Het begin van Mohammeds profeetschap

Er bestaan enkele oude teksten waarin zonder enig verband met monotheïstische godsdiensten op het aanstaande profeetschap van Mohammed wordt gezinspeeld.

Al-Zuhrī heeft gehoord van ‘Urwa ibn al-Zubayr, en deze had het van Aisja: Toen God Mohammed wilde eren en door middel van hem de mensheid ontferming wilde betonen, begon het profeetschap met een waarheidbrengende droom. Als de Profeet een droom had was die zo helder als de dagenraad. En God gaf hem een hang naar de eenzaamheid; hij was het liefst alleen.1

In de tijd dat God hem wilde eren en het profeetschap wilde laten beginnen was de Profeet gewoon, als hij uitging voor zijn behoefte, ver weg te gaan, tot hij de huizen achter zich had gelaten en terechtkwam in de rotskloven en rivierbeddingen buiten Mekka. De Profeet kon geen steen of boom passeren of deze sprak: ‘Wees gegroet, gezant van God!’ De Profeet keek naar links en naar rechts en achterom, maar hij zag enkel bomen en stenen.2

Toen Mohammed nog bij zijn voedster was werd er kennelijk een onderzoek ingesteld naar zijn geschiktheid voor het profeetschap.

Hij zei: ‘Er kwamen twee mannen in witte kleren naar me toe; ze legden me op de grond, spleten mijn buik open en zochten iets daarin, ik weet niet wat.’3

In een variant op dit verhaaltje wordt er niets gezocht, maar moet Mohammed eerst gereinigd worden voordat hij geschikt is voor zijn hoge roeping. Maar daarna is hij dan ook bij uitstek geschikt:

[…] toen ik eens met een broertje achter onze tenten lammetjes aan het weiden was kwamen er ineens twee mannen in witte kleren aan met een gouden schaal vol sneeuw. Ze pakten mij vast en spleten mijn buik open, haalden mijn hart eruit en spleten ook dat open, ze haalden daar een zwarte bloedklomp uit en gooiden die weg; toen wasten ze mijn hart en mijn buik met de sneeuw tot ze die schoon hadden. Toen zei de een tegen de ander: “Weeg hem af tegen tien man van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen honderd van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Weeg hem af tegen duizend van zijn volk!” Dat deed hij, en ik was zwaarder. Toen zei hij: “Genoeg, want ook als je hem zou afwegen tegen heel zijn volk zou hij zeker zwaarder zijn.”’4

Dat element reiniging is misschien over komen waaien uit de bijbelse verhalen over roepingsvisioenen van profeten; vgl. Jesaja 6:5.

Maar dikwijls richtte men zich in de verhalen over Mohammeds profeetschap wel degelijk tot christenen en joden Men wilde hun bewijzen dat Mohammed een profeet was. Zijn komst was immers in de schriften voorzegd en zijn roeping tot profeet werd daar ook beschreven. In het vroege Arabische rijk waren christenen en joden veruit in de meerderheid en onder hen waren er genoeg die zich afvroegen of Mohammed überhaupt een profeet was. Moslims spanden zich in om hun positieve antwoorden te geven: ja, Mohammed was een profeet; kijk maar.

Dat er een profeet zou opstaan onder de Arabieren konden christenen en joden, volgens de moslims, lezen in hun schriften. Waar in het oude Testament sprake is van de Messias, of een nieuwe profeet, of in het Nieuwe Testament van de komst van de Heilige Geest, werd dit verondersteld te slaan op Mohammed.
Enkele voorbeelden slechts: In Deuteronomium 18:18 wordt er tegen Mozes gezegd: ‘Ik zal in hun midden profeten laten opstaan zoals jij.’ Natuurlijk is Mohammed een van hen.
In Johannes 15:26 voorspelt Jezus de komst van een pleitbezorger (paráklitos, παράκλητος ; vroeger vertaald als ‘trooster’). In het Syrisch is dat munaḥḥemānā. Voor wie dat zo wil zien en niet al te taalkundig is geschoold lijkt dat erg op muḥammad.5
Sommigen moslims suggereren dat er in plaats van paráklitos gelezen moest worden periklitós (περικλυτός), wat ‘beroemd, befaamd, voortreffelijk’ betekent. Dat kon gemakkelijk voor een vertaling van aḥmad of muḥammad ‘geprezen’ doorgaan en ziedaar, ook zo zag men de komst van de profeet Mohammed in het Evangelie voorspeld.
De jonge Mohammed werd ‘herkend’ door de christelijke monnik Baḥīrā’, die het ‘zegel van het profeetschap’ tussen zijn schouders ontdekte,6 en ook door bezoekende Ethiopiërs die de jongen in Mekka te zien kregen.7 Als christenen konden zij allen weten wie hij was, omdat zij hem in hun schriften beschreven hadden gezien.
Er zijn nog meer teksten van deze soort; dit waren maar enkele voorbeelden.

Ook wat Uri Rubin noemt de ‘Khadīdja-Waraqa-story’8 moest de christenen ervan overtuigen, dat Mohammed de in de Schriften voorzegde profeet was.
Dat verhaaltje gaat als volgt: vlak voor zijn roeping tot profeet ondervond Mohammed vreemde tekenen: hij zag lichtverschijnselen en hoorde een stem, wat hem beangstigde. Hij vertelde het zijn vrouw Khadīdja, die hem moed insprak. Zij ging naar haar neef Waraqa ibn Nawfal, die christen was en een gestudeerd man. Deze begreep dadelijk dat Mohammed degene was die in de Schrift beloofd was.

Waraqa ibn Nawfal was christen en had de Schriften bestudeerd. Hij zou zelfs Hebreeuws hebben gekend—wat een prestatie was geweest, omdat de toenmalige Joden die taal nauwelijks meer beheersten.
Toen Mohammed Khadīdja wilde huwen droeg Waraqa enkele verzen voor waarin hij blijk gaf van zijn geloof in Mohammed.
Waraqa’s zuster probeerde zwanger te worden van Mohammeds vader, toen ze deze ontmoette bij de Ka‘ba. ‘Zij had namelijk gehoord van haar broer Waraqa ibn Nawfal, die christen was en de Schriften had bestudeerd, dat er onder dit volk een profeet zou opstaan.’ (Ibn Isḥāq, Sīra (W) 101.)
“Het wachten begon Waraqa lang te vallen; dikwijls verzuchtte hij: ‘Hoe lang nog?’”
Waraqa zou Mohammed toen hij als kind eens verdwaald was hebben thuisbezorgd.

In de eerste tekst waar ik tegenaan liep kwam Khadīdja wel voor, maar Waraqa niet:

[…] van Ḥammād ibn Salama, van Hishām ibn ‘Urwa, van ‘Urwa: dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik zie een licht en ik hoor een stem, ik ben bang dat ik een sjamaan (kāhin) ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh, jij bent eerlijk, geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is en je eerbiedigt de familiebanden.’9 

Het is vrijwel onmogelijk dit soort teksten te dateren en dus te zien welke eerder zijn en welke later. Is Waraqa een latere toevoeging en waren christenen dus nog niet dadelijk de doelgroep? Mogelijk, want de vrees kāhin te zijn zal christenen niet hebben aangesproken; die herinnert eerder aan de koran, waarin herhaaldelijk wordt verklaard dat de profeet geen kāhin en geen bezetene is.

Hoe dan ook, een tekst mét Waraqa, of zullen we het de basistekst met Waraqa noemen? ziet er zo uit:

… van Ḥammād ibn Salama, ik meen van Ibn ʿAbbās, dat de profeet zei: ‘Khadīdja, ik hoor een stem en ik zie een licht en ik vrees dat ik bezeten ben.’ Zij zei echter: ‘Dat zou God je niet aandoen, zoon van ‘Abdallāh.’ Daarop ging zij naar Waraqa ibn Nawfal en vertelde het hem. Hij zei: ‘Als hij de waarheid spreekt is dit de nāmūs zoals de nāmūs van Mozes. Als ik nog leef als hij gezonden wordt zal ik hem sterken en helpen en in hem geloven.’10 

Hier geen sjamaan (kāhin) maar bezetenheid: ook dat klinkt koranisch. Waraqa weet waar de stem en het licht vandaan komen: het is de nāmūs, het Griekse woord nómos (νόμος), ‘gewoonte’; ‘wet’; in de Septuaginta is het de vertaling van Hebr. thora, ‘onderricht’, bijv. in Deut. 33:4 ‘Mozes gaf ons zijn onderricht’. Onderrichting van boven, een openbaring zoals bij de eerdere profeet, is dus in aantocht.

Van het Khadīdja-Waraqa-verhaal bestaan varianten; het ziet ernaar uit dat het in de loop van de tijd steeds uitgebreider werd.

… dat de profeet tegen Khadīdja zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop word ik toegeroepen. Ik ben bang dat het je-weet–wel is.’ Zij zei echter: ‘O nee, dat zou God je niet aandoen, jij geeft terug wat aan je in bewaring gegeven is, jij eerbiedigt de familiebanden en jij bent eerlijk.’ Toen Abū Bakr langs kwam, op een ogenblik dat de profeet niet thuis was, vertelde Khadīdja hem wat er aan de hand was en zei: ‘Atīq, ga jij met Mohammed naar Waraqa.’ Toen de profeet thuiskwam nam Abū Bakr hem bij de hand en zei: ‘Kom, we gaan naar Waraqa.’ ‘Wie heeft het je verteld?’ vroeg hij. ‘Khadīdja,’ antwoordde hij. Ze gingen naar hem toe om het hem te vertellen. Mohammed zei: ‘Telkens als ik alleen buiten loop wordt er achter mij geroepen: Mohammed, Mohammed!’ en dan loop ik hard weg.’ Waraqa zei: ‘Doe dat niet; als hij weer komt, blijf dan staan tot je hoort wat hij zegt en kom dan naar mij toe en vertel het mij.
Toen hij weer alleen uitging riep [de stem] hem toe: ‘Mohammad! Zeg: In naam van God, de barmhartige […] (volgt de Fātiḥa, de eerste soera geheel)’ en zeg: ‘Er is geen god dan God.’
Daarop ging hij naar Waraqa en vertelde het hem. Hij zei: ‘Wees blij, wees blij: ik belijd dat jij degene bent die de zoon van Maria heeft aangekondigd, en dat jij zoiets als de nāmūs van Mozes [hebt ontmoet]. Je bent een profeet die gezonden is en jou zal na vandaag worden opgedragen djihād te voeren. Als ik die dag nog beleef zal ik met je strijden.’
Toen Waraqa stierf zei de profeet: ‘Ik heb de priester in het paradijs gezien, met zijden kleren aan, omdat hij mij voor waar gehouden heeft en in mij geloofd heeft.’11 

Het verhaal krijgt steeds meer trekken een roepingsvisioen, naar analogie van de visioenen van de oudtestamentische profeten. De profeet krijgt de openbaringstekst door een stem aangereikt. In dit geval is het soera 1, meestal is het soera 96:1–5, en er zijn nog andere koranfragmenten geweest die de rol van ‘eerste openbaring’ hebben gespeeld.12 De rol van Waraqa als bevestiger blijft overheersend; met het bijzondere eerbewijs dat God hem verleent wordt die zelfs nog meer benadrukt.
Secundair is het optreden Abū Bakr, de latere eerste kalief, die Mohammed introduceert bij Waraqa. Dat was nergens voor nodig: Khadīdja was een neef van Waraqa en had directe toegang tot hem. Een voorbeeld van opdringerige name dropping in het kader van ‘Verdiensten der Gezellen’: iemand moest nodig even de naam van een beroemde gezel van de profeet in een verhaal persen dat niet over hem gaat.
Wie de ‘hij’ is die Mohammed toeroept blijft ook hier oningevuld. De stem die Mohammed hoorde kon nu moeilijk meer uit een steen of boom komen: het moest een engel zijn, net als in de roepingsvisioenen van de oudere profeten.

Dat vinden we terug in een ander soort teksten, die zich op de chronologie van Mohammeds leven concentreren. Blijkbaar wilde men die engel niet Gabriël laten zijn: die wordt bewaard voor het echte roepingsvisioen, dus het was een andere engel en ook die moest een naam hebben, al was niet iedereen het erover eens welke dat was:

[…] van al-Sha‘bī: [De engel] Mīkāl (Michaël) werd opgedragen de profeet, toen deze veertig jaar oud was, drie jaar lang over de zaken van het profeetschap te onderrichten. Toen hij drieënveertig was werd Gabriël daarmee belast. De koran werd hem in Mekka gedurende tien jaar geopenbaard en in Medina ook tien jaar. […]13

Volgens een andere overlevering was het Isrāfīl:

[…] van Dāwūd ibn Abī Hind, van ‘Āmir: De profeet was veertig jaar oud toen het profeetschap hem werd geopenbaard en [de engel] Isrāfīl was drie jaar bij hem; daarop werd hij teruggetrokken en werd hem Djibrīl (Gabriël) toegevoegd, tien jaar in Mekka en tien jaar in Medina. […]14 

Michaël wordt elders nog hier en daar in dit verband genoemd; Isrāfīl niet, waarschijnlijk omdat hij niet in de koran voorkomt en Michaël wel (koran 2:98).

De ‘Khadīdja-Waraqa-story’ ontwikkelt zich tot een lang verhaal over de eerste koranopenbaring aan Mohammed. Misschien kent U het, het wordt dikwijls geciteerd. Dit zal aan de orde komen op bladzijde twee.

Wordt vervolgd

NOTEN
1. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151.
2. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 151; Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 157.
3. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 105.
4. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 106.
5. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 150; daar de gehele Johannesepisode, de teskt is echter corrupt.
6. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 115–7; vgl. echter koran 33:40.
7. Ibn Isḥāq, Sīra (W) 107.
8. Rubin, Eye 103–12. Ik volg Rubin’s chronologische ordening van de teksten.
9. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195.
10. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 195, infra.
11. Ibn Isḥāq, Sīra (Y) no. 157.
12. Rubin, Eye 104, noot 4.
13. ‘Abd al-Razzāq al-Ṣan‘ānī, Muṣannaf iii, 6785.
14. Ibn Sa‘d, Ṭabaqāt i, 191

BIBLIOGRAFIE
– Harris Birkeland, The legend of the opening of Muhammed’s breast, Oslo 1955.
– Ibn Isḥāq, Sīra (W): Das Leben Muhammed’s nach Muhammed Ibn Ishâk bearbeitet von Abd el-Malik Ibn Hischâm, uitg. F. Wüstenfeld, Göttingen 1858–60, 444; gedeeltelijke Ned. vertaling: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000.
– Ibn Isḥāq, Sīra (Y), versie van Yūnus ibn Bukayr: Sīrat ibn Isḥāq, al-musammāt bi-kitāb al-mubtada’ wal-mab’ath wal-maghāzī, uitg. Muḥammad Ḥamīd Allāh, Rabat 1976.
– Ibn Sa’d, Al-Ṭabaqāt al-kubrā, uitg. Iḥsān ‘Abbās, 8 dln. Beiroet 1960.
– M. J. Kister, ‘God will Never Disgrace Thee,’ JRAS 1965, 27–32. Online hier.
– Uri Rubin, The Eye of the Beholder, Princeton 1995.

Terug naar Inhoud

Verlicht en doorgebrand. Al-Turabi als romanfiguur? (1)

Hasan ‘Abdallāh al-Turābī (1932–2016) is gestorven, en ik treur niet om hem. Als leider van de Moslim Broederschap in Soedan was hij een van de voornaamste verwoesters van dat ooit zo gemoedelijke land.
Hij stamde uit Kassalā, een door islamitische mystiek gestempelde stad, studeerde rechten in Khartoem van 1951–55, in London van 1955–1959 en promoveerde in 1964 aan de Parijse Sorbonne. Hij moet dus behoorlijk briljant geweest zijn en twee Europese hoofdsteden en twee Europese talen grondig hebben gekend. Weer thuis werd hij een van de medeoprichters van de Moslim Broederschap, die actie voerde tegen de lakse moraal van de elite en ook tegen de communisten. Hij was partijleider en bekleedde verschillende hoge ambten. Zijn persoonlijke streven was een op de Sharī‘a gebaseerde grondwet voor zijn land, die in 1983 een feit werd. Naar verluidt verdiende al-Turābī goed aan het toen ingevoerde islamitische bankwezen. Hij gaf de nu nog steeds zittende dictator al-Bashīr zijn volledige steun, maar werd na enige tijd wel door hem uit de politiek gegooid. Als geestelijk leider bleef hij echter invloedrijk. Ook de Soedanese tak van al-Qā‘ida genoot zijn steun.
Als U meer over hem wilt weten kunt U hem naslaan in de Wikipedia, in de Engelse of de Duitse versie.
.
Men zegt soms dat het met ‘de islam’ veel beter zou gaan als die tenminste de Verlichting zou kennen. Al-Turābī was het levende bewijs — maar lang niet het enige — van het tegendeel. Hij was uitstekend bekend met het denken en de waarden van het Westen en kende de Verlichting zonder twijfel een stuk beter dan de columnisten die de islam er eentje toewensen. Maar zodra hij weer terug was in Khartoem schudde hij dat allemaal af, schoof ook de de easy going islam en de mystieke verlichting waarmee hij was opgegroeid terzijde en werd Moslim Broeder en duisterling. Hij zal zijn buik vol gehad hebben van de arrogantie van London en Parijs. Jaren geleden heb ik zelf eens ervaren hoe het is om naast een wat armelijk geklede Egyptenaar door Parijs te lopen. Het was schokkend de verachting te voelen die toen onze kant op woei.1 Voor mij tenminste; die Egyptenaar kende dat natuurlijk al.
.
Door al-Turābī’s dood moest ik terugdenken aan een Arabische roman. Want ik vond het altijd een beetje griezelig: het leek wel of hij model had gestaan voor Moestafa Sa‘ied, de hoofdpersoon van al-Tayyib Salih’s roman Seizoen van de trek naar het Noorden van 1966.2
De auteur moet al-Turābī hebben gekend. Soedan is een groot land, maar had in de vijftiger jaren heel weinig ‘westers’ gevormde intellectuelen. Lange tijd was deze briljante man de enige Soedanees met een buitenlandse doctorstitel. Ook de drie jaar oudere Salih heeft eerst in Khartoem en daarna in Engeland, in Exeter, gestudeerd, waarna hij vele jaren als medewerker verbonden was aan de Arabische afdeling van de BBC. Misschien heeft hij al-Turābī wel geinterviewd. Er waren toen zo weinig intellectuele Soedanezen in Engeland dat hij hem wel gekend móet hebben. Of Salih hem werkelijk in zijn achterhoofd had toen hij zijn roman schreef is echter niet te zeggen. In elk geval ging het met het leven van zowel de echte persoon als het romanpersonage na de studie noodlottig mis.
Over de roman een volgende keer.
.
WORDT VERVOLGD (maar voorlopig nog niet)

NOTEN
1. Ook bij personen uit heel andere culturen leidt het contact met de westerse waarden soms tot rampen; denk aan de Cambodjaanse massamoordenaar Pol Pot, die op een Franse school had gezeten en in Parijs mocht studeren.
2. al-Tayyib Salih, Mawsim al-hidjra ilā al-shimāl verscheen in het Arabisch voor het eerst in 1966 in het tijdschrift al-Hiwār en is dikwijls als boek herdrukt en in vele talen vertaald. De Nederlandse vertaling is van Kees Versteegh en verscheen bij Meulenhoff Amsterdam in 1985.

Diacritische tekens: Ḥasan ʿAbdallāh al-Turābī, Ṭayyib Ṣaliḥ, Muṣṭafā al-Sa‘īd, al-Ḥiwār

Terug naar Inhoud

Vrouwenpower: vechtende vrouwen in oude Arabische vertellingen

uitHamzaverhaalDat vrouwen slimmer zijn dan mannen kan iedereen weten die wel eens langs de winkel van die koopman uit Baghdad uit Duizend-en-één nacht is gelopen,1 die met gouden letters boven zijn winkel had geschreven: „Er is geen list dan die van vrouwen;  hun list is het grootst.“ Eerst stond er juist het omgekeerde: ‘Er is geen list dan die van mannen; die gaat de list van vrouwen te boven.’ Maar een meisje van plezier dat het las, werd woedend toen ze het zag en wilde de man een lesje leren. Ze verleidde hem en beweerde dat ze de dochter van de rechter was. Onmiddellijk ging de koopman bij de rechter om de hand van zijn dochter vragen. De bruiloft werd snel geregeld, maar toen de bruid haar sluier afdeed zag hij een heel andere, lelijke en mismaakte vrouw voor zich. De volgende dag kwam die mooie vrouw weer langs en dwong hem, het opschrift boven zijn winkel te veranderen. En daar bleef het niet bij: de vrouw kreeg zelfs de rechter, die wel opgelucht geweest moet zijn dat hij zijn lelijke dochter kwijt geraakt was, zover dat hij het huwelijk ontbond en trouwde de koopman zelf. Zo kwam zij onder de pannen.

Over een jonge vrouw die ontwikkelder is dan mannen en zich niet ontziet mannelijke geleerden op hun eigen vakgebied te verslaan, kunt U eveneens in Duizend-en-één nacht lezen: in het verhaal over de in alle opzichten knappe slavin Tawaddoed.2 In aanwezigheid van kalief Haroen al-Rasjied weet dit veertienjarige meisje de moeilijkste vragen van geleerden over islamitische wetenschappen maar ook medicijnen, astronomie en filosofie te beantwoorden, en ook in poëzie, triktrak en schaken is zij kampioen. Na iedere test mag zij zelf iedere geleerde een vraag stellen, en ze stelt als eis dat deze zijn gewaad, soms ook zijn tulband moet uittrekken als hij het antwoord niet weet. Eén vraagt er zelfs of hij tenminste zijn onderbroek mag aanhouden.
Ondanks deze grappige strippoker is deze vertelling niet makkelijk te lezen, maar zij biedt ook een interessant encyclopedietje van de algemene ontwikkeling van die tijd.

  • Tawaddoed heeft zelfs heel bijzondere anatomische kennis. Zij weet namelijk dat de onderkaak van de mens uit één stuk bestaat en niet uit twee, zoals de Griekse arts Galenus (±129–200) en alle geneeskundigen van het Nabije Oosten altijd hadden beweerd. Misschien had ze zelf een skelet gezien, of ze had het Kitāb al-ifāda wal-i‘tibār van ‘Abd al-Latīf al-Baghdādī gelezen, die als enige Arabische geleerde hetzelfde beweerde. Deze zou namelijk omstreeks 1200 tijdens een hongersnood in Egypte veel skeletten onder ogen hebben gekregen. Na hem zou het nog eeuwen duren tot Vesalius3 de juiste kennis over de onderkaak in Europa verbreidde.

DhatAlHimmaEnglBookcoverMinder bekend is misschien dat Arabische vrouwen bij het vechten, dat als specialisme van mannen geldt, even goed hun mannetje stonden als dezen, zo niet nog beter. Daarover wordt maar weinig in Duizend-en-één nacht verteld, maar des te meer in  andere eeuwenoude verhaalcycli, zoals Dhāt al-Himma en Sīrat ‘Antara, die in druk vele honderden of zelfs duizenden bladzijden beslaan. De verhalen werden mondeling door vertellers in café’s doorgegeven, maar ook als schriftjes door boekhandelaren verhuurd. Hoe fictief ze ook zijn, voor de toehoorders vormden zij islamitische geschiedenis, en die hoorden zij liever dan de vertellingen uit Duizend-en-één nacht, die immers alleen maar onderhoudend zijn.
Tegenwoordig zijn deze verhalen nogal in vergetelheid geraakt: de verteltraditie is op sterven na dood en daar komt nog bij dat ze ‘volksepossen’ (sīra sha‘bīya) zijn, terwijl literatuurwetenschappers in oost en west meestal alleen in de ‘hoge’ literatuur geïnteresseerd zijn. Dat zou nu kunnen veranderen, want Remke → Kruk heeft deze dikke pillen aan de vergetelheid ontrukt en er meteen een spannende studie over geschreven: The Warrior Women of Islam.

Eén werk waarin een strijdster de hoofdrol speelt moge als voorbeeld dienen: Dhāt al-Himma,4 een verhaalcyclus van meer dan zesduizend dichtbedrukte bladzijden. De handeling hier samen te vatten is onmogelijk: → Lyons had alleen al daarvoor honderdzestig bladzijden nodig! Hoofdmotieven zijn enerzijds de rivaliteit tussen twee Arabische stammen, anderzijds de permanente staat van oorlog tussen moslims en het Oostromeinse Rijk.
Dhāt al-Himma heeft de meeste eigenschappen van een klassieke mannelijke held en nog een paar andere: vroomheid, trouw aan de kalief, zorgzaamheid voor haar kind. Klassiek is dat zij als baby voor haar eigen veiligheid bij een voedster wordt verstopt. Ze leert al heel vroeg haar eigen wapens te maken en te paard te vechten. Samen met haar voedster wordt zij door een andere stam tot slaaf gemaakt, waarna zij lang een ondergeschikt leven leidt. Haar talent voor vechten valt echter al spoedig op. Als na een tweegevecht met haar vader haar identiteit duidelijk wordt en zij als prinses wordt erkend wil haar vader haar uithuwelijken. Maar zij wil geen man, en al helemaal niet haar neef, die haar vader voor haar had uitgezocht. Als de kalief het paar persoonlijk in de echt verbindt, schikt zij zich, maar stelt de voltrekking van het huwelijk steeds uit. Haar man laat haar dan verdoven, verkracht haar en maakt haar zwanger — terwijl zij ongesteld is, wat tot gevolg heeft dat haar zoon zwart wordt. Na verloop van tijd doodt zij zowel haar man als haar vader: op mannen is immers geen staat te maken, behalve op haar zoon, die zij vroom opvoedt en eigenhandig tot krijger opleidt. Later in de vertelcyclus vormt zij met hem een geducht krijgerpaar.
Deze prinses wint niet alleen ieder tweegevecht, zij is ook een fantastische legerleidster en stratege. Ontelbare veldslagen levert zij met Romeinse en andere vorsten of prinsessen; meestal met succes, maar niet zonder af en toe zelf in moeilijkheden te raken of zelfs gevangen genomen te worden — anders waren de verhalen saai geworden.
Eenmaal wordt zij door een tegenstander uit het zadel geworpen en na een worstelstrijd door hem over de schouders getild. Maar zij geeft niet op:

  • … en ziedaar, prinses Dhāt al-Himma had Hadlāmūs’ hoofd in een houdgreep gekregen en perste het uit met alle kracht, tot het bloed uit zijn oren spoot. Daarop gaf ze er zo’n geweldige klap op dat de tanden uit zijn mond vlogen en hij bewusteloos neerging. Ze stortte zich op hem; hij had geen flauw vermoeden waar hij was. Ze legde haar handen onder zijn oksels en tilde hem over haar schouders. Zo werd hij teruggedragen, waar hij toch eerst haar gedragen had.5

Dhāt al-Himma was maar één voorbeeld; in de verhalen treden honderden strijdsters op; overigens ook bij de Oostromeinse tegenstanders. Soms vechten zij met typisch vrouwelijke middelen. Een strijdster toont bij voorbeeld in de hitte van het gevecht ineens haar borsten of nog meer, waarop haar mannelijke tegenstander zo in verwarring raakt dat zij hem makkelijk kan verslaan. Maar meestal vechten de vrouwen net zo keihard als mannen, en zijn ook als mannen gekleed.
In mannen zijn ze vaak niet erg geïnteresseerd, of alleen als verwekkers van hun kinderen. De vrouwen vechten ook met elkaar en respecteren en bewonderen elkaar wederzijds. Om huismoedertjes en vrouwen die graag mannen behagen geven ze niet. Dhāt al Himmah sleept de mooiste en dapperste vrouwen van het slagveld mee naar huis, als echtgenotes voor de mannen in haar entourage, met wie zij dan gelukkige paren kunnen vormen.

Bestonden die Arabische strijdsters alleen in verhalen of ook in werkelijkheid? In Europa kwamen er in vroeger eeuwen wel wat vrouwelijke soldaten en matrozen voor, die hun vrouwelijkheid verborgen (uitzondering: Jeanne d’Arc). In Japan waren er veel vrouwelijke samoerai’s, die zich niet hoefden te verstoppen, maar zelfs beroemd waren: de Onna-Bugeisha. Daar waren de wapens lichter en de vechttechnieken minder specifiek mannelijk, zodat ze ook met minder spierkracht konden worden beoefend. Arabische strijdsters zijn goed voorstelbaar, maar of ze echt bestonden is domweg niet bekend. Men zou misschien eens de botten op beroemde slagvelden kunnen opgraven en analyseren (marketentsters en hoeren natuurlijk eerst uitsluiten).

Blijft over de vraag waarom vechtende vrouwen zo’n geliefd onderwerp waren bij het mannelijke publiek dat naar deze vertellingen luisterde. Een antwoord op deze vraag is eerder van psychologen of antropologen dan van arabisten te verwachten.

In stripverhalen, die vaak moderne heldenverhalen zijn, is de Arabische of moslimse strijdster opnieuw populair geworden: als Superwoman. Het is de vraag of de auteurs daarvan ook maar enig vermoeden hebben van de traditie die zij nieuw leven inblazen.

NOTEN
1. In ‘Die Geschichte von der Weiberlist,’ Enno Littmann, Erzählungen, iii, 502–8. Dit verhaal komt niet voor in de vertaling van Richard van Leeuwen, omdat het ook niet voorkomt in de gangbare Arabische uitgave van Būlāq, 1835. Het schijnt te vinden te zijn in Alf layla wa-laya, Calcutta 1814, ii, 367–78; maar dat heb ik niet gezien. Ik heb dus alleen de Duitse vertaling gelezen. Meer info in Marzolph/Van Leeuwen, 454 und „Concordance of Quoted Texts“ Nr. 340.
In haar korte verhaal ‘De list der mannen’ (‘Kayd ar-ridjāl,’ in Maqām Aṭīya) zinspeelt de Egyptische schrijfster Salwā Bakr op het oorspronkelijke opschrift boven de winkel. In dat verhaal mislukt de list van drie vrouwen die zich met vergif van hun gezamenlijke echtgenoot proberen te ontdoen. De man wordt door zijn vriend de apotheker gewaarschuwd, neemt het gif niet en doet alleen maar alsof hij sterft, brengt zijn vrouwen aan het schrikken door ineens wakker te worden en verstoot hen, zodat ze op straat komen te staan.
2. Alf layla wa-layla, Būlāq, 1835, i, 614–36; Duizend-en-één nacht (van Leeuwen), vii, 202–56. Tawaddoed ziet er in Arabische schrift bijna zo uit als Teodor; zo is de naam in het Spaanse verhaal over donzella Teodor terecht gekomen. Later verwerkte Lope de Vega (1562–1635) de stof in een toneelstuk.
3. Vesalius, De humani corporis fabrica, Basel 1543, blz. 5vv.
4. Kruk, Warriors, 37–91.
5. Kruk, Warriors, 55; mijn vertaling.

BIBLIOGRAFIE
– Duizend-en-één-nacht:
. Alf layla wa-layla, 2 Bde., Būlāq 1835.
. De vertellingen van duizend-en-één nacht, vert. Richard van Leeuwen, 14 dln. Amsterdam (Bulaaq) 1993–9.
. Enno Littmann, Die Erzählungen aus den Tausendundein Nächten, 12 Teilbände, Wiesbaden (Insel Verlag) 1981.

– Salwā Bakr, Maqām Aṭīya. Riwāya wa-qiṣaṣ qaṣīra, Cairo 1986.
– Peter Heath, ‘Sīra Sha‘biyya,’ in EI2.
– Remke Kruk, The Warrior Women of Islam, Female Empowerment in Arabic Popular Literature, London (I.B. Tauris) 2014.
– Remke Kruk, ‘Wel erg veel blote dij. Krijgsprinsessen in de Arabische volksepiek,’ in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 29 (2009), 61-77.
– Lope de Vega, La doncella Teodor. Estudio y edición crítica de Julián González-Barrera, Kassel (Ed. Reichenberger) 2008.
– Malcolm C. Lyons, The Arabian Epic. Heroic and Oral Story Telling, 3 dln., Cambridge 1995.
– Ulrich Marzolph und Richard van Leeuwen (Hrsg.), The Arabian Nights Encyclopedia, Santa Barbara/Denver/Oxford 2004.

Diacritische tekens: Tawaddud, Hārūn al-Rashīd, ʿAbd al-Laṭīf al-Baghdādī, Sīrat ʿAnṭara

Terug naar Inhoud

Negers

Negers zijn gul en goedlachs, ze hebben een nobel karakter; met hun krachtige stemmen houden ze nooit op te praten en te zingen; ze trommelen en dansen goed, want ze hebben een enorm gevoel voor ritme; bovendien zijn ze sterk en geweldig potent, en hun vrouwen baren ongelooflijk veel kinderen.
.
Voordat U zich gaat opwinden en mij naar goed-Nederlands gebruik van racisme beschuldigt zal ik U vertellen dat ik hier opvattingen samenvat van de Arabische schrijver al-Djāhiz (777–869). Rondom zijn geboortestad Basra woonden veel zwarte slaven, die bij het droogleggen van moerassen, de ontzilting van landbouwgronden en in de zoutwinning te werk waren gesteld. In het onbarmhartige klimaat van Zuid-Irak hadden deze zg. Zandj een keihard leven. Sterk zullen zij inderdaad geweest zijn, omdat de zwakkeren al meteen het loodje legden; te lachen, te dansen en te zingen viel er bitter weinig. Er zijn in totaal drie opstanden van de Zandj bekend, waarvan de laatste maar liefst vijftien jaar duurde en tienduizenden levens kostte. Maar toen was al-Djāhiz al gestorven.
.
De vader van al-Djāhiz was zo’n zwarte slaaf; de auteur wist dus waar het over ging. Bovenstaande opvattingen en nog veel meer vindt U in zijn tractaat De superioriteit van de zwarten over de blanken. Inderdaad is het een racistisch geschrift: black is beautiful, bij mensen net zo goed als bij kamelen, paarden, schapen en ezels, en zijn zwarte haren en ogen niet het mooiste wat er is? En vergeet de Zwarte Steen in Mekka niet! Negatieve opvattingen over zwarten komen ook aan de orde, zij het dan dat de auteur die juist bestrijdt. De opvatting dat zwarten verstandelijk onderontwikkeld zijn ontmaskert hij bij voorbeeld als een denkfout. Zeker zijn er veel stompzinnige slaven; die zijn dat echter niet omdat zij zwart zijn, maar omdat zij onder erbarmelijke omstandigheden in een ongezonde omgeving leven. Slaven uit het als intelligent bekend staande Indië zijn immers net zo dom en stompzinnig.
.
Ik ga geen stukken uit deze tekst vertalen, want dat heeft Kees Versteegh al uitstekend gedaan in →De taal der Engelen. Versteegh vindt het niet eenvoudig vast te stellen wat al-Djāhiz precies wilde met zijn tractaat. In ieder geval wenste de auteur niet te geloven in een vloek van God, zoals de vervloeking van de bijbelse Cham die op de zwarten zou rusten. Huidskleur is niet van God gegeven, maar is door natuurlijke omstandigheden gevormd en kan na enkele generaties in een andere omgeving ook weer verdwijnen. Zwarten moeten dus als volwaardige mensen beschouwd en behandeld worden en zijn dus zeer wel in staat moslim te worden, aldus al-Djahiz. Zijn tractaat is volgens Versteegh waarschijnlijk bedoeld om dat laatste te benadrukken; ik twijfel daar een beetje aan.
.
Dit tractaat is dus pro-zwart. Maar staat daar echt in hoe al-Djāhiz erover dacht? Elders in zijn reusachtige oeuvre heeft hij geen goed woord over voor zwarten, die hij daar als het minderwaardigste deel van de schepping vermeldt. Volgens al-Djāhiz en tijdgenoten zijn de volkeren die zedelijkheid, wijsheid en kennis bezitten vier in getal: de Arabieren, de Indiërs, de Perzen en de Romeinen. De rest der mensheid bestaat uit wilden en wat daarop lijkt. Onder die volkeren is er een hiërarchie en de zwarten zijn werkelijk het allerlaagste. Horrorverhalen biedt hij ook. Tot de gewoonten der Zandj in hun land van herkomst behoort bij voorbeeld dat zij zich een snijtand laten trekken. Ze vijlen hun tanden bij om ze in het gevecht als wapen te gebruiken en om de overwonnenen makkelijker te kunnen opeten.1
.
We blijven dus zitten met tegenstrijdige opvattingen bij al-Djāhiz. Dat is op zich al niet verbazend; geen mens is steeds consequent in zijn opvattingen. Maar bij hem komt er nog bij dat hij net de dialektiek had ontdekt. Hij vond het leuk, de voors en tegens van de dingen soms provocerend tegenover elkaar te zetten en daarbij was het niet van belang welke opvattingen uiteindelijk de juiste waren. Zo heeft hij in een ander tractaat, Dispuut tussen slavinnen en slaven,2 de voor- en nadelen van slavenjongens en slavinnetjes als sekspartners tegen elkaar afgewogen. In nog een andere tekst handelt hij over De goede eigenschappen van de Turken.3
.
Het interessantste bij dit alles vind ik, dat wat meer dan duizend jaar geleden over zwarten werd beweerd in grote lijnen hetzelfde is als wat eeuwen later door Europese slavenhandelaren en hun nakroost opnieuw in omloop werd gebracht en dat nog tot diep in de twintigste eeuw bleef. En wie weet hadden de oude Grieken ook al zulke gedachten? Blijkbaar bestaat er een heel lange, grensoverschrijdende overlevering van zulke stereotypen, los van welke realiteit dan ook.

NOTEN
1. Al-Djāḥiẓ, Bayān i, 60, 384, 137; Enderwitz, Rang 67ff.
2. Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān.
3. Fī manāqib al-Turk wa-‘āmmat djund al-khilāfa.

BIBLIOGRAFIE
Primair
Al-Djāḥiẓ, Al-Bayān wal-tabyīn, uitg. ‘Abd al-Salām Muḥammad Hārūn, 4 dln. in 2 bd., Cairo, 5e dr. 1985.
Al-Djāḥiẓ, ‘Kitāb fakhr al-sūdān ‘alā al-bīḍān,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, uitg. ʿAbd al-Salām Muḥammad Hārūn, 2 dln. Cairo z.j. [1964], i, 173–226; ook in G. Van Vloten, Tria opuscula auctore Abu Othman Amr ibn Bahr al-Djahiz Basrensi, Leiden 1903, 57–85. Vertalingen:
––  Nederlands: Kees Versteegh (fragment): ‘Traktaat over de lof van de zwarten boven de blanken,’ in →De taal der engelen, 135–9, 596–7.
–– Frans: Al-Ǧāḥiẓ, Kitāb faḫr as-sūdān ʿālā ’l-bīḍān, traduction et annotations par Guy et Jacky Ducatez, in Revue des études islamiques 51 (1983), 1­–49.
–– Duitse vertaling (fragmenten): Charles Pellat, Arabische Geisteswelt, ausgewählte und übersetzte Texte von al-Ǧāḥiẓ (777–869), vert. Walter Müller, Zürich/Stuttgart 1967, hst. 31: ‘Über den Ruhm der Schwarzen vor den Weißen,’ p. 315–318. (fragmenten)
–– Engels: ‘What Blacks may boast of to Whites,’ transl. T. Khalidi in Islamic Quarterly 25 (1981), 3–51. (niet gezien)
– Al-Djāḥiẓ, ‘Kitāb Mufākharat al-djawārī wal-ghilmān,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, ii, 87–137; vert.: Éphèbes et Courtisanes, traduit par Maati Kabbal, préface et notes de Malek Chebel, Paris 1997.
– Al-Djāḥiẓ, ‘Manāqib al-Turk,’ in Rasāʾil al-Djāḥiẓ, i, 1–86; anders in G. Van Vloten, Tria opuscula etc., Leiden 1903, 1–56. Vertaald door Oskar Rescher? Nog niet gevonden.
– De taal der engelen. 1250 jaar klassiek Arabisch proza. Samengesteld en ingeleid door Arnoud Vrolijk, Amsterdam/Antwerpen 2002.

Secundair
-Susanne Enderwitz, Gesellschaftlicher Rang und ethnische Legitimation. Der arabische Schriftsteller Abū ʿUṯman al-Ǧāḥiẓ (gest. 868) über die Afrikaner, Perser und Araber in der islamischen Gesellschaft, Freiburg 1979.
– G.S.P. Freeman-Grenville en A. Popovic, ‘Zandj,’ in EI2.
– Ibrahim Geries, ‘Al-Maḥāsin wa-l-Masāwī,’ in EI2.
– Ibrahim Geries, Un genre littéraire arabe: al-maḥāsin wa-l-masāwī, Paris 1977.
– G. Rotter, Die Stellung des Negers in der islamisch-arabischen Gesellschaft bis zum XVI. Jahrhundert, Diss. Bonn 1967.

Terug naar Inhoud

Een dure slaaf (vertaalde tekst)

Geschreven door de Arabische prozaïst al Djahiz (777–869).

Rawh ibn al-Tā’ifīya, een slaaf van de zuster van Anas ibn Abī Shaykh, die hem de behartiging van al haar aangelegenheden had toevertrouwd, vertelde het volgende verhaal:
Ik ging naar de markt om een kok te kopen. Terwijl ik daar stond werd er een jonge slaaf gebracht die voor tien dinar werd aangeboden, hoewel hij wegens zijn knappe gezicht, zijn uitstekende figuur en zijn jeugdigheid er wel honderd waard was, nog afgezien van zijn vakkennis. Toen ik hem zag kon ik het niet laten naar hem toe te lopen en tegen hem te zeggen:
– Jij schurk! Zoals jij eruit ziet zou je minstens honderd dinar moeten kosten, en als jouw eigenaar je voor tien verkoopt, dan doet hij dat alleen omdat jij het ergste uitschot bent!
– Ja, antwoordde hij, voor de meeste mensen ben ik uitschot, maar voor anderen ben ik honderd en nog eens honderd dinar waard.
Toen dacht ik: Eén dag tegenover mijn vrienden te kunnen opscheppen met zijn schoonheid en zijn goede kookkunst is alleen al meer dan tien dinar waard.
Ik kocht hem dus en nam hem mee naar huis. Toen ik merkte dat hij handig, dienstwillig en terughoudend was stuurde ik hem op een dag dag naar de geldwisselaar om daar twintig dinar voor mij af te halen. Hij hield ze zelf en verdween spoorloos. Ik had zijn vlucht nog niet eens bemerkt toen de slavenzoeker1 al voor de deur stond en zijn loon verlangde.
– Daarom en om zulke dingen meer stond jij dus voor tien dinar te koop, zei ik tegen de slaaf.
– Als ik niet wist dat u mijn eed toch niet zou geloven, zou ik u vertellen hoe ik de dinars uit mijn kleding ben verloren. Maar ik zeg u één ding: Sluit me op, bewaak me, maak gebruik van mijn diensten en denk dat u me voor dertig dinar hebt gekocht!
Ik hield hem en zette hem vast omdat ik een zwak voor hem had, en dacht bij mezelf dat hij misschien toch eerlijk was. Toen ik daarop merkte dat hij rechtschapen en rouwmoedig was en zijn dienst goed uitvoerde, vergat ik de hele geschiedenis. Op een dag overhandigde ik hem dertig dinar, die hij aan mijn familie moest brengen. Zodra hij het geld in handen had verdween hij spoorloos, maar het duurde maar een paar dagen tot de slavenzoeker hem terugbracht.
– Je hebt destijds beweerd dat je die eerste dinars verloren had, zei ik tegen hem, wat zeg je nu over deze tweede keer?
– Ik weet heel goed, zei hij, dat u van mij geen excuus aanvaardt; laat mij buitenshuis en draag me niets anders op dan de keukendienst. Als een goed pak slaag u iets van het geld kon terugbrengen zou ik u dat zeker aanraden, maar het geld is weg en slaan vermindert uw loon in het hiernamaals. Bovendien sterf ik misschien aan dat pak slaag en dan zou u spijt hebben, zou u schuldig zijn, u schamen en voor gek staan en de overheid zou u vervolgen. Laat mij dus alleen keukendienst doen: ik zal u daar heel blij maken, het beste inkopen en het goed voor u klaarmaken. En denk maar dat u mij voor zestig dinar hebt gekocht.
– Deze keer trap ik er niet in, zei ik tegen hen, ga in godsnaam weg, ik laat je vrij!2
– U bent zelf een slaaf, antwoordde hij, hoe kunt u mij dan vrijlaten?
– Dan zal ik je verkopen, voor welke prijs dan ook.
– Maar verkoop me niet voordat u een andere kok gevonden hebt, want als u me nu meteen verkoopt krijgt u alleen nog brood en bonen te eten.
Dus zag ik ervan af hem te verkopen. Een paar dagen later, toen ik buiten zat, liep daar een moederschaap van een nobel ras en met een goede melkopbrengst, dat we van haar lam gescheiden hadden, zodat het onophoudelijk blaatte. Ik zei, zoals je dat doet als je geërgerd bent en zoals ieder ander ook had gedaan:
– Mijn hemel, dat vervloekte schaap! Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen, dat we dat gemekker niet meer hoefden te horen.
Mijn kok verdween; nauwelijks was hij weg of hij kwam alweer terug, met een mes en een slagersbijl in zijn hand en met een voorschoot aan.
– Wat doen we met het vlees? vroeg hij me. Wat draagt u me op ermee te doen?
– Welk vlees?
– Van dat schaap.
– Welk schaap?
– Dat u gezegd had dat ik moest slachten.
– Maar welk schaap heb ik jou dan opgedragen te slachten?
– Grote goedheid! U zei toch zoëven: Ik wou dat God iemand stuurde die het zou slachten of stelen? En nu God u geeft wat u vroeg doet u alsof u nergens van wist!
Rawh zei nog: Zo bleef ik dus met hem zitten, want ik kon hem niet vastzetten, niet verkopen en niet vrijlaten.

Bron:
Al-Djāhiz, Kitāb al-Hayawān, uitg. ‘Abd al-Salām Hārūn, 6 dln., Cairo 1938-1947, vi, 490–493.

Noten
1. Nāshid = ‘zoeker’. Blijkbaar is een soort detective bedoeld, die weggelopen slaven opspoorde.
2. Vrijlating was voor een slaaf niet altijd het hoogste goed. Als de jongen was vrijgelaten had hij op straat gestaan.

Diakritische tekens: Rawḥ ibn al-Ṭā’ifīya, Al-Djāḥiẓ, Kitāb al-Ḥayawān

Terug naar Inhoud

Isra’iliyat (korte definitie)

Isrā’īlīyāt (اسرائيليات) zijn in de eerste plaats de verhalen met aanvullende ‘historische’ informatie over de bijbelse personen die in de Koran genoemd of kort besproken worden. Deze producten van de Vertellers berusten vaak op joodse profetenverhalen en legenden of zelfs op pure fantasie. Vaak zijn zulke verhalen gemakkelijk terug te vinden in → Ginzberg, Legends. Eveneens tot de isrā’īlīyāt worden gerekend allerlei stichtende en onderhoudende verhalen die in een legendarisch verleden, de ‘tijd van het volk Israël’ (‘ahd banī isrā’īl) zijn gesitueerd. 

De Arabieren kunnen de joodse vertelstof gekend hebben via bekeerde joden als ‘Abdallāh ibn Salām en Ka‘b al-Ahbār, maar dat niet alleen: de veroverde gebieden waren vol met christenen en joden; die literatuur was overal en er was dus een zeer brede toegang. De ‘verteller’ *Wahb ibn Munabbih (± 654–728), was zeer vertrouwd met dit materiaal en heeft het in zijn geschriften verbreid.

Waren de vroege islamitische teksten er nog geheel mee doordrenkt, vanaf de helft van de achtste eeuw is er een duidelijk wantrouwen tegen isrāʾīlīyāt en een tendens ze te marginaliseren of geheel onzichtbaar te maken (‘ontbijbeling van de islam’).

Isrā’īlīyāt zijn vooral te vinden in de koranexegese (tafsīr), in geschiedwerken en in de profetenverhalen (qisas al-anbiyā’).

BIBLIOGRAFIE
– G. Vajda, art. ‘Isrāʾīliyyāt’ in EI2.
– Art. ‘Isra’iliyyat’ in Wikipedia.
– Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln, Philadelphia 1954–59, of online, maar daar zonder voetnoten en indexen.

Diakritische tekens en tags: isrāʾīlīyāt,‘ahd banī isrā’īl, Ka‘b al-Aḥbār, qiṣaṣ al-anbiyāʾ , isra’iliyat, israiliyyat, isra’iliyaat

Terug naar Inhoud

Haqqi’s ‘Maagd van Dinshaway’

(Doelgroep: mensen die Arabische literatuur in het Arabisch lezen)

Als attachment hier de Arabische tekst van Mahmud Tahir Haqqi’s korte roman ‘Adhrā’ Dinshawāy (De maagd van Dinshaway, Cairo 1964; de eerste druk was van 1906). Ik heb nu eenmaal dit pdf-bestand en het zou jammer zijn om het weg te gooien. Zo hoeft u niet nog een keer naar de UB te rennen.

Haqqi’s werk is een van de vroegste Egyptische romans, die een grote invloed heeft gehad op zowel het Egyptische nationalistme als op de ontluikende romankunst. In de woorden van Samah Selim, blz. 93:

  • The novel dramatizes the events that took place in the Delta village of Dinshaway in 1906. A party of British officers out pigeon hunting near the village was attacked by a group of peasants to whom the pigeons belonged. In the confrontation that followed, an officer was severely wounded and subsequently died of sun-stroke. The British reprisal was swift and brutal — a military trial ended in the execution of four villagers — and the popular outrage that ensued eventually led to Lord Cromer’s departure from Egypt.

Secundaire literatuur:
– Sa‘d al-Djabalāwī, Three pioneering Egyptian novels, Fredericton NB 1986.
– Roger Allen, ‘History of the Egyptian Novel. Its Rise and Early Beginnings,’ IJMES 1988, Vol. 20(3), 397-397.
– Samah Selim, The Novel and the Rural Imaginary in Egypt, 1880-1985, London/New York 2004, blz. 92ff.

Diakritische tekens: Maḥmūd Ṭāhir Ḥaqqī, ʿAdhrāʾ

Terug naar Inhoud           Mahmud Tahir Haqqi Dinshaway Dinschaway Dinsaway Dinsawai Dinsuway