte dichter ‘Anṭara
Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet
De latere poëzie
De racistische theorieën, o.a. van al-Djāḥiẓ

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Ook Ullman, Neger, no. 309. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
2. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
3. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
4. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
5. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
6. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
7. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
8. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
9. Ibid., no. 596: ركبتها زنجية
10. Ibid., no. 113:  arabteksten volgen nog
11. Ibid., no. 103:
12. Ibid., no. 82: وأمك سوداء مودونة كأن أناملها الحُنظُب ، يبيت أبوك بها مُعْرسا كما ساور الهزةَ التغلب
13. Ibid., no. 107: أولاد حامٍ فلن تلقى لهم شبها إلا التيوس على أكتافها الشَعر
14. Ibid., no. 20: جاءت به حبشية سكّاء  تحسبها نعامة، من نسوة سود الوجوه ترى عليهن الدمامة
15. Ibid., no. 74: با ابن الخنفساء،  ابن زب الخنفساء
16. Ibid., no. @@:

Terug naar Inhoud

Wie heeft het racisme uitgevonden?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Bij de oude Grieken en Romeinen viel het nogal mee met het racisme, als ik de literatuur mag geloven. Maar die literatuur is wel wat problematisch. De klassieke Oudheid wordt in de westerse wereld dikwijls geïnstrumentaliseerd ter verbreiding van hedendaagse opvattingen. Het is dus denkbaar dat iemand uit de Verenigde Staten, die omstreeks 1950 schreef dat er in de Oudheid geen racisme bestond, eigenlijk de afschaffing van de rassenscheiding in de VS wilde bevorderen. Anderzijds geloven white supremacists vaak dat de oude Grieken en Romeinen net zo blank waren als hun marmeren standbeelden. Zij worden kwaad en sturen dreigmails aan archeologen en classici die aantonen dat die beelden vroeger gekleurd waren en dat de verf er in de loop der eeuwen af is gegaan, of door overijverige museumconservatoren is weggeschrobd.

Hoe dan ook, de personages van Homerus, inclusief de goden, vonden Ethiopiërs fijne mensen, trouw en gastvrij, en Ethiopiërs is de Oudgriekse benaming voor Afrikanen. Thetis vertelt Achilles:

  • Zeus is namelijk gisteren vertrokken naar de Oceaan voor een maaltijd | bij de voortreffelijke Ethiopiërs, alle goden vergezelden hem.1

En Iris zegt tegen de winden:

  • Geen tijd om te zitten, want ik ben nu onderweg naar de stromen van Okeanos en het land van de Ethiopiërs, waar men offers brengt aan de onsterfelijken, om ook zelf te delen in de rituelen.2

Ook Poseidon heeft het naar zijn zin bij de Ethiopiërs:

  • Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopen, | (de Ethiopen, die in tweeën verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, | één groep in het Westen, de andere in het Oosten) | om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. | Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; … 3

Feit is bovendien dat het Romeinse Rijk verregaand multiculti was, met vrij verkeer van mensen en goden, en dat het tenminste één keizer uit Libye heeft gehad (de Berber Septimius Severus; zijn vrouw Julia stamde uit het Syrische Homs) en twee uit het huidige Syrië/Turkije (de Arabieren Heliogabalus en Philippus Arabs). Iets dergelijks is in het huidige Europa volledig ondenkbaar.
Ik zal me nog nader inlezen in de vakliteratuur over de klassieke Oudheid, hoewel ik dat niet met grote kennis van zaken kan doen.

[[Een vriend gaf mij intussen de volgende lectuur over de klassieke Oudheid:
https://books.google.nl/books?id=eem1AQAAQBAJ&printsec=copyright&hl=nl&source=gbs_pub_info_r#v=onepage&q&f=false  en over zelfde titel: https://press.princeton.edu/titles/7737.html
https://www.jstor.org/stable/40023593?seq=1#page_scan_tab_contents
href=”http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf”>http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf
Benjamin H. Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity, Princeton University Press 2004/2006?]]

Als het de Grieken en Romeinen niet waren, wie hebben het racisme dan uitgevonden? De oude Perzen? Daar heb ik geen toegang toe. Wel kan ik eens kijken of het misschien de oude Arabieren waren.
.
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.4
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 5
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren. Wat kan ik als Arabist doen? Een groots project ga ik niet opstarten, maar voor de oudste tijd kan ik de poëzie bekijken; vervolgens het geval van ‘Antara, een pre-islamitische zwarte dichter en held, en dat van Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet Mohammed.
Daartoe zal ik ik de volgende literatuur gebruiken:
– Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
– Albert Arazi en Salman Masalha, Six early Arab poets. New edition and concordance, Jerusalem 1999.
@@trefwoorden nog aswad 592–4 LET OP 594 regel 1. Snel gezien denk ik. Dit checken met Ullmann@@.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965. Trefwoorden: aswad, aṣfar, aḥmar 356 supra, abyaḍ, asmar, ašqar, ‘Hautfarbe’.@
.
Voor de wat latere tijd is er het volgende:
– De werken van al-Djaḥiẓ en de analyse daarvan door Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ‘Uṯmān al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979. Al-Djāḥiẓ had een theorie over rassen. Zijn vader was een zwarte slaaf.
– Gernot Rotter, Die Stellung des Negers in der arabisch-islamischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.
– Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East. An Historical Enquiry. New York/Oxford 1990.
Niet uit te sluiten is natuurlijk dat in deze secundaire literatuur nog van alles staat over de vroegste tijd; dat kan ik dan later invoegen.

Nu dan eerst die oude poëzie. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten6 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de verzen bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 7
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 8
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)9
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)10
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.)11
  • ‘Ik ging aan boord, op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).12

In deze en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit een vreemd streven vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Te onderzoeken is nu ten eerste of dit zich voordoet in de oudste verzen of in latere. Ik wil immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Ten tweede wil ik kijken of zulke negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. De verleiding lijkt groot om bij voorbeeld de mestkever iets smerigs te vinden, maar op zich is dat niet nodig. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Bovendien was in het laatste voorbeeld hierboven al een neutrale vergelijking zonder negatieve bijklank te zien en dat is lang niet de enige.

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Homerus, Ilias 1:423–4:
Ζεὺς γὰρ ἐς Ὠκεανὸν μετ’ ἀμύμονας Αἰϑιοπῆας | χϑιζὸς ἔβη κατὰ δαῖτα, ϑεοὶ δ’ ἅμα πάντες ἕποντο· Vertaling Ben Bijnsdorp: https://benbijnsdorp.nl/homerus_ilias.html.
2. Homerus, Ilias 23:205–207:
οὐχ ἕδος: εἶμι γὰρ αὖτις ἐπ’ Ὠκεανοῖο ῥέεθρα | Αἰθιόπων ἐς γαῖαν, ὅθι ῥέζουσ’ ἑκατόμβας | ἀθανάτοις, ἵνα δὴ καὶ ἐγὼ μεταδαίσομαι ἱρῶν. Vertaling Ben Bijnsdorp.
3. Homerus, Odyssee 1:21-25:
ἀλλ᾽ ὁ μὲν Αἰθίοπας μετεκίαθε τηλόθ᾽ ἐόντας, |Αἰθίοπας τοὶ διχθὰ δεδαίαται, ἔσχατοι ἀνδρῶν, | οἱ μὲν δυσομένου Ὑπερίονος οἱ δ᾽ ἀνιόντος, | ἀντιόων ταύρων τε καὶ ἀρνειῶν ἑκατόμβης. |ἔνθ᾽ ὅ γ᾽ ἐτέρπετο δαιτὶ παρήμενος … Vertaling Ben Bijnsdorp; https://benbijnsdorp.nl/homeros/homerus_odyssee.html. Vgl. ook 5:281–287.
4. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
6. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
7. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
8. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
9. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
10. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
11. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
12. Ibid., no. 71: ركبتها زنجية

Terug naar Inhoud

Dhu al-Suwayqatayn: een aanvulling

Aan het einde der tijden komt een raar mannetje uit Ethiopië de Ka‘ba vernietigen. Zijn naam is Dhū al-Suwayqatayn, hij heeft rode beentjes, een dikke buik en dreigend flikkerende ogen. Zeven jaar geleden schreef ik hier over deze figuur en verbaasde mij over zijn uiterlijk. Waar hebben de vertellers dat vandaan?
Enige duidelijkheid bracht mij nu de lectuur van Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998. Ullmann heeft honderden Oudarabische verzen verzameld waarin een ding, een dier of een mens met een Ethiopiër of een andere zwarte mens wordt vergeleken. In 23 poëziefragmenten wordt een struisvogel met een Ethiopiër of een Indiër vergeleken (blz. 30–44). Het tertium comparationis is meestal het zwarte van de huid, resp. de vleugels en de dekveren, maar het kunnen ook de benen/poten zijn.
Ullmann citeert op blz. 30 een fragment van de pre-islamitische dichter Ṣalā’a ibn ‘Amr, ook genaamd al-Afwah al-Awdī (gest. 570?). In vertaling luidt het:

  • ‘Een [struisvogelmannetje] met roodgekleurde poten1 … Hij lijkt op een zwarte Ethiopiër met dunne benen, die achterna wordt gelopen door zwarte, onverstaanbaar brabbelende [kinderen] met ringen in hun oren.’ 2

De hadith van Hudhayfa ibn al-Yamān:

  • ‘Het is alsof ik een Ethiopiër voor me zie met rode benen en dreigend flikkerende ogen, met een platte neus en een dikke buik. Hij heeft zijn voeten parallel op de Ka‘ba gezet; hij en een stel kompanen van hem slopen haar steen voor steen en geven elkaar de stenen door, die zij tenslotte in zee gooien.’ 3

wordt na lezing van dat vers een stuk begrijpelijker: de verteller wilde een Ethiopiër beschrijven, maar toen schoot hem de uit de poëzie bekende vergelijking met een struisvogel te binnen, zwart en met rode poten. Bij hem wordt niet de vogel met een Ethiopiër vergeleken, maar juist omgekeerd. 

Vroeger dacht ik dat Dhū al-Suwayqatayn ‘hij met de korte beentjes’ betekende, maar het moet toch betrekking hebben op dunne benen: zowel struisvogels als Ethiopiërs zijn bekend om hun dunne poten/benen. De ‘dikke buik’ herinnert aan het bolle, donkere lijf van de struisvogel, dat contrasteert met zijn lange, dunne poten en nek. De vervaarlijk flikkerende ogen zijn geleend van een andere eindtijdfiguur, de dadjdjāl (± Antichrist), die ze ook heeft.

Ik zal dus mijn tekst over Dhū al-Suwayqatayn moeten herschrijven; dat kan nog wat duren.

ANMERKUNGEN
1. Sommige struisvogelsoorten krijgen gedurende de balts rode poten.
2. خَاضِبٌ … كَالأسْوَدِ الحَبَشِيِّ الحَمْشِ يَتْبَعَهُ سُودٌ طَمَاطِمُ فِي آذَانِهَا
3. كما ورد في حديث حذيفة مرفوعًا، كأني أنظر الى حبشي أحمر الساقين أزرق العينين أفطس الأنف كبير البطن وقد صف قدميه على الكعبة هو وأصحاب له ينقضونه حجرًا حجرًا يتداولونها حتى يطرحوها في البحر.

Terug naar Inhoud

Gedwongen ontkleding in Iran

🇩🇪 🇬🇧 De neiging van overheden zich met de kleding van vrouwen te bemoeien is bekend. Meestal gaat het erom, meer van het vrouwenlichaam te bedekken, maar soms moet het juist minder zijn. Lang voor het boerka- en boerkinigedoe in West-Europa, in de jaren van 1936–1941, dwong Reza Shah van Iran vrouwen om grote delen van hun kleding af te werpen. En dat niet alleen, ze moesten ook nog gezellig met mannen omgaan. Ambtenaren moesten bij voorbeeld op feestjes en bij openbare manifestaties met hun dames in westerse feestkleding verschijnen, om een voorbeeld te geven voor anderen. Daarop werd toezicht uitgeoefend: op feesten was het bij voorbeeld niet de bedoeling dat vrouwen aan een kant zaten en mannen aan de andere, of dat vrouwen alleen met hun eigen echtgenoot omgingen. Op straat controleerde de politie en ontzag zich niet, vrouwen met geweld van hun tsjador te beroven. Dat waren uiteraard mannelijke politieagenten; vrouwelijke bestonden toen nog niet. Toen vrouwen hun toevlucht namen tot lange jurken en hoofddoeken werden ook die verboden.
.
Moderne kringen waren wel blij met de ontsluiering, en in het door Rusland beïnvloedde Noorden van Iran werd zij vrij gemakkelijk geaccepteerd. Maar voor de conservatieve delen van de bevolking was de doorvoering van deze regels een ware ramp. Vrouwen durfden de straat niet meer op en als zij in vredesnaam dan toch maar gingen werden zij door de jongens uit de buurt uitgescholden of lastig gevallen. Niemand had blijkbaar aan de gevolgen van de nieuwe voorschriften gedacht. In het zuiden vluchtten vrouwen naar Irak. Vele andere besloten voortaan maar helemaal thuis te blijven; sommigen pleegden zelfmoord. Maar in die tijd hadden de huizen nog geen bad, men ging naar het openbare badhuis en dat kon nu dus niet meer. Altijd alleen maar een kattenwasje thuis is niet prettig; bovendien is het nemen van een bad vaak ook een religieuze plicht. De politie kende de nood van de vrouwen en patrouilleerde dus graag bij badhuizen, waar de kans groot was dat ze een gesluierde vrouw konden vangen. De schrijver Reza Baraheni (1935—) vertelde dat zijn vader voortaan zijn vrouw en zijn moeder in een zak naar het badhuis droeg. Een politieman kreeg een keer argwaan en vroeg wat er toch in die zakken zat. Pistaches, antwoordde hij. Maar de agent wilde dat controleren en greep eens in de zak. De vrouw bleek niet tegen kietelen te kunnen, moest lachen en het stel ging op de bon. Baraheni is een schrijver, dus het verhaal zou wel eens fictie kunnen zijn— maar het is een mooi motief.
.
Op die feesten was het ook niet echt gezellig. In de tochtige, onverwarmde zalen hadden de vrouwen het in hun mouwloze, gedecolleteerde jurken op winteravonden erg koud; daarom trokken ze er bij voorbeeld een zware winterjas overheen aan. Soms wilde een man zijn vrouw dit alles niet aandoen; dan sloot hij voor de duur van de manifestatie een tijdelijk huwelijk met een vrouw die het niets kon schelen, een prostituée misschien. Dat is een mogelijkheid die het Iraanse recht (nog altijd) biedt. Zo kon hij aanwezig zijn met een echtgenote, terwijl zijn eigenlijke vrouw lekker thuis zat.
.
Prostituées waren in die periode overigens de enige vrouwen die zich volledig mochten sluieren, sterker nog: zij móesten dat. Zo probeerde de overheid de mensen in te prenten hoe verachtelijk de sluier was.
.
Het sluierverbod leidde ook tot diplomatieke spanningen met Groot-Brittannië, dat het recht van dames uit Brits-Indië verdedigde Iran gesluierd te bezoeken.
.
In 1941 trad Reza Shah onder Brits-Russische druk af en daarna werd alles weer normaal. Twee jaar later mochten vrouwen zelf beslissen of zij een sluier wilden dragen of niet.

BIBLIOGRAFIE
H.E. Chehabi, ‘The banning of the veil and its consequences,’ in: Stephanie Cronin (ed.), The making of modern Iran. State and society under Riza Shah, 1921–1941, London/New York 2003, 193–210.

Terug naar Inhoud

Oriëntalistische kunst

Voordat ik verderga over het oriëntalisme zal ik snel even wat plaatjes van oriëntalistische schilders laten zien, dat U een indruk krijgt. In de periode van pakweg 1815–1914 werd het Oosten geacht schilderachtig, kleurrijk, exotisch, prachtig, rijk en vooral ook zinnelijk te zijn. De stoffen waren kostbaar, de architectuur was schitterend. De armoede wordt vrijwel nooit tot onderwerp genomen, wel de vermeende willekeur en wreedheid van oosterse despoten (Cormon, Regnault), die een aangename huiver mogelijk bij de kijker teweeg bracht. En de wreedheid van de slavernij, hoewel de schilders zich weinig met de medemens begaan tonen; meestal verlustigen zij zich in de aanblik van een naakte vrouw of jongen.
Voor menig schilder was een oosters tafereel het nodige voorwendsel om naaktheid af te beelden, zoals antieke en bijbelse voorstellingen dat vroeger waren geweest. De zinnelijke kant van de islamitische wereld, de badhuizen en de harems sprak zeer tot de verbeelding in het destijds zeer preutse Europa. Hoe het in die harems werkelijk toeging wisten slechts weinigen, maar in een tijd dat Europese dames schuil gingen onder hoepelrokken en halleluja-hoeden en bijna van hun stokje vielen in strak aangeregen korsetten werd de verbeelding van hun echtgenoten geprikkeld door oriëntaalse fantasieën.
Oriëntalistische schilders hoefden niet in de Oriënt geweest te zijn. Ingres is nooit verder gekomen dan Italië. Lewis schildert een zeer kleurrijk Cairo, terwijl die stad in werkelijkheid bestaat uit vijftig tinten vaalgeel en grijs.
Het beroemd-beruchte schilderij met de vuil kijkende slavenhandelaar die juist een nieuw binnengekomen maagd onthult is van Fabio Fabbi. De copie is slecht, maar als U meer soft porno in bonbondozendekselstijl van hem wilt zien klikt U hier of googelt U: fabbi slave market. De man moet een fortuin verdiend hebben met die rommel.

Alma Tadema, van wiens werk U in 2017 misschien de tentoonstelling in het Fries Museum hebt gezien, werkte in dezelfde sfeer als de oriëntalisten; alleen schilderde hij de klassieke Oudheid. Wanneer hij het oude Egypte schildert is ook hij oriëntalist.

Terug naar Inhoud

Hormat. Nederlanders imiteren Javaanse vorsten

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een vergulde parasol (payong, oude spelling: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. 

In Couperus’ roman De stille kracht (1901) is heel wat terug te vinden over hormat in Nederlands-Indië. Bij het serveren van spijs en drank ten huize van de regent ging het zo:

  • De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is minstens twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar een prinses was ingetrouwd en veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

  • […] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.

In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Nederlanders, maar het omgekeerde was zeker ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen liet bijknippen.

Maar ook de vorstelijke gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

psijthoffresidentsemarang1904

  • De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer eveneens:

  • De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

  • De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. R. A. Kartini, die de dochter van een regent was, schreef daarover:

  • O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 16 april 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

Terug naar Inhoud