Oriëntalisme in de Oriënt

🇩🇪 Ik beken: ik ben oriëntalist. Maar wat is dat precies? De spellingcorrector van MS Word kent het woord niet, dus enige uitleg kan misschien geen kwaad.
.
Oriëntalisme is (of was) een richting in de kunst, die vooral in de negentiende eeuw gebloeid heeft en als bron van inspiratie had wat vroeger ‘de Oriënt’ heette, het mysterieuze Oosten: de schoonheid, de rijkdom, de kleurenpracht, de wreedheid en de zinnelijkheid die men daar ontwaarde of zich althans voorstelde. Een schilder of architect die aan oriëntalisme doet heet een oriëntalist of een oriëntalistische schilder.
.
Oriëntalistiek is (of was) de wetenschappelijke bestudering van de talen en beschavingen van wat vroeger ‘de Oriënt’ heette: een gebied dat bij de Turkse grens begon en ergens in Oost-Azië ophield. Een bedrijver van oriëntalistiek heet(te) ook oriëntalist. Zo eentje ben ik; meer specifiek: een arabist. Schilderen kan ik niet.
.
Zo is het ook in het Duits en Engels:
– Ned.: oriëntalistiek — oriëntalisme — oriëntalist(isch)
– Duits: Orientalistik — Orientalismus — Orientalist
– Engels: oriental studies — orientalism — orientalist, orientalist painter
.
De begrippen oriëntalistiek en oriëntalisme zijn met behulp van bovenstaande definities wel uit elkaar te houden; alleen bij het woord oriëntalist is verwarring mogelijk.
In het Frans daarentegen lijkt de verwarring te zijn ingebakken. Daar heet oriëntalistiek études orientales,  maar ook wel orientalisme. De term orientologie is waarschijnlijk gecreëerd om duidelijkheid te scheppen, maar wordt niet veel gebruikt.
.
De verwarring werd pas internationaal toen in 1978 het beroemd-beruchte boek Orientalism van Edward Said verscheen. Deze auteur haalde de twee begrippen door elkaar. Dat deed hij opzettelijk, want hij wilde de nadruk leggen op wat beide bezigheden volgens hem gemeen hadden, namelijk een vertrokken beeld van ‘de Oriënt’ te creëren met de bedoeling deze te onderwerpen en overheersen. Daarbij had Said vooral de kwade bedoeling, de oriëntalistiek in diskrediet te brengen.
.
Er zijn (tenminste) twee mooie moderne romans waarin oriëntalistiek een belangrijke rol speelt:
– Ilija Trojanow, Der Weltensammler, München 2006 (Ndl. De wereldverzamelaar, vertaald door Jose Rijnaarts, 2011).
– Mathias Énard, Boussole, Paris 2015 (Ndl. Kompas, vertaald door Katrien Vandenberghe, 2016).
.
Het beeld dat het westen zich vormde van ‘de Oriënt’ werd in de koloniale tijd daarginds vaak overgenomen. Het Westen maakte immers uit hoe het Oosten eruit had te zien en zich te gedragen had. Dit zet kwaad bloed sinds de verschijning van Saids boek, waarin het fenomeen voor het eerst aan de kaak gesteld wordt. In Saoedi-Arabië en Irak werden er leerstoelen ‘Oriëntalistiek’ ingericht, die veelal door haat of afkeer jegens westerse oriëntalistiek werden gedreven. Maar van ± 1800 tot 1980 werd het westerse oriëntbeeld in de oriënt alleronderdanigst geslikt en overgenomen; er zal ook niet veel anders hebben opgezeten. Zelfs in religieuze zaken liet men zich een oor aannaaien: de vorm die de islam heeft aangenomen heeft heel wat aan het westen te wijten (zie ook hier 
en hier).
.
Hier volgen enkele voorbeelden van Orient made in Europe.
.
Aan het eind van de negentiende eeuw dicteerden Europese handelsfirma’s (Ziegler, Hotz) hoe Perzische tapijten eruit moesten zien. Niet te wild, decent gekleurd naar Europese smaak; wel met merinowol die werd geïmporteerd uit Manchester en met kunstmatige kleurstoffen. Natuurlijk gehoorzaamden de tapijtwevers: ze moesten er immers van leven?
===
Zachte of harde dwang was er ook in Nederlands Indië. Over de oriëntalistische uitdossing  van de sultan van Solo had ik het elders al eens. De Maleise taal werd in Nederlands-Indië door Nederlanders beter gekend dan door Indonesiërs, vooral die op Java. Die konden het alsnog leren, bij voorbeeld door vlijtig de boekjes van het Kantoor voor Volkslectuur (later Balai Poestaka; 1908–1942) te lezen, dat vanaf 1920 Indonesische literatuur uitgaf die voor inlanders passend werd geacht.1
Elders zal de westerse versie van wat ‘oosters’ was zijn nagevolgd uit een behoefte om modern te zijn. Ooit heb ik eens een Indonesiër de inrichting van een koloniale tropische woonkamer ‘echt oosters’ (cara timur benar) horen noemen. Die kamer bevatte westerse meubeltjes, enkele Indische kunstvoorwerpen en een schilderij van een rokende vulkaan met sawah’s en twee ploegende karbouwen op de voorgrond, dat erg aan een schoolplaat herinnerde.
===
De Sheikh Zayed moskee in Abu Dhabi is een reusachtig gevaarte: een koepel van 75 meter, minaretten van 107 meter, plek voor 40.000 gelovigen en van alles veel te veel. Het gebouw heeft enerzijds de saaiheid van computergegenereerde, steriele massawaar, anderzijds doet het denken aan een oriëntaalse fantasie uit Duizend-en-één-nacht.  Deze moskee is onverhuld oriëntalistisch, een oosterse droom. De gewezen parelvissers van de Golf hadden zelf nauwelijks een traditie van grote gebouwen. Ze hebben dus mensen uit het buitenland2 ingehuurd die voor hen dit oosterse sprookjespaleis bedachten, waaruit ieder ogenblik een vliegend tapijt kan opstijgen. Stijlelementen van verschillende bestaande gebouwen, van Marokko tot India, zijn samengevoegd tot een oriëntaals geheel in het kwadraat. Blijkbaar was de bouwheer er tevreden mee. En dat terwijl er de laatste tijd in de Arabische landen flink op oriëntalisme wordt gescholden.

===
Maar die hele Duizend-en-één-nacht was overwegend een westerse constructie, die na een succesverhaal van twee eeuwen vanuit Europa zijn weg naar het Midden-Oosten heeft gevonden. Die verhalen werden vroeger door Arabische geletterden zelden gelezen en niet gewaardeerd. Niet omdat er vrijmoedig over seks wordt gesproken, zoals men in het preutse Europa misschien denkt, maar omdat ze in eenvoudige (‘kinderachtige’) taal geschreven waren en ook verder niet aan literaire maatstaven voldeden. Ze hoorden thuis bij de verhalenvertellers, die de teksten uit het hoofd leerden uit schriftjes die ze hadden en door het land trokken om in café’s en op pleinen hun verhalen te vertellen. Andere verhalen waren echter veel populairder. Uit de negentiende eeuw zijn er wel enkele toneelbewerkingen van verhalen uit Duizend-en-één-nacht bekend, maar het toneel gold eveneens als iets voor de lagere standen. Pas vanaf ± 1900 begonnen Arabische geletterden Duizend-en-één-nacht te waarderen, nadat het werk dus door Europa was ‘goedgekeurd’. Dan staan er schrijvers op die verklaren dat Duizend-en-één-nacht zo’n belangrijke invloed voor hen was: ‘Abd al-Qādir al-Māzinī, Mahmūd Taymūr, Tawfīq al-Hakīm, Tāhā Husayn, Nagieb Mahfoez, om er maar enkele te noemen. Zij en nog vele anderen reageren er ook op: ze bewerken zo’n verhaal of spelen ermee, ze schrijven boeken als De dromen van Sheherazade, of De duizendtweede nacht. De eerste Arabische dissertatie over de verhalencyclus verscheen in 1943: een bewijs van acceptatie.
Dat moderne Arabische auteurs teruggrijpen op hun eigen erfgoed lijkt doodnormaal, maar het gebeurde wel nadat dit eeuwenlang ondergestoft was geweest, en nadat Europa het had opgepakt, goedgekeurd, door de mangel gehaald en opnieuw toebereid.
.
Later was er nog meer oriëntalistische invloed op de receptie van Duizend-en-één-nacht, zij het indirect. Een nieuwe Arabische uitgave van het werk werd regelmatig verboden (o.a. in Egypte, 1985), omdat het in strijd met de goede zeden zou zijn. Met de zeden namelijk van de fundamentalistische moslims, die zich intussen breed hadden gemaakt en die hun preutsheid voor minstens de helft danken aan oriëntalistisch Europa en aan koningin Victoria; zie hier.
===
Nog zo’n geval is naar mijn mening de receptie van Ibn Khaldūn: een van de beroemdste oude Arabieren überhaupt, die echter via Europa in het Midden Oosten is beland. Daarover hopelijk binnenkort.

NOTEN
1. Mocht U dit willen naslaan in de Wikipedia zult U geen Nederlandstalig artikel vinden. Als zo vaak zwijgt de Nederlandse Wiki over Indië stille. U kunt echter deze tekst van Doris Jedamski lezen.
2. Als architect wordt genoemd Yousef Abdelky, maar ook Mohammad Ali Al-Ameri en verder firma’s als Spatium, Halcrow en Speirs and Major Associates.

Terug naar Inhoud

Christien Dohmen over de vroegere waardering van ‘de islam’ (bespr.)

Christien Dohmen, In de schaduw van Scheherazade. Oosterse vertellingen in achttiende-eeuws Nederland, Nijmegen, Vantilt, 2000. 319 blz.

————————–

Bij de bestrijding van vooroordelen tegen buitenlanders wordt altijd weer opgemerkt dat er eeuwenoude stereotypen bestaan, met name over de islam. Een recente, spraakmakend geworden studie waarin deze ter sprake komen is Orientalism van Edward Said (1978). Sindsdien kent haast iedereen het bekende rijtje: in het oosten vind je despotisme, pracht en praal, wreedheid en wellust. De laatste tijd is het beeld echter veranderd. Het oosten is gewoner, westerser geworden, de Islam heeft hier en daar Victoriaanse trekken gekregen, en vooral wij zelf zijn veranderd. Welke Nederlander kan het nog wat schelen dat Mohammed negen of meer vrouwen had? Gaf dat honderd jaar geleden nog aanleiding tot verontwaardiging en minachting, intussen kan geen ‘oosters’ land in libertinisme meer met Nederland wedijveren. Tegenwoordig wordt moslims eerder hun vermeende overdreven godsdienstigheid verweten. In plaats van te wellustig zouden ze nu juist te preuts zijn. Het heersende populaire beeld van het islamitische Oosten is dus niet constant.

Dat wordt ook geïllustreerd door In de schaduw van Scheherazade. Christien Dohmen heeft achttiende-eeuwse, oriëntaals geïnspireerde Nederlandse verhalen bijeen gezocht en bestudeerd. In Engeland of Frankrijk was zoiets allang gedaan, maar in Nederland nog nauwelijks. Merkwaardig, omdat ons land bij de ontdekking van de wereld zijn partij flink heeft meegeblazen, wat ook in de literatuur zijn neerslag heeft gevonden. Dohmen ontdekte zelfs zo veel materiaal dat zij zich heeft moeten beperken tot zo’n driehonderd fictionele prozateksten. Poëzie, toneel, kranten en pamfletten zijn dus buiten beschouwing gebleven. Het betreft hier teksten die uit een Oosterse taal vertaald zijn, vrijwel altijd indirect via het Frans of Engels, waarvan Duizend en één Nacht en Hayy ibn Yaqzan — de ‘Arabische Robinson Crusoë’ – de bekendste voorbeelden zijn, maar ook teksten die op Nederlandse of althans Europese bodem geheel vrij in oosterse trant zijn bedacht. Juist omdat er op dit gebied zo weinig studies zijn is het zeer waardevol dat de inhoud van alle bestudeerde teksten in samenvatting is weergegeven. Indexen vergemakkelijken de toegang, en nauwkeurige bibliografische gegevens ontbreken uiteraard niet. Zelfs geeft de auteur dikwijls de bibliotheek aan waar zij het misschien enige nog bestaande exemplaar van een werk heeft opgedolven.

Had zij zich hiertoe beperkt, dan had zij een degelijk bibliografisch instrument voor neerlandici afgeleverd. Maar zij heeft haar teksten in een breder kader gezet en daardoor een boek geschapen dat ook voor een algemeen publiek interessant is.

In het eerste gedeelte worden de contacten van Nederland met het ‘Oosten’ behandeld: de betrekkingen met het Ottomaanse Rijk en onze verrichtingen in de Oost, maar ook de aanwezigheid van de talrijke oriëntaalse producten in de huizen, en niet allen die van de rijken: specerijen, thee en koffie, vaatwerk, meubels, tapijten, stoffen en kleding. Rembrandt hulde zich soms al in Turkse kleding, maar in de achttiende eeuw kreeg Turkije werkelijk invloed op de Europese haute couture. Het oosten had in die eeuw nog heel veel te bieden. Ook reisverhalen werden in vrij brede kring gelezen, en zelfs enkele producten van wetenschappelijke oriëntalistiek, waaronder het werk van Reland over de islam het belangrijkste was.

Het interessantst is het laatste deel, waarin het beeld van de Oriënt wordt geschetst dat uit de verhalen opdoemt. De middeleeuwse vooroordelen over de islam blijken als onderstroom nog volop voort te bestaan. Al sinds de Middeleeuwen werd er geschimpt op de verderfelijke koran en de leugenprofeet Mohammed, en omstreeks 1700 was daaraan nog weinig veranderd. Maar in de loop van de achttiende eeuw wordt de toon milder. Het nuchtere werk van Reland zal daartoe hebben bijgedragen, en een ontspannener houding werd mogelijk nadat het Ottomaanse Rijk over zijn hoogtepunt heen was en niet meer een directe militaire bedreiging voor Europa vormde. In de tweede helft van de eeuw is er zelfs een bescheiden enthousiasme over de islam. Verrassend is dat er toen honderden oosterse vertellingen met duidelijk islamitische kenmerken verschenen, soms zelfs uitdrukkelijk bedoeld voor de jeugd, met de bedoeling een zedelijk voorbeeld te geven. Het gaat dan om onderwerpen als godsvertrouwen, menslievendheid, de deugd beloond, het nut van het gebed en het kuise huwelijksgeluk. Inderdaad contrasteren op deze punten de ‘oosterse’ verhalen sterk met de toen in Europa geproduceerde, wufte romans. Bovendien kon de islam een imaginaire bondgenoot zijn tegen de goddeloze Verlichting, zoals hij dat een eeuw tevoren tegen de katholieken was geweest (‘Liever Turks dan paaps’). Daar kwam nog bij dat de frisse, beeldende taal van het Arabisch of wat daarop moest lijken onze toenmalige landgenoten erg aansprak. Schrijvers in Europese talen zaten immers dikwijls gevangen in een keurslijf van stilistische conventies.

Tenslotte toetst Dohmen haar teksten ook aan Edward Saids opvattingen over oriëntalisme, in de zin van receptie en weergave van het oosten in een westerse, koloniale context. Said had het vooral over de negentiende eeuw, en liet Nederland buiten beschouwing. Dohmen herkent veel van Saids resultaten: ook in haar teksten is ‘het andere gebied’ gereduceerd tot één algemeen ‘oosten’, waar de islam de heersende religie is. Bovendien treft zij eveneens de door hem gereleveerde, hierboven al genoemde stereotypen aan. Zij wijst er echter ook op dat voor haar schrijvers het oosten een eerlijke bron van inspiratie en emotie was, en dat het Westen zich vaak genoeg een dankbare leerling heeft betoond. Saids idee dat het westen zich altijd als moreel superieur beschouwde komt uit haar tekstcorpus niet naar voren, integendeel. Dat voor ‘oriëntalistische’ auteurs het (islamitische) oosten als zedekundig model diende, dat zij dikwijls geloofden in principiële gelijkwaardigheid van de culturen en in universele waarden en normen, dat is Said verborgen gebleven. Enerzijds ligt dat aan de eenzijdigheid van zijn visie, anderzijds aan het feit dat Europa in de negentiende eeuw de oriënt inderdaad met meer geringschatting ging bezien.

In dit boek is dus een heel segment van de Nederlandse literatuur uit de archieven gehaald en op even kundige als appetijtelijke wijze gepresenteerd voor een algemeen publiek. Vreemd genoeg lezen in Nederland maar weinig mensen ooit iets van vóór 1800. Misschien kan Dohmens boek ertoe bijdragen dat leesgedrag te wijzigen, hoewel het vooralsnog heel wat moeite zal kosten, de oorspronkelijke teksten zelfs maar in handen te krijgen.

Was gepubliceerd in NRC-Handelsblad, 23 februari 2001.

Terug naar Inhoud

Het zwaard van de islam

Kent U de voorstelling dat Mohammed en na hem de moslims de islam verbreid zouden hebben ‘met het zwaard in de ene hand en de koran in de andere’? Die gaat terug op de Britse historicus Edward Gibbon, die in 1781 schreef:1

  • […] Mahomet, with the sword in one hand and the Koran in the other, erected his throne on the ruins of Christianity and of Rome.

Hier hoeven we het zwaard en het boek niet letterlijk te nemen, evenmin als de ruïnes: het is overdrachtelijk bedoeld. Maar iets verder in hetzelfde hoofdstuk liet Gibbon zich bij een beschrijving van de martelaarsdood van Husayn ibn Alī bij Kerbalā door zijn eigen beeld meeslepen:

  • On the morning of the fatal day, he mounted on horseback, with his sword in one hand and the Koran in the other …

In deze zin klinkt het alsof Husayn op de dag van zijn dood werkelijk met die attributen op zijn paard is gestapt. Het is aan te nemen, dat hij alleen maar een zwaard bij zich had. Er bestonden nog geen handige pocketkorans.
.

dOhssonBlijkbaar was er ook een exemplaar van Gibbons werk in handen geraakt van D’Ohsson, tolk van de Zweedse gezant in het Ottomaanse Rijk en lang in Parijs woonachtig. Diens boek over het Ottomaanse rijk2 heeft in Europa veel informatie en desinformatie over Turkije en de islam verbreid. En ziedaar, op de titelpagina van zijn werk zien we Gibbons voorstelling letterlijk genomen. We zien dan dadelijk hoe onzinnig die is: de koran was nog helemaal niet in boekvorm verschenen en bovendien, zou een moslim die ooit in zijn linkerhand hebben genomen? Het is ook erg lastig vechten zo. Achter de profeet staan dan ook zwaar betulbande muzelmannen, die de functies maar hebben opgedeeld: de helft houdt zich bezig met de schrift, de andere zwaait wat met zwaarden, niet al te competent volgens mij. Links op de ets ziet U de Ka‘ba met daarbovenop de afgodsbeelden die verwoest zouden worden. Volgens de overlevering bevonden deze beelden zich binnen in de Ka‘ba, maar dat toont op een afbeelding niet zo goed.
.
MahomethHeel wat eerder had de Nederlandse graficus Romeyn de Hooghe (1645–1708) Mohammed al op een ets afgebeeld met een zwaard in zijn rechter hand en een schrijfstift in de linker.3 De kunstenaar heeft hem deze attributen in de hand gedrukt op dezelfde wijze als men dat deed bij afbeeldingen van apostelen en heiligen. Het betreft zonder twijfel de pen die genoemd wordt in Koran 96:4. Misschien bedoelde hij daarmee uit te drukken dat Mohammed de koran zelf geschreven heeft, wat men vroeger in Europa geloofde. In de loop van de achttiende eeuw is de pen blijkbaar geëvolueerd tot een boek.
.

Bij een oppervlakkige zoekactie heb ik nog ongeveer tien westerse afbeeldingen van de Profeet gevonden, daarvan twee met alleen een zwaard en éen met een zwaard en een boek. Al te onontbeerlijk lijken de attributen toch niet te zijn.
Iemand heeft mij erop gewezen dat zowel Gibbon als D’Ohsson vrijmetselaars waren. Zou het kunnen zijn dat het een metselaarstraditie was, Mohammed met die attributen af te beelden? Dat is voor mij moeilijk na te gaan.4
.
RegnaultExécutionMaar afgezien van de profeet, het zwaard speelt sinds eeuwen een rol in Europese voorstellingen van moslims en de Oriënt. Europa had meestal een negatieve voorstelling van het Oosten, hoewel men daar wel altijd graag kostbare stoffen en heerlijke specerijen inkocht. De herinnering aan de reële militaire bedreiging door het Ottomaanse Rijk tot 1700 leefde nog voort. In de achttiende eeuw was die bedreiging geweken en werd het oriëntbeeld positiever. In de negentiende eeuw echter, toen het kolonialisme zich uitbreidde over de wereld, werd het weer negatiever. Edward Said heeft in 1978 in zijn geruchtmakende boek Orientalism laten zien dat de Europese voorstellingen zelfs met opzet zijn verdraaid, om het heersen te vergemakkelijken. De Oriënt moest mooi exotisch zijn, maar ook achterlijk en antiek en bovendien onvoorstelbaar wreed. Oriëntaalse despoten hoefden maar met hun vingers te knippen en er werd al iemand zonder vorm van proces onthoofd — natuurlijk schilderachtig met een zwaard, zoals op het schilderij van Regnault.5 De aldus geschapen Oriënt schonk de beschouwer voortdurend een weldadige huivering: Angstlust. Afbeeldingen van Arabieren, die met zwaarden om zich slaan zijn in het Europese geheugen ingebrand.

Natuurlijk gebruikten de oude Arabieren en de vroege moslims zwaarden, net als iedereen; dat waren destijds gangbare wapens. Maar later zijn ook de moslims op modernere middelen overgestapt. In het Ottomaanse Rijk, waarin ook Syrië en Irak lagen, werd er sinds het midden van de negentiende eeuw alleen nog door openbare ophanging terechtgesteld.6 Het Hanafitische recht voorziet evenmin in terechtstelling door onthoofding. Alleen de rechtsboeken van de Hanbalieten, die zowel door Saoedi-Arabië als door de ‘Islamitische Staat’ worden gevolgd, schrijven bij sommige misdrijven het gebruik van het zwaard voor. In Saoedi-Arabië wordt er inderdaad wel met het zwaard terechtgesteld, maar sinds wanneer? Die staat bestaat überhaupt pas sinds 1932. Er zijn in dat koninkrijk maar weinig goede scherprechters; daarom verkiest men daar tegenwoordig een vuurwapen.

reelbadarabsIk vermoed dat men zowel in Saoedi-Arabië als in de ‘Islamic State’ gepoogd heeft gestalte te geven aan hadithen van de profeet, wat neerkomt op een re-invented tradition. Volgens hadithen heeft kalief Umar (634–44) de profeet meermaals voorgesteld, iemand [met het zwaard] het hoofd af te slaan. In die tijd was dat nog niet exotisch. De profeet stelde dan overigens een lichtere bestraffing voor.

Maar meer nog dan op hadithen leunt de ‘Islamic State’ bij zijn enscenering op oriëntalistische afbeeldingen van Arabieren uit het Westen. De strijders daar laten zich graag fotograferen met een zwaard. Misschien gebruiken ze het ook bij hun onthoofdingen, hoewel er met het beeldmateriaal altijd wel iets mis lijkt te zijn. Ik heb de filmpjes van de onthoofdingen niet zo precies bekeken, en al helemaal niet voor een tweede keer. Misschien heb ik hier of daar een zwaard gezien waar alleen maar een slagersmes was. Dat bewijst dan, dat ook ik erop geprogrammeerd ben, moslims met zwaarden te zien zwaaien. Wie van de terroristen heeft er werkelijk iemand met één houw van het zwaard onthoofd? Daarvoor moet je fysiek erg sterk zijn; bovendien vergt het langdurige training en uiterste concentratie voordat het bij lopende camera in één keer goed gaat. Maar de IS wil blijkbaar de beeldende kracht van het zwaard er hoe dan ook in houden, om meer angst aan te jagen. Ze weten dat Arabieren met zwaarden ons sinds eeuwen laten griezelen en daar spelen ze graag op in. Het is weer een voorbeeld van hoe moslims zich presenteren volgens door oriëntalistische westerlingen aangeboden beelden. Het ‘Westen’ krijgt precies de moslims die het zich voorstelt. Natuurlijk is het zwaard maar één aspekt van hun styling. Maar de donkere Middeleeuwen spelen hierbij nauwelijks een rol.

Iemand zou overigens eens moeten nagaan, waarom archaïsche manieren van doden zoals onthoofden, stenigen enz. bij ons ontzetting en radeloosheid veroorzaken, terwijl we weinig moeite hebben met het gebruik van pistolen, machinegeweren, drones en dergelijke.

NOTEN
1. Edward Gibbon, The Decline And Fall Of The Roman Empire, dl. 3, London 1781, hst. 50.
2. Ignatius Mouradgea d’Ohsson, Tableau Général de l’Empire Othoman, 7 dln., Paris 1788-1824.
3. In Gottfried (Godfried) Arnold, Historie der kerken en ketteren van den beginne des Nieuwen Testaments tot aan het jaar onses Heeren 1688, dl.1, Amsterdam 1701. Met dank aan de historicus Martin Hillenga, die mij hierop gewezen heeft.
4. De Hooghe kan nog geen vrijmetselaar geweest zijn, omdat de eerste loge in de Nederlanden pas in 1734 werd geopend.
5. Zo ook weer in de film The Dictator van Sacha Baron Cohen (2012).
6. Adolf Heidborn, Manuel de droit public et administratif de l’Empire Ottoman, 2 dln., Wenen 1909–1912, i, 370.

Diacritische tekens: Ḥusayn ibn ʿAlī Karbalāʾ ʿUmar

Terug naar Inhoud

Portretten van beroemde Arabieren

Ali ibn abi TalibDe beroemdste Arabier die ooit geleefd heeft was de profeet Mohammed. Zoals intussen algemeen bekend is hebben moslims niet graag dat hun profeet wordt afgebeeld. Voor sommige mensen die van pesten houden is dat juist een aanleiding om op provocerende wijze een portret of zelfs een karikatuur van hem te publiceren, vaak ook met een denigrerend onderschrift.

‘Maar dat is toch niet Mohammed? Dat is Ali; zijn neef en schoonzoon!’ zegt U misschien als U het plaatje hierboven aanklikt. O ja? Hoe weet U dat? U hebt ze toch niet gekend? Misschien ‘herkende’ U Ali omdat U de tekst boven zijn hoofd kunt lezen, of omdat U in Iran of andere sjiietische omgevingen geweest bent. Daar vind je sinds een eeuw inderdaad overal ‘portretten’ van Ali en zijn zonen Hasan en Husayn, die sprekend op hun vader lijken. Die plaatjes hebben veel aan de bidprentjes en de kinderbijbels van Europa te danken; ze zijn nogal stereotiep en nietszeggend, zodat iedereen alsnog de kans krijgt zich die mensen naar eigen wens voor te stellen.

Husayn ibn Ali

Husayn ibn Ali

Als ik naar de intense kop van Husayn kijk vermoed ik dat die bij jonge meisjes eenzelfde opwinding teweeg brengt als bepaalde popsterren. Toeval is dat natuurlijk niet.

sooreh hera-021Er zijn teksten genoeg waarbij een plaatje van Ali toch wordt afgedrukt met het onderschrift ‘Mohammed’. Soms heeft iemand zich gewoon vergist, soms zit er opzet achter. In Den Haag moest in 2007 een tentoonstelling van Sooreh Hera worden afgelast omdat de kunstenares twee halfnaakte mannen op een bed afbeeldde met vrijwel identieke, nietszeggende gezichtsmaskers, die vaag aan Ali herinneren. De bijschriften suggereerden echter dat het Mohammed en Ali betrof.

De verontwaardiging over portetten van Mohammed wordt nooit veroorzaakt door de afbeeldingen zelf, maar altijd door de bij- of onderschriften. Noch van Mohammed noch van Ali is immers bekend hoe ze eruit hebben gezien. De oude moslims maakten geen portretten, van niemand niet. Dat heeft te maken met islamitische verbod op het afbeelden mensen en dieren. In Iran, India en het Ottomaanse Rijk heeft men die toch wel afgebeeld, maar pas tamelijk laat en lang niet zo vaak als in Europa, waar een zeer rijke portrettraditie bestaat.
Er bestaan dus geen (geen!) gelijkende tekeningen of schilderijen van Mohammed of Ali of diens zonen of wie dan ook — en standbeelden al helemaal niet. Portretten ontstonden in de Arabische Wereld pas na de uitvinding van de fotografie, dus in de tweede helft van de negentiende eeuw. Van voor die tijd kennen we hoogstens het uiterlijk van enkele hooggeplaatste Arabieren wanneer zij toevallig door een Europese kunstenaar vereeuwigd zijn, en of die schilderijen of etsen naar het leven waren gemaakt is dikwijls nog de vraag.
.
Al-Ma‘arriAl-MutanabbiToch vindt U in uw Wikipedia-artikelen ook bij vele oudere beroemde Arabieren en andere moslims een portretje. Saladin, Ibn Khaldun, Avicenna, noem maar op, overal staat een plaatje bij. Ook op postzegels en bankbiljetten zijn de heren vereeuwigd, en van de allerberoemdsten bestaan er standbeelden, alles in imitatie van Europese gewoontes. Al die portretten berusten op niets anders dan fantasie en zijn het gevolg van de moderne verslaving aan afbeeldingen. Het is nauwelijks nog mogelijk een artikel te schrijven zonder afbeelding, dus moet de vrije fantasie aan de slag. De vruchten daarvan zijn nogal eenvormig. Meestal kijken de geportretteerde heren waardig uit hun ogen, ze zijn voornaam gekleed in een of ander historisch gewaad, ze dragen een volle baard en een tulband; op een postzegel uit de DDR draagt Avicenna een fantasiemuts met een soort doornenkroon. Soms wordt er een afbeelding van een Europese ‘oriëntalistische’ schilder misbruikt (Hasan al-Basri). In andere gevallen wordt een al bestaand portret van een beroemdheid voor een andere in spiegelbeeld hergebruikt. Dat is bij voorbeeld de dichters al-Mutanabbi en al-Ma‘arri overkomen.

Uit het verleden zijn wel soms beschrijvingen van het uiterlijk van mensen bewaard; in het geval van Mohammed zijn die zelfs tamelijk uitvoerig, maar ze zijn onderling tegenstrijdig, wat hun fictieve karakter nog eens onderstreept. (Over die beschrijvingen zie nu hier). De politie kan tegenwoordig compositietekeningen van iemand maken op grond van beschrijvingen. Maar dat lukt alleen als een getuige de betrokken persoon werkelijk heeft gezien, dus bij Arabieren van vroeger heb je daar ook niets aan.

Na de uitvinding van de fotografie was het overigens met het verbod op afbeeldingen gauw voorbij. De eerste portretfoto’s van het Arabisch Schiereiland zijn van Muhammad Sadiq Bey en dateren van 1861. Onze landgenoot Chr. Snouck Hurgronje heeft in 1884 veel mensen in Mekka gefotografeerd en laten fotograferen en de resultaten gepubliceerd. Voortaan wilde iedereen op de kiek, ook de strengste gelovigen, en het verbod werd gewoon afgeschaft.

Hier vindt U een aantal pseudoportretten bij elkaar; hieronder staan er nog een paar.

Terug naar Inhoud

Het kalifaat van Medina, of: het eerste Arabische Rijk, 622–661

Het standaardverhaal over de eerste Arabische staat is algemeen bekend. In 622 verliet de profeet Mohammed zijn geboortestad Mekka en emigreerde naar Medina, waar hij een staat stichtte. Na zijn dood behielden drie van zijn opvolgers, gewoonlijk bekend als de ‘rechtgeleide kaliefen’, Medina als hun hoofdstad, dat zij als basis gebruikten voor immense veroveringen. De vierde kalief ʿAlī regeerde de facto in Kūfa, in Irak. Na zijn dood in 661 verplaatste het zwaartepunt zich naar Damascus in Syrië, waar de Umayyade Muʿāwiya, die al sinds 642 als stadhouder had geregeerd, nu kalief werd.
.
Dit zeer korte overzicht is aanvaardbaar voor zowel moslimse geschiedschrijvers als voor traditionele oriëntalisten in het Westen. Maar is het in onze tijd nog wel te handhaven? Ik wil mij hier niet bezighouden met de vraag of dit Rijk al dan niet islamitisch genoemd kan worden,1 maar liever met de vraag of Medina, een oase diep in het Arabische schiereiland, werkelijk de hoofdstad kon zijn van een centralistisch en zich snel uitbreidend wereldrijk. Er had in die landstreek om duidelijke geografische redenen nog nooit een onafhankelijke staat bestaan, en zou dat nu ineens wel het geval geweest zijn?
.
In Jemen (Arabia Felix) waren er al sinds tweeduizend jaar staten geweest. Dit deel van het schiereiland heeft een betrekkelijk vochtig klimaat, zodat er geregelde landbouw mogelijk is. Irrigatie en terrasbouw vereisen een centrale organisatie, een staat.
.
In het noordelijk deel van Arabië (Arabia Petraea) waren er gedurende langere of kortere perioden staten geweest. Ik noem slechts Thamūd (ca. 715 vChr-600 nChr), de Nabateërs (110 vChr–106 nChr) en de korte machtsontplooiing van Koningin Zenobia in Palmyra (268–272). Daarna waren er twee Arabische dynastieën in vazalstaten geweest: de Ghassāniden (500–630), vazallen van het Oostromeinse Rijk, en de Lakhmiden (266–602), vazallen van Perzië. Beide rijken waren regelmatig geteisterd door binnenvallende bedoeïenen. Geen van beide superstaten hadden met succes deze kameelnomaden kunnen bestrijden, omdat die zich snel met hun buit konden terugtrekken in de woestijn, waar geregelde legers met paarden en wagens geen toegang hadden. Daarom hadden de rijken liever vriendschap gesloten met de bedoeïenen. Ze benoemden een nomadenleider tot koning, hij kreeg een kroon, een koningsmantel en een paleis en bovendien een zak met geld om zijn soldaten te betalen, die in ruil daarvoor hun weldoeners niet langer uitplunderden. Maar Ghassān en Lakhm hielden op te bestaan zodra het Oostromeinse Rijk en Perzië, uitgeput als zij waren door hun eindeloze onderlinge oorlogen, ophielden hun vazallen te financieren.
.
In Midden-Arabië (Arabia Deserta) was er maar één entiteit geweest die op een staat leek: Kinda (425–528). Ook dit was een vazalstaat, afhankelijk van de Jemenitische staat Ḥimyar. Het raakte in vergetelheid toen Ḥimyar in elkaar stortte. Er bleef alleen een vage herinnering aan de koningen ervan, van wie de beroemdste Imru’u l-Qays was. Er was in Midden-Arabië dus wel een soort staat geweest, maar geen onafhankelijke staat. Deze situatie veranderde in de zevende eeuw met de onverwacht succesvolle poging enkele stammen rond de oase Yathrib (Medina) te verenigen. Laten we voor het ogenblik bij het standaardverhaal blijven: het was Mohammed die in zijn jaren te Medina (622–632) de stammen onder zijn banier verenigde. Toen hij stierf liet hij iets achter wat inderdaad een staat genoemd kan worden.
.
Over wat er direct na zijn dood gebeurde verschilt het standaardverhaal van de moslims enigszins van dat van de moderne historici. De oude islamitische geschiedschrijvers zeggen het in religieuze termen: Mohammed had het hele schiereiland verenigd onder de banier van de islam. Na zijn dood werden vele stammen afvallig en verzaakten de islam. In de zogenaamde Ridda-oorlogen (632–634) islamiseerden de generaals van kalief Abū Bakr het schiereiland opnieuw. Niet-islamitische historici daarentegen hebben geen boodschap aan die religieuze interpretatie. Zij denken dat Mohammeds kernstaat nogal klein was, maar dat in de jaren na zijn dood allerlei Arabische stammen succesvol in het nieuwe bestel geïntegreerd werden; niet voor de tweede, maar voor de eerste maal.
.
Tot zover is het verhaal van de nieuwe staat min of meer plausibel. Alle oases moeten in zekere zin staten zijn, al was het alleen al om de toegang tot en de verdeling van water te regelen. Stammen langs handelswegen moeten onder contrôle worden gebracht en gehouden, om te voorkomen dat een karavaan zich plotseling beroofd zou zien van water, voedsel en voer. Geleidelijke uitbreiding van die eerste staat op de rest van het schiereiland is ook niet geheel onvoorstelbaar, hoewel het nooit eerder vertoond was. Maar tegelijk met de vereniging van het schiereiland begon er een geweldige snelle vergroting van de nieuwe staat. In 635 werd Syrië geannexeerd; in 634–642 werden Irak en West-Iran veroverd, in 639–642 Egypte, in 640 Palestina en in 640–660 heel Iran, tot diep in Centraal-Azië. Met andere woorden: binnen dertig jaar werden het hele Perzische en het halve Oostromeinse Rijk deel van het nieuwe Arabische Rijk. Is het werkelijk aannemelijk dat dit laatste dertig jaar lang het ongelukkig gelegen Medina als hoofdstad had? Om deze vraag te beantwoorden moeten we eerst kijken naar wat een rijk zoal nodig heeft:
– Een groot territorium
– Een bevolking
– Een centraal gezag, stadhouders, ambtenaren, belastinggaarders, rechters
– Snelle en betrouwbare communicatielijnen
– Landbouwoverschotten
– Regelmatige inkomsten uit belastingen
– Een staand leger onder een centraal commando en het geld om het te betalen.
– Legitimiteit van de regering

Click hieronder verder naar blz. 2. De bibliografie staat op blz. 4.

NOOT
1. De islam was natuurlijk niet ‘af’ bij de dood van de profeet. Er begint dan een ontwikkelingsproces. Moderne geleerden beginnen aarzelend van ‘islam’ te spreken in verband met de voltooiing van de Rotskoepel van Jerusalem in 691. En zelfs dan: het Umayyadische islamontwerp verschilt aanzienlijk van de latere islam van de ‘ulamā’, die vaak onbescheiden wordt aangeduid als ‘de islam zoals wij die kennen’.

De islam in Couperus’ roman ‘De stille kracht’

Louis Couperus’ meesterwerk De stille kracht verscheen in 1900. Hij toont onder andere hoe het nuchtere en welmenende vooruitgangsgeloof van het Nederlandse koloniale bestuur, belichaamd door de stoere resident Van Oudijck, op de klippen loopt tegen de stille kracht van Indië, een bovennatuurlijk mysterie, dat Nederlanders nooit zullen kunnen begrijpen. Ofschoon Couperus uit de hoogste bestuurskringen van Nederlands-Indië stamde, was hij inderdaad van mening dat Nederlanders in dat land niets te zoeken hadden.

Naast de Nederlandse bestuurders stonden op Java de inheemse vorsten en ex-vorsten, de regenten, die na hun onderwerping als een soort medebestuurders en uiteindelijk als Nederlandse ambtenaren functioneerden. De residenten gaven aanbevelingen die gehoorzaamd dienden te worden. Met de oude regent van het fictieve stadje Laboewangi—denkt U maar aan Pasuruan, Oost-Java—had Couperus’ resident Van Oudijck goed samengewerkt, maar diens wrokkende zoon was een raadsel voor hem, evenals diens speel- en drankzuchtige moeder en broer. In het boek escaleert het steeds onuitgesproken blijvende conflict, tot de resident zich gedwongen ziet vervroegd pensioen aan te vragen.

Over de regent wordt in één fragment maar liefst drie maal het woord ‘fanatiek’ gebruikt (cursiveringen van mij):

  • Maar Soenario, zijn zoon, de jonge Regent nu, hèm kon hij niet vatten, niet doorpeilen – dit bekende hij zich slechts stilzwijgend -; hem zag hij alleen raadselachtig, dien wajangpop, zooals hij hem noemde, altijd stijf, op een afstand tegenover hém, den rezident, alsof hij – prins – neêrzag op hem – Hollandschen burgerman; en daarbij fanatiek, zonder oog voor de belangen zijner Javaansche bevolking, en alleen maar verloren in allerlei bijgeloovige praktijken en fanatieke bespiegelingen. Hij zeide het niet ronduit, maar iets ontsnapte hem in den Regent. Hij kon die fijne figuur, met zijn strakke koolzwarte oogen, niet neêrzetten als mensch in het praktische leven, zooals hij steeds den ouden Pangéran had kunnen doen. Die was hem altijd geweest, volgens den leeftijd, zijn vaderlijke vriend; volgens de etiquette zijn ‘jongere broeder’, maar altijd medebestuurder van zijn gewest. Maar Soenario vond hij oneigenlijk, geen ambtenaar, geen Regent, alleen maar een fanatieke Javaan, die zich hulde in iets van geheim: allemaal nonsens, dacht Van Oudijck. Hij lachte om Soenario’s faam van hoogheiligheid, die de bevolking hem gaf. Hij vond hem onpractisch: een gedegenereerde Javaan, een gedetraqueerde Javaansche gommeux! (SK 34-5)

Fanatiek betekent volgens van Dale’s Groot woordenboek der Nederlandse taal: door een blinde ijver (voor een geloof of idee) gedreven. Het is een cliché dat Europeanen graag gebruikten en nog steeds gebruiken wanneer het over moslims gaat: ‘fanatieke moslims’. Het betekent niet veel, en op het Java van toen was het buitengewoon slecht van toepassing. Dat eiland was honderd jaar geleden wel islamitisch, maar juist niet fanatiek. Het was eigenlijk maar half geïslamiseerd; veel moslims van elders zouden in die tijd de godsdienst ter plaatse ternauwernood als islamitisch hebben erkend. Zelfs over de Madoerezen, die in de koloniale tijd als ‘fanatieker’ golden dan de Javanen, lezen we bij Couperus dat ze zoiets onislamitisch deden als kleine offers brengen aan de geesten:

  • De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… (SK 11)

Zo er al fanatieke moslims waren op Java dan waren het er maar weinig, en de adel behoorde daar zeker niet toe. Als overal was fanatisme eerder een kenmerk van de lagere standen.
Langs de Noordkust van Java woonden wel wat Arabieren, oorspronkelijk afkomstig uit Hadramawt. Over hun graad van ‘fanatisme’ is mij niets bekend, maar zij zullen in elk geval een stoere Arabische islam gepractiseerd hebben:

  • […] want toen het rijtuig de Arabische wijk inreed – huizen als andere, maar somber, maar stijlloos, maar fortuin en existentie verborgen achter dichte deuren; in de voorgalerij wel stoelen, maar de heer des huizes somber gehurkt op den grond, onbewegelijk, met zwarten blik het rijtuig achtervolgende – scheen dit stadsgedeelte nog tragischer geheimzinnig dan het notabele Laboewangi en scheen het onuitzegbare mysterie uit te donzen als iets van den Islâm, dat zich verspreidde over de héele stad, of het de Islâm was, die de fatale melancholie van levensgelatenheid uitduisterde in den huiverenden, geluideloozen avond… (SK 39)

Hier zien we meteen het andere cliché dat altijd in verband wordt gebracht met de islam: fataal, levensgelatenheid, fatalisme. Bovendien merken we op dat het voor nuchtere Nederlanders ondoorgrondelijke mysterie van Indonesië voor Couperus nauw verwant is, zo niet samenvalt met de islam.

Vroom was op Java het ‘witte volkske’, de wong putihan, zeg maar de zwarte-kousen-moslims, die de regels nauwgezet vervulden. Vaak waren zij naar Mekka geweest en dus hadji. De stoomvaart maakte het mogelijk dat er meer pelgrims naar Mekka trokken dan ooit tevoren. Die bleven daar maanden, soms jaren hangen; sommigen van hen leerden goed Arabisch en bestudeerden Arabische werken over godgeleerdheid en sharia. In Arabië hadden in die tijd niet de Wahhabieten het voor het zeggen, maar het Ottomaanse rijk, dat in religieus opzicht erg ontspannen was. Toch waren er in Mekka natuurlijk wel milieus waar een ‘zware’ islam bestudeerd en gepraktiseerd werd. In ieder geval kwamen de hadji’s min of meer gearabiseerd terug; bovendien waren zij in contact gekomen met moslims uit heel andere gebieden. Er bestond toentertijd het idee van een soort globale islam: het panislamisme, dat door koloniale ambtenaren, inclusief van Ouddijck, met enige bezorgdheid werd gadegeslagen.
Hadji’s genoten een geweldig prestige bij degenen die de reis naar Mekka niet hadden kunnen maken:

  • – Dat is een trein met nieuwe hadji’s, zei Van Oudijck. Allemaal versche Mekka-gangers…
    De trein hield stil, en uit de lange wagens der derde klasse, plechtig, langzaam, vol wijding en bewust van hunne waarde, stegen de hadji’s uit, rijk geel en wit getulband het hoofd, waarin trotsch de oogen glansden, laatdunkend de lippen zich dicht trokken, in nieuwe glanzende jassen, goudgele en purperen samaren, die vielen aanzienlijk bijna neêr tot de voeten. En, gonzend van verrukking, soms met een opstijgenden kreet van onderdrukte extaze, drong nader de uitziende menigte, bestormde de nauwe uitgangen van de lange wagons… De hadji’s, plechtig, stegen uit. En hun broeders en hun vrienden grepen om strijd hunne handen, de zoomen van hunne goudgele en purperen samaren, en kusten die heilige hand, dat heilig gewaad, omdat het hun bracht iets van het heilige Mekka. Zij vochten, zij verdrongen elkaâr om de hadji’s, om het allereerst den kus te geven. En de hadji’s, laatdunkend, zelfbewust, schenen den strijd niet te zien, waren als voornaam rustig en plechtig aanzienlijk te midden van den strijd, te midden van de golvende en gonzende menigte, en overlieten hun hand, overlieten hun tabbaardzoom aan den dweepkus van al wie hen nakwam. (SK 224)

In De stille kracht verschijnt meermaals een witte hadji als een verwijzing naar het dreigende, zacht aandonzende mysterie en alles wat Nederlanders niet begrijpen, en zeker ook naar schuld, in de Nederlands-protestantse zin. Het jonge meisje Doddy heeft twee maal een witte hadji menen te zien lopen; niet toevallig toen zij met de vrouwengek Addy wandelde en haar maagdelijkheid gevaar liep. Leonie’s inlandse lijfmeid Oerip begrijpt wel dat de witte hadji die Doddy heeft gezien geen ‘goede hadji’ is, maar een spook. Ook de tot occultisme geneigde Ida meent een hadji te zien, maar zij herstelt zich: ‘Het is niets: de maneschijn …’. Het lijkt wel of de hadji zich vooral dan vertoont wanneer de Hollanders aan het zondigen zijn of op het punt staan dat te gaan doen. Een aardig motief, maar met echte hadji’s heeft het natuurlijk niets te maken. Die zullen zich niet voor de privé-zonden van de koloniale dames en heren hebben geïnteresseerd. Dat ze met hun witte kleding door sommigen in slecht verlichte tropennachten als spoken werden opgevat, daar konden zij zelf niets aan doen. Occulte krachten, bovennatuurlijke gebeurtenissen, de geest die zich meldt in spiritistische seances: dat heeft allemaal niets met de islam te maken, maar voor Couperus is het één pot nat. Dat is een zwakte in de roman.

Een Javaanse regent zal misschien fanatiek zijn geweest in zijn afkeer van Nederlanders. Maar misschien ook niet: hij werd toch vorstelijk door hen betaald, hij collaboreerde toch? Mocht hij een dubbele agenda gehad hebben: dat kun je niet fanatiek noemen. De instrumentalisering van de godsdienst bij het verzet tegen de koloniale machthebbers, die in Noord-Sumatra in de tijd van de Atjehoorlog (1873–1903) juist actueel was, behoorde op Java al driekwart eeuw tot het verleden. De Atjehers waren hoe dan ook een stuk vromer dan de Javanen, die men toentertijd met de beste wil niet fanatiek religieus kon noemen.

Couperus’ islam stelt niet veel voor in dit boek, hij heeft er weinig over geweten en van begrepen. Kennelijk heeft hij de bestuursambtenaren, waarvan het in zijn familie wemelde, gewoon nagepraat en op grond van hun cliché’s een vage islam een plekje gegeven als één van de geheimzinnige krachten die de Nederlanders uit Indië wilden verdrijven. De stille kracht blijft een meesterwerk, maar de behandeling van de islam is niet de sterkste kant ervan.

SK = Louis Couperus, De stille kracht (Volledige Werken Louis Couperus 17), Utrecht/Antwerpen 1989. De roman is ook online te lezen.

Terug naar Inhoud

Arabische veroveringen

Nadat de nomadische Arabieren zich eeuwen lang tevreden hadden gesteld met incidentele rooftochten en invallen in de landbouwgebieden kwamen zij omstreeks 630 plotseling in beweging en werden sterk expansief. Eerst werd het Arabisch Schiereiland in een staat verenigd (de Ridda-oorlogen; 632–34), wat daarvoor nooit was gelukt; daarna volgden de veroveringen (futūh) van het halve Romeinse en het hele Perzische Rijk. Vooral in het begin is het verbazend snel verlopen. In een vloek en een zucht kwamen het Nabije en Midden-Oosten onder Arabische heerschappij.

  • Enige data, voor wat ze waard zijn
    632–634 Arabië verenigd. Ridda-­oorlogen
    635 Damascus, Syrië veroverd
    634–642 Irak en West-­Iran veroverd
    639–642 Egypte
    640 Caesarea (Palestina)
    640–660 Oost­-Iran
    670 Qayrawān (Tunesië)
    672 Aanval op Constantinopel
    711 Tot aan de Indus (het huidige Pakistan)
    711–732 Iberisch Schiereiland, raids in Frankrijk
    tot 750 Afghanistan, delen van India, Centraal-Azië

De jaartallen staan niet zo vast als ze lijken; de verhalen kloppen niet altijd. Van de beroemde Slag bij Qādisīya (± 640) bij voorbeeld blijft in het moderne onderzoek niet zoveel over.

Hoe kon een handjevol Arabieren in korte tijd twee wereldrijken wegvagen?
Hieronder vat ik een aantal van de pogingen samen die gedaan zijn om die buitengewoon snelle veroveringen te verklaren.
.
-­ ‘De Arabieren stormden voorwaarts met de koran in de ene hand en het zwaard in de andere.’ Dat is werkelijk lastig vechten! Deze dwaze voorstelling stamt van Edward Gibbon (1737–94).
.
-­ De moslims waren door hun geloof bevleugeld. Zij volgden het gebod van de koran, djihad te voeren. Het snelle en overweldigende succes is te danken aan Gods bijstand. (moderne islamitische voorstelling)
.
-­ De moslims hadden door hun geloof een grote discipline en een ijzeren moraal. (oude islamitische voorstelling)

  • [Een Romeinse spion met Arabische achtergrond werd in het vijandelijk kamp gestuurd en kwam met de volgen de beschrijving van de moslims terug:]
    ‘’s Nachts zijn het monniken, overdag ridders! Zelfs als de zoon van hun koning iets zou stelen zouden ze zijn hand afhakken; als hij ontucht zou bedrijven zou hij gestenigd worden om het recht onder hen te handhaven.’
    ‘Als het zo is,’ zei de cubicularius, ‘dan is het binnenste der aarde beter dan hen op de aardoppervlakte te ontmoeten!’ 1

-­ Daarentegen was de vijand laf, decadent en gedemoraliseerd. Het ‘Belsazars-Feest’-motief 2 (oude islamitische voorstelling)

  • Toen Khālid naar Suwā kwam overviel hij de bewoners toen ze net wijn aan het drinken waren uit een drinknap, waaromheen zij bij elkaar zaten, terwijl een zanger zong:
    ‘Ja, geef me nog een slok, voordat Abū Bakrs leger verschijnt!
    Misschien is ons doodslot nabij zonder dat wij het weten.
    ‘Ja, geef me nog een slok… enz@ 3

-­ De inwoners van de bezette gebieden stonden juichend langs de weg toen de Arabische troepen binnenmarcheerden. De veroveraars waren eigenlijk bevrijders. De soldaten gedroegen zich correct en gevoelvol jegens de mensen. (moderne islamitische voorstelling. Waar hebben we dat meer gehoord?)
.
– De bevolking van Syrië wilde haar eigen  Syrische kerk(en) en niet de Griekstalige staatskerk van Constantinopel; ze waren dus erg blij dat de Romeinen vertrokken. De Arabieren waren sowieso niet in kerken geïnteresseerd. (oudere oriëntalistische variant van de ‘bevrijdingstheorie’)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk en het Perzische Rijk  hadden elkaar in lange oorlogen militair geheel uitgeput en boden nog maar weinig weerwerk. Jeruzalem was juist in 622, Egypte in 629, Palestina in 630 door de Romeinen op Perzië terugveroverd. (oudere oriëntalistiek)
.
– De beide grote rijken hadden tijdens hun onderlinge oorlogen hun Arabische vazallen financieel verwaarloosd. Dezen werden nu opstandig en waren bereid tegen hun vroegere heren te vechten. (nieuwere oriëntalistiek)
.
– Het Oost-Romeinse Rijk had zich militair al vrijwillig uit Syrië teruggetrokken; daar hoefde dus niet meer gevochten te worden. Keizer Heraclius had in 628 het Perzische leger bij Ctesiphon definitief verslagen; toen de Arabieren dan naar Perzië kwamen stieten ze daar niet op veel weerstand.  (→ Koren & Nevo; moderne ‘oriëntalistiek’)
.
– Het succes is te danken aan de unieke en superieure militaire strategie van de Arabieren. Flexibiliteit tegen moeizaam beweegbare troepen, die braaf in het gelid stonden; snelle terugtocht en dan verrassend terugkomen (karr wa-farr). Het toevluchtsoord woestijn was voor de Romeinse en Perzische troepen met hun paarden en wagens ontoegankelijk. (islamitisch én oriëntalistiek).
.
– De Arabieren hadden altijd al rooftochten in de landbouwgebieden gemaakt. 4 Dat was lastig, maar de inwoners hadden geleerd ermee te leven. Daarom zullen ze gedacht hebben dat deze aanvallen ook weer een incident waren. Wie had kunnen denken dat het deze keer anders zou aflopen? (oriëntalistiek)
.
– Het Arabisch Schiereiland was overbevolkt; de Arabieren waren eenvoudig gedwongen ergens anders Lebensraum te vinden (oriëntalistisch, eind 19e eeuw).
.
– Syrië werd eigenlijk al voor een groot deel door Arabieren bewoond; het ging alleen nog maar om de dominantie onder hen. (moderne oriëntalistiek)
.
– De Arabieren moeten door de koran en de nieuwe religie wel een sterke geestelijke impuls en aanmoediging hebben gekregen; anders is deze plotselinge explosie van energie niet verklaarbaar. (oudere oriëntalistiek)
.
– Veel van al die veroveringen hebben domweg niet plaatsgehad. Mu‘āwiya was der eerste Arabier die over Damascus regeerde, vanaf ± 640. De eerste, zogenaamde rechtgeleide kaliefen en hadden over Syrië geen zeggenschap en zijn er nooit geweest. (moderne ‘oriëntalistiek’)
.
En hoe was het nu echt? Wie zal het zeggen; het zal in ieder geval zeer complex geweest zijn. Het bovenstaande bevat naast onzin ook enkele interessante overwegingen, maar natuurlijk was er niet maar één factor. Wetenschappers zoeken verder, maar zitten momenteel een beetje in het  slop, met name de zog. Inârah-Groep.
.
Hoe kan het onderzoek verder gaan? Echt schot zit er niet in, maar er kan op de volgende fronten verder gewerkt worden:
.
Teksten anders lezen
De islamitische bronnen, die oud zijn maar helaas niet oud genoeg, en die vaak een ideologische, patriottische of religieuze bias hebben, zijn vaak teleurstellend. Toch zou men ze nog eens met nieuwe ogen kunnen bekijken.

Noth en Conrad 5 zijn begonnen met de analyse van de vroegste bronnen, bij voorbeeld in het geschiedwerk van al-Tabarī. Zij hebben bevonden dat deze voor de geschiedschrijving slechts ten dele bruikbaar zijn. Enkele van hun overwegingen:

  • Dat de kalief in zijn hoofdstad Medina het hele rijk middels brieven aan zijn generaals en agenten centralistisch geregeerd heeft is fictie. Een brief naar Syrië duurde een maand; het antwoord eveneens. In plaats van een centrale strategie te volgen zullen de krijgsheren eerder zelfstandig gehandeld hebben.
  • De beschrijvingen van de veldslagen met olifanten, poëzie-intermezzo’s en spannende tweegevechten is veel te literair om betrouwbaar te zijn.
  • Er zijn veel topoi, bij voorbeeld: voortdurend overleg van de kalief met zijn omgeving; als teken voor de aanval wordt steeds Allāhu akbar geroepen; individuele moslims zoeken de martelaarsdood, en vele meer.

Al lang bekende feiten en teksten raken soms in vergetelheid.  Bij voorbeeld het zog. ‘tegenkalifaat’ van ‘Abdallāh ibn al-Zubayr in Mekka (680-692) en de geschriften van zijn broer ‘Urwa zouden een belangrijke rol gespeeld kunnen hebben in de ‘Mekkaïsering’ van de vroege islamitische geschiedenis. Toen de burgeroorlog ten einde was heeft de tot verzoening geneigde kalief Kalif ‘Abd al-Malik voor het Arabische Schiereiland in de officiële geschiedenis misschien meer plaats ingeruimd dan het ooit gehad had; zie verder hier.

Andere teksten lezen
1. Teksten op papyrus. Naast geschiedenisboeken worden er tegenwoordig ook papyri bestudeerd, die vaak ouder zijn dan die boeken en niet kunnen ‘liegen’. Het betreft dan vooral handelsverdragen, correspondentie enzovoort, die een inkijk bieden in het reële leven van die tijd.
2. We hebben tegenwoordig getuigenissen van de onderworpen volkeren, die deels ouder zijn dan de oudste Arabische bronnen en een heel ander beeld geven van de veroveringen. 6

Archeologie
Er worden mondjesmaat archeologische gegevens bekend. Ik zelf ben niet in staat archeologische gegevens te interpreteren; er moet maar eens iemand voor gaan zitten om dat voor niet-vakmensen te doen.
Er zijn en worden ook inscripties gevonden (zie bijv. deze) en ook vroege munten gevonden (zie bijv. deze). Tot nu toe is er een hoop onzin naar aanleiding van die munten beweerd; daar moeten meer echte numismaten naar kijken.

NOTEN
1. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2126.
2. Zie Bijbel, Daniel 5.
3. Al­-Tabarī, Ta’rīkh i, 2124.
4. Bijbel, Rechters 8:11.
5. Noth & Conrad, Historical Tradition
6. Hoyland, Seeing Islam

Bibliografie
– Robert G. Hoyland, In God’s Path: The Arab Conquests and the Creation of an Islamic Empire (Ancient Warfare and Civilization), Oxford University Press 2015.
– Hugh Kennedy, De grote Arabische veroveringen. Het ontstaan van het islamitische rijk, van Afghanistan tot Spanje (632-750), vert. Guus Houtzager, Bulaaq/Epo 2008. Oorspr. titel: The Great Arab Conquests. How the spread of Islam changed the world we live in – 2007.
– M. G. Morony, Iraq after the Muslim Conquest, Princeton 1984.
– Albrecht Noth & Lawrence I. Conrad, The Early Arabic Historical Tradition: A Source-Critical Study (Studies in Late Antiquity and Early Islam, Vol. 3), Princeton 1994. [Het boek is ook nuttig als ogenopener voor de biografie van de profeet.]
– R. G. Hoyland, Seeing Islam as Others Saw It, Princeton 1997.
– Al-Tabarī, [Ta’rīkh al-mulūk wal-rusul] Annales, uitg.. M.J. de Goeje et al., 14?@ dln., Leiden 1879–1901; Vert. Ehsan Yarshater (uitg.), The History of al-Ṭabarī. An annotated translation, Albany 1985—.
– G.-R. Puin, Der Dīwān von ‘Umar ibn al-Haṭṭāb, Ph. D. Diss. Bonn 1970.
– Y.D. Nevo & J. Koren, Crossroads to Islam. The Origins of the Arab Religion and the Arab State, Amherst NY 2003 [beveel ik niet aan].
– K.H. Ohlig und G.R. Puin (hg.), Die dunklen Anfänge: Neue Forschung zur Entstehung und frühen Geschichte des Islam, Berlin 2005 [beveel ik niet aan].

Diakritische Zeichen: futūḥ, al-Ṭabarī, taʾrīḫ, ʿUmar ibn al-Khaṭṭāb

Terug naar Inhoud