De islamitische hel volgens Kitab al-Azama

MohammadVisitsHellSmalllMijn werk aan het deel over de Hel in het eeuwenoude Kitāb al-‘Azama is nu klaar. In dit bloek waren er al proeven uit verschenen.

Er zijn drie delen: de uitgave van de arabische Tekst, de Engelse vertaling en een studie. Die studie is in 2016 in een boek verschenen, maar ook online voor iedereen ter beschikking. Het is: ‘Hell in popular Muslim imagination: The anonymous Kitāb al-ʿAẓama,’ in: Chr. Lange (ed.), Locating hell in Islamic traditions, Leiden 2015, 144–62. Click hier, click dan Open Access, click Chapters (16), click 7 Hell in popular Muslim imagination, click Read.

Als U liever iets in het Nederlands leest of om welke reden dan ook meer in het paradijs geïnteresserd bent vindt U hier de Nederlandse vertaling van het Paradijs-hoofdstuk uit hetzelfde Kitāb al-‘Azama.

Terug naar Inhoud

De hete hel en de koude hel

Uit bijbel en koran kennen wij de Hel als een extreem hete plek, een voortdurend laaiend vuur. In de Arabische tekst Kitāb al-‘Azama (anonym, nog ongedateerd) trof ik naast een uitvoerige beschrijving van de ‘gewone’ hel echter ook een fragment aan over hevige koude in de hel. De auteur kon hier, als altijd onder dekmantel van godsvrucht, zijn sadistische kant weer eens helemaal uitleven.

Mālik is de wachter van de islamitische hel. In koran 43:77 komt hij kort ter sprake, wanneer de gefolterden hem vragen of de Heer hen niet dood kan maken. Hij antwoordt dan: Nee, jullie blijven hier! Het onderstaande uit ‘Azama is een vrije fantasie van een jaar of duizend geleden en maakt geen deel uit van het gebruikelijke islamitische gedachtengoed.

  • […] Dan komen de hellewachters (zabāniya; Koran 96:18) naar voren om de poorten weer te sluiten. De bewoners van de hel het Hellevuur gaan luid tekeer, wenen bitter en zeggen: Mālik, waarom heb je besloten de poorten weer te sluiten? Hij antwoordt: Het is noodzakelijk ze te sluiten en te vernagelen, want in Gehenna is er alleen benauwdheid en bestraffing; zij is pikdonker en vol bestraffingen en verschrikkingen. 
Dan gaan zij luid tekeer en zeggen: Mālik, wijs ons toch iets wat de foltering kan verlichten. Hij antwoordt: Bidt tot jullie Heer, dat hij de boeien niet nog strakker maakt. Dat doen zij, maar telkens als zij bidden wordt het hellekooksel (hamīm) heter voor hen, en de hellewachters worden toornig en tongen van vuur halen uit naar hen tot zij er ellendig aan toe zijn. Dan roepen zij alle samen om hulp: Heer, folter ons met wat Gij wilt en hoe Gij wilt, maar wees niet toornig op ons!
 Dan zeggen zij: Mālik, geef ons iets te drinken, waarmee wij onze ingewanden kunnen verkoelen. Maar hij zegt: Hoop ellendigen, in Gehenna zijn er alleen hellekooksel, kokende olie (muhl) en walgelijk voedsel (ghislīn). Zij zeggen: Dit houden wij niet uit! Hij zegt: Of jullie het uithouden of niet maakt geen verschil; jullie wordt slechts vergolden wat je hebt gedaan. Zij rumoeren allen door elkaar en roepen uit: Mālik, Mālik! – honderd jaar lang. Daarna antwoordt hij: Wat is er, ellendigen? Dan zeggen zij: Mālik, breng ons in de Koude (zamharīr)!
 De hellewachters brengen hen in de koude, die bestaat uit putten, dalen, grotten en holen, …[?] en kloven. Zij slepen hen uit de zeeën van Hellevuur en voeren hen naar de Koude. Verheugd komen zij aan bij de bergen sneeuw en het ijs van de Koude, bij de putten in de Koude en de heuvels van de Koude, die alle van de toorn Gods zijn. 
In die Koude is er een wind genaamd Ṣarṣar, die hen meevoert en hen verstrooit over die heuvels en hun vlees uitspreidt, het afsnijdt en het in de Koude werpt.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, de hellewachters laten niet af hun vlees af te snijden met messen van Gods toorn, terwijl het bloed uit hun lichamen stroomt en zij naakt en barrevoets in de Koude zijn. De foltering door de hellewachters die over hen gesteld zijn eindigt nooit.
 Honderd jaar lang roepen zij: Mālik, Mālik! maar hij zegt tot de hellewachters: Giet water uit de Koude over hun hoofden! Zij doen zoals hij bevolen had en het bevriest op hun lichamen. 
Zij schreeuwen en gaan luid tekeer en roepen weer honderd jaar lang: Mālik, Mālik! Dan zegt Mālik: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Wij hadden gehoopt dat onze foltering door de Koude verlicht zou worden, maar zij is nog erger geworden, dus breng ons weer terug naar het Hellevuur! Dan zegt Mālik tot de hellewachters: Brengt hen terug naar het Hellevuur, en dat doen zij. Wanneer zij in hun verblijven in het Hellevuur aankomen merken zij dat het zeventig maal heter is dan tevoren. 
Zij roepen honderd jaar lang: Mālik! Dan zegt Mālik tot hen: Hoe gaat het nu met jullie, ellendigen? En zij zeggen: Breng ons terug naar de Koude.
    ‘Abdallāh ibn Salām zei: Zij worden afwisselend honderd jaar op de ene plaats gefolterd en honderd jaar op de andere.

Het woord voor heftige koude, zamharīr, is zuiver Arabisch; er hoeft niet aan een Perzische oorsprong te worden gedacht. Het komt één maal in de koran voor (K. 76:13). Daar gaat het niet over de Hel, maar over het Paradijs, waar de bewoners zich ontspannen in een gematigd klimaat en geen last hebben van ‘zon of zamharīr’ — zoals dat op aarde wél het geval is, kan men erbij denken.
Ik heb slechts één hadith gevonden waarin een verband wordt gelegd tussen de Hel en hevige koude:

  • De profeet heeft gezegd: ‘De Hel klaagde bij haar Heer: ”Heer, delen van mij hebben andere verteerd.” Toen kreeg zij toestemming twee maal uit te blazen: eenmaal in de winter en eenmaal in de zomer. Dat is de extreme hitte die je ’s zomers ondergaat en de hevige koude (zamharīr) ’s winters.’ 1

Vervolgens heb ik het woord zamharīr opgezocht in de korancommentaren van Muqātil ibn Sulaymān, al-Tabarī, Ibn Kathīr en al-Qurtubī. Daar werden hoofdzakelijk lexicale verklaringen aangeboden. Al-Tabarī en al-Qurtubī citeerden de zoëven aangehaalde hadith; bovendien verwees al-Qurtubī nog naar een dichtregel van al-A‘shā (± 570–625) die sterk herinnerde aan de bewoordingen van Koran 76:13.2

Kortom, zowel de koranexegese als de hadith over het onderwerp zijn uiterst mager en kunnen niet de bron van inspiratie geweest zijn voor de levendige beschrijving in al-‘Azama. De auteur moet dus wel toegang gehad hebben tot ander gedachtenwerelden. Ik heb een joodse, een christelijke en een voorislamitische Perzische tekst gevonden waar het koud is in de Hel. Vast te stellen hoe deze zich tot elkaar verhouden gaat mijn vermogen te boven; ik vertaal ze alleen:

In de joodse legende over Mozes’ reis door de Hel is er een duidelijk contrast tussen hitte en koude:

  • Mozes gaf toe en hij zag hoe de zondaren verbrand werden, de helft van hun lichamen in vuur gedoopt en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen lichaam waren uitgebroed over hen heenkropen […]. 3

In de Hel zoals die beschreven wordt in de christelijke Apocalypse van Paulus (± 400) is er tenminste één koude plek:

  • En andermaal zag ik daar mannen en vrouwen met afgehakte handen en voeten en naakt, op een plaats vol ijs en sneeuw, terwijl wormen hen verteerden.4

In de Hel van Ardā Wirāz Nāmag (Perzisch, ± 600) ontbreekt de kou evenmin. Ook hier wordt het contrast tussen koud en heet als martelmethode gebruikt:

  •  […] boven de zielen van de zondaren die eeuwig straffen ondergingen, zoals sneeuw, natte sneeuw, heftige koude en de hitte van een fel brandend vuur, en stank en stenen en as, hagel en regen en vele andere kwaden […].De zielen dergenen die de Hel in gevallen waren; rook en hitte werden op hen geblazen van beneden en een koude wind van boven.6

En er is een gebied in de Hel dat alleen maar koud is:

  • Ik zag de ziel van een man die een berg op zijn rug droeg, en hij droeg die berg in sneeuw en koude.7

De notie van een koude Hel was in de Oudheid dus voldoende aanwezig om ‘Azama te inspireren. Maar in geen van de drie bovengenoemde bronnen wordt de koude, en het contrast van koud en heet zo uitgewerkt als in ‘Azama. Zolang ik geen andere bron ontdek ga ik er maar vanuit dat deze tekst daarin uniek is.

Arabische tekst, ontleend aan mijn ‘Azamawebpagina:

فتقدم الزبانية لترد الأبواب فيضجون أهل النار ضجّة عظيمة ويبكون بكاءً شديدًا ويقولون: يا مالك ما بال الأبواب قد عزمت على أن تردها، فيقول: لا بدّ من ردّها وتسميرها فليس في جهنم الاّ الضيق والنكال وهي سوداء مظلمة شديدة الأنكال والأهوال. فيضجون ضجة عظيمة. ويقولون: يا مالك ما تدلنا على شيء يخفف عنّا العذاب! فيقول: ادعوا ربّكم حتى لا يضيق عليكم القيود! فيدعوا فكلما دعوا يشتد عليهم الحميم وغضب الزبانية وتطاولت ألسنة النار حتى يكونوا في جهد جهيد فيستغيثون بأجمعهم: يا ربنا عذبنا بما شئت وكيف شئت ولا تغضب علينا! ثم يقولون: يا مالك اسقنا ما نبرد به أكبادنا! فيقول: يا معاشر الأشقياء ليس في جهنم الاّ الحَمِيم والمُهْل والغِسْلِين. فيقولون: ليس نصبر على هذا. فيقول: أصبروا أو لا تصبروا سواء عليكم انما تجزون ما كنتم تعملون. فيضجون باجمعهم وهم يقولون: يا مالك، مائة سنة فيجيبهم بعد مائة سنة: أي شيء بكم يا أيها الأشقياء؟ فيقولون: يا مالك، أخرجنا الى الزمهرير! فتخرجهم الزبانية الى الزمهرير من الجباب والأودية والكهوف والمغاير والتوابيت والفجاج ويشيلوهم من بحار النار، ثم يسوقوهم الى الزمهرير. فيحضروا وهم فرحين الى جبال من الثلج وأيضا زمهرير من الثلج وإلى جباب من الزمهرير وإلى آجام من الزمهرير وذلك كله من غضب الله تعالى. وفي ذلك الزمهرير ريح يقال له صرصر فتحملهم وتنسفهم في تلك الآجام فتنثر لحومهم وتقطعها وتطرحها في الزمهرير.
قال عبد الله بن سلام: والذي نفس عبد الله بيده لا تزال الزبانية تقطع لحومهم بسكاكين من غضب الله الجبار والدم يسيل من أجسامهم وهم عراة حفاة في الزمهرير. والزبانية موكلين عليهم لا يفنى عذابهم أبدًا. ينادون : يا مالك مائة سنة. فيقول للزبانية: صبّوا فوق رؤوسهم من ماء الزمهرير! فيفعلون ما أمرهم به مالك فيجمد على أبدانهم فيصرخون ويضجّون ضجّة عظيمة، ثم ينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: إنما رجونا أن يخفف عنا العذاب بالزمهرير فلقد زاد عذابنا فردونا إلى النار! فيقول مالك للزبانية: ردوهم الى النار! فيردوهم، فاذا وصلوا الى منازلهم في النار وجدوا النار قد زادت سبعين ضعفًا عما كانت. فينادون: يا مالك، مائة سنة. فيقول لهم مالك: ما حالكم يا أشقياء؟ فيقولون: أخرجنا الى الزمهرير!
قال عبد الله بن سلام ر يعذبون هاهنا مائة سنة وهاهنا مائة سنة.

NOTEN
1. Muslim, Masādjid 185; Bukhārī, Mawāqīt 9 en enige andere plaatsen.

وَحَدَّثَنِي عَمْرُو بْنُ سَوَّادٍ وَحَرْمَلَةُ بْنُ يَحْيَى وَاللَّفْظُ لِحَرْمَلَةَ أَخْبَرَنَا ابْنُ وَهْبٍ أَخْبَرَنِي يُونُسُ عَنْ ابْنِ شِهَابٍ قَالَ حَدَّثَنِي أَبُو سَلَمَةَ بْنُ عَبْدِ الرَّحْمَنِ أَنَّهُ سَمِعَ أَبَا هُرَيْرَةَ يَقُولُ قَالَ رَسُولُ اللَّهِ ص اشْتَكَتْ النَّارُ إِلَى رَبِّهَا فَقَالَتْ يَا رَبِّ أَكَلَ بَعْضِي بَعْضًا. فَأَذِنَ لَهَا بِنَفَسَيْنِ نَفَسٍ فِي الشِّتَاءِ وَنَفَسٍ فِي الصَّيْفِ. فَهْوَ أَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الْحَرِّ وَأَشَدُّ مَا تَجِدُونَ مِنْ الزَّمْهَرِيرِ.

2.  .مُنَعَّمَةٌ طَفْلَةٌ كَالْمَهَاةِ لَمْ تَرَ شَمْسًا وَلَا زَمْهَرِيرَ
3. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, 6 dln., Philadelphia 1955, ii, 313; verdere verwijzingen v, 418.
4. Apocalypse of Paul 39, vert.. M.R. James. Online hier.
5. Ardā Wirāz Nāmag: the Iranian ‘Divina commedia’, uitg. vert. en commt. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 209. Een oudere, minder goede vertaling staat online.
6. ibid. 217. Andere plaatsen ibid. 202, 210.
7. ibid. 206.

Terug naar Inhoud

Hell’s Angels

Hierbij een fragment uit „The haunted lotus“ (2011–2012) van de Afghaanse kunstenaar Khadim Ali, dat deze zomer op de Documenta in Kassel was te zien. Op de achtergrond een Boeddhabeeld — niet verwonderlijk, want de kunstenaar werkt o.a. in Bamiyan, waar ooit de Taliban een reusachtig Boeddhabeeld vernietigden. Op de voorgrond zijn duidelijk de zabāniya te herkennen, de folterknechten in de hel, ofwel Hell’s Angels, die in Koran 96:18 worden genoemd.

Terug naar Inhoud

Het Azama-project

Ik schreef hier al eerder over het anonieme Arabische boek Kitāb al-‘Azama, waaraan ik ga werken. Het handelt over de kosmos, de Hel, het Paradijs en nog veel meer. Ik beschik over kopieën van een aantal handschriften. Lang heb ik deze tekst willen uitgeven als boek. Maar dat zou een enorm werk zijn en resulteren in een erg dikke pil, die alleen al door zijn omvang erg duur zou worden. En voor wie? Het eigenlijke publiek woont in het Nabije-Oosten; dat bereik je niet met een peperduur in Europa gedrukt werk. Bovendien is het boek nogal flodderig: een weinig precies boek van een jaar of duizend oud, waarvoor een pietluttige wetenschappelijke uitgave misschien te veel eer zou zijn.
Daarom dacht ik: ik breng het in het internet, in een semi-kritische editie. Intussen heb ik er een aparte webpagina voor geopend. Voordeel van publicatie in het net is dat ik het stukje voor stukje kan doen; het hoeft niet meteen klaar en perfect te zijn. Tijdens het ontstaan zal ik de tekstuitgaven en vertalingen verfijnen, gemaakte fouten nog herstellen en de gevolgde methode eventueel nog verbeteren. En vooral: ik blijf er ontspannen bij. Zo wordt het niet echt werken.
U kunt in mijn keuken kijken, maar hoeft dat natuurlijk niet. U zult rammelende zinnen zien in de vertalingen, maar te bedenken is, dat die er in het origineel ook bij hopen staan.
De vertaling, de inleidende tekst en de commentaren zal ik in het Engels aanbieden, zodat ik de komende halve eeuw niet slechts twee lezers vind, maar misschien wel twintig! Die twintig zou ik aanraden: als u geïnteresseerd bent, download het, copieer het, weet ik veel; want niemand weet hoe lang ik nog hier ben en hoe lang het internet nog bestaat.

Dat het boek flodderig is betekent overigens niet dat het niet interessant zou zijn. Als het maar oud genoeg is, is ook het meest vulgaire werk interessant, en de kern van dit boek is wel zo’n duizend jaar oud schat ik. Het geeft een inzicht in hoe bepaalde – ik weet nog niet welke – islamitische kringen aankeken tegen het ontstaan van de wereld, het paradijs en de hel.
Een eerste indruk van het werk verschaft een artikel dat ik er in 1993 in het Engels over schreef. Bovendien blijven er proeven van een Nederlandse vertaling in dit blog staan: een beschrijving van het islamitische Paradijs en een fragment van de Hel.

Diakritische tekens: Kitāb al-ʿAẓama

Terug naar Inhoud

Is de hel een vrouw?

Het is volgens koran 50:30 in ieder geval een vrouwelijk wezen dat kan praten en een grote … eh, muilinhoud heeft: يوم نقول لجهنم هل امتلأت وتقول هل من مزيد  … op de dag dat Wij tot de hel zeggen: ‘Ben je al vol?’ en dat zij zegt: ‘Komt er nog meer?’
Ik was benieuwd wat de oude moslims over die personificatie van de hel gedacht hadden en sloeg een paar gangbare korancommentaren op: Muqātil, aṭ-Ṭabarī, al-Qurṭubī, Ibn Kathīr.
Niets! Wel veel over het enorme bevattingsvermogen van de hel en over de precieze nuance van de woorden: ‘Komt er nog meer?’: is dat gulzigheid, of veeleer protest? En het blijkt dat ook het paradijs kan praten, want er wordt een hadith geciteerd waarin hel en paradijs een twistgesprek hebben:

  • … van Abū Hurayra, van de profeet… : De hel en het paradijs voerden een dispuut. De hel zei: ‘Ik ben bevoorrecht met de arroganten en de geweldenaren’. Het paradijs zei: ‘Waarom komen bij mij alleen de zwakkelingen en de stakkers en de sukkels binnen?’ God zei tegen het paradijs: ‘Jij bent mijn erbarmen; met jou betoon ik erbarmen aan de mensen die ik wil’, en tegen de hel zei hij: ‘Jij bent mijn bestraffing; met jou folter ik de mensen die ik wil. Elk van beiden hebben jullie een punt dat je vol bent.’
    De hel wordt niet vol totdat Hij zijn voet daarin zet ; dan zegt zij: ‘Genoeg, genoeg!’ Dan is zij vol en wordt zij samengevouwen. 1

Mijn beginvraag was dus verkeerd. Het was slechts de vraag van een vervelend catechisantje, want een ware gelovige behoort zich niet voor stellen hoe de hemel en de hel zijn. Het rechtschapen islamitische antwoord op zulke vragen is: bilā kayf, ‘zonder te vragen hoe.’ Ik blijf dus met mijn verlangen naar een voorstelling van de hel zitten, temeer omdat elders in de koran veel andere voorstellingen worden aangereikt: de hel is een laaiend vuur (nār), ‘een slechte rustplaats’ (biʾsa al-mihād); zij bevindt zich op een onbekende, maar blijkbaar vaste plek met zeven poorten, die over de ‘helleweg’ (ṣirāṭ al-djaḥīm) bereikt wordt. Maar zij wordt ook ‘gebracht’, volgens koran 89:23: وجيء يومئذ بجهنم ‘…en op die dag de hel gebracht wordt’.

Een vrome zou misschien zeggen dat ik beter kan geloven en weinig zondigen, zodat ik de hel niet hoef te leren kennen. Ik peins daar niet over, maar zie deze teksten als waarschuwing: denk maar niet dat je het gedachtengoed van de Oudheid begrijpt. Moderne moslims doen dat evenmin, denk ik.

NOOT
1. Een stukje Rangstreitdichtung; daarover moet maar een aparte bijdrage komen.

‎وحدثني محمد بن رافع حدثنا شبابة حدثني ورقاء عن أبي الزناد عن الأعرج عن أبي هريرة عن النبي صلى الله عليه وسلم قال تحاجت النار والجنة فقالت النار أوثرت بالمتكبرين والمتجبرين وقالت الجنة فما لي لا يدخلني إلا ضعفاء الناس وسقطهم وعجزهم فقال الله للجنة أنت رحمتي أرحم بك من أشاء من عبادي وقال للنار أنت عذابي أعذب بك من أشاء من عبادي ولكل واحدة منكم ملؤها فأما النار فلا تمتلئ فيضع قدمه عليها فتقول قط قط فهنالك تمتلئ ويزوى بعضها إلى بعض.

In al-Ṭabarī’s korancommentaar op 50:30, maar bovenstaande versie ook bij Muslim, Ṣaḥīḥ, Djanna 35; er zijn ettelijke andere versies.

Terug naar Inhoud

De hel volgens al-Kisa’i

(Over de auteur zie hier.)

Wahb ibn Munabbih heeft gezegd: De hel heeft zeven poorten; de afstand tussen elke twee van hen is een reis van vijfhonderd jaar. In iedere poort zijn zeventigduizend soorten foltering: touwen, handboeien, voetboeien, kettingen, vergiften, ḥamīm en zaqqūm.
De eerste is Djahannam (Gehenna). De tweede is Laẓā, die is voor de beeldendienaren. De derde is Hutama, voor Yādjūdj en Mādjūdj (Gog en Magog) en dergelijke ongelovigen. De vierde is Sa‘īr, die is voor de Satan, [zoals] God heeft gezegd: Wij hebben voor hen de kwelling van de vuurgloed (Sa‘īr) bereid (koran 67:5). De vijfde is Saqar, voor degenen die het gebed niet verrichten en geen aalmoezen geven, zoals Hij heeft gezegd: Wat heeft u in Saqar gebracht? Zij zullen zeggen: Wij behoorden niet tot degenen die het gebed verrichtten en de armen hebben wij niet gespijzigd; en wij hebben meegepraat met de leugensprekers en de Dag des Oordeels hebben wij geloochend, tot de zekere [dood] tot ons kwam (k. 74:42–47). De zesde is Djahīm, die is voor de joden, christenen en magiërs. De zevende is Hāwiya, die is voor de Halfhartigen, want Hij zegt: De halfhartigen komen in de laagste verdieping van het hellevuur (k. 4:145). Dit alles is ontleend aan Zijn woord: Zij heeft zeven poorten; elke van hen heeft een toegewezen deel (k. 15:44).
Ibn ‘Abbās heeft gezegd: Het paradijs is aan de rechterkant van de Troon en de hel is aan de linkerkant, en zij heeft zeven koppen.
Ka‘b al-Ahbār heeft gezegd: Zij heeft zeven lagen, zeven poorten en zeven koppen, waarvan elke drieëndertig monden heeft. In iedere mond zijn tongen, welker aantal niemand kent dan God; zij loven God op verschillende manieren. Er zijn daar bomen van vuur, waarvan de doorns als lange lansen zijn en laaien van vuur. Daaraan hangen vruchten van vuur en op iedere vrucht is een slang die de ongelovige bij zijn oogharen en lippen pakt en dan zijn huid afstroopt tot aan zijn voeten. En er zijn ook beulsknechten met ijzeren kromstaven in hun handen; elke daarvan heeft aan het eind driehonderdzestig zuilen van vuur, die djinns noch mensen kunnen dragen. Daarover zijn negentien engelen aangesteld, zoals God zegt: de huid verzengend; over haar zijn negentien (k. 74:29–30), die God niet ongehoorzaam zijn en hun bevelen uitvoeren.

Arabische bron: Al-Kisāʾī, Vita prophetarum, uitg. Isaac Eisenberg, Leiden 1922, 18–19.

صفة جهنم.
قال وهب بن منبه رضه: وأما جهنم فلها سبعة أبواب ما بين البابين مسيرة خمسمائة عام في كل باب سبعون ألف صنف من العذاب من قيود وأنكال وأغلال وسلاسل وسموم وحميم وزقوم. فأولى جهنم والثانية لَظَى وهي لعبدة الأصنام والثالثة الحُطَمَة وهي لياجوج وماجوج وما يشببههم من الكفار والرابعة السَعِير وهي للشيطان قال الله تعالى وَأَعْتَدْنَا لَهُمْ عَذَابَ السَّعِيرِ والخامسة سَقَرُ وهي لمن لا يصلّي ولا يزكّي وذلك قوله تعالى مَا سَلَكَكُمْ فِي سَقَرَ قَالُوا لَمْ نَكُ مِنَ الْمُصَلِّينَ وَلَمْ نَكُ نُطْعِمُ الْمِسْكِينَ وَكُنَّا نَخُوضُ مَعَ الْخَائِضِينَ وَكُنَّا نُكَذِّبُ بِيَوْمِ الدِّينِ حَتَّىٰ أَتَانَا الْيَقِينُ والسادسة الجَحِيمُ وهي لليهود والنصارى والمجوس والسابعة الهَاوِيَةُ وهي للمنافقين لقوله تعالى إِنَّ الْمُنَافِقِينَ فِي الدَّرْكِ الْأَسْفَلِ مِنَ النَّارِ وهذا كله مأخوذ من قوله تعالى لَهَا سَبْعَةُ أَبْوَابٍ لِكُلِّ بَابٍ مِنْهُمْ جُزْءٌ مَقْسُومٌ، قال ابن عباس رضه الجنة عن يمين العرش والنار عن شماله ولها سبعة رؤوس. قال كعب الأحبار لها سبعة أطباق وسلعة أبواب وسبعة رؤوس في كل رأس ثلاثة وثلاثون فمًا في كل فم من الألسنة ما لا يحصي عددها الا الله تعالى وهي تسبّح الله بأنواع التسبيح وفيها أشجار من النار شوكها كأمثال الرماح الطوال فتلظى بالنيران وعليها أثمار من النار وعلى كل ثمرة حيّة تأخذ بأشفار عين الكافر وشفتيه فيسقط لحمه على قدميه وفيها زبانية في أيديهم مقامع من حديد في رأس كل مقمعة ثلثمائة وستون عمودًا من نار كل عمود يعجز عن حمله الجنّ والإنس وعليها تسعة عشر من الملائكة كما قال الله تعالى لَوَّاحَةٌ لِلْبَشَرِ عَلَيْهَا تِسْعَةَ عَشَرَ لا يعصون الله ما أمرهم ويفعلون ما يؤمرون.

Diakritische tekens: ḥamīm, Laẓā, Ḥuṭama, Djaḥīm, Kaʿb al-Aḥbār

Naar Profetenverhalen     Terug naar Inhoud

Hellestraffen

Volgens de islamitische overlevering heeft Mohammed een reis door hemel en hel gemaakt. Het oudste bericht daarover is te vinden in de sira van Ibn Ishāq (gest. 767). Later is er een hele hemelvaartliteratuur ontstaan (mi‘rādj), waaraan ook Dante veel te danken heeft.
.
In de joodse en christelijke literaturen bestonden er al ettelijke zulke reisverhalen, bekend onder de naam Apocalypse. Een ervan is er in de bijbel beland: de openbaring van Johannes. Andere vond men daarvoor niet goed genoeg, maar ze bestaan nog wel: de apocalypsen van Henoch, Mozes, Petrus, Paulus en nog anderen. In de Perzische literatuur moet dit soort verhaal al veel langer hebben bestaan.
De hel wordt meestal met meer verve beschreven dan het paradijs. Horror en sadisme zijn nu eenmaal spannender dan eeuwigdurende vreugde. De menselijke behoefte aan bloederige folteringen, die tegenwoordig door griezelfilms uit Hollywood wordt bevredigd, werd dat indertijd door dit soort teksten.
Uit het hemelvaartverhaal van Mohammed hier een klein detail. De profeet bezichtigt in de hel verschillende groepen zondaren:

  • Toen zag ik mannen met hanglippen als kamelen; in hun handen hadden zij stukken vuur als vuistgrote stenen, die zij in hun mond wierpen en die er van achteren weer uitkwamen. Ik vroeg Gabriël wie dat waren. Hij zei: ‘Dat zijn de mensen die onrechtmatig het bezit van de wezen hebben verteerd.’
  • Toen zag ik mannen, die mager stinkend vlees voor zich hadden staan en vet, smakelijk vlees ernaast, maar alleen van het stinkende vlees konden zij eten. ‘Wie zijn dat?’ vroeg ik Gabriël. Hij zei: ‘Dat zijn degenen die niet de vrouwen namen die God hun toestond, maar vrouwen naliepen die God hun verboden had.1

De berichtjes zijn dus opgebouwd volgens een bepaald patroon: ‘Ik zag …, ik vroeg: Wie …? … en hij zei: Dit zijn … .’ De reiziger is een man met een zeer groot religieus prestige, die als bron voor de kennis van hemel en hel plausibel wordt geacht. In de vroegere apocalyptische teksten is dit precies zo. In de Apocalypse van Paulus ziet het er als volgt uit:

  • En ik zag een mens, die tot zijn knieën in de vurige stroom stond. Zijn handen waren uitgestrekt en bebloed; wormen kwamen uit zijn mond en neusgaten. Hij zuchtte en weende en riep uit: ‘Ontferm u mijner, want mij wordt meer leed berokkend dan de anderen die deze straf ondergaan. Ik vroeg: ‘Wie is dit, heer?’ Hij zei: ‘Deze man die je ziet is een diaken geweest die de offergaven zelf opat, hoereerde en het goede voor het aangezicht Gods niet deed. Daarom boet hij met deze straf zonder ophouden.’ 2

En in het voorislamitische Perzische boek Ardā Wirāz, vroeger bekend als Arda Viraf, zo:

  • En ik zag de ziel van een man, wiens ogen waren uitgestoken en wiens tong was afgesneden; hij was in de hel aan één voet opgehangen, zijn lichaam werd telkens met een tweezijdige koperen kam geharkt, en een ijzeren spijker was in zijn hoofd gedreven. Ik vroeg: ‘Wie is deze man en welke zonde heeft hij begaan?’ Srōsh de vrome en de god Ādur zeiden: ‘Dit is de ziel van die goddeloze rechter, wiens [taak] in de wereld het was de goddelozen te veroordelen, maar hij nam steekpenningen aan en wees leugenachtige vonnissen.’ 3

In de joodse legende, waarvan ik alleen de Engelse versie van Ginzberg4 heb, wordt de vraag weggelaten:

  • Toen zei Nasargiel tot Mozes: “Kom en zie hoe de zondaren in de hel worden verbrand,” […] Mozes gaf toe en zag hoe de zondaren werden verbrand, de ene helft van hun lichaam gedompeld in vuur en de andere helft in sneeuw, terwijl wormen die in hun eigen vlees tot leven waren gekomen over hen heen kropen en de Engelen van Vernietiging hen zonder ophouden sloegen. Nasargiel zei: ‘Dit zijn de zondaren die incest, moord en afgoderij begaan hebben, die hun ouders en leraren hebben vervloekt en die, zoals Nimrod en anderen, zichzelf goden noemden.’

Het is duidelijk dat het verhaal over Mohammeds hemelreis in een lange traditie staat. De tekst uit Perzië is niet zo oud, maar omdat paradijs en hel Perzische uitvindingen zijn is het denkbaar dat ook dit motief daar al veel eerder bestond.
Dit zijn maar een paar voorbeelden. In de teksten, vooral in Ardā Wirāz, gaat het om hele rijen zondaren, over wie steeds volgens hetzelfde stramien wordt verteld.

Noten
1. Ibn Isḥāq: Ibn Ishaak, Het leven van Mohammed, vert. Wim Raven, Amsterdam 2000, 85. (± 760)
2. Apokalypse des Paulus,’ in: Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung. II. Apostolisches.Apokalypsen und Verwandtes, uitg. W. Schneemelcher, Tübingen 51989, 663ff. (4e eeuw) (Het hele boek in een Engelse vertaling hier.)
3. Ardā Wirāz Nāmag. The Iranian ‘Divina Commedia’, ed. Fereydun Vahman, London/Malmö 1986, 214. (6e eeuw) (Het hele boek in een oudere Engelse vertaling hier.)
4. Het zou echter kunnen zijn dat Ginzberg wat heeft verkort en de vraag heeft weggelaten. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews, Philadelphia 1954–59, ii, 312; bronvermeldingen v, 416–18.

Terug naar Inhoud