Vroegrijpe profeten

Een zeer korte zoekactie in Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1954–59, maakt al duidelijk dat vele oude ‘profeten’ op wonderbare wijze vroegrijp waren. Dat hoorde er gewoon bij. Enkele voorbeelden:

  • Toen Abraham als zuigeling door zijn voedster in een grot alleen achter werd gelaten begon hij te huilen. ‘God zond Gabriel om hem melk te drinken te geven. De engel liet deze uit de pink van de rechterhand van de zuigeling stromen en hij zoog daarop tot hij tien dagen oud was. Toen stond hij op en verliet de grot …’ en begon prompt met de bestrijding van het veelgodendom.
  • ‘Tot zijn zeventiende jaar bezocht Jozef het leerhuis, en hij werd zo geleerd dat hij zijn broeders de Halakhot kon overbrengen die hij van zijn vader geleerd had, en zo was hij als hun leraar te beschouwen.’
  • ‘[Mozes’] verwanten en geheel Israël wisten dat het kind voor grote dingen was voorbestemd, want toen hij nauwelijks vier maanden oud was begon hij te profeteren: “In de toekomst zal ik de Thora ontvangen van de vlammende toorts.”

Enzovoort, enzovoort. Vroegrijpheid is ook een kenmerk van Jezus. Volgens het Evangelie van Lukas (2:41-52) werd Jezus op zijn twaalfde jaar aangetroffen in de tempel van Jeruzalem, waar hij naar de schriftgeleerden luisterde en hen vragen stelde, hen verbazend met zijn inzicht en zijn antwoorden.
Het apocriefe, eind tweede-eeuwse Kindheidsevangelie van ‘Thomas de Israëliet’ schildert de jonge Jezus als een vroegrijp kind, dat al meteen in staat was wonderen te doen. Reeds op vijfjarige leeftijd had hij met andere kinderen van leem twaalf mussen gemaakt. Toen een jood bij Jozef bezwaar had gemaakt omdat dit op de sabbat gebeurd was en deze hem daarop aansprak klapte Jezus in zijn handen en riep: ‘Weg met jullie!’ De vogels sloegen hun vleugels uit en vlogen weg. In koran 3:4–9 staat een verhaal dat hier sterk aan herinnert. Daar doet Jezus het wonder echter niet als klein kind.
Volgens het Kindheidsevangelie was Jezus als kind een uitgesproken ettertje. Hij wist nog niet hoe hij zijn gave menslievend aan kon wenden. Een jongetje dat hem bij een kinderspel in de weg zat liet hij verdorren als een boom; tegen een ander joch, dat hem per ongeluk aanstiet, zei hij: ‘Jij gaat hier niet verder!’ waarop de jongen omviel en stierf. Op zijn achtste was hij wat menselijker geworden. Toen hij eens hielp bij het oogsten bracht hij een ongelooflijke hoeveelheid tarwe binnen, die hij onder de armen verdeelde. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.1

Over de profeet Mohammed is verteld dat hij bij zijn voedster

  • ‘… opgroeide als geen andere jongen en vast voedsel kon eten voordat hij twee jaar oud was.’ 2

Of sterker nog:

  • ‘Hij groeide in een dag zoveel als een ander kind in een maand, en hij toen hij zes maanden oud was kon hij vast voedsel eten.’ 3

Nog bij zijn voedster zou hij als zuigeling lammetjes hebben gehoed achter haar tent:

  • ‘De profeet heeft gezegd: ‘Ik heb een voedster gehad bij de stam Saʿd ibn Bakr, en toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was….’ 4

Eveneens daar werd hij onderzocht, resp. gereinigd door twee engelen: het verhaal van de *splijting van de buik.5 Als jongen zat hij graag bij de Ka‘ba: een parallel met Jezus, die zich als jongen thuis voelde in de Tempel van Jeruzalem. In beide gevallen wilden anderen de jongens daar weghalen.6

Meer is er te vinden in de hadithen over Ibn Sayyād, een dadjdjāl (een soort antichrist-figuur), die Mohammed nog ontmoet zou hebben. Hij was geen profeet, maar wordt wel voorgesteld als iemand die graag deed alsof. In zijn rol van nep-profeet moest ook Ibn Sayyād vroegrijp zijn. Als pasgeboren zuigeling schreeuwde hij als een jongen van een maand, of zelfs twee maanden. Hij trad reeds op als kāhin (zoiets als een sjamaan of waarzegger) toen hij nog een kind was en bij zijn moeder woonde. In een ander verhaal ‘speelde hij met de jongens, en was zelf ook een jongen’ toen Mohammed hem bezocht om zijn verontrustende eigenschappen in ogenschouw te nemen.7

Dit laat zien dat het joodse motief ‘vroegrijpe profeet’ in de vroege islam bekend en gangbaar was. Geen wonder: het Arabische rijk der Umayyaden was nog geheel doordrenkt met christelijke en joodse literaturen.
Wat zit erachter die vroegrijpheid? Mohammed zou veertig geweest zijn toen hij geroepen werd; Jezus ongeveer dertig. De vraag is dan altijd: wat deden zij vóór hun roeping? Een banaal leven leiden? Zondigen misschien? De vertellers proberen de profeten zo vroeg mogelijk hun hoge roeping waardig te maken.

NOTEN
1. Wilhelm Schneemelcher, Neutestamentliche Apopryphen in deutscher Übersetzung, I. Band, Evangelien, 5. Aufl., Tübingen 1987, 353–57. Engelse vertalingen hier.
2. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 105. Normaal bleef een zuigeling twee tot twee en een half jaar aan de moederborst.
3. Ibn al-­Athīr, al­-Nihāya fī gharīb al­-ḥadīth wal­-athar, 5 dln., Beirut (Dār al­-Fikr) z.j., i, 277.
4. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
5. Ibn Isḥāq, o.c. 106.
6. Ibn Isḥāq, o.c. 107–108.
7. Wim Raven, “Ibn Ṣayyād as an Islamic ‘Antichrist’. A reappraisal of the texts,” in: Endzeiten. Eschatologie in den monotheistischen Weltreligionen, uitg. Wolfram Brandes en Felicitas Schmieder, Berlin/New York 2008, 266–67. Het artikel kunt U hier downloaden.

Terug naar Inhoud

De hel volgens al-Kisa’i

(Over de auteur zie hier.)

Wahb ibn Munabbih heeft gezegd: De hel heeft zeven poorten; de afstand tussen elke twee van hen is een reis van vijfhonderd jaar. In iedere poort zijn zeventigduizend soorten foltering: touwen, handboeien, voetboeien, kettingen, vergiften, ḥamīm en zaqqūm.
De eerste is Djahannam (Gehenna). De tweede is Laẓā, die is voor de beeldendienaren. De derde is Hutama, voor Yādjūdj en Mādjūdj (Gog en Magog) en dergelijke ongelovigen. De vierde is Sa‘īr, die is voor de Satan, [zoals] God heeft gezegd: Wij hebben voor hen de kwelling van de vuurgloed (Sa‘īr) bereid (koran 67:5). De vijfde is Saqar, voor degenen die het gebed niet verrichten en geen aalmoezen geven, zoals Hij heeft gezegd: Wat heeft u in Saqar gebracht? Zij zullen zeggen: Wij behoorden niet tot degenen die het gebed verrichtten en de armen hebben wij niet gespijzigd; en wij hebben meegepraat met de leugensprekers en de Dag des Oordeels hebben wij geloochend, tot de zekere [dood] tot ons kwam (k. 74:42–47). De zesde is Djahīm, die is voor de joden, christenen en magiërs. De zevende is Hāwiya, die is voor de Halfhartigen, want Hij zegt: De halfhartigen komen in de laagste verdieping van het hellevuur (k. 4:145). Dit alles is ontleend aan Zijn woord: Zij heeft zeven poorten; elke van hen heeft een toegewezen deel (k. 15:44).
Ibn ‘Abbās heeft gezegd: Het paradijs is aan de rechterkant van de Troon en de hel is aan de linkerkant, en zij heeft zeven koppen.
Ka‘b al-Ahbār heeft gezegd: Zij heeft zeven lagen, zeven poorten en zeven koppen, waarvan elke drieëndertig monden heeft. In iedere mond zijn tongen, welker aantal niemand kent dan God; zij loven God op verschillende manieren. Er zijn daar bomen van vuur, waarvan de doorns als lange lansen zijn en laaien van vuur. Daaraan hangen vruchten van vuur en op iedere vrucht is een slang die de ongelovige bij zijn oogharen en lippen pakt en dan zijn huid afstroopt tot aan zijn voeten. En er zijn ook beulsknechten met ijzeren kromstaven in hun handen; elke daarvan heeft aan het eind driehonderdzestig zuilen van vuur, die djinns noch mensen kunnen dragen. Daarover zijn negentien engelen aangesteld, zoals God zegt: de huid verzengend; over haar zijn negentien (k. 74:29–30), die God niet ongehoorzaam zijn en hun bevelen uitvoeren.

Arabische bron: Al-Kisāʾī, Vita prophetarum, uitg. Isaac Eisenberg, Leiden 1922, 18–19.

صفة جهنم.
قال وهب بن منبه رضه: وأما جهنم فلها سبعة أبواب ما بين البابين مسيرة خمسمائة عام في كل باب سبعون ألف صنف من العذاب من قيود وأنكال وأغلال وسلاسل وسموم وحميم وزقوم. فأولى جهنم والثانية لَظَى وهي لعبدة الأصنام والثالثة الحُطَمَة وهي لياجوج وماجوج وما يشببههم من الكفار والرابعة السَعِير وهي للشيطان قال الله تعالى وَأَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابَ السَّعِيرِ والخامسة سَقَرُ وهي لمن لا يصلّي ولا يزكّي وذلك قوله تعالى مَا سَلَكَكُمْ فِي سَقَرَ قَالُوا لَمْ نَكُ مِنَ الْمُصَلِّينَ وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ الْمِسْكِينَ وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ الْخَائِضِينَ وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ الدِّينِ حَتَّىٰ أَتَانَا الْيَقِينُ والسادسة الجَحِيمُ وهي لليهود والنصارى والمجوس والسابعة الهَاوِيَةُ وهي للمنافقين لقوله تعالى إِنَّ الْمُنَافِقِينَ فِي الدَّرْكِ الْأَسْفَلِ مِنَ النَّارِ وهذا كله مأخوذ من قوله تعالى لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِكُلِّ بَابٍ مِنْهُمْ جُزْءٌ مَقْسُومٌ، قال ابن عباس رضه الجنة عن يمين العرش والنار عن شماله ولها سبعة رؤوس. قال كعب الأحبار لها سبعة أطباق وسلعة أبواب وسبعة رؤوس في كل رأس ثلاثة وثلاثون فمًا في كل فم من الألسنة ما لا يحصي عددها الا الله تعالى وهي تسبّح الله بأنواع التسبيح وفيها أشجار من النار شوكها كأمثال الرماح الطوال فتلظى بالنيران وعليها أثمار من النار وعلى كل ثمرة حيّة تأخذ بأشفار عين الكافر وشفتيه فيسقط لحمه على قدميه وفيها زبانية في أيديهم مقامع من حديد في رأس كل مقمعة ثلثمائة وستون عمودًا من نار كل عمود يعجز عن حمله الجنّ والإنس وعليها تسعة عشر من الملائكة كما قال الله تعالى لَوَّاحَةٌ لِلْبَشَرِ عَلَيْهَا تِسْعَةَ عَشَرَ لا يعصون الله ما أمرهم ويفعلون ما يؤمرون.

Diakritische tekens: ḥamīm, Laẓā, Ḥuṭama, Djaḥīm, Kaʿb al-Aḥbār

Naar Profetenverhalen     Terug naar Inhoud

Profetenverhalen (korte definitie)

Profetenverhalen (Arabisch: قصص الأنبياء, qisas al-anbiyā’) vertellen niet over de profeet Mohammed (over hem zie sira), maar over de vroegere profeten. Moslims beschouwen bepaalde vooraanstaande personen uit de bijbel als profeet, die dat volgens de joodse en christelijke traditie niet waren: Abraham, Mozes, Jezus en andere.
De koran heeft al verhalen over die profeten verteld. In de vroege islam borduurden de zog. Vertellers daarop voort, gebruik makend van het materiaal van hun joodse en christelijke voorgangers, wat in later tijd minder gewaardeerd werd (isrāʾīlīyāt). Een bekende oude verteller van profetenverhalen was *Wahb ibn Munabbih (± 654–728). In latere eeuwen werden de verhalen gebundeld door al-Tha‘labī, al-Kisā’ī e.a.. De bundels vertellen niet alleen over de profeten, maar ook over de schepping en bijv. over de ruimtereis van Bulūqiyā, die in de hemel de profeet zocht.
Vele moslims kunnen deze vaak fantastische verhalen uit religieus oogpunt niet serieus nehmen, maar ze zijn te spannend en te grappig om weg te gooien, zodat ze vaak zijn herdrukt.
Enige proeven: Allochthone wolf. Ontharingspasta. De hel volgens al-Kisāʾī.

Lektuur: Roberto Tottoli, Biblical Prophets in the Qurʾān and Muslim Literature, London/New York (Routledge) 2002. Of als U liever het Itaiaanse origineel leest: I profeti biblici nella tradizione islamica, Brescia 1999.

Diakritische tekens: qiṣaṣ al-anbiyāʾ

Terug naar Inhoud

Al-Kisa’i

Muhammad ibn ‘Abdallāh al-Kisāʾī is een obscuur geworden Arabische auteur, van wie niet precies bekend is wie hij was en wanneer en waar hij geleefd heeft. Van hem bestaat er een boek getiteld Qisas al-anbiyāʾ (Profetenverhalen), dat is uitgegeven en in het Engels vertaald. In de islamitische wereld is het nauwelijks bekend, maar dat was vroeger kennelijk anders, want er bestaan veel handschriften van.
Zijn verzameling profetenverhalen is enerzijds heel wat magerder dan de veel bekendere collectie van al-Tha‘labī, maar heeft anderzijds oude ‘vertellers’-stof bewaard die elders niet voorkomt. Zoals altijd wemelen de verhalen van koranverzen, maar die zijn meer dan eens later toegevoegd aan een vertelling die aanvankelijk zonder exegetisch oogmerk werd verhaald. De profeten zijn bij al-Kisāʾī uitdrukkelijk wonderdoeners. Uiteraard wordt niet nagelaten de vooraanstaande plaats van Mohammed en van de stad Mekka te benadrukken. De ‘magerheid’ van de verhalen heeft tot het vermoeden aanleiding gegeven dat al-Kisāʾī’s boek oorspronkelijk een soort handboek voor vertellers is geweest, die hun eigen invulling aan de verhalen konden geven. In de verschillende handschriften is de tekst heel verschillend, wat erop wijst dat er een aantal herzieningen heeft plaatsgehad.

Al-Kisāʾī over de hel

BIBLIOGRFIE
Primair: Arabische tekst: Al-Kisāʾī, Vita prophetarum, uitg. Isaac Eisenberg, Leiden 1922. Engelse vertaling: Tales of the Prophets (Qisas al-anbiyā’), translated by Wheeler M. Thackston Jr., Chicago 1997.
Secundair: Roberto Tottoli, Biblical Prophets in the Qurʾān and Muslim Literature, London/New York (Routledge) 2002, 151–155; daar ook verdere bibliografie. Wat ouder: T. Nagel, ‘al-Kisāʾī,’ in EI2.

Diacritische tekens: Muḥammad , Qiṣaṣ

Naar Profetenverhalen                Terug naar Inhoud

Allochthone wolf

Een fragment uit een profetenverhaal van al-Tha‘labī:
In koran 12:17 zeggen Jozefs broers, nadat hem in de woestijn hebben achtergelaten, tegen zijn vader Jacob: وتركنا يوسف عند متعنا فأكله الذئب We hebben Jozef achtergelaten bij onze spullen; toen heeft een wolf hem opgevreten. Het verhaal fantaseert daaromheen:

  • [Jacob] zei tegen hen: ‘Als het waar is dat een wolf Jozef heeft opgevreten, waar is die wolf dan? Breng hem hier!’
    Ze haalden hun touwen en stokken, trokken de woestijn in en joegen een wolf, die zij vingen en vastbonden. Die brachten ze bij Jacob en zetten hem voor hem neer.
    Hij zei: ‘Maak hem los!’ Dat deden ze en Jacob vroeg de wolf dichterbij te komen. Hij kwam langs de hele groep gestapt tot hij met gebogen hoofd voor Jacob stond.
    Jacob zei tegen hem: ‘Wolf, je hebt mijn zoon opgevreten, mijn oogappel, de geliefde van mijn hart en je hebt mij eindeloos verdriet en diepe smart bezorgd.’
    De wolf antwoordde: ‘Nee, bij uw grijze haar, profeet Gods! Ik heb helemaal geen zoon van u opgegeten. Het is ons verboden uw vlees en bloed te eten, van u profeten. Mij wordt hier onrecht aangedaan en ik word vals beschuldigd! Ik ben een wolf uit het buitenland, uit Egypte.’
    Toen vroeg Jacob hem: ‘En wat heeft je naar het land Kanaän gevoerd?’
    Hij zei: ‘Ik ben hier voor familiezaken, om wolven uit mijn familie te bezoeken.’ 1

De joodse oorsprong (isrā’īlīyāt) van het motief is duidelijk; het gaat terug op Genesis 37:33–35. De legende van de sporekende wolf bij Ginzberg2 is volgens hem van Arabische oorsprong. Een mooie huilerige smoes heeft de wolf hier.

  • … stond Jacob op en sprak tot zijn zonen, met betraande wangen: ‘Vooruit, neemt jullie zwaarden en bogen, gaat uit in het veld en zoekt; misschien vinden jullie het lichaam van mijn zoon en brengen jullie het me, zodat ik het kan begraven. Kijk ook uit naar wilde dieren, en vang het eerste dat jullie tegenkomen. Grijp het en breng het hier. Misschien zal God medelijden met mij hebben in mijn kommer en het dier dat mijn kind heeft verscheurd in jullie macht geven zodat ik mij erop kan wreken.’
    Jacobs zonen trokken de volgende morgen uit om het verzoek van hun vader na te komen, terwijl deze thuisbleef en huilde en rouwde om Jozef. In de wildernis vonden zij een wolf die zij vingen en levend bij Jacob brachten met de woorden: ‘Hier is het eerste wilde dier dat we tegenkwamen; we hebben het meegebracht, maar van het lichaam van uw zoon hebben geen spoor gezien.’ Jacob greep de wolf vast en sprak onder luid misbaar: ‘Waarom heb je mijn zoon Jozef verslonden, zonder enige vrees voor de God der wereld, en zonder rekening te houden met het verdriet dat jij mij zou aandoen? Jij hebt mijn zoon zonder reden verslonden; hij was aan geen enkele overtreding schuldig, en je hebt de verantwoordelijkheid voor zijn dood op mij afgewenteld. Maar God wreekt degene die wordt vervolgd.’
    Om Jacob te troosten opende God de mond van het dier en het sprak: ‘Zowaar de Heer leeft die mij geschapen heeft, en zowaar u leeft, mijn heer, ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd. Ik kom uit een land ver weg om mijn eigen zoon te zoeken, die eenzelfde lot heeft ondergaan als de uwe. Hij is verdwenen en ik weet niet of hij dood is of leeft, en daarom ben ik tien dagen geleden hierheen gekomen om hem te zoeken. Toen ik vandaag op zoek was kwamen uw zoons mij tegen en zij grepen mij en brachten mij bij u, aldus mijn verdriet over mijn verloren zoon nog groter makend. Dit is mijn verhaal en nu, mensenkind, ben ik in uw handen. U kunt zich vandaag van mij ontdoen zoals het u goeddunkt, maar ik zweer u bij de God die mij geschapen heeft: ik heb uw zoon niet gezien en ik heb hem niet verscheurd; nooit is mensenvlees mij in de mond gekomen.’ Verbaasd over wat de wolf gezegd had liet Jacob hem ongehinderd gaan waarheen hij wilde, maar hij rouwde als tevoren over zijn zoon Jozef.

NOTEN:
1. At-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyāʾ, Cairo 1347 (= 1929), blz. 81.

فقال لهم يعقوب: إن كنتم صادقين أنّ الذئب أكله فأين الذئب؟ أتوني به! فعمدوا الى حبالهم وعصيهم فأخذوها ومضوا الى الصحراء فاصطادوا ذئبًا وشدّوه وأوثقوه كتافًا، ثم حملوه الى يعقوب وأوقفوه بين يديه. فقال: حلّوا عقاله فحلّوه. فقال له يعقوب: أقبلْ فأقبل الذئب يتخطّى القوم حتى وقف بين يدي يعقوب منكسًا رأسه. فقال له يعقوب: أيّها الذئب أكلت ولدي وقرّة عيني وحبيب قلبي وثمرة فؤادي، لقد أورثتني حزنًا طويلاً وألمًا عظيمًا. قال فتكلّم الذئب قال: لا وحقّ شيبتك يا نبي الله ما أكلت لك ولدًا وإن لحومكم ودماءكم معشر الأنبياء لمحرّمة علينا. وإني لمظلوم مكذوب عليّ، وإني لذئب غريب من بلاد مصر. فقال يعقوب: وما أدخلك أرض كنعان؟ قال: جئت لأجل قرابة لي من الذئاب أزورهم وأصلهم.
(الثعلبي، قصص الأنبيا المسمّى بالعرائس، القاهرة ١٣٤٧، ص ٨١)

2. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, i, 28–9, online hier; v, 332 noot 66: Yashar Wa-Yesheb, 85a–85b. ‘This legend seems to be of Arabic origin, since in genuinely Jewish legends animals do not speak.’

Terug naar Inhoud

Al-Tha‘labī

Abū Isḥāq Aḥmad ibn Muḥammad ibn Ibrāhīm al-Tha‘labī (965-1035), stamde uit het Oost-Iraanse Nisāpūr en werkte ook in Baghdad. Hij was een Shāfi‘itische jurist en korangeleerde met een neiging tot mystiek. Tot zijn geschriften behoren een korancommentaar (al-Kashf wa-al-bayān ʿan tafsīr al-Qur’ān, Beirut z.j.) en een anecdotenbundel Qatlā al-Qur’ān (‘Degenen die door (het horen of reciteren) van de koran gedood werden’), maar hij is tegenwoordig vooral beroemd als auteur van Qiṣaṣ al-anbiyā’ (‘Verhalen over de Profeten’).
Dat laatste werk is nogal willekeurig ingedeeld in 32 afdelingen van verschillende omvang. De ordening van de stof is min of meer chronologisch. De eerste sectie behandelt de schepping van de zeven hemelen, de aarde en de mens. Dan komt de geschiedenis van Adam en Eva, hun nakomelingen en de profeet Idrīs (Henoch); dan de zondvloed en de geschiedenis van de Arabische profeten Hūd en Ṣāliḥ. Vervolgens wordt Abraham en diens instelling van de cultus bij de Ka‘ba in Mekka behandeld, dan Lot en de ondergang van Sodom, en de cyclus over Jozef en zijn broers. Meer dan een derde van het werk wordt vervolgens in beslag genomen door de geschiedenis van Israel, van Mozes via de koningen Saul, David en Salomo tot de ondergang onder hun opvolgers (isrā’īliyāt). Daarop volgen drie minder duidelijke figuren. Luqmān is de Arabische wijze uit de koran, van wie al-Tha‘labī een aantal wijze spreuken citeert. Bulūqiyā is de zoon van een bijbelse koning, die een beschrijving van de profeet Mohammed vindt, naar hem op zoek gaat en een wonderbare reis door ruim te en tijd maakt. Dat verhaal komt ook voor in de Duizend en een nacht.1 De Man met de Hoornen (dhū al-qarnayn) uit de koran2 wordt in de legende meestal met Alexander de Grote geïdentificeerd; bij al-Tha‘labī vinden we dan ook een versie van de Arabische Alexanderroman. Het volgende deel is gewijd aan de geschiedenis van Jezus (in de ruimste zin) en het werk eindigt met gevarieerde stof uit de periode tussen Jezus en Mohammed: Jona, de Zevenslapers, maar ook Sint Joris, Simson en andere personen uit de islamitische overlevering, die zowel inhoudelijk als chronologisch nogal afwijkt van de christelijke.
In de Qiṣaṣ is het verhaal vaak geënt op een koranvers dat verklaring behoeft, zoals in de *midrasj, of een volledig vrije vertelling neemt een koranvers als uitgangspunt. Reeds de eerste koranexegeten, de Vertellers, lieten hun fantasie op koranpassages los. Als voorbeeld van volledig vrije fantasie moge een fragment uit het Jozefverhaal dienen. Wanneer Jozefs broers tegenover vader Jakob beweren dat een wolf de jongen heeft opgevreten (koran 12:17) zoekt Jakob die wolf op om een hartig woordje met hem te wisselen. De wolf verklaart echter dat hij nooit profeten eet, bovendien uit Egypte stamt en alleen maar op familiebezoek is in het land Kanaän.
Al-Tha‘labī was zelf geen fantast, maar de geleerde uitgever van dit soort verhalen, zoals uit zijn bronverwijzingen en filologische commentaren blijkt. In de Profetenverhalen deponeerde hij, naar hij zelf zegt, het materiaal dat niet goed genoeg was voor zijn korancommentaar, tot stichting en vermaak van een breed, maar ontwikkeld lezerspubliek. Vermaak zeker ook: de profetenverhalen zijn vaak zeer humoristisch.

NOTEN:
1. De vertellingen van duizend en een nacht, vert. Richard van Leeuwen, 14 dln. in 7 banden, Amsterdam (Bulaaq) 1993-99, vii, 8–318.
2. Koran 18:83–98.

BIBLIOGRAFIE:
Uitgaven: Al-Tha‘labī, Kitāb Qiṣaṣ al-anbiyāʼ, al-musammā bi-al-‘Arāʼis, Būlāq 1869 en vele andere uitgaven. Een treurige oude lithografie kan gedownload worden.
Secundaire literatuur: R. Tottoli, Biblical Prophets in the Qurʾan and Muslim Literature, Richmond (Surrey) 2002.
Vertalingen:
‘Arā’is al-majālis fī Qiṣaṣ al-anbiyā’, or ‘Lives of the Prophets’, as recounted by … al-Tha‘labī, vert. George W. M. Brinner, Leiden 2002. Islamische Erzählungen von Propheten und Gottesmännern. Qiṣaṣ al-anbiyā’ oder ‘Arā’is al-mağālis von … at-Ta‘labī, 2006, übers. H. Busse, Wiesbaden 2006. Beide vertalingen zijn onwaarschijnlijk duur.

Terug naar Inhoud

Ontharingspasta

Wie heeft de ontharingspasta uitgevonden? Dat waren de satans, op verzoek van koning Salomo. Deze kreeg namelijk bezoek van Bilqis, de koningin van Scheba, en die had behaarde benen, wat hij onaantrekkelijk vond. Hij kreeg die benen te zien toen zij haar rok optrok bij het overschrijden van een glazen paleisvloer. Zo vertelt het de elfde-eeuwse Arabische auteur al-Tha‘labī in zijn Qisas al-anbiyā’ (‘Profetenverhalen’)

  • De satans hadden tegen Bilqis samengespannen en Salomo over Bilqis verteld: ‘Haar voeten zijn als ezelspoten en zij heeft behaarde benen, omdat haar moeder een djinn was.’ Salomo wilde de waarheid weten en haar voeten en benen zien, en daarom beval hij dat paviljoen te bouwen.
    […]
    Toen Bilqis kwam zei men tot haar: ‘Treed het paviljoen binnen.’ Toen zij het zag, dacht ze dat het diep water was, dus ontblootte zij haar benen om het te doorwaden naar Salomo. Deze keek naar haar, en bevond dat zij prachtige benen en voeten had, behalve dat haar benen behaard waren. Toen Salomo dat zag wendde hij zijn ogen af en riep haar toe dat het maar een paviljoen was met een glazen vloer, en geen water.
    […]
    De geleerden zijn het er niet over eens wat er met haar gebeurde toen zij zich [aan God] overgegeven had. De meesten zeiden dat Salomo daarna met haar wilde trouwen, maar bij nader inzien een weerzin gevoelde tegen het overvloedige haar op haar benen en dacht: ‘Wat is dat lelijk!’ Daarom vroeg hij de mensen om een middel om het te verwijderen, en ze zeiden: ‘Een scheermes.’ Maar de vrouw zei: ‘IJzer heeft mij nog nooit beroerd.’ Dus zag Salomo daarvan af, want hij dacht dat het in haar been zou snijden. Toen vroeg hij het aan de djinns, en die zeiden: ‘We weten het niet’. Daarop vroeg hij het aan de satans, maar die logen en zeiden ook: ‘Wij weten het niet.’ Maar toen hij sterk aandrong zeiden ze: ‘We vinden wel wat, zodat haar benen blank als zilver zullen worden.’ Toen maakten ze voor haar ontharingspasta klaar en een bad. Ibn ʿAbbās zegt dat dat de eerste maal was dat er een ontharingspasta werd gezien. Toen trouwde Salomo met haar.

We hebben hier te maken met een stukje Koranuitleg van het type midrasj. Bij christenen niet bekend, maar bij joden en moslims wel. Als basis wordt een vers of fragment uit de Schrift genomen en daarom heen wordt een verklarend verhaal gecomponeerd. Ten grondslag ligt hier Koran 27:44:

  • Men zei tot haar: ‘Treed het paviljoen binnen’. Toen zij het zag dacht zij dat het diep water was, dus ontblootte zij haar benen. Hij zei: ‘Het is een paviljoen met een glazen vloer.’ Zij zei: ‘Mijn Heer, ik heb mij zelf onrecht aangedaan en ik geef mij samen met Salomo over aan God, de Heer der wereldbewoners.’

Op basis van dit ene koranvers is het hele verhaal van die behaarde benen en het middel daartegen ontstaan. In de vertaling hier boven heb ik de woorden uit de koran gecursiveerd. Het verhaal over Salomo en Bilqis is veel langer; er zijn ook meer koranverzen over die ontmoeting.
De profetenverhalen gaan terug op de vertellers uit de eerste eeuw van de Islam, die de opdracht hadden de koran uit te leggen en de verhalen over de profeet te vertellen, maar ook die over de vroegere profeten, zoals Salomo. Later zag men niet veel meer in die vertellers en kwamen de serieuze wetgeleerden, de ʿulamāʾ, aan bod.

Al-Tha‘labī heeft een serieus korancommentaar geschreven maar daarnaast nog zijn bekende Profetenverhalen, waarin hij, naar hij zelf zegt, het materiaal kwijt kon dat niet goed genoeg was voor het commentaar. Het bovenstaande verhaal vond hij dus wel tweederangs. Toch heeft hij en hebben de moslims van alle eeuwen de profetenverhalen niet weg willen gooien. En inderdaad, die zijn daar veel te sappig voor. Bovendien is te bedenken dat de serieuze korancommentaren toch ook voor een belangrijk deel op materiaal van zulke vertellers berusten, al is dat dan wat gekuist, vervlakt en theologisch in model gedrukt.

Bron: al-Tha‘labī, Qiṣaṣ al-anbiyāʾ, in het verhaal over Sulaymān. Uitgave en bladzijnummer te noemen heeft weinig zin, daar er ontelbare uitgaven bestaan, alle even slecht.

Terug naar Inhoud