Het hijgend hert als godsbewijs

Mozaiekmuseum Istanbul Foto Dick Osseman

Mozaiekmuseum Istanbul
Foto Dick Osseman

Een vijfde fragment uit het Arabische, overwegend christelijke werkje Kitāb al-iʿtibār fī al-malakūt van Djibrīl ibn Nūḥ,1 een collectie van ongeveer honderd teleologische godsbewijzen (arguments from design), waarschijnlijk uit de negende eeuw. Zie over dat boekje hier. Uit dezelfde tekst had ik al eens een fragment gebracht over de slurf van de olifant, de domheid van babies, de penis van de man en de menselijke stem. Vandaag is de beurt aan het hert.

  • ‘t Hijgend hert, der jacht ontkomen, | schreeuwt niet sterker naar ‘t genot | van de frisse waterstromen | dan mijn ziel verlangt naar God,

heet het in de beroemde berijmde Psalm 42:1. Waarom heeft dat hert zo’n dorst, waarom staat het zo te schreeuwen? Deze achttiende-eeuwse versie van de psalm verklaart dat uit de vervolgingsjacht waaraan het dier juist is ontsnapt. Maar dat is een vrije fantasie. De bijbel verklaart dat dorstige geschreeuw van die hinde in het geheel niet. Het is een vrouwtjesdier, dus burlen kan het niet zijn. In de Nieuwe Bijbelvertaling staat alleen:

  • Zoals een hinde smacht | naar stromend water, | zo smacht mijn ziel | naar u, o God.

In het boekje van Djibrīl ibn Nūḥ wordt een dorstig hert opgevoerd als godsbewijs:

  • Er wordt wel gezegd dat een hert slangen eet en daarna heel dorstig is, maar toch geen water drinkt, uit vrees dat het gif in zijn lichaam zou kruipen en het zou doden. Dus staat het bij de poel, gekweld door dorst en luid schreeuwend maar zonder te drinken, tot het weet dat het gif zich heeft verspreid en dat het heeft verteerd wat het net gegeten had; pas dan drinkt het. Kijk eens wat in de natuur van dit dier is aangebracht: hoe het een alles overheersende dorst uithoudt uit vrees zich te schaden door drinken. Daartoe kan zelfs een met verstand begaafde mens zich maar nauwelijks dwingen.1

Het hert is een godsbewijs omdat het zich kan beheersen in een situatie waarin drinken schadelijk, zo niet dodelijk zou zijn. De auteur weet zeker dat het zijn zelfbeheersing van een intelligente schepper ingeplant heeft gekregen.

Herten zijn tegenwoordig bekend als plantenetende herkauwers, maar in de Oudheid meende sommige mensen inderdaad dat ze graag slangen aten en er zelfs op joegen. Zo schreef de Romein Claudius Aelianus (± 170–222) in het Grieks een vrij dik dierenboek, waarin hij veel aandacht heeft voor vijandschappen tussen de diersoorten en de onwaarschijnlijke gevechten tussen dieren, die tegenwoordig bij Youtube opnieuw populair zijn. Hij weet te vertellen:

  • Een hert wint het van een slang door een buitengewone gave van de natuur. Ook de gemeenste slang in zijn hol ontsnapt hem niet: het hert zet zijn neusgaten tegen de ingang [van het hol] van de gevaarlijke slang en blaast erin uit alle macht, tot het hem als met de toverkracht(?) van zijn adem eruit trekt; zodra hij zijn kop eruit steekt begint het hem op te eten. Vooral in de winter doen herten dat.
    Het is zelfs voorgekomen dat iemand de hoorn van een hert tot poeder heeft vermalen en dat toen in het vuur gegooid heeft, en dat de opstijgende rook de slangen uit de hele omgeving heeft verdreven; zelfs de geur is ondraaglijk voor hen.2

Bij die winter kan ik me iets voorstellen, omdat slangen dan vanwege de kou erg passief zijn of zelfs een winterslaap houden; de rest komt niet overeen met wat de moderne biologie weet over het hert.

Tweede-eeuws, en dus iets ouder, is de Griekse Physiologus: een christelijk dierenboek, dat de voorname heiden Aelianus beneden zich zal hebben geacht. Maar blijkbaar waren dierenteksten, graag ook over vechtende dieren, in die tijd overal  gangbaar. Hier een fragment over het hert:

  • In Psalm 413 zegt [David]: ‘Zoals een hert naar de waterbronnen verlangt, zo verlangt mijn ziel naar de Heer.’
    Het hert is een vijand van de slang. Als deze voor hem in de spleten van de bodem vlucht komt het hert en neemt zijn bek vol water uit een bron, spuugt het in de spleet, en drijft zo de slang naar buiten, en vertrapt en doodt hem.
    Zo doodde ook de Heer de grote slang, de duivel, met het hemelse water, waardoor hij onbeschrijfelijk …wist(?). En zoals een slang geen water verdraagt, zo verdraagt de duivel geen hemelse woorden.
    Wanneer er haren van een hert in huis aanwezig zijn of wanneer ge botten ervan verbrandt zult ge [daar] nooit een slang aantreffen: als het spoor van God en de vreze van Christus in uw hart zijn aan te treffen zal geen onreine geest in u intreden.4

Als altijd geeft de Physiologus een vrome draai aan zijn dierenverhalen. Algemene ontwikkeling of interessante weetjes zijn voor hem pas van belang wanneer hij er een christelijke lading aan kan meegeven.
In deze laatste tekst komt er dus al water bij te pas, maar het verband tussen slangen en dorst is nog niet gelegd. Dat vinden we wél in de wat meer dramatische, Syrische versie van de Physiologus, die de Arabieren eerder bij de hand zullen hebben gehad dan de Griekse of Latijnse. Die heeft in grote lijnen dezelfde tekst als die hierboven, inclusief de slangenverjagende werking van verbrande hertshoorn, maar heeft nog een toevoeging:

  • Als een hert een slang opvreet, begint het bij de staart en neemt hem helemaal in zijn keelgat. De kop laat het in zijn bek liggen en dan bijt het hem kapot en verslindt het hem. Maar omdat de kop nog in de mondholte steekt spuugt die veel gal uit in zijn bek en zo, om deze reden, krijgt het dorst en schreeuwt naar de waterpoel.5

Ziedaar de dorst, en uiteraard een verwijzing naar Psalm 42:1.

Ook voor de beroemde negende-eeuwse Arabische prozaïst en dierenschrijver al-Djāḥiẓ is er een duidelijk verband met dat psalmvers. Hij citeert het zelfs, al is het in een erg corrupte versie:

  • De profeet David zegt in de Psalmen: ‘Mijn verlangen naar de Messias is als [dat van] een hert wanneer het slangen eet.’ [Als een hert slangen eet] wordt het overvallen door een hevige dorst. Je ziet het rondlopen om het water, maar het wordt van het drinken afgehouden doordat hij weet dat het zijn ondergang zou zijn. Want het gif zou dan in het water vloeien en in openingen terecht komen die niet geschikt zijn voor voedselopname. Het hert weet dat niet vanuit een eerdere ervaring; nee, [die kennis] had het al bij de eerste keer dat het slangen at.6

Hier is de reden voor de dorst een andere, maar bij zo’n lange literaire traditie begrijpen we ongeveer waar dat dorstige hert in Djibrils godsbewijs vandaan komt.

Hoe kwamen die slangen überhaupt op het menu van herten, al in de tweede eeuw? Ligt er een corrupt overgeleverde of verkeerd begrepen tekst uit de Oudheid aan ten grondslag? Of een rare bijbelexegese? Nee, dat laatste kan niet, want dan zou de heiden Aelianus er niet mee aangekomen zijn. Heeft iemand het hert misschien met een andere diersoort verward? Of is de fantasie gewoon op hol geslagen, net als over de basilisk en de eenhoorn?

Er zijn nog meer boeken uit de late Oudheid en de vroegislamitische tijd die nageslagen kunnen worden op slangenetende herten. Het bovenstaande geeft alvast een indruk. Het aardige van boekjes als dat van Djibrīl is dat we inzicht krijgen in wat mensen elkaar in vroeger eeuwen hebben wijsgemaakt en hoe die bedenksels door de culturen reisden. Van Babylon en het oude Perzië naar het oude Griekenland en Rome, via het Syrisch en Pahlavi naar het Arabisch van het islamitische Nabije Oosten, vandaar later vaak weer naar Europa. Ook Hildegard van Bingen meende nog dat gemalen hertshoorn slangen weg hield. Het is één beschaving: zullen we het de westerse beschaving noemen?

NASCHRIFT 1: Een specialiste in Arabische en antieke dieren wijst mij op Aristoteles, Historia animalium viii (ix) 611b20: wanneer een hert door een giftige spin (φαλάγγιον) of iets dergelijks is gebeten gaat het krabben vangen en eet die op, als tegengif. Dan hopen we maar dat er op de Hoge Veluwe tenminste een viswinkel is.
Ik dacht altijd dat mensen als Aelianus en de Physiologus auteurs van het tweede, zo niet derde garnituur waren, terwijl ik een grote eerbied behield voor echt knappe denkers en geleerden als Aristoteles. Die eerbied wordt nu wat minder.
NASCHRIFT 2: De vermelding van de Messias in het Djāhiz-citaat zit me niet lekker. Christenen of moslims zouden het bijbelvers zo toch niet parafraseren? Zit er soms een vreemde joodse exegese achter? Ik heb daar moeilijk toegang toe; als iemand anders dat even wil bekijken …?

NOTEN:
1. Ook bekend als Dalā’il al-i‘tibār. Het werkje wordt vaak toegeschreven aan al-Djāhiz (gest. 868). De eerste (niet-kritische) uitgave verscheen in 1928 in Aleppo.

فقد‏ يقال انّ‏ الأيّل يأكل‏ الحيّات،‏‏ فيعطش‏ عطشًا شديدًا ويمتنع من شرب الماء خوفًا من أن‏ يدبّ‏ السم في جسمه فيقتله‏. وانه‏ ليقف على الغدير وهو مجهود عطشًا فيعجّ‏ عجيجًا‏ عاليًا ولا‏ يشرب منه‏ حتّى‏ يعلم أنّ‏ السمّ‏ قد تفرق‏ ‏ وانّ‏ الذي‏ أكل قد انهضم وحينئذ‏ يشرب‏. ‏ فانظر الى ما جُعل‏ ‏ في‏ طباع هذه البهيمة من الصبر على الظمأ الغالب خوفًا من المضرّة في‏ الشرب‏. وذلك‏ ما لا‏ يكاد الانسان العاقل أن‏ يضبطه من نفسه‏.

2. Aelianus, Nat. anim. ii, 9: Ἒλαφος ὂφιν νικᾷ, κατά τινα φύσεως δωρεὰν θαυμαστήν· καὶ οὐκ αυτὸν διαλάθοι ἐν τῷ φωλεῷ ὤν ὁ ἔχθιστος, αλλὰ προσερείσας τῇ καταδρομῇ τοῦ δακετοῦ τοὺς ἑαυτοῦ μυκτῆρας βιαιότατα ἐσπνεῖ, καὶ ἓλκει ὡς ἴυγγι τῷ πνεύματι, καὶ ἂκοντα προάγει, καὶ προκύπτοντα ἀυτὸν ἐσθίειν ἂρχεται· καὶ μάλιστά γε διὰ χειμῶνος δρᾷ τοῦτο. ἢδη μέντοι τις καὶ κέρας ἐλάφου ξέσας, εἶτα το ξέσμα ἐς πῦρ ἐνέβαλε, καὶ ὁ καπνὸς ἀνιῲν διώκει τοὺς ὂφεις πανταχόθεν, μηδὲ τὴν ὀσμὴν ὑπομένοντας.
3. Dit is geen typefout. De nummering was niet altijd dezelfde.
4. Ik heb geen Griekse tekst bij de hand en behelp me dus voorlopig met de Latijnse vertaling uit het Internet, al ken ik die taal niet meer/nog niet naar behoren: In psalmo XLI dicit: Sicut cervus desiderat ad fontes aquarum, ita desiderat anima mea ad te, deus. Ceruus inimicus est draconi; draco autem fugit a ceruo in fissuras terre; et uadens ceruus, et ebibens, implet nasa sua fontem aque, et euomit in fissuram terre, et educit draconem, et conculcauit eum, et occidit eum. Sic et dominus noster interfecit draconem magnum diabulum ex celestibus aquis, quibus habebat sapiente inenarrabilis; non enim potest draco baiulare aquam, neque diabulus sermones celestes. […] Capilli autem cervi, ubi apparuerint in domo, vel de ossibus incenderis, numquam draconem invenies: vestigium dei et timor Christi si inveniantur in corde tuo, nullus spiritus inmundus introibit tibi. (Physiologus latinus (Uersio Y) (CPL 1154 h (A)), cap. : 43, par. : 2, pag. : 131). Zou ik wetenschappelijk werken, dan zou dit zo niet gaan; oorspronkelijke teksten zijn een must! Maar dit is meer een soort opstel, dus vooruit maar. Misschien vind ik het Grieks  nog. Een Arabische versie zou ook nog kunnen bestaan. De overlevering van de Physiologos, gedurende vele eeuwen in vele door christenen gesproken talen, is waanzinnig gecompliceerd. Was er ooit wel een origineel?
Een begaafde predikant kan met deze stof nog veel meer doen. In de negende-eeuwse zg. Berner Physiologus staat: ‘Zo heeft ook de Here Jezus Christus de grote slang, de duivel, tot in de diepte der aarde vervolgd en heeft hem, door bloed en water uit zijn zijde te vergieten, verdreven door het bad der wedergeboorte en de werken van de duivel weggenomen.’ Hier past alleen een hartgrondig: ‘Amen!’
5. Physiologus Syrus, nr. 17. Syrisch kan ik niet typen, dus die éne lezer die de originele tekst wil zien moet even naar de UB.
6. Al-Djāḥiẓ, Ḥayawān vii, 29–30:

ومن هذا الباب الذي ذكرنا فيه صِدق إحسان الحيوان ثم اللاتي يضاف منها الى المُوق وينسب الى الغثارة. قال داود النبي عليه السلام في الزبور: شوقي إلى المسيح مثل الأيل إذا أكل الحيات. [والأيل إذا أكل الحيات] فاعتراه العطش الشديد تراه كيف يدور حول الماء ويحجزه من الشرب [منه] علمه بأن ذلك عطبه، لأن السموم حينئذ تجري مع [هذا] الماء، وتدخل مداخل لم يكن ليبلغها الطعام بنفسه. وليس علم الأيل بهذا كان عن تجرية متقدمة، بل هذا يوجد في أول مل يأكل الحيات وفي آخره.

Ook in Ḥayawān iv, 166 noemt al-Djāḥiẓ het hert onder de slangenetende soorten: وتأكل الحياتَ العقبان والأيائل والأراويّ والأوعال والسنانير والشاهمرك والقنفذ. ‘adelaars, herten, berggeiten en -bokken, katten, de steltloper (? shāhmurk) en de egel.’

BIBLIOGRAFIE:
– Claudius Aelianus, Περὶ ζῴων ἰδιότητος – De natura animalium: On animals, 3 dln., vert. A.F. Scholfield, Harvard 1958–9 (Loeb Classical Library 446, 448, 449).
Physiologus syrus: Ketobó dakjonojotó. Das ‘Buch der Naturgegenstände’, uitg. en vert. K. Ahrens, Kiel 1892.
– al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān, uitg. en commt. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 7 dln. Cairo 1938–47.

Terug naar Inhoud

Hellestraffen

Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed een reis door hemel en hel gemaakt. Het oudste bericht daarover is te vinden in de sira van Ibn Ishāq (gest. 767). Later is er een hele hemelvaartliteratuur ontstaan (mi‘rādj), waaraan ook Dante veel te danken heeft.
.
In de joodse en christelijke literaturen bestonden er al ettelijke zulke reisverhalen, bekend onder de naam Apocalypse. Een ervan is er in de bijbel beland: de openbaring van Johannes. Andere vond men daarvoor niet goed genoeg, maar ze bestaan nog wel: de apocalypsen van Henoch, Mozes, Petrus, Paulus en nog anderen. In de Perzische literatuur moet dit soort verhaal al veel langer hebben bestaan.
De hel wordt meestal met meer verve beschreven dan het paradijs. Horror en sadisme zijn nu eenmaal spannender dan eeuwigdurende vreugde. De menselijke behoefte aan bloederige folteringen, die tegenwoordig door griezelfilms uit Hollywood wordt bevredigd, werd dat indertijd door dit soort teksten.
Uit het hemelvaartverhaal van Mohammed hier een klein detail. De profeet bezichtigt in de hel verschillende groepen zondaren:

  • Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Gabriël wie dat waren. Hij zei: ‘Dat zijn de mensen die onrechtmatig het bezit van de wezen hebben verteerd.’
  • Toen zag ik mannen, die mager stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. ‘Wie zijn dat?’ vroeg ik Gabriël. Hij zei: ‘Dat zijn degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verboden had.1

De berichtjes zijn dus opgebouwd volgens een bepaald patroon: ‘Ik zag …, ik vroeg: Wie …? … en hij zei: Dit zijn … .’ De reiziger is een man met een zeer groot religieus prestige, die als bron voor de kennis van hemel en hel plausibel wordt geacht. In de vroegere apocalyptische teksten is dit precies zo. In de Apocalypse van Paulus ziet het er als volgt uit:

  • En ik zag een mens, die tot zijn knieën in de vurige stroom stond. Zijn handen waren uitgestrekt en bebloed; wormen kwamen uit zijn mond en neusgaten. Hij zuchtte en weende en riep uit: ‘Ontferm u mijner, want mij wordt meer leed berokkend dan de anderen die deze straf ondergaan. Ik vroeg: ‘Wie is dit, heer?’ Hij zei: ‘Deze man die je ziet is een diaken geweest die de offergaven zelf opat, hoereerde en het goede voor het aangezicht Gods niet deed. Daarom boet hij met deze straf zonder ophouden.’ 2

En in het voorislamitische Perzische boek Ardā Wirāz, vroeger bekend als Arda Viraf, zo:

  • En ik zag de ziel van een man, wiens ogen waren uitgestoken en wiens tong was afgesneden; hij was in de hel aan één voet opgehangen, zijn lichaam werd telkens met een tweezijdige koperen kam geharkt, en een ijzeren spijker was in zijn hoofd gedreven. Ik vroeg: ‘Wie is deze man en welke zonde heeft hij begaan?’ Srōsh de vrome en de god Ādur zeiden: ‘Dit is de ziel van die goddeloze rechter, wiens [taak] in de wereld het was de goddelozen te veroordelen, maar hij nam steekpenningen aan en wees leugenachtige vonnissen.’ 3

In de joodse legende, waarvan ik alleen de Engelse versie van Ginzberg4 heb, wordt de vraag weggelaten:

  • Toen zei Nasargiel tot Mozes: “Kom en zie hoe de zondaren in de hel worden verbrand,” […] Mozes gaf toe en zag hoe de zondaren werden verbrand, de ene helft van hun lichaam gedompeld in vuur en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen vlees tot leven waren gekomen over hen heen kropen en de Engelen van Vernietiging hen zonder ophouden sloegen. Nasargiel zei: ‘Dit zijn de zondaren die incest, moord en afgoderij begaan hebben, die hun ouders en leraren hebben vervloekt en die, zoals Nimrod en anderen, zichzelf goden noemden.’

Het is duidelijk dat het verhaal over Mohammeds hemelreis in een lange traditie staat. De tekst uit Perzië is niet zo oud, maar omdat paradijs en hel Perzische uitvindingen zijn is het denkbaar dat ook dit motief daar al veel eerder bestond.
Dit zijn maar een paar voorbeelden. In de teksten, vooral in Ardā Wirāz, gaat het om hele rijen zondaren, over wie steeds volgens hetzelfde stramien wordt verteld.

Noten
1. Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 85. (± 760)
2. Apokalypse des Paulus,’ in: Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung. II. Apostolisches.Apokalypsen und Verwandtes, uitg. W. Schneemelcher, Tübingen 51989, 663ff. (4e eeuw) (Het hele boek in een Engelse vertaling hier.)
3. Ardā Wirāz Nāmag. The Iranian ‘Divina Commedia’, ed. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 214. (6e eeuw) (Het hele boek in een oudere Engelse vertaling hier.)
4. Het zou echter kunnen zijn dat Ginzberg wat heeft verkort en de vraag heeft weggelaten. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, ii, 312; bronvermeldingen v, 416–18.

Terug naar Inhoud

Paradijsvogels

De christelijke hemel moet wel stomvervelend zijn, als de engelen daar de hele dag alleen maar Palestrina zingen. Er is daar vooral veel niet: geen honger en geen dorst, geen hitte, geen tranen; geen dood, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn.1 Daarom hebben de christenen, buiten hun geloofsleer om, nog een Luilekkerland moeten verzinnen.2
In het islamitische paradijs is dat volledig geïntegreerd. Behalve mooie tuinen, weelderige zalen en aantrekkelijke vrouwen is er overvloedig te eten. Als voedsel noemt de Koran fruit en gevogelte—gezonde, lichte kost dus. Te drinken is er uit rivieren van water, wijn, melk en honing; verder gaan er altijd jong blijvende jongelingen rond met ‘bekers en kruiken en een drinkbeker uit een bron, waarvan zij geen hoofdpijn krijgen en niet beneveld raken’.3 De vraag van een enkele moslim, of er in het Paradijs ook kamelen zijn wordt in een zwak overgeleverde Traditie (hadith) door de profeet wat ontwijkend beantwoord: ‘Als God je in het paradijs laat binnengaan, vind je daar wat je hart begeert.’4
ولحم طير مما يشتهون  En gevogelte, waar zij maar zin in hebben, heet het in Koran 56:21. Wat voor gevogelte is dat? Dit is het soort vraag dat ook de vroegste koranuitleggers gewoon waren te stellen, én te beantwoorden. Vreemd genoeg hebben zij dat in dit geval niet gedaan, en ook de hadith zwijgt erover. De vogels waarin de zielen der martelaren zich bevinden kunnen niet bedoeld zijn, want die vliegen alleen naar het paradijs om daar zelf voedsel te zoeken; nestelen doen ze onder Gods troon. In de reusachtige boom die in het midden van het paradijs staat en waarin volgens een late Traditie gouden vlinders zitten, kan men zich goed reusachtige vogels voorstellen, maar beschreven worden die pas in het late korancommentaar van Ibn Kathīr (1300–1373): vogels ‘met nekken als slachtkamelen’, of ‘vogels zo groot als tweebultige kamelen, die voedsel zoeken in de bomen van het paradijs’.5
Bij Ibn Kathīr wordt ook de keuzemogelijkheid die het koranvers aanduidt (‘waar zij maar zin in hebben’) uitgewerkt: de vogels, die zeventigduizend veren hebben, elk van een verschillende kleur, staan op een rij; dan hoeft de gelovige er maar een uit te kiezen en hij valt al gebraden voor hem neer. ‘Op zijn bord’, voegt een tekstvariant eraan toe. Niemand hoeft zich dus voor te stellen hoe dieren in het paradijs geslacht worden, en het ongemak van gebraden duiven die in je mond vliegen blijft de moslims ook bespaard. Na te zijn opgegeten vliegt de vogel overigens ongeschonden weer weg. In Koran 2:260 wordt in een andere context over het herstellen en opwekken van dode vogels gesproken; dat op de vogels in het paradijs te betrekken was geen grote stap.
Ibn Kathīrs commentaar is een aaneenschakeling van korte teksten die formeel ook hadithen zijn, al gelden ze als zwak overgeleverd. Een vroege, samenhangende tekst over het paradijs die niet aan de profeet wordt toegeschreven staat in een boek getiteld al-‘Azama, een anoniem werk over de kosmos, de hemel en de hel:

  • Telkens als er een vrucht is geplukt komt er dadelijk een andere voor in de plaats, die meteen net zo rijp is als die andere aan de tak. Ook als er tien vruchten geplukt zouden worden, zouden er meteen andere aangroeien […].
    Op de bomen zitten vogels die zo groot zijn als tweebultige kamelen, en de vriend Gods eet van hun vlees. Als hij trek krijgt valt het voor hem neer, zodat hij ervan kan eten, geroosterd of gekookt zoals hij maar wil. Het valt voor hem neer door de almacht van God, die tegen iets zegt: ‘Word!’ en dan wordt het.’ 6 Als de dienaar Gods er naar hartelust van gegeten heeft en wil opstaan, dan is de vogel meteen weer levend, vet en gaar. Hij vliegt op en verheerlijkt God met de woorden: ‘Lof zij Hem, die mij geschapen heeft en gaar gemaakt heeft, en mijn vlees tot voedsel van zijn godvruchtige dienaren heeft gemaakt!’7

Ook dit is een soort koranuitleg, maar niet van de (naar toenmalige maatstaven) wetenschappelijke soort. De keuze tussen geroosterd of gekookt is nieuw, evenals de lofprijzing door de weer levend geworden vogels. De vier woorden die de koran besteedt aan het gevogelte in het paradijs hebben dus wel degelijk de fantasie van de mensen geprikkeld, hoewel de ‘canonieke’ Traditie en de vroegste Koranexegese die met succes buiten de deur hadden gehouden. Toch zullen de motieven zeker ouder zijn dan de veertiende eeuw, toen Ibn Kathīr zijn commentaar schreef, en dan het boek al-‘Aẓama, dat helaas niet kan worden gedateerd. De vogel werkt op onze lachlust als hij toebereid en wel op het bord valt en als hij na consumptie levend weer opvliegt en vliegend nog de Heer looft. Maar de auteurs hebben dit vast niet grappig bedoeld, en hun publiek zal er niet om hebben gelachen.

Beslist wél gelachen heeft de spotlustige Arabische dichter al-Ma‘arrī (973–1058), die over een reis door paradijs en hel heeft geschreven, zoals Dante dat later in Europa zou doen. Door het motief uit te vergroten probeert hij ook zijn publiek aan het lachen te brengen. Eerst laat hij een paradijsbewoner een gemarineerde pauw verorberen, die geserveerd wordt op een bord van goud.8 Het dier wordt na consumptie weer zijn oude zelf, wat de aanwezigen bewonderend doet uitroepen:

  • Geloofd zij Hij, die de botten weer tot leven brengt nadat ze al uit elkaar gevallen zijn. Dat is precies zoals de Schrift het zegt: ‘En toen Ibrāhīm zei: “Mijn Heer, laat mij zien hoe U de doden weer levend maakt”. […] Hij zei: “Neem dan vier stuks gevogelte en snijd ze naar jou toe in stukken. Leg er dan op elke rots een stuk van. Roep ze dan en ze zullen op je toe komen rennen”.’9
    Nu komt er een gans langs, zo groot als een tweebultige kameel. Sommige mensen willen hem gebraden hebben, en daar staat hij al, op een tafeltje van smaragd! Als de mensen er naar hartelust van genomen hebben, neemt hij met Gods toestemming zijn vroegere gevleugelde gedaante weer aan. Daarna willen sommigen van de aanwezigen hem liever aan het spit hebben, en weer anderen toebereid met sumak, of gemarineerd in melk en azijn, of nog weer anders. Steeds wordt de gans meteen zoals ze hem willen hebben en daarna wordt hij weer net als vroeger.’10

Zijn effect bereikt al-Ma‘arrī door concretisering en herhaling: de vogel is nu een pauw of een gans geworden, de receptuur wordt gepreciseerd en de gans gaat als een duikelaartje op en af.
Hoe langer over het gevogelte uit de koran wordt doorgedacht, des te grappiger wordt het. Misschien hadden de vroegste moslims wel aangevoeld dat de lach bij dit onderwerp op de loer ligt en het daarom niet willen becommentariëren?

NOTEN
1. Openbaring 7:16–17; 21:4
2. Herman Pleij, Dromen van Cocagne. Middeleeuwse fantasieën over het volmaakte leven, Amsterdam 2000.
3. De paradijswijn; Koran 56:18–19.
4. Al-Tirmidhī, Ṣifat al-Djanna 11; Aḥmad ibn Ḥanbal, Musnad v, 352.
5. Waar zouden zij anders voedsel zoeken; ze wonen daar immers? De bijzin past beter bij de vogels die de zielen van de martelaren bevatten. Zulke ‘zwerfzinnen’ komen vaak voor in de Traditieliteratuur.
6. Koran 2:117, 3:59.
7. Al-ʿAẓama is zoals vele oude Arabische boeken niet uitgegeven en bestaat alleen in een tiental handschrifen, o. a. hs. Parijs 4605, Vatikaan 1480.
8. Eten van gouden borden is in onze wereld niet toegestaan, maar in het paradijs is alles anders.
9. Koran 2:260.
10. Abū al-ʿAlā’ al-Maʿarrī, Risālat al-ghufrān, Cairo 1957, blz. 281–283.

Naar Inhoud