De chronologie van de koran. Wijnverbod

Volgens de traditionele islamitische overtuiging heeft de profeet Mohammed de koran gedurende 23 jaar in gedeelten ontvangen. Volgens deze opvatting zijn er dus vroege en late gedeelten in de koran. Al sinds de achtste eeuw hebben moslims geprobeerd de chronologie van de openbaringen vast te leggen. Hun resultaten vindt U terug in de kopjes bovenaan iedere soera. Daar staat bij voorbeeld ‘Mekkaans’, d.w.z. geopenbaard toen de profeet in Mekka verbleef, of ‘Medinisch’, geopenbaard toen de profeet al naar Medina was geëmigreerd. Het kan ook preciezer: in grotere koranuitgaven staat in het kopje: geopenbaard na soera zo-en-zoveel.
Waarom was het van belang de chronologische volgorde van de koranopenbaringen vast te leggen? Eén reden was dat latere koranverzen geacht werden oudere af te schaffen (naskh). Dat was van belang voor het islamitische recht.
Een eenvoudig voorbeeld. Over het gebruik van wijn staan er vier verzen in de koran.

  • Van de vruchten van palmen en wijnstokken maken julie een bedwelmende drank en goede voeding. (K 16:67)
  • Jullie die geloven!  Nadert niet tot het gebed als jullie dronken zijn, tot jullie weer weten wat je zegt … (K 4:43)
  • Zij vragen je naar  de wijn en het kansspel. Zeg: In beide is grote zonde en nut voor de mensen, maar hun zonde is groter dan het nut. (K 2:219)
  • Jullie die geloven! De wijn, het kansspel, de offerstenen en de lotspijlen zijn een gruwel, het werk van Satan. Gaat die uit de weg; misschien zal het jullie dan goed gaan. (K 5:90–91)

Wanneer het laatst geciteerde vers nu ook het jongste is, is dat het vers dat de andere afschaft (nāsikh): het vers dat geldt. Daarop is dan ook het wijnverbod in de islam gebaseerd.
Maar ook een alledaagse historische belangstelling zal een rol hebben gespeeld: de mensen wilden nu eenmaal graag weten bij welke gelegenheid, naar welke aanleiding een koranfragment geopenbaard was. Dat leidde tot de koppeling van nog meer openbaringen aan gebeurtenissen in het leven van de profeet. Om die koppeling mogelijk te maken was er natuurlijk wel een biografie van de profeet (sira) nodig. De eerste pogingen daartoe dateren van omstreeks 700, maar die waren nogal fragmentarisch en ongeordend. De eerste grote biografie was opgenomen in het geschiedwerk van Ibn Isḥāq, dat omstreeks 760 tot stand gekomen is. Hij was ook de eerste die de biografie een solide chronologisch kader meegaf.
Ibn Ishaq was geen tijdgenoot van de profeet en genoot niet het prestige van de eerste generaties moslims. Zijn werk werd in de oude tijd veeleer kritisch beoordeeld. Er staan veel bedenkelijke verhalen in zonder een behoorlijke overleveringketen (isnad). Toch lijkt zijn biografie voor het islamitische geloofsgebouw onmisbaar. Zonder biografie geen chronologie van de koranverzen, en zonder die chronologie zou de sharia er heel anders uitzien. Als niet het laatste van de bovenstaande vier verzen over wijn gezaghebbend was geworden, met uitsluiting van de andere, dan dronken we nu misschien wijn uit Shiraz.

Hoe zijn orientalisten met dit onderwerp omgegaan? In de negentiende en begin twintigste eeuw zijn zij erg dicht bij de islamitische overlevering gebleven. Ze geloofden weliswaar niet dat de koran geopenbaard was, maar gingen er wel vanuit dat de koran gedurende 23 jaar door Mohammed in de wereld werd gezet, en zij hielden de biografie van de profeet in grote lijnen voor geloofwaardig. Wel waren zij zo pedant, de chronologische volgorde van de koranfragmenten nog eens heel precies vast te willen stellen, beter dan de oude moslims het hadden gedaan. Het systeem van → Nöldeke en Schwally, met zijn indeling in drie Mekkaanse periodes en één uit Medina, heeft in niet-islamitische kring het meeste gezag gekregen. Maar ook andere geleerden hebben hieraan gewerkt, zodat we nu over een aantal voorstellen tot chronologie beschikken. De resultaten van hun werk worden samengevat door → Welch.

Inmiddels geloven nog maar weinig niet-islamitische geleerden dat de biografie van de profeet een bruikbare bron is voor geschiedschrijving. Daarmee valt dan ook de basis voor de chronologie van de koran weg. Maar zo ver heeft nog bijna niemand durven doordenken. Wie niet door geloof wordt gehinderd zou nu dus het ontstaan van de koran gedurende 23 jaar in twijfel kunnen trekken. Denkbaar is immers dat de heel verschillend vormgegeven tekstdelen niet na elkaar zijn ontstaan, maar naast elkaar, in verschillende omgevingen. De bliksemende, bezwerende korte soera’s en de woordenrijke wetgevende teksten uit de langere soera’s hebben een heel andere inhoud en kleur; waarom niet ook een andere herkomst? Moderne geleerden zitten niet zoals hun collega’s van een eeuw geleden vastgebakken aan Mohammed als auteur van de koran. Om bij het voorbeeld ‘wijn’ te blijven: er zouden in één omgeving in dezelfde tijd kringen mensen geweest kunnen zijn die wijn drinken heel ontspannen beoordeelden en andere die er fel tegen waren.
Dit zou betekenen dat de koran teksten zou bevatten uit meer dan één bron. Een bronnenscheiding dus, net als bij het bijbelonderzoek in de negentiende eeuw. → J. Wansbrough heeft op dit gebied al heel wat afgedacht, maar omdat hij bepaalde fouten heeft gemaakt, worden ook zijn wél vruchtbare gedachtengangen niet graag meer gehoord. Wansbrough heeft in ieder geval bevorderd dat over de hele zaak nog eens opnieuw wordt gedacht. De gedachten zijn vrij, en de bewijzen van de oudere oriëntalisten brokkelen af, dus veel heeft niemand in handen.

Traditioneel ingestelde moslims zullen de bovenstaande suggestie direct verwerpen. Het idee dat de koran teksten zou bevatten uit verscheidene bronnen is hun een gruwel. Voor hen heeft de koran maar één bron, en dat is God.
Kritischer ingestelde moslims weten wel dat Ibn Isḥāq geen heilige was, en dat ook de oude kennis over de chronologie en de ‘aanleidingen tot de openbaring’ maar mensenwerk was: een vroege vorm van wetenschap, die desgewenst voor verouderd kan worden verklaard. Hoe zij dat rijmen met hun geloof is hun probleem.
Maar dat moderne niet-moslimse geleerden braaf aan de islamitische traditie vasthouden, daar tegelijkertijd een flinke portie pedanterie op loslaten maar dan wel verzuimen de nieuwere inzichten over de profetenbiografie erbij te betrekken, dát is nalatig en beschamend.

Bibliografie:
G. Böwering, ‘Chronology and the Qurʾān,’ in EQ.
Th. Nöldeke, Geschichte des Qorāns, zweite Auflage bearbeitet von F. Schwally, G. Bergsträsser en O. Pretzl, 3 dln., Leipzig 1909–1938, reprint Hildesheim 1981, i, 58–234.
A. T. Welch, ‘Ḳurʾān,’ in EI2, v, 414–419.
J. Wansbrough, Quranic Studies. Sources and methods of scriptural interpretation, Oxford 1977.

Terug naar Inhoud

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s