Steniging in Istanbul?

Gisteren werd hier op de Duitse TV een televisiebewerking van Agatha Christie’s Murder on the Orient Express vertoond, in 2010 geproduceerd door Philip Martin op een scenario door Stewart Harcourt,  met David Suchet als Poirot. Het boek verscheen op 1 januari 1934. De ontvoering en vermoording van de Lindbergh-baby in maart 1932 speelt er een belangrijke rol in. De handeling van het boek is dus in 1932–33 te plaatsen, toen die moord nog niet was opgehelderd.
.
Voordat de trein uit Istanbul vertrekt zijn Poirot en enkele medespelers, ook buitenlanders, getuigen van de openbare steniging van een overspelige vrouw, zomaar midden op straat in hartje Istanbul. Dit kwam mij zo absurd voor, dat ik het even nagezocht en bij een collega nagevraagd heb.
.
In het Ottomaanse rijk werd er nooit gestenigd op grond van een gerechtelijk vonnis—ja, één keer, in 1680, maar dat leverde toen een enorm schandaal op. De doodstraf werd op andere manieren voltrokken. De steniging kwam formeel wel in het rechtssysteem voor: het is een ‘recht Gods’ en Gods rechten kun je nu eenmaal niet schrappen, maar je kunt ze wel tot dode letter laten worden en dat is wat er gedaan werd: in werkelijkheid werd het nooit in praktijk gebracht. In 1926 was bovendien het hele religieuze recht in Turkije al grondig afgeschaft en vervangen door Zwitsers burgerlijk recht en Italiaans strafrecht. Daar kwam dus in geen velden of wegen steniging in voor, zelfs niet puur theoretisch.
.
Iets anders is, dat er in Turkije wel zoiets als een spontane lynch-cultuur bestond—en zelfs ten dele nog bestaat, vooral in het Oosten des lands. Maar het is volstrekt ondenkbaar dat zo’n spontane steniging in de vroege jaren dertig midden in Istanbul heeft plaatsgehad. Het Atatürk-regime wilde modern zijn en spande zich in om alles wat Ottomaans was als verouderd en achterlijk voor te stellen. Als er al iemand op het idee gekomen zou zijn, in het openbaar iemand te willen stenigen zou dat tot een onmiddellijk politie-ingrijpen en zware straffen voor de stenengooiers hebben geleid. Dat zou gewoon moord zijn, net als overal elders.
.
Collega Pierre Hecker gaf mij een krantenartikel uit de vroege jaren dertig, waarin zogenaamd een steniging uit de Ottomaanse tijd wordt getoond, inderdaad midden in Istanbul. Een vrouw met los haar (volgens de laatste mode) en een suggestief gescheurde jurk wordt aangevallen door een menigte woedende, getulbande mannen, onder wie zelfs een gezagsdrager te paard. Maar zoals gezegd, zulke stenigingen hebben in de oude tijd nooit plaatsgehad. Het is pure fictie, die hier in dienst is gesteld van de staatspropaganda: kijk, zo was het vroeger, maar tegenwoordig zijn wij modern. Atatürk gaf dus een verkeerde voorstelling van ‘de islam’; hij gedroeg zich als een oriëntalist.
.
Die steniging kwam niet voor in Christie’s detectiveroman en is pas voor de televisiebewerking van 2010 door de scenarioschrijver erbij gesleept. Het is een kwalijk geval van ‘oriëntalisme’. En dat in een filmwerk waarin de overige details van de toenmalige werkelijkheid zo precies kloppen! Het ‘detail’ steniging klopt beslist niet. Harcourt heeft noch de hervormingen van Atatürk, noch diens propaganda begrepen. Zijn steniging is misleiding, typisch voor onze tijd, waarin het eveneens gebruikelijk is geworden, een verkeerde voorstelling van ‘de islam’ te geven.
.
Alsof dit nog niet genoeg was: de lezers/kijkers kan dit blijkbaar helemaal niet schelen. In het internet heb ik een klein onderzoekje gedaan naar dit boek en deze verfilming en stuitte daarbij op een flink aantal besprekingen. De meeste besprekers vonden deze verfilming niet zo geslaagd, om allerlei redenen, maar niet vanwege die steniging. Velen gaan in hun beschrijving van de inhoud volledig aan de steniging voorbij. Anderen noemen hem even, alsof zoiets volkomen vanzelfsprekend is: ja, zo ging dat blijkbaar in Turkije. Ik vond één bespreking door iemand met een Arabische naam; die vond de steniging gratuitous, maar reageert verder niet bijzonder heftig; of misschien had hij het al opgegeven. De stilte van al die anderen is verontrustend.

StenigingIstanbul Kopie

“De steniging van een zondige echtgenote”

OPMERKING: Ik moet een klein voorbehoud maken: tot heden heb ik het boek van Christie niet zelf onder ogen gehad. Maar uit mijn onderzoekje is indirect gebleken dat de steniging er niet in voorkomt. Mocht toch het tegendeel het geval zijn zal ik het bovenstaande veranderen.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 4: schizofrenie

Armin Geus (1937–)
Armin Geus is gepromoveerd bioloog en was van 1973 tot 2002 hoogleraar in de geschiedenis der medicijnen in Marburg. Psycholoog, psychiater of arts was hij niet. Arabisch kende hij ook niet; hij was dus aangewezen op vertalingen van oude teksten.
.
Een aanzienlijk deel van zijn Die Krankheit des Propheten gaat helemaal niet over de ziekte van Mohammed. Veel plaats is ingeruimd voor de beschrijving van diverse geestesziekten en degenen die daaraan lijden, en daaronder vallen volgens hem alle profeten. Verder is er veel gescheld over de ‘ondraaglijk geworden aanwezigheid van de islam in het openbare leven’ (blz. 171). Stel je voor: die moslims verrichten ongegeneerd hun provocerende rituele gebed waar iedereen het kan zien! (blz. 166) Hij waarschuwt overheden voor het oprukkende salafisme en stelt dat er nooit een vredelievende Europese islam mogelijk zal zijn (blz. 166). Blijkbaar is hij vergeten dat die bijvoorbeeld in Bosnië-Herzegowina al eeuwenlang bestond, maar onder zwijgend wegkijken van Europa is vernietigd, waardoor de overblijvende gelovigen in de armen van de Saoediërs werden gedreven.
.
Al dit gepruttel lijkt irrelevant: we dachten immers iets te vernemen over de ziekte van Mohammed? Maar in de gedachtenwereld van Geus heeft het een wel degelijk met het ander te maken. Volgens hem zijn de koran, Allah en islam namelijk allemaal voortgekomen uit Mohammeds zieke geest. Dat de koran tegenwoordig wordt gezien als een anoniem geschrift met verschillende bronnen, dat Allah ook al vóór Mohammed werd vereerd en dat de islam zich heel geleidelijk heeft ontwikkeld en vele verschijningsvormen heeft gekend, dat is tot Geus niet doorgedrongen.
.
Mohammed was dus ziek, volgens Geus; wat had hij dan? Hij leed aan schizofrenie. Van de drie soorten schizofrenie die Geus kent vindt hij van de chronisch paranoïde hallucinatoire schizofrenie het meeste terug in de koranopenbaringen en hadithen. Akoestische, aanvankelijk ook optische hallucinaties, Wanen, angst en radeloosheid vooral in het begin. Daarna een overmatig zelfgevoel: megalomanie, een vertekend wereldbeeld, gewelddadigheid en sekszucht. Niet veel nieuws dus, alleen is de oorzaak nu een andere dan bij de vorige auteurs in deze reeks. En dit alles is terug te vinden in de koran: ‘De koran is de kroniek van een ziektegeschiedenis.’ (blz. 75)
.
Geus zit niet ver bij Somers vandaan, die het ook wel eens over die schizofrenie heeft gehad, maar deze veroorzaakt zag door acromegalie. Geus lijkt Somers’ werk niet te kennen, wat misschien daaraan ligt dat hij geen Nederlands las. Wel heeft hij kennis van het (ook in zijn ogen) onserieuze werk van een zekere Ali Sina, die eveneens met de diagnose acromegalie aankwam. Of Sina Somers kende is niet bekend. In ieder geval rekent Geus in twee bladzijden af met deze ‘speculatieve diagnose’ die hij kennelijk niet ziet zitten, hoewel hij niet duidelijk zegt waarom niet: deze ziekte is uiterst zeldzaam, die kan het niet geweest zijn, dat is het ongeveer. Vervolgens besteedt hij vele bladzijden aan de eeuwenoude diagnose epilepsie (zie tekst 1 in deze reeks), die echter in het geval Mohammed ook niet van toepassing is. Er volgen nog vele bladzijden algemene medische geschiednis, en nog een tendentieuze samenvatting van de geloofsleer van de islam. Daarbij maakt hij enorme fouten. Hij meent bij voorbeeld dat de sharia van Mohammed afkomstig is, terwijl deze pas in de achtste eeuw geleidelijk tot stand kwam.
.
Geus wordt kennelijk aangedreven door vreemdelingenhaat en verbittering jegens moslims. Geen goed uitgangspunt dus voor een studie naar de ziekte van de profeet, maar die was toch al onmogelijk.
.
Over Die Krankheit des Propheten is een zeer negatieve bespreking verschenen in de Junge Freiheit, een extreemrechts weekblad. Van dat blad is aan te nemen dat een ‘islamkritisch’ boek er welkom was geweest, maar de recensent Gabriel Burho vond dit boek toch ál te dom.
.
Was het wel de moeite waard om tijd te besteden aan boekjes als van Somers en Geus? Alleen dan, denk ik, wanneer ik aan de hand van hun fouten bij de selectie en interpretatie van de teksten over Mohammeds ziekte nog enkele algemene principes behandel die bij de bestudering van de Mohammedbiografie een rol spelen of behoren te spelen. Dat komt in deel 5.
.
Wordt vervolgd

BIBLIOGRAFIE
– Armin Geus, Die Krankheit des Propheten. Ein Pathographischer Essay, Marburg 2011.
Ali Sina, Understanding Muhammad. A Psychobiography, Londen, 2e dr. 2008.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 3: acromegalie

Vervolg op: De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Herman Somers (1921–2004)
De biografische informatie die ik over deze auteur heb gevonden is niet erg solide; ik presenteer ze dus onder voorbehoud. Somers was geen arts, maar een gepromoveerd psycholoog, werkzaam in Leuven, maar niet aan de universiteit. Hij was aanvankelijk een Jezuïet, gepromoveerd als psycholoog, maar werd later scepticus en publiceerde veel over psychopathologische elementen in de uitingen van diverse profeten en godsdienststichters. Aan zijn geschriften te zien was een van zijn voornaamste doelstellingen het ontmaskeren van godsdiensten.
.
Ook Somers heeft zich verstout, een patiënt te diagnostiseren die hij niet had gezien en die al heel lang dood was: Mohammed. Ook hij kon zijn beeld van de profeet slechts opbouwen op grond van teksten, en daarvan had hij er heel wat minder ter beschikking dan Sprenger, omdat hij geen Arabisch kende en dus op vertalingen was aangewezen. Gezegd moet echter worden dat hij zich zeer heeft ingespannen, vertalingen te vinden.
.
Niet zijn hele boekje gaat over de ziekte van Mohammed. Hij maakt zijn eigen keuze uit de vertalingen van de bronnen en begint met diens biografie samen te vatten met veel aandacht voor de psychologie. Mohammeds vader is al voor zijn geboorte gestorven, zijn moeder toen hij nog een baby was; wat had dat voor psychische gevolgen? Aandacht voor de hechting aan voedster, voor de grootvader die de rol van vader vervulde, maar ook voor Abraham, die in plaats van de afwezige vader kwam. Mohammeds veel oudere echtgenote Khadidja vervulde de rol van een moeder. Ik hecht niet veel waarde aan dit soort psychologisch denkwerk, dat stoelt op de aanname dat de biografische teksten woordelijk weergeven hoe alles werkelijk gebeurde en in elkaar zat.
.
En dat tegen beter weten in. Hij volgt het principe dat men aldus kan samenvatten: ‘We weten bijna niets, maar toch weten we heel veel.’ Dit is een strategie van modern geschoolden met horror vacui: zeg eerst dat de bronnen onbetrouwbaar zijn en dat we bijna niets weten en schrijf daarna een gedetailleerde biografie. Rodinson (Mahomet, 1961) was zich reeds terdege bewust van het karakter van de bronnen en schreef vervolgens een dikke biografie, alsof dat nog mogelijk was! Bij F. E. Peters (Muhammad and the origins of Islam, 1994) is het niet anders, om van Tilman Nagel (Mohammed. Leben und Legende, 2008) maar te zwijgen. Somers doet iets dergelijks: ‘Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we […] weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven’ (p. 12). Maar als hij hadithen leest heeft hij ‘sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn,’ namelijk omdat ze zo gedetailleerd zijn—een oude valstrik. De teksten waarin hij Mohammeds ziektebeeld meent te ontwaren móeten wel echt zijn, want zij bevestigen wat de (serieuze, medische) wetenschap leert (p. 18–19).
.
Hoe zit het nu met die ziekte? Welnu, de ‘andere Mohammed’ is niet anders, dat valt dadelijk op. Eeuwenlang is Mohammed afgeschilderd als een geestelijk gestoorde bedrieger en seksmaniak. Even leek het of dat voorbij was, maar bij Somers zijn de hoofdlijnen weer als vanouds:
Mohammed was geestesziek. Daaruit vloeide voort dat hij impotent en (daarom) bezeten van seks. Ook zijn leugenachtigheid, wreedheid en wraakzucht zijn vanuit zijn ziekte te verklaren.
Maar epilepsie of hysterie als oorzaak van dit alles, dat wilde er bij Somers niet in. Volgens hem leed Mohammed aan acromegalie, een ziekte die voortkomt uit een tumor van de hypofyse. ‘Wanneer deze in de hersenen overdruk veroorzaakt gaan mensen dingen zien en horen die er niet zijn.’ Ik vat nog wat symptomen samen: grote oren, neus, kin, handen en voeten; mals aanvoelende handpalmen en dikke vingers; een diepe stem; rugpijn door vergroeide wervels; sterk zweten; sterke beharing; een geelachtige huidskleur, vraatzucht, een kippenborst; impotentie; neiging tot hallucinaties en hallucinosen; bij apoplexie hevige hoofdpijn en bewustzijnsstoringen. De aandoening komt vooral voor na het veertigste levensjaar, de meeste patiënten sterven rond hun zestigste. (Somers 70–79).
Genoemde symptomen en nog meer heeft Somers in de bronnen over de profeet bevestigd menen te vinden.
.
Om Mohammed acromegaal te krijgen moest Somers nogal aanrommelen met zijn bronnen. Acromegalie-patiënten hebben een zeer grote kin en een grove huid. Deze symptomen heeft Somers nergens teruggevonden: de teksten zwijgen over die kin en noemen Mohammeds huid juist mooi. Maar geen nood: de symptomen gingen natuurlijk schuil onder zware baardgroei (p. 75–6)! De huid van acromegalen schijnt gelig te zijn. Volgens een overlevering was Mohammed ‘niet licht en niet donker, eerder iets rossig.’ Maar gelig of rossig, voor Somers is dat blijkbaar hetzelfde. Zo drukte hij teksten in model. Bovendien heeft hij niet alle beschikbare teksten kunnen of willen zien. Er zijn namelijk nog andere beschrijvingen van Mohammed. Om maar iets te noemen: de Profeet zou brede schouders gehad hebben; hoe past dat bij een kippenborst?
.
Somers’ drijfveer is duidelijk niet een streven naar wetenschap, maar een hartgrondige hekel aan godsdienst en vooral aan de islam, waarvan ‘wij’ — wie bedoelt hij? — een natuurlijke afkeer hebben. De ziekte van Mohammed heeft hij nodig, omdat volgens hem de koran in elkaar is gezet door Mohammed en de hele islam aan diens zieke brein ontsproten is, en van de islam is niets goeds te verwachten. Geen wonder dan ook, dat de Nederlandse politicus Geert Wilders erg over dit boekje te spreken was.
.
Op Somers’ misvattingen, denkfouten en zijn omgang met de bronteksten zal ik nog terugkomen nadat ik ook Armin Geus behandeld heb, die Mohammed voor schizofreen hield.

BIBLIOGRAFIE
– Herman Somers, Een andere Mohammed, Antwerpen/Baarn 1993. Online hier.

Terug naar Inhoud

De vermeende ziekte van Mohammed – 2: hysterie

Terug naar De vermeende ziekte van Mohammed – 1

Werd Mohammed eeuwenlang geacht aan epilepsie geleden te hebben, in de nieuwere tijd werd deze diagnose niet meer gehoord. Maar in de ogen van sommige Europeanen was de profeet toch wel degelijk ziek geweest. Ik wil hier drie personen behandelen die erin slaagden, bij de profeet postuum een ziekte te ontdekken die al zijn onaangename eigenschappen kon verklaren: Sprenger, Somers en Geus.
.
Aloys Sprenger (1813–1893)
Mohammed leed aan een ziekte die meestal bij vrouwen en zelden bij mannen voorkomt: hysteria muscularis. Met het gezag van een arts in een witte jas sprak Aloys Sprenger in 1861 deze diagnose uit. Hij heeft er een half hoofdstuk aan gewijd in zijn biografie van de profeet (Sprenger 207ff.).
De Tiroler Sprenger had inderdaad medicijnen gestudeerd en zijn studie afgerond met een promotie, maar als arts gepraktiseerd heeft hij nooit. Hij was voor alles een all-round oriëntalist en had er alleen medicijnen bij gedaan omdat hij bang was in de oriëntalistiek geen betrekking te zullen vinden. In Oostenrijk had hij al twee maal een pijnlijke teleurstelling moeten ondervinden1 en hij kreeg zelfs niet eens een Oostenrijkse pas. Maar in Engeland had hij meer geluk: daar leerde hij een edelman kennen die hem op zijn waarde schatte en verder hielp. In het uitdijende imperium kon men wel een oriëntalist gebruiken. Hij verwierf de Britse nationaliteit en bij de nauw met de regering verbonden Asiatic Society kreeg hij een hoge positie die hem naar Brits-Indië voerde. Daar bekommerde hij zich om hoger onderwijs voor Indiërs in het Hindi, en om bibliotheken, catalogi, uitgeverijen en tijdschriften in diverse Indische talen, alsmede Arabisch en Perzisch. Hij had toegang tot zeer vele oude Arabische handschriften, waarvan hij er ettelijke kocht en las; daarin was hij zijn Europese collega’s ver vooruit. Na veertien jaar India reisde hij nog rond door het Nabije Oosten, werd hoogleraar in Bern en vestigde zich tenslotte in Duitsland. Zijn kostbare boekenschat verkocht hij aan de koninklijke bibliotheek in Berlijn.
Voor Sprenger was de omgang met moslims iets vanzelfsprekends; hij had vrienden onder hen en werd door hen geaccepteerd en gerespecteerd. Dat nam niet weg dat hij Mohammed voor een geestelijk gestoorde bedrieger hield—maar dat waren andere profeten in zijn ogen net zo goed: ‘In alle gevallen die wij kennen waren de profeten óf geestelijk en lichamelijk zieke mensen, óf halfmythische personen.’2
.
Hoe zag die hysterie van de profeet eruit, volgens Sprenger? Zij trad gewoonlijk op in paroxysmen (aanvallen). Als de aanval licht was manifesteerde zij zich in het op en neer gaan tussen expansie en contractie van de spieren, dat voor deze aandoening karakteristiek is. Zijn lippen en tong trilden, alsof hij iets wilde oplikken; de ogen draaiden enige tijd weg en het hoofd bewoog zich automatisch. Bij lichte aanvallen was de wil sterk genoeg is om deze stuiptrekkende bewegingen de baas te blijven, zoals wij ook bij kou het bibberen van onze ledematen door onze wil onder controle houden, maar bij heftigere aanvallen waren ze niet meer met de wil te beheersen. Tegelijk leed hij ook aan hoofdpijn (hysteria cephalica) en als de aanvallen zeer hevig waren trad er catalepsie op, een verstijving van de spieren: hij viel als dronken op de grond als, zijn gezicht werd rood, de adem zwaar en hij snurkte als een kameel. Hij schijnt echter niet het bewustzijn te hebben verloren, waardoor deze aanvallen zich onderscheiden van epilepsie.
Een bekende eigenschap van hysterie is, aldus de dokter, dat zij de verschijningsvorm van andere ziekten kan aannemen. Er is nauwelijks een aandoening waaraan de lijders niet een tijdlang onderworpen zijn: longontsteking, carditis, een verstikkende asthma, het kan van alles zijn. Omstanders zijn ontzet, maar het is maar een onbetekenende hysterie die ook snel weer verdwijnt. Bij Mohammed nam de hysterie vooral de vorm van koorts aan en het was aan de zweetdruppels in zijn gezicht te zien als de crisis was ingetreden.
.
Sprenger schildert dit alles wat uitvoeriger dan ik nu doe en hij doet dat zeer levendig, zodat het leest alsof hij de patiënt Mohammed van nabij en gedurende langere tijd heeft meegemaakt. Dat was echter in het geheel niet het geval; de profeet was immers al vele eeuwen dood. Bovendien bestaat naar huidige inzichten de diagnose hysterie helemaal niet; de verschijnselen die eronder begrepen waren worden tegenwoordig anders verklaard en eventueel bij andere ziektes ondergebracht.
.
Maar ik heb de geleerde onderbroken, hij was nog lang niet klaar. Jonge vrouwen, zo zegt hij, zijn gewoonlijk romantisch en religieus dweepziek; als zij de kritische leeftijd naderen worden zij niet zelden beheerst door nymfomanie. Welnu, dergelijke verschijnselen hebben ook de ziekte van Mohammed begeleid. In zijn jeugd schijnt hij een zedig leven te hebben geleid, ‘al is hij niet vrij van de verdenking, zich te hebben overgegeven aan de naar Genesis 38:9 genoemde zonde’ — de profeet als onanist, toe maar!  (Sprenger 209) Lange tijd had hij genoeg aan één vrouw, die bovendien vijftien jaar ouder was dan hij zelf. Na haar dood had hij een onverzadelijke Hang zur Wollust, een sterke sex drive zouden we tegenwoordig zeggen, en dat was een symptoom van zijn ziekte. Hij had na de dood van Khadidja meer dan een dozijn vrouwen en als hij een paar dagen van huis ging moesten er een of twee mee. Bovendien leed hij aan impotent satyriasme. Satyriasme of satyriasis is het mannelijke tegenstuk van nymfomanie en heet tegenwoordig hyperseksualiteit. Hoe die impotentie daarbij past was me eerst niet duidelijk. Maar wacht, impotent moest de profeet op latere leeftijd zijn omdat hij bij zoveel vrouwen slechts zo weinig kinderen had.
‘Voor ons doel,’ zo vervolgt Sprenger, ‘zijn vooral de psychische symptomen belangrijk.’ Wat was zijn doel? Blijkbaar wilde hij aantonen dat de profeet een geestelijk gestoorde leugenaar was en dat zijn verhalen over openbaringen verzonnen zijn. Want ‘hysterici hebben allen min of meer aanleg tot leugen en bedrog, en deze neiging wordt op den duur tenslotte tot een echte ziekte.’ Ook de hallucinaties, visioenen en wakende dromen vallen hieronder, en die moet Mohammed volgens Sprenger gehad hebben, omdat hij bij voortduring meende openbaringen te ontvangen. (Sprenger 210)
Zware zenuwziekten en koorts worden vrijwel altijd begeleid door deliria, d.w.z. hallucinaties. De oorzaken (sic!) van de ‘voor ons doel’ interessante visioenen zijn echter eenzaamheid, honger en dorst en religieuze dweepzucht. In de leegte van de woestijn lijkt het vaak alsof je stemmen hoort, of dat er iemand bij je is. Dat kan ik uit persoonlijke ervaring bevestigen; maar waarom dan nog die hysterie? Blijkbaar bedoelt Sprenger dat Mohammed door die hysterische aanleg zijn woestijnbelevenissen tot een pakket van leugens over een engel en een openbaring heeft verdicht.
.
Eerlijk gezegd begrijp ik het betoog niet helemaal, maar ik heb dan ook geen medicijnen gestudeerd. Overduidelijk is echter, dat zo alle traditionele bezwaren tegen de profeet mooi samenkomen onder de overkoepelende diagnose ‘hysterie’: de aanvallen, de hallucinaties, de leugenachtigheid, de bezetenheid van seks en tegelijk de impotentie van de profeet. Epilepsie was het niet, dat zag Sprenger, maar voor het overige bleef hij hangen in de eeuwenoude groef. En dat hoewel hij toegang had tot meer oude Arabische bronnen dan al zijn tijdgenoten. Hij heeft bij voorbeeld álle berichten verzameld die hij kon vinden over de lichamelijke verschijnselen die bij de profeet optraden als hij een openbaring kreeg, en die beslaan tien bladzijden (Sprenger 265–75). Jammer alleen dat hij ze voor ooggetuigenverslagen hield—maar daarover moet men hem niet al te hard vallen. De literatuurwetenschap stond nog in de kinderschoenen, en in de negentiende eeuw meende men nu eenmaal dat zulke berichten weergaven ‘wie es wirklich gewesen’—behalve dan de gedeeltes over wonderen en bovennatuurlijke zaken, zoals over een bezoekende engel die openbaringen bracht, die natuurlijk niet waar kónden zijn.
.
Sprenger ontkracht zichzelf postuum door de overweldigende negentiende-eeuwsheid die zijn betoog ademt en die tot spontaan lachen noodt: zijn gewichtigdoenerij, de nep-diagnose ‘hysterie’, de schrik voor seksualiteit (waarover hij bij voorkeur in het Latijn schrijft), de totale blindheid voor geestelijke ervaringen die ook gezonde, doodnormale mensen kunnen hebben en last, but not least: het onbegrip waarmee hij oude teksten leest. Een deel van deze trekken heeft hij gemeen met zijn collega’s uit de late twintigste eeuw; die wil ik nu eerst introduceren alvorens te analyseren waar het met dit soort diagnoses in het algemeen fout gaat.

Zie vervolg: acromegalie.

NOTEN
1. Zijn poging in de Orientalische Akademie opgenomen te worden mislukte, omdat hij niet van adel was en volgens de statuten alleen mannen van adel lid konden worden. (Von Wurzbach, 259)
2. ‘In allen Fällen, die wir kennen, waren die Propheten entweder geistig und körperlich kranke Leute, wie Mohammed, oder halbmythische Personen.’ (Sprenger 25)

BIBLIOGRAFIE
– Aloys Sprenger, Das Leben und die Lehre des Moammad, nach bisher grösstentheils unbenutzten Quellen, 4 dln., Berlin 1861, reprint Hildesheim 2003.
– Constantin von Wurzbach: Sprenger, Alois. In: Biographisches Lexikon des Kaiserthums Österreich, dl. 36, Wenen 1878, blz. 258–263 (online hier).
– S. Procházka: Sprenger Aloys. In: Österreichisches Biographisches Lexikon 1815–1950, dl. 13, Wien 2007–2010.

Terug naar Inhoud

Een andere Oriënt: Guibert de Nogent

Waar ligt de Oriënt? In een andere bijdrage heb ik duidelijk gemaakt dat de Oriënt vooral een Europees hersenspinsel is. Welke Europeanen hebben als eersten over de Oriënt gesproken als een buitenlands en volkomen ander deel van de wereld?
Dat de oude Grieken, met name de Atheners, de Perzen beschouwd zouden hebben als wezenlijk anders en ongeneeslijk oriëntaals, is al als een mythe uit de negentiende eeuw ontmaskerd.
.
In de afgelopen eeuwen meende men dat de Oriënt begon bij de Turkse grens en op zijn minst de hele islamitische wereld omvatte. Maar de grens tussen oost en west was niet altijd die tussen christendom en islam. John Tolan heeft enkele bladzijden gewijd aan de Franse abt Guibert de Nogent (± 1055–1125), een theoloog, historicus en autobiograaf die de grenslijn duidelijk anders trok.1 Hij schreef in 1109 de verhandeling Dei Gesta per Francos, over de werken die God door de Franken had verricht. Daarmee bedoelde hij vooral de verovering van Jeruzalem op de Saracenen in 1099, gedurende wat tegenwoordig de Eerste Kruistocht heet. Maar als Guibert het woord orientalis gebruikt doelt hij niet alleen op die verderfelijke islamitische Saracenen, maar vooral op de Griekstalige christenen in het Oosten—en hij zal niet de enige geweest zijn.
.
In de elfde eeuw hadden de Saracenen in Europa inderdaad angst, irritatie en weerzin gewekt. Het Fatimidische Rijk, dat liep van Tunesië tot en met Syrië, was een formidabele macht. Christelijke pelgrims uit West-Europa werd soms belet de bedevaart naar Jeruzalem te maken, en de grillige kalief al-Ḥākim had in 1009 zelfs de Heilig Grafkerk in die stad laten afbreken, een daad die in Europa de hele eeuw na-echode en een van de drijfveren voor de kruistocht werd. In Anatolië werd het Oost-Romeinse Rijk onder de voet gelopen door Turkse Seldjoeken, vooral na de slag bij Manzikert (tegenwoordig Malazgirt) in 1071.
.
Wat Guibert echter minstens zo zeer bezighield was de situatie in de christelijke wereld. Het Schisma tussen de Latijnse kerk van Rome en de Griekse van Constantinopel kreeg zijn beslag in 1054, maar had natuurlijk een lange aanloop van theologische en politieke conflicten gehad en hield de geesten ook nog lang daarna bezig. Over oriëntaalse christenen had Guibert geen gunstig oordeel: 

  • Echter het geloof van de oosterlingen, dat nooit stabiel was geweest maar altijd grillig en wankel, altijd op zoek naar nieuwigheden en afwijkend van het richtsnoer van het ware geloof, wendde zich tenslotte af van het gezag van de oude kerkvaders. Kennelijk hebben deze mensen, door de zuivere lucht en heldere hemel in hun geboorteland, ten gevolge waarvan hun lichamen lichter zijn en hun verstand dus beweeglijker is, de gewoonte hun briljante intelligentie te verspillen aan talrijke zinloze commentaren. Het beneden zich achtend de leer van ouderen of tijdgenoten te volgen, zinnen zij op ongerechtigheden en al zoekend matten zij zich af (Psalm 63 of 64:7). Dit leidde tot allerlei ketterijen en pestilenties […] zij waren de aardbodem omwille van hun leraren vervloekt, doornen en distelen voortbrengend voor degenen die het bewerkten (Genesis 3:17, 18). Uit Alexandrië kwam Arius voort, uit Perzië Manes. De waanzin van de ene scheurde en bebloedde bij voortduring de mantel van de Heilige Kerk, die tot dan toe vlek noch kreukel had gehad […]. De verzinsels van de andere, hoe belachelijk ook, stompten ook de scherpste geesten wijd en zijd af door allerlei trucs.2

Volgens Tolan zijn tot die ketterijen te rekenen: het gebruik van gedesemd brood bij de eucharistie, het gebrek aan respect voor de Paus, gehuwde priesters en allerlei misvattingen over de Drieëenheid. Om deze dwalingen liet God het oostelijk deel van het rijk in handen vallen van Arabische veroveraars.3
.
Het Oosten is niet alleen zwak in de godsdienst, maar ook in politiek opzicht onserieus:

  • Als we ons de vroege geschiedenis van de oorsprong van hun rijken te binnen brengen en praten over de belachelijke aard van hun koningen, moeten we ons verbazen over de Aziatische wispelturigheid waarmee heersers [telkens] plotseling werden afgezet en vervangen.4

Ooit roemrijke kweekbedden van het christendom verkommeren volgens Guibert; daarentegen bloeien de vitale West-Europese christenen:

  • De bij uitstek roemruchte steden Antiochië, Jerusalem en Nicea en de provincies Syrië, Palestina en Griekenland, van waaruit de zaadjes der nieuwe genade zijn opgekomen, hebben hun innerlijke kracht in de wortel verloren, terwijl de Italiaanse, Gallische en Britse zijloten bloeien.5

Let wel: dit schreef hij in 1109, over steden en streken in het oosten waar het leven nog altijd op een aanzienlijk hoger niveau stond dan in West-Europa. Wat was Noord-Frankrijk helemaal in die tijd? Een dun bevolkt, modderig land met hier en daar een kil kasteel of klooster. Het klinkt als de voorafschaduwing van koloniale arrogantie.

De Kruisvaarders ervoeren ook de verraderlijkheid van de oosterlingen op militair gebied, bij voorbeeld in Antiochië. Die huichelaars beweerden christenen te zijn, maar waren dat volgens Guibert slechts nominaal:

  • De Armeniërs en Syriërs echter, anders dan, zoals ik al zei, de Turkse kameelruiters, die de hele bevolking van de stad vormden, omdat zij in de stad zelf woonden, en die beweren christenen te zijn, bezochten de onzen dikwijls, en vertelden [de Turken] waar ze bij ons achterheen hadden gezeten. Want met de lijm van hun voortdurende praatjes vingen zij de Franken en fluisterden allerlei vleierij in hun oren, hoewel ze hun eigen vrouwen de stad niet eens uit lieten. Als zij de Franken verlieten en terugkeerden brachten zij aan de Turken alle informatie over die ze daar konden vergaren aangaande de zwakheden aan de christelijke kant.6

Voor Guibert was Mohammed (‘Mathomus’) de laatste van een lange lijst ketters.

  • Volgens de populaire mening was er een man, wiens naam als ik het goed heb Mathomus was, die hen indertijd geheel en al wegvoerde van het geloof in de Zoon en de Heilige Geest. Hij onderwees hen, alleen de persoon van de Vader als de enige scheppende God te erkennen, en zei dat Jezus zuiver mens was.7

Mohammed was dus een heresiarch, de allerergste van de oosterse ketters, maar niet wezenlijk verschillend van hen. Tegelijkertijd was hij door God gezonden als de gesel die hen moest straffen.
.
In Dei Gesta valt het Westen samen met de Latijnse kerk van Rome, terwijl de Oriënt zowel de Griekse kerk van Constantinopel als de Saracenen omvat. 

VOETNOTEN
1. Tolan, Faces, 48–54.
2. Orientalium autem fides cum semper nutabunda constiterit et rerum molitione novarum mutabilis et vagabunda fuerit, semper a regula veræ credulitatis exorbitans, ab antiquorum Patrum auctoritate descivit. Ipsi plane homines pro aeris et celi cui innati sunt puritate cum sint levioris corpulentiæ et idcirco alacrioris ingenii, multis et inutilibus commentis solent radio suæ perspicacitatis abuti et, dum maiorum sive coevorum suorum despiciunt obtemperare magisterio, scrutati sunt iniquitates, defecerunt scrutante scrutinio: inde herese et pestium variuarum genera portentuosa […] ipsi fuerunt terra in suorum maledicta magistrorum opere, spinas et tribulos germinans operantibus se. Ex Alexandria Arrius, ex Perside Manis emersit: alterius rabies sanctæ æcclesiæ vestem, maculam aut rugam habentem, tanta scidit atque cruentavit instantia […] alterius fabulæ, etsi ridendæ, argutissimorum etiam virorum longe lateque obtuderunt quasi prestigiis quibusdam acumina. Guibert, Dei gesta 89–90, Deeds of God 30.
3. Tolan Faces 49.
4. Recolamus veteres de originibus regnorum Historias, et garriamus super ridiculo statu regum et Asiaticam levitatem super subita principum destitutione ac restitutione miremur. Guibert, Dei gesta 91, Deeds of God 30.
5. Predicatissimæ nobilitatis urbes Antiochia, Iherusalem ac Nicea, provinciæ etiam Syria, Palestina et Grecia, e quibus novæ gratiæ seminaria pullularunt, abortivis florentibus Italis, Gallis, Britonibus, ab interno virore radicitus defecerunt. Guibert, Dei gesta 92, Deeds of God 31.
6. Armenii autem et Syri, ex quibus præter, ut sic dixerim, Turcos epibatas, tota urbs illa constabat, cum urbem ipsam incolerent, et Christianæ sese titulo conditionis efferrent, crebro nostros invisere; et esse eorum universum addiscere, et suis quæ apud nostros aucupati fuerant nuntiare. Cum enim Francos suæ assiduæ confabulationis visco allicerent, et se a Turcorum facie fugitare, multæ adulationis lenocinio, nostrorum auribus mussitassent, uxores tamen proprias excedere, nullatenus ab urbe sinebant, et ad ipsas, digressi a Francis, postliminium facientes, quæ istinc subintelligere poterant, ad Turcos Christianorum partium infirmiora ferebant. Guibert, Dei gesta 171, Deeds of God 75–6.
7. Plebeia opinio est quemdam fuisse, qui, si bene eum exprimo, Mathomus, nuncupetur, qui quondam eos a Filii et Spiritus sancti prorsus credulitate diduxerit, solius Patris personæ, quasi Deo uno et creatori inniti docuerit, Iesum purum hominem dixerit […] Guibert, Dei gesta 94, Deeds of God 32.

BIBLIOGRAFIE
– Guibert de Nogent, Dei gesta per Francos et cinq autres textes, uitg. Robert B.C. Huygens, Turnhout 1996. Een oudere, electronisch toegankelijke editie staat in Migne, Patrologia Latina 156:0679–0837:
– Guibert de Nogent, The Deeds of God through the Franks. A translation of Guibert de Nogent’s Gesta Dei per Francos, vert. Robert Levine, Rochester NY 1997. Online naar verluidt verkrijgbaar via Project Gutenberg, maar in Duitsland is dat geblokkeerd. Ik heb deze vertaling gebruikt, maar in het bovenstaande niet overal gevolgd.
– John V. Tolan, Faces of Mohammed. Western Perceptions of the Prophet of Islam from the Middle Ages to Today, Princeton & Oxford 2019.

Terug naar Inhoud