De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Terug naar De vermeende ziekte van Mohammed – 1

Werd Mohammed eeuwenlang geacht aan epilepsie geleden te hebben, in de nieuwere tijd werd deze diagnose niet meer gehoord. Maar in de ogen van sommige Europeanen was de profeet toch wel degelijk ziek geweest. Ik wil hier drie personen behandelen die erin slaagden, bij de profeet postuum een ziekte te ontdekken die al zijn onaangename eigenschappen kon verklaren: Sprenger, Somers en Geus.
.
Aloys Sprenger (1813–1893)
Mohammed leed aan een ziekte die meestal bij vrouwen en zelden bij mannen voorkomt: hysteria muscularis. Met het gezag van een arts in een witte jas sprak Aloys Sprenger in 1861 deze diagnose uit. Hij heeft er een half hoofdstuk aan gewijd in zijn biografie van de profeet (Sprenger 207ff.).
De Tiroler Sprenger had inderdaad medicijnen gestudeerd en zijn studie afgerond met een promotie, maar als arts gepraktiseerd heeft hij nooit. Hij was voor alles een all-round oriëntalist en had er alleen medicijnen bij gedaan omdat hij bang was in de oriëntalistiek geen betrekking te zullen vinden. In Oostenrijk had hij al twee maal een pijnlijke teleurstelling moeten ondervinden1 en hij kreeg zelfs niet eens een Oostenrijkse pas. Maar in Engeland had hij meer geluk: daar leerde hij een edelman kennen die hem op zijn waarde schatte en verder hielp. In het uitdijende imperium kon men wel een oriëntalist gebruiken. Hij verwierf de Britse nationaliteit en bij de nauw met de regering verbonden Asiatic Society kreeg hij een hoge positie die hem naar Brits-Indië voerde. Daar bekommerde hij zich om hoger onderwijs voor Indiërs in het Hindi, en om bibliotheken, catalogi, uitgeverijen en tijdschriften in diverse Indische talen, alsmede Arabisch en Perzisch. Hij had toegang tot zeer vele oude Arabische handschriften, waarvan hij er ettelijke kocht en las; daarin was hij zijn Europese collega’s ver vooruit. Na veertien jaar India reisde hij nog rond door het Nabije Oosten, werd hoogleraar in Bern en vestigde zich tenslotte in Duitsland. Zijn kostbare boekenschat verkocht hij aan de koninklijke bibliotheek in Berlijn.
Voor Sprenger was de omgang met moslims iets vanzelfsprekends; hij had vrienden onder hen en werd door hen geaccepteerd en gerespecteerd. Dat nam niet weg dat hij Mohammed voor een geestelijk gestoorde bedrieger hield—maar dat waren andere profeten in zijn ogen net zo goed: ‘In alle gevallen die wij kennen waren de profeten óf geestelijk en lichamelijk zieke mensen, óf halfmythische personen.’2
.
Hoe zag die hysterie van de profeet eruit, volgens Sprenger? Zij trad als gewoonlijk op in paroxysmen (aanvallen). Als de aanval licht was manifesteerde zij zich in het op en neer gaan tussen expansie en contractie van de spieren, dat voor deze aandoening karakteristiek is. Zijn lippen en tong trilden, alsof hij iets wilde oplikken; de ogen draaiden enige tijd weg en het hoofd bewoog zich automatisch. Bij lichte aanvallen was de wil sterk genoeg is om deze stuiptrekkende bewegingen de baas te blijven, zoals wij ook bij kou het bibberen van onze ledematen door onze wil onder controle houden, maar bij heftigere aanvallen waren ze niet meer met de wil te beheersen. Tegelijk leed hij ook aan hoofdpijn (hysteria cephalica) en als de aanvallen zeer hevig waren trad er catalepsie op, een verstijving van de spieren: hij viel als dronken op de grond als, zijn gezicht werd rood, de adem zwaar en hij snurkte als een kameel. Hij schijnt echter niet het bewustzijn te hebben verloren, waardoor deze aanvallen zich onderscheiden van epilepsie.
Een bekende eigenschap van hysterie is, aldus de dokter, dat zij de verschijningsvorm van andere ziekten kan aannemen. Er is nauwelijks een aandoening waaraan de lijders niet een tijdlang onderworpen zijn: longontsteking, carditis, een verstikkende asthma, het kan van alles zijn. Omstanders zijn ontzet, maar het is maar een onbetekenende hysterie die ook snel weer verdwijnt. Bij Mohammed nam de hysterie vooral de vorm van koorts aan en het was aan de zweetdruppels in zijn gezicht te zien als de crisis was ingetreden.
.
Sprenger schildert dit alles wat uitvoeriger dan ik nu doe en hij doet dat zeer levendig, zodat het leest alsof hij de patiënt Mohammed van nabij en gedurende langere tijd heeft meegemaakt. Dat was echter in het geheel niet het geval; de profeet was immers al vele eeuwen dood. Bovendien bestaat naar huidige inzichten de diagnose hysterie helemaal niet; de verschijnselen die eronder begrepen waren worden tegenwoordig anders verklaard en eventueel bij andere ziektes ondergebracht.
.
Maar ik heb de geleerde onderbroken, hij was nog lang niet klaar. Jonge vrouwen, zo zegt hij, zijn gewoonlijk romantisch en religieus dweepziek; als zij de kritische leeftijd naderen worden zij niet zelden beheerst door nymfomanie. Welnu, dergelijke verschijnselen hebben ook de ziekte van Mohammed begeleid. In zijn jeugd schijnt hij een zedig leven te hebben geleid, ‘al is hij niet vrij van de verdenking, zich te hebben overgegeven aan de naar Genesis 38:9 genoemde zonde’ — de profeet als onanist, toe maar!  (Sprenger 209) Lange tijd had hij genoeg aan één vrouw, die bovendien vijftien jaar ouder was dan hij zelf. Na haar dood had hij een onverzadelijke Hang zur Wollust, een sterke sex drive zouden we tegenwoordig zeggen, en dat was een symptoom van zijn ziekte. Hij had na de dood van Khadidja meer dan een dozijn vrouwen en als hij een paar dagen van huis ging moesten er een of twee mee. Bovendien leed hij aan impotent satyriasme. Satyriasme of satyriasis is het mannelijke tegenstuk van nymfomanie en heet tegenwoordig hyperseksualiteit. Hoe die impotentie daarbij past was me eerst niet duidelijk. Maar wacht, impotent moest de profeet op latere leeftijd zijn omdat hij bij zoveel vrouwen slechts zo weinig kinderen had.
‘Voor ons doel,’ zo vervolgt Sprenger, ‘zijn vooral de psychische symptomen belangrijk.’ Wat was zijn doel? Blijkbaar wilde hij aantonen dat de profeet een geestelijk gestoorde leugenaar was en dat zijn verhalen over openbaringen verzonnen zijn. Want ‘hysterici hebben allen min of meer aanleg tot leugen en bedrog, en deze neiging wordt op den duur tenslotte tot een echte ziekte.’ Ook de hallucinaties, visioenen en wakende dromen vallen hieronder, en die moet Mohammed volgens Sprenger gehad hebben, omdat hij bij voortduring meende openbaringen te ontvangen. (Sprenger 210)
Zware zenuwziekten en koorts worden vrijwel altijd begeleid door deliria, d.w.z. hallucinaties. De oorzaken (sic!) van de ‘voor ons doel’ interessante visioenen zijn echter eenzaamheid, honger en dorst en religieuze dweepzucht. In de leegte van de woestijn lijkt het vaak alsof je stemmen hoort, of dat er iemand bij je is. Dat laatste kan ik uit persoonlijke ervaring bevestigen; maar waarom dan nog die hysterie? Blijkbaar bedoelt Sprenger dat Mohammed door die hysterische aanleg zijn woestijnbelevenissen tot een pakket van leugens over een engel en een openbaring heeft verdicht.
.
Eerlijk gezegd begrijp ik het betoog niet helemaal, maar ik heb dan ook geen medicijnen gestudeerd. Overduidelijk is echter, dat zo alle traditionele bezwaren tegen de profeet mooi samenkomen onder de overkoepelende diagnose ‘hysterie’: de aanvallen, de hallucinaties, de leugenachtigheid, de bezetenheid van seks en tegelijk de impotentie van de profeet. Epilepsie was het niet, dat zag Sprenger, maar voor het overige bleef hij hangen in de eeuwenoude groef. En dat hoewel hij toegang had tot meer oude Arabische bronnen dan al zijn tijdgenoten. Hij heeft bij voorbeeld álle berichten verzameld die hij kon vinden over de lichamelijke verschijnselen die bij de profeet optraden als hij een openbaring kreeg, en die beslaan tien bladzijden (Sprenger 265–75). Jammer alleen dat hij ze voor ooggetuigenverslagen hield—maar daarover moet men hem niet al te hard vallen. De literatuurwetenschap stond nog in de kinderschoenen, en in de negentiende eeuw meende men nu eenmaal dat zulke berichten weergaven ‘wie es wirklich gewesen’—behalve dan de gedeeltes over wonderen en bovennatuurlijke zaken, zoals over een bezoekende engel die openbaringen bracht, die natuurlijk niet waar kónden zijn.
.
Sprenger ontkracht zichzelf postuum door de overweldigende negentiende-eeuwsheid die zijn betoog ademt en die tot spontaan lachen noodt: zijn gewichtigdoenerij, de nep-diagnose ‘hysterie’, de schrik voor seksualiteit (waarover hij bij voorkeur in het Latijn schrijft), de totale blindheid voor geestelijke ervaringen die ook gezonde, doodnormale mensen kunnen hebben en last, but not least: het onbegrip waarmee hij oude teksten leest. Een deel van deze trekken heeft hij gemeen met zijn collega’s uit de late twintigste eeuw; die wil ik nu eerst introduceren alvorens te analyseren waar het met dit soort diagnoses in het algemeen fout gaat.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Zijn poging in de Orientalische Akademie opgenomen te worden mislukte, omdat hij niet van adel was en volgens de statuten alleen mannen van adel lid konden worden. (Von Wurzbach, 259)
2. ‘In allen Fällen, die wir kennen, waren die Propheten entweder geistig und körperlich kranke Leute, wie Mohammed, oder halbmythische Personen.’ (Sprenger 25)

BIBLIOGRAFIE
– Aloys Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moammad, nach bisher grösstentheils unbenutzten Quellen, 4 dln., Berlin 1861, reprint Hildesheim 2003.
– Constantin von Wurzbach: Sprenger, Alois. In: Biographisches Lexikon des Kaiserthums Österreich, dl. 36, Wenen 1878, blz. 258–263 (online hier).
– S. Procházka: Sprenger Aloys. In: Österreichisches Biographisches Lexikon 1815–1950, dl. 13, Wien 2007–2010.

Terug naar Inhoud

Een andere Oriënt: Guibert de Nogent

Waar ligt de Oriënt? In een andere bijdrage heb ik duidelijk gemaakt dat de Oriënt vooral een Europees hersenspinsel is. Welke Europeanen hebben als eersten over de Oriënt gesproken als een buitenlands en volkomen ander deel van de wereld?
Dat de oude Grieken, met name de Atheners, de Perzen beschouwd zouden hebben als wezenlijk anders en ongeneeslijk oriëntaals, is al als een mythe uit de negentiende eeuw ontmaskerd.
.
In de afgelopen eeuwen meende men dat de Oriënt begon bij de Turkse grens en op zijn minst de hele islamitische wereld omvatte. Maar de grens tussen oost en west was niet altijd die tussen christendom en islam. John Tolan heeft enkele bladzijden gewijd aan de Franse abt Guibert de Nogent (± 1055–1125), een theoloog, historicus en autobiograaf die de grenslijn duidelijk anders trok.1 Hij schreef in 1109 de verhandeling Dei Gesta per Francos, over de werken die God door de Franken had verricht. Daarmee bedoelde hij vooral de verovering van Jeruzalem op de Saracenen in 1099, gedurende wat tegenwoordig de Eerste Kruistocht heet. Maar als Guibert het woord orientalis gebruikt doelt hij niet alleen op die verderfelijke islamitische Saracenen, maar vooral op de Griekstalige christenen in het Oosten—en hij zal niet de enige geweest zijn.
.
In de elfde eeuw hadden de Saracenen in Europa inderdaad angst, irritatie en weerzin gewekt. Het Fatimidische Rijk, dat liep van Tunesië tot en met Syrië, was een formidabele macht. Christelijke pelgrims uit West-Europa werd soms belet de bedevaart naar Jeruzalem te maken, en de grillige kalief al-Ḥākim had in 1009 zelfs de Heilig Grafkerk in die stad laten afbreken, een daad die in Europa de hele eeuw na-echode en een van de drijfveren voor de kruistocht werd. In Anatolië werd het Oost-Romeinse Rijk onder de voet gelopen door Turkse Seldjoeken, vooral na de slag bij Manzikert (tegenwoordig Malazgirt) in 1071.
.
Wat Guibert echter minstens zo zeer bezighield was de situatie in de christelijke wereld. Het Schisma tussen de Latijnse kerk van Rome en de Griekse van Constantinopel kreeg zijn beslag in 1054, maar had natuurlijk een lange aanloop van theologische en politieke conflicten gehad en hield de geesten ook nog lang daarna bezig. Over oriëntaalse christenen had Guibert geen gunstig oordeel: 

  • Echter het geloof van de oosterlingen, dat nooit stabiel was geweest maar altijd grillig en wankel, altijd op zoek naar nieuwigheden en afwijkend van het richtsnoer van het ware geloof, wendde zich tenslotte af van het gezag van de oude kerkvaders. Kennelijk hebben deze mensen, door de zuivere lucht en heldere hemel in hun geboorteland, ten gevolge waarvan hun lichamen lichter zijn en hun verstand dus beweeglijker is, de gewoonte hun briljante intelligentie te verspillen aan talrijke zinloze commentaren. Het beneden zich achtend de leer van ouderen of tijdgenoten te volgen, zinnen zij op ongerechtigheden en al zoekend matten zij zich af (Psalm 63 of 64:7). Dit leidde tot allerlei ketterijen en pestilenties […] zij waren de aardbodem omwille van hun leraren vervloekt, doornen en distelen voortbrengend voor degenen die het bewerkten (Genesis 3:17, 18). Uit Alexandrië kwam Arius voort, uit Perzië Manes. De waanzin van de ene scheurde en bebloedde bij voortduring de mantel van de Heilige Kerk, die tot dan toe vlek noch kreukel had gehad […]. De verzinsels van de andere, hoe belachelijk ook, stompten ook de scherpste geesten wijd en zijd af door allerlei trucs.2

Volgens Tolan zijn tot die ketterijen te rekenen: het gebruik van gedesemd brood bij de eucharistie, het gebrek aan respect voor de Paus, gehuwde priesters en allerlei misvattingen over de Drieëenheid. Om deze dwalingen liet God het oostelijk deel van het rijk in handen vallen van Arabische veroveraars.3
.
Het Oosten is niet alleen zwak in de godsdienst, maar ook in politiek opzicht onserieus:

  • Als we ons de vroege geschiedenis van de oorsprong van hun rijken te binnen brengen en praten over de belachelijke aard van hun koningen, moeten we ons verbazen over de Aziatische wispelturigheid waarmee heersers [telkens] plotseling werden afgezet en vervangen.4

Ooit roemrijke kweekbedden van het christendom verkommeren volgens Guibert; daarentegen bloeien de vitale West-Europese christenen:

  • De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.5

Let wel: dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? Een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Het klinkt als de voorafschaduwing van koloniale arrogantie.

De Kruisvaarders ervoeren ook de verraderlijkheid van de oosterlingen op militair gebied, bij voorbeeld in Antiochië. Die huichelaars beweerden christenen te zijn, maar waren dat volgens Guibert slechts nominaal:

  • De Armeniërs en Syriërs echter, anders dan, zoals ik al zei, de Turkse kameelruiters, die de hele bevolking van de stad vormden, omdat zij in de stad zelf woonden, en die beweren christenen te zijn, bezochten de onzen dikwijls, en vertelden [de Turken] waar ze bij ons achterheen hadden gezeten. Want met de lijm van hun voortdurende praatjes vingen zij de Franken en fluisterden allerlei vleierij in hun oren, hoewel ze hun eigen vrouwen de stad niet eens uit lieten. Als zij de Franken verlieten en terugkeerden brachten zij aan de Turken alle informatie over die ze daar konden vergaren aangaande de zwakheden aan de christelijke kant.6

Voor Guibert was Mohammed (‘Mathomus’) de laatste van een lange lijst ketters.

  • Volgens de populaire mening was er een man, wiens naam als ik het goed heb Mathomus was, die hen indertijd geheel en al wegvoerde van het geloof in de Zoon en de Heilige Geest. Hij onderwees hen, alleen de persoon van de Vader als de enige scheppende God te erkennen, en zei dat Jezus zuiver mens was.7

Mohammed was dus een heresiarch, de allerergste van de oosterse ketters, maar niet wezenlijk verschillend van hen. Tegelijkertijd was hij door God gezonden als de gesel die hen moest straffen.
.
In Dei Gesta valt het Westen samen met de Latijnse kerk van Rome, terwijl de Oriënt zowel de Griekse kerk van Constantinopel als de Saracenen omvat. 

VOETNOTEN
1. Tolan, Faces, 48–54.
2. Orientalium autem fides cum semper nutabunda constiterit et rerum molitione novarum mutabilis et vagabunda fuerit, semper a regula veræ credulitatis exorbitans, ab antiquorum Patrum auctoritate descivit. Ipsi plane homines pro aeris et celi cui innati sunt puritate cum sint levioris corpulentiæ et idcirco alacrioris ingenii, multis et inutilibus commentis solent radio suæ perspicacitatis abuti et, dum maiorum sive coevorum suorum despiciunt obtemperare magisterio, scrutati sunt iniquitates, defecerunt scrutante scrutinio: inde herese et pestium variuarum genera portentuosa […] ipsi fuerunt terra in suorum maledicta magistrorum opere, spinas et tribulos germinans operantibus se. Ex Alexandria Arrius, ex Perside Manis emersit: alterius rabies sanctæ æcclesiæ vestem, maculam aut rugam habentem, tanta scidit atque cruentavit instantia […] alterius fabulæ, etsi ridendæ, argutissimorum etiam virorum longe lateque obtuderunt quasi prestigiis quibusdam acumina. Guibert, Dei gesta 89–90, Deeds of God 30.
3. Tolan Faces 49.
4. Recolamus veteres de originibus regnorum Historias, et garriamus super ridiculo statu regum et Asiaticam levitatem super subita principum destitutione ac restitutione miremur. Guibert, Dei gesta 91, Deeds of God 30.
5. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt. Guibert, Dei gesta 92, Deeds of God 31.
6. Armenii autem et Syri, ex quibus præter, ut sic dixerim, Turcos epibatas, tota urbs illa constabat, cum urbem ipsam incolerent, et Christianæ sese titulo conditionis efferrent, crebro nostros invisere; et esse eorum universum addiscere, et suis quæ apud nostros aucupati fuerant nuntiare. Cum enim Francos suæ assiduæ confabulationis visco allicerent, et se a Turcorum facie fugitare, multæ adulationis lenocinio, nostrorum auribus mussitassent, uxores tamen proprias excedere, nullatenus ab urbe sinebant, et ad ipsas, digressi a Francis, postliminium facientes, quæ istinc subintelligere poterant, ad Turcos Christianorum partium infirmiora ferebant. Guibert, Dei gesta 171, Deeds of God 75–6.
7. Plebeia opinio est quemdam fuisse, qui, si bene eum exprimo, Mathomus, nuncupetur, qui quondam eos a Filii et Spiritus sancti prorsus credulitate diduxerit, solius Patris personæ, quasi Deo uno et creatori inniti docuerit, Iesum purum hominem dixerit […] Guibert, Dei gesta 94, Deeds of God 32.

BIBLIOGRAFIE
– Guibert de Nogent, Dei gesta per Francos et cinq autres textes, uitg. Robert B.C. Huygens, Turnhout 1996. Een oudere, electronisch toegankelijke editie staat in Migne, Patrologia Latina 156:0679–0837:
– Guibert de Nogent, The Deeds of God through the Franks. A translation of Guibert de Nogent’s Gesta Dei per Francos, vert. Robert Levine, Rochester NY 1997. Online naar verluidt verkrijgbaar via Project Gutenberg, maar in Duitsland is dat geblokkeerd. Ik heb deze vertaling gebruikt, maar in het bovenstaande niet overal gevolgd.
– John V. Tolan, Faces of Mohammed. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Terug naar Inhoud

Wie heeft het racisme uitgevonden?

[GROEITEKST, WERKBLAD]
Bij de oude Grieken en Romeinen viel het nogal mee met het racisme, als ik de literatuur mag geloven. Maar die literatuur is wel wat problematisch. De klassieke Oudheid wordt in de westerse wereld dikwijls geïnstrumentaliseerd ter verbreiding van hedendaagse opvattingen. Het is dus denkbaar dat iemand uit de Verenigde Staten, die omstreeks 1950 schreef dat er in de Oudheid geen racisme bestond, eigenlijk de afschaffing van de rassenscheiding in de VS wilde bevorderen. Anderzijds geloven white supremacists vaak dat de oude Grieken en Romeinen net zo blank waren als hun marmeren standbeelden. Zij worden kwaad en sturen dreigmails aan archeologen en classici die aantonen dat die beelden vroeger gekleurd waren en dat de verf er in de loop der eeuwen af is gegaan, of door overijverige museumconservatoren is weggeschrobd.

Hoe dan ook, de personages van Homerus, inclusief de goden, vonden Ethiopiërs fijne mensen, trouw en gastvrij, en Ethiopiërs is de Oudgriekse benaming voor Afrikanen. Thetis vertelt Achilles:

  • Zeus is namelijk gisteren vertrokken naar de Oceaan voor een maaltijd | bij de voortreffelijke Ethiopiërs, alle goden vergezelden hem.1

En Iris zegt tegen de winden:

  • Geen tijd om te zitten, want ik ben nu onderweg naar de stromen van Okeanos en het land van de Ethiopiërs, waar men offers brengt aan de onsterfelijken, om ook zelf te delen in de rituelen.2

Ook Poseidon heeft het naar zijn zin bij de Ethiopiërs:

  • Deze nu was vertrokken naar de ver wonende Ethiopen, | (de Ethiopen, die in tweeën verdeeld zijn, verwijderd van de mensen, | één groep in het Westen, de andere in het Oosten) | om een offer in ontvangst te nemen van stieren en rammen. | Daar dus deed hij zich te goed, aanzittend aan de maaltijd; … 3

Feit is bovendien dat het Romeinse Rijk verregaand multiculti was, met vrij verkeer van mensen en goden, en dat het tenminste één keizer uit Libye heeft gehad (de Berber Septimius Severus; zijn vrouw Julia stamde uit het Syrische Homs) en twee uit het huidige Syrië/Turkije (de Arabieren Heliogabalus en Philippus Arabs). Iets dergelijks is in het huidige Europa volledig ondenkbaar.
Ik zal me nog nader inlezen in de vakliteratuur over de klassieke Oudheid, hoewel ik dat niet met grote kennis van zaken kan doen.

[[Een vriend gaf mij intussen de volgende lectuur over de klassieke Oudheid:
https://books.google.nl/books?id=eem1AQAAQBAJ&printsec=copyright&hl=nl&source=gbs_pub_info_r#v=onepage&q&f=false  en over zelfde titel: https://press.princeton.edu/titles/7737.html
https://www.jstor.org/stable/40023593?seq=1#page_scan_tab_contents
href=”http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf”>http://www.anistor.gr/english/enback/AGRacism.pdf
Benjamin H. Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity, Princeton University Press 2004/2006?]]

Als het de Grieken en Romeinen niet waren, wie hebben het racisme dan uitgevonden? De oude Perzen? Daar heb ik geen toegang toe. Wel kan ik eens kijken of het misschien de oude Arabieren waren.
.
De pre-islamitische Arabieren leefden in stamverband en waren dikwijls in oorlog met naburige stammen, die zij dan haatten of verachtten. In hun poëzie wordt vanouds veel plaats ingeruimd voor eigenroem en het uitschelden van andere, minderwaardig geachte stammen. Toch kon dit niet al te diep zitten: het kwam immers voor dat er ineens een alliantie met zo’n vijandige stam tot stand kwam, of dat een kleine stam door een grotere werd geabsorbeerd; dan waren die negatieve gevoelens niet meer opportuun. Bovendien waren zulke (ex-)vijanden niet werkelijk anders; ze behoorden niet tot een ander ras.
Ook slaven werden geminacht. Er zullen slaven zijn geweest die van ver gehaald waren, maar er waren er ook die uit de directe omgeving stamden en dus gewoon soortgenoten waren: mannen die na een verloren veldslag in krijgsgevangenschap geraakten of die tot slaaf gemaakt werden omdat zij hun (speel)schulden niet konden betalen. Zulke slaven waren niet ‘anders’. Al te diepgewortelde afkeer lag ook hier niet voor de hand, omdat vrijwel iedereen door krijgsgevangenschap of schulden slaaf kon worden. Vrouwen zullen dikwijls zijn buitgemaakt als seksobject, maar het kwam natuurlijk voor dat een eigenaar genegenheid opvatte voor zijn slavin en haar niet meer zo diep verachtte; ook voor een voedster kan men respect en liefde gekoesterd hebben.
.
Echt anders waren de vreemde volkeren verderop. De Perzen werden ‘adjam genoemd: mensen die het Arabisch niet behoorlijk konden uitspreken. Het waren rare snuiters met vreemde manieren en wonderlijke kleding, maar werden zij werkelijk als een ander ras opgevat, in de zin van een groep met afwijkende fysieke eigenschappen? Dat is nog maar de vraag.
.
De Romeinen werden soms wel naar een lichamelijk kenmerk genoemd: Banū al-Aṣfar, ‘de geelhuiden’.4
.
In een enkele hadith van de Profeet — die wel uit de tweede eeuw van de islam moet dateren — worden raskenmerken van Turken uit Centraal-Azië genoemd: ‘… de Jongste Dag zal niet aanbreken, voordat jullie tegen mensen gevochten hebben met kleine ogen en korte neuzen.’ 5
.
Degenen met de meest in het oog lopende afwijkende lichamelijke eigenschappen, die ook het vaakst beschreven werden, waren de zwarten uit Afrika, en soms uit India. Op die uit Afrika zal ik me hier concentreren. Wat kan ik als Arabist doen? Een groots project ga ik niet opstarten, maar voor de oudste tijd kan ik de poëzie bekijken; vervolgens het geval van ‘Antara, een pre-islamitische zwarte dichter en held, en dat van Bilāl, de zwarte moëddzin van de profeet Mohammed.
Daartoe zal ik ik de volgende literatuur gebruiken:
– Manfred Ullmann, Der Neger in der Bildersprache der arabischen Dichter, Wiesbaden 1998.
– Albert Arazi en Salman Masalha, Six early Arab poets. New edition and concordance, Jerusalem 1999.
@@trefwoorden nog aswad 592–4 LET OP 594 regel 1. Snel gezien denk ik. Dit checken met Ullmann@@.
– Wolfdietrich Fischer, Farb- und Formbezeichnungen in der Sprache der altarabischen Dichtung. Untersuchungen zur Wortbedeutung und zur Wortbildung, Wiesbaden 1965. Trefwoorden: aswad, aṣfar, aḥmar 356 supra, abyaḍ, asmar, ašqar, ‘Hautfarbe’.@
.
Voor de wat latere tijd is er het volgende:
– De werken van al-Djaḥiẓ en de analyse daarvan door Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ‘Uṯmān al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979. Al-Djāḥiẓ had een theorie over rassen. Zijn vader was een zwarte slaaf.
– Gernot Rotter, Die Stellung des Negers in der arabisch-islamischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.
– Bernard Lewis, Race and Slavery in the Middle East. An Historical Enquiry. New York/Oxford 1990.
Niet uit te sluiten is natuurlijk dat in deze secundaire literatuur nog van alles staat over de vroegste tijd; dat kan ik dan later invoegen.

Nu dan eerst die oude poëzie. Manfred Ullman heeft alle dichtregels verzameld waarin wordt gerefereerd aan zwarten. Van een groots filoloog en lexicoloog als hij mag men aannemen dat zijn verzameling van omstreeks zeshonderd fragmenten6 zo goed als volledig is. Enige oude poëzie is te achterhalen via de Concordance; die zal ik controleren.
.
Van de zwarten worden de volgende lichaamskenmerken genoemd:

  • Een zwarte huid
  • Kroeshaar
  • Dikke lippen
  • Een platte neus
  • Stralend witte tanden,

waarbij dat laatste geen lichaamskenmerk is, maar eerder een optische illusie. Tanden lijken immers witter wanneer zij zijn omgeven door zwarte huid.
.
Ullmann wilde niet onderzoeken welk beeld de oude Arabieren van zwarten hadden, maar de beeldspraak in de verzen bestuderen, waarin niet-zwarte mensen, dieren of dingen met zwarten worden vergeleken.
In wat ouder Nederlands werd dat ook wel gedaan. Iemand die vuil werk had gedaan of erg door de zon verbrand was zag ’s avonds ‘zo zwart als een neger,’ of ‘als een Turk,’ of ‘als een Moor’. Ook een kolenkachel, een zondige ziel en vast nog andere zaken konden ‘zo zwart als een Moor’ genoemd worden.
Maar de Arabieren maakten die vergelijkingen ook in hun poëzie, en op veel uitgebreider schaal dan onze voorouders. Ook bij hen worden vuil geworden, beroete, zwart gemaakte of door de zon verbrande mensen vergeleken met echte zwarten, maar daarenboven ook ettelijke dieren, lichaamsdelen, planten, vruchten, mineralen, werktuigen, kledingstukken, wijnzakken, schepen, schrijfgerei en inkt, mest en stront, fluiten en schaakstukken, de nacht, de zee en de wolken en nog veel meer. Het punt van vergelijking is vrijwel altijd de donkere kleur; soms wordt er ook met andere fysieke eigenschappen van zwarte mensen vergeleken. Enkele voorbeelden:

  • ‘Het donker van de nacht is als een zwarte neger met gebogen hoofd, die zich in een rouwgewaad heeft gehuld.’ 7
  • ‘Midden over de weg kroop een zwartje …. Moge God hem niet zegenen, deze kruipende schorpioen…’ 8
  • ‘Wijnstokken, aan welker ranken vol druiven men op de dag van de oogst schedels van Ethiopiërs meent te ontwaren.’(bollende, diep-donkere druiven.)9
  • ‘Boven op ons vuur staat een welgevulde Ethiopische, dik als de buik van een olifant, die het daar lang uithoudt.’ (een bolle, zwart-beroete kookpot wordt met een Ethiopische vrouw vergeleken.)10
  • ‘De rug van een mestkever zou men voor de rug van een Nubiër kunnen houden.’ (de zwarte rugschilden van de mestkever//de schouderbladen van een zwarte man.)11
  • ‘Ik ging aan boord op een negerin … (bedoeld is een zwart geteerd schip op de Tigris).12

In deze en verreweg de meeste andere verzen is geen enkel waardeoordeel over zwarte mensen te lezen. Het ging de dichters erom, een kunstige vergelijking maken tussen iets donkers en de huidskleur van een zwarte mens, dat is alles. Moderne mensen mogen dit een vreemd streven vinden, maar zo was het nu eenmaal in de oude poëzie, die ook verder wemelt van in onze ogen vergezochte vergelijkingen.
.
In een aantal verzen worden echter wel degelijk racistische uitspraken over zwarten gedaan, sommige zijn zelfs uitgesproken grof en gemeen. Te onderzoeken is nu ten eerste of dit zich voordoet in de oudste verzen of in latere. Ik wil immers weten of het racisme van de oude Arabieren stamt, zeg maar die van voor het jaar 700. Ten tweede wil ik kijken of zulke negatieve commentaren voorkomen in de vergelijkingen met bepaalde dingen of dieren. De verleiding lijkt groot om bij voorbeeld de mestkever iets smerigs te vinden, maar op zich is dat niet nodig. In het Arabische woord khunfus klinkt het bij ons negatief beladen woord ‘mest’ niet mee. Bovendien was in het laatste voorbeeld hierboven al een neutrale vergelijking zonder negatieve bijklank te zien en dat is lang niet de enige.

WORDT VOORTGEZET

ANMERKUNGEN
1. Homerus, Ilias 1:423–4:
Ζεὺς γὰρ ἐς Ὠκεανὸν μετ’ ἀμύμονας Αἰϑιοπῆας | χϑιζὸς ἔβη κατὰ δαῖτα, ϑεοὶ δ’ ἅμα πάντες ἕποντο· Vertaling Ben Bijnsdorp: https://benbijnsdorp.nl/homerus_ilias.html.
2. Homerus, Ilias 23:205–207:
οὐχ ἕδος: εἶμι γὰρ αὖτις ἐπ’ Ὠκεανοῖο ῥέεθρα | Αἰθιόπων ἐς γαῖαν, ὅθι ῥέζουσ’ ἑκατόμβας | ἀθανάτοις, ἵνα δὴ καὶ ἐγὼ μεταδαίσομαι ἱρῶν. Vertaling Ben Bijnsdorp.
3. Homerus, Odyssee 1:21-25:
ἀλλ᾽ ὁ μὲν Αἰθίοπας μετεκίαθε τηλόθ᾽ ἐόντας, |Αἰθίοπας τοὶ διχθὰ δεδαίαται, ἔσχατοι ἀνδρῶν, | οἱ μὲν δυσομένου Ὑπερίονος οἱ δ᾽ ἀνιόντος, | ἀντιόων ταύρων τε καὶ ἀρνειῶν ἑκατόμβης. |ἔνθ᾽ ὅ γ᾽ ἐτέρπετο δαιτὶ παρήμενος … Vertaling Ben Bijnsdorp; https://benbijnsdorp.nl/homeros/homerus_odyssee.html. Vgl. ook 5:281–287.
4. Ibn Isḥāq: Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 894. Aṣfar klinkt onaangenaam wanneer het van mensenhuid wordt gezegd; het wordt ook gebruikt voor de vaalgele huidskleur van zieken en lijken.
5. Muslim, Ṣaḥīḥ, Fitan 64:
وحدثنا أبو بكر بن أبي شيبة حدثنا سفيان بن عيينة عن أبي الزناد عن .الأعرج عن أبي هريرة يبلغ به النبي صقال لا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما نعالهم الشعر ولا تقوم الساعة حتى تقاتلوا قوما صغار الأعين ذلف الآنف.
6. Ullmann heeft de fragmenten genummerd t/m 638, maar er zitten doubletten bij.
7. Ullman, Neger, no. 390: كأنّ ظلام الليل أسود مُطرق من الزنج في لِبس الحِداد قد التفّا. Hier en in het vervolg vertaal ik ḥabashī met ‘Ethiopiër’, aswad met ‘zwarte’ en zandjī met ‘neger’. Ook het Arabische woord zandjī heeft vaak een negatieve klank.
8. Ibid., no. 97: إذا على ظهر الطريق مُغِذة سوداء قد عرفت أوان دهابي | لا بارك الرحمن فيها عقربا دبّابة دبّب الى دبّاب
9. Ibid., no. 293: كَرْم تَخَال على قُضبان حُبلته يومَ القِطاف له هامات حُبشان
10. Ibid., no. 554: تُفَرِّعُ أعلى نارها حبشية ركود كجوف الفيل طال دُؤوبها
11. Ibid., no. 71: كأُرْبية النوبي يُحسب ظَهره
12. Ibid., no. 71: ركبتها زنجية

Terug naar Inhoud

Oriëntalistische kunst

Voordat ik verderga over het oriëntalisme zal ik snel even wat plaatjes van oriëntalistische schilders laten zien, dat U een indruk krijgt. In de periode van pakweg 1815–1914 werd het Oosten geacht schilderachtig, kleurrijk, exotisch, prachtig, rijk en vooral ook zinnelijk te zijn. De stoffen waren kostbaar, de architectuur was schitterend. De armoede wordt vrijwel nooit tot onderwerp genomen, wel de vermeende willekeur en wreedheid van oosterse despoten (Cormon, Regnault), die een aangename huiver mogelijk bij de kijker teweeg bracht. En de wreedheid van de slavernij, hoewel de schilders zich weinig met de medemens begaan tonen; meestal verlustigen zij zich in de aanblik van een naakte vrouw of jongen.
Voor menig schilder was een oosters tafereel het nodige voorwendsel om naaktheid af te beelden, zoals antieke en bijbelse voorstellingen dat vroeger waren geweest. De zinnelijke kant van de islamitische wereld, de badhuizen en de harems sprak zeer tot de verbeelding in het destijds zeer preutse Europa. Hoe het in die harems werkelijk toeging wisten slechts weinigen, maar in een tijd dat Europese dames schuil gingen onder hoepelrokken en halleluja-hoeden en bijna van hun stokje vielen in strak aangeregen korsetten werd de verbeelding van hun echtgenoten geprikkeld door oriëntaalse fantasieën.
Oriëntalistische schilders hoefden niet in de Oriënt geweest te zijn. Ingres is nooit verder gekomen dan Italië. Lewis schildert een zeer kleurrijk Cairo, terwijl die stad in werkelijkheid bestaat uit vijftig tinten vaalgeel en grijs.
Het beroemd-beruchte schilderij met de vuil kijkende slavenhandelaar die juist een nieuw binnengekomen maagd onthult is van Fabio Fabbi. De copie is slecht, maar als U meer soft porno in bonbondozendekselstijl van hem wilt zien klikt U hier of googelt U: fabbi slave market. De man moet een fortuin verdiend hebben met die rommel.

Alma Tadema, van wiens werk U in 2017 misschien de tentoonstelling in het Fries Museum hebt gezien, werkte in dezelfde sfeer als de oriëntalisten; alleen schilderde hij de klassieke Oudheid. Wanneer hij het oude Egypte schildert is ook hij oriëntalist.

Terug naar Inhoud

Hormat. Nederlanders imiteren Javaanse vorsten

De Javaanse vorsten hadden vanouds aanspraak op hormat: eerbiedig, ja letterlijk kruiperig gedrag van hun onderdanen. Er werd een vergulde parasol (payong, oude spelling: pajong) boven hen opgehouden, zij werden toegesproken in een taal die speciaal voor communicatie van laag naar hoog diende, en de onderdanen stonden of zaten niet in het bijzijn van de vorst, maar hurkten of knielden neer en bewogen zich eveneens laag over de grond.
Wie ooit een Aziatische vechtsport heeft beoefend weet dat knielopen en loophurken niet zo makkelijk is. Het moet moeizaam geleerd worden, het beste van jongs af aan. En achteruit kruipen moet je ook kunnen; het zou immers geen pas geven je om te draaien en de Hooggeplaatste Persoon je rug en achterwerk toe te keren. 

In Couperus’ roman De stille kracht (1901) is heel wat terug te vinden over hormat in Nederlands-Indië. Bij het serveren van spijs en drank ten huize van de regent ging het zo:

  • De Raden-Ajoe Pangéran […] zeide niets, maar zij wenkte een volgeling. En op nieuw verschenen kruiphurkend de vier bedienden, bereidden een tweede glas whiskey-soda.1

Er is minstens twee maal zoveel personeel nodig wanneer het in zo’n onpraktische houding moet werken.
Op de rijke plantage Patjaram, waar een prinses was ingetrouwd en veel ‘Solosche manieren’ waren ingeslopen, heersen hof-achtige tradities:

  • […] en verwant voelde zij [Doddy] zich aan al die kleine tradities: de sambal, gestampt en gewreven door een hurkende baboe achter haar stoel, terwijl zij rijsttafelde, was haar het hoogste van verhemelte-genot; de races te Ngadjiwa, bijgewoond door de loome lengang-lengang-stoet van al die vrouwen, met de baboes achter zich, dragende zakdoek, flacon, binocle, was haar het non-plus-ultra van elegance.2

Zelf zou ik mijn eten juist minder lekker vinden als er achter mijn stoel personeel op de grond hurkte.

In De stille kracht wordt duidelijk dat de Javaanse vorsten en regenten zekere gedragingen en uiterlijkheden hadden overgenomen van de Nederlanders, maar het omgekeerde was zeker ook het geval. Resident Van Oudijck liet zijn tuin doen door twaalf dwangarbeiders—wat misschien niet toevallig herinnert aan Multatuli’s regent, die zijn gazon geheel onbezoldigd door onderdanen liet bijknippen.

Maar ook de vorstelijke gouden payong behoorde tot de kentekenen der residentiële waardigheid:

psijthoffresidentsemarang1904

  • De hoofdoppasser zat op den bok naast den koetsier en hield tegen zijn heup de groote gouden pajong, symbool van het gezag.3

En gekropen worden moest er voor de blanke heer eveneens:

  • De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de klein-uniformpet, en een wandelstok.4

Probeert u dat zelf maar eens!

  • De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan, zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester een vloek toeduwde, omdat hij – de dessa-kerel – geen manieren had.5

Het moet een koddig gezicht geweest zijn: zo’n plompe man, zwetend in een uniformjas tussen de nietswaardige aardwormen. R. A. Kartini, die de dochter van een regent was, schreef daarover:

  • O, godheid, wist gij maar, hoe de menigte, die nu eerbiedig voor de schitterende zonnescherm terzijde blijft, u straks achter uw rug uitlacht.6

De hormat-circulaire van 16 april 1904 maakte er een eind aan. Aan het hormat-gedoe jegens Nederlandse bestuursambtenaren bedoel ik; niet aan het uitlachen natuurlijk.

NOTEN
SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.
1. SK 131.
2. SK 203.
3. SK 37.
4. SK 7.
5. SK 8.
6. Geciteerd in Insulinde. Schetsen van Land en volk van Nederlandsch O.-Indië enz., Groningen 1924, blz. 21.

Terug naar Inhoud